Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Beroep wegens niet-nakoming - Besluit van Commissie om met redenen omkleed advies uit te brengen - Toepassing van collegialiteitsbeginsel - Draagwijdte
(EG-Verdrag, art. 169)
2 Lidstaten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet-nakoming - Rechtvaardiging - Ontoelaatbaarheid
(EG-Verdrag, art. 169)
Samenvatting
1 Weliswaar moet het besluit van de Commissie om in het kader van een beroep krachtens artikel 169 van het Verdrag een met redenen omkleed advies uit te brengen, volgens het collegialiteitsbeginsel worden genomen, maar de formele vereisten die voor een daadwerkelijke eerbiediging van dat beginsel in acht moeten worden genomen, verschillen naargelang de aard en de rechtsgevolgen van de door de instelling vastgestelde handelingen. Aangezien het hier een procedure vooraf betreft, waaraan voor de adressaat ervan geen bindend rechtsgevolg is verbonden en die slechts een precontentieuze fase vormt van een procedure die eventueel kan resulteren in een beroep op het Hof, moet een dergelijk besluit van de Commissie om een met redenen omkleed advies uit te brengen, door het college in gemeen overleg worden genomen, hetgeen betekent, dat de gegevens waarop dat besluit is gebaseerd, ter beschikking moeten zijn van de leden van het college. Het college hoeft echter niet zelf de tekst van een handeling waarin dat besluit wordt bekrachtigd, en de definitieve vorm ervan vast te stellen.
2 Een lidstaat kan zich niet op nationale bepalingen, praktijken of situaties beroepen ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van door een richtlijn voorgeschreven verplichtingen of termijnen.
Partijen
In zaak C-272/97,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Caeiro en J. Grunwald, juridisch adviseurs, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door E. Röder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, en A. Dittrich, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Justitie, als gemachtigden, Postfach 13 08, D-53003 Bonn,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland, door niet binnen de gestelde termijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 90/605/EEG van de Raad van 8 november 1990 tot wijziging van de richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG betreffende respectievelijk de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening, ten aanzien van het toepassingsgebied van deze richtlijnen (PB L 317, blz. 60), de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: P. J. G. Kapteyn, kamerpresident, G. Hirsch, G. F. Mancini, H. Ragnemalm (rapporteur) en R. Schintgen, rechters,
advocaat-generaal: A. Cosmas
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 december 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 28 juli 1997, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EG-Verdrag verzocht vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland, door niet binnen de gestelde termijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 90/605/EEG van de Raad van 8 november 1990 tot wijziging van de richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG betreffende respectievelijk de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening, ten aanzien van het toepassingsgebied van deze richtlijnen (PB L 317, blz. 60), de krachtens dat Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Richtlijn 90/605
2 Richtlijn 90/605 heeft tot doel, het toepassingsgebied te wijzigen van de Vierde richtlijn (78/660/EEG) van de Raad van 25 juli 1978, vastgesteld op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g, van het Verdrag en betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (PB L 222, blz. 11), alsook van de Zevende richtlijn (83/349/EEG) van de Raad van 13 juni 1983, vastgesteld op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g, van het Verdrag en betreffende de geconsolideerde jaarrekening (PB L 193, blz. 1).
3 De richtlijnen 78/660 en 83/349 schrijven maatregelen voor tot coördinatie van de nationale voorschriften betreffende de jaarrekening respectievelijk de geconsolideerde jaarrekening van kapitaalvennootschappen. Zij zijn in Duitsland van toepassing op de navolgende vennootschapsvormen: de Aktiengesellschaft (naamloze vennootschap), de Kommanditgesellschaft auf Aktien (commanditaire vennootschap op aandelen) en de Gesellschaft mit beschränkter Haftung (vennootschap met beperkte aansprakelijkheid).
4 Richtlijn 90/605 breidt het toepassingsgebied van de richtlijnen 78/660 en 83/349 uit tot bepaalde categorieën personenvennootschappen, waarvan de vennoten zelf bepaalde vormen van vennootschappen zijn.
5 De artikelen 1 en 2 van richtlijn 90/605 breiden in Duitsland de toepassing van de bij richtlijn 78/660 respectievelijk richtlijn 83/349 voorgeschreven coördinatiemaatregelen uit tot twee vennootschapsvormen, de offene Handelsgesellschaft (vennootschap onder firma) en de Kommanditgesellschaft (gewone commanditaire vennootschap), indien al hun onbeperkt aansprakelijke vennoten vennootschappen van in punt 3 van het onderhavige arrest vermelde rechtsvormen zijn, of vennootschappen die niet onder het recht van een lidstaat vallen, maar die een rechtsvorm hebben die vergelijkbaar is met die welke zijn genoemd in de Eerste richtlijn (68/151/EEG) van de Raad van 9 maart 1968 strekkende tot het coördineren van de waarborgen, welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 58 van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken (PB L 65, blz. 8).
6 Richtlijn 90/605 breidt de coördinatiemaatregelen ook uit tot de in punt 5 van het onderhavige arrest bedoelde vennootschapsvormen, indien al hun onbeperkt aansprakelijke vennoten één van de in de punten 3 of 5 van het onderhavige arrest vermelde vennootschapsvormen hebben.
7 Artikel 3, lid 1, van richtlijn 90/605 bepaalt, dat de lidstaten vóór 1 januari 1993 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om aan die richtlijn te voldoen, en de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen.
De precontentieuze procedure en de conclusies van partijen
8 Bij het verstrijken van de in artikel 3, lid 1, van richtlijn 90/605 bedoelde termijn deed de Commissie, die geen mededeling of enige andere inlichting over de uitvoeringsmaatregelen had ontvangen, de Duitse regering op 12 maart 1993 een aanmaningsbrief toekomen.
9 De Duitse regering antwoordde op 2 juni 1993, dat de uitvoering van richtlijn 90/605 aan de gang was.
10 Toen de Commissie na die datum niets vernam waaruit zij kon opmaken dat richtlijn 90/605 was uitgevoerd, deed zij de Bondsrepubliek Duitsland bij brief van 13 juni 1994 een met redenen omkleed advies toekomen, waarin zij constateerde dat deze lidstaat, door niet de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om aan richtlijn 90/605 te voldoen, de krachtens die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet was nagekomen, en hem dan ook verzocht, binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van dat advies de nodige maatregelen vast te stellen om zich ernaar te voegen.
11 Daar de Duitse regering niet antwoordde, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld, waarmee zij het Hof verzoekt, het verzuim van de Bondsrepubliek Duitsland vast te stellen en deze laatste in de kosten te verwijzen.
12 De Duitse regering verzoekt het Hof, het beroep niet-ontvankelijk en, subsidiair, ongegrond te verklaren, het te verwerpen en de Commissie in de kosten te verwijzen.
De ontvankelijkheid
13 De Duitse regering betoogt primair, dat het beroep niet-ontvankelijk is, op grond dat het met redenen omkleed advies van 13 juni 1994 is opgesteld met schending van het in de artikelen 163 EG-Verdrag en 16 van het reglement van orde van de Commissie neergelegde collegialiteitsbeginsel.
14 Volgens die regering vereist het collegialiteitsbeginsel, dat besluiten in gemeen overleg worden genomen. De leden van het college moeten dus, op het ogenblik van de vergadering, zowel het dispositief van het besluit dat het overweegt te nemen, als de motivering ervan kennen. De Duitse regering is van mening, dat in de onderhavige zaak niet aan die vereisten is voldaan.
15 De Commissie stelt, dat het met redenen omkleed advies is goedgekeurd door de instelling handelend als college. Zij heeft dit besluit genomen, zonder over de volledige tekst van het ontwerp van het met redenen omkleed advies te beschikken, maar zich baserend op een document, gepresenteerd in de vorm van een overzicht, dat tal van gegevens en een motivering betreffende de voorgestelde procedurele maatregel bevat. De Commissie is dus van mening, dat zij rechtsgeldig een principebesluit heeft genomen, dat vervolgens door de bevoegde diensten is uitgevoerd onder de verantwoordelijkheid van het met het betrokken gebied belaste lid.
16 Vooraf zij eraan herinnerd, dat het Hof in het arrest van 29 september 1998, Commissie/Duitsland (C-191/95, Jurispr. blz. I-5449), reeds de gelegenheid had, de voorwaarden voor het vaststellen van met redenen omklede adviezen door de Commissie te onderzoeken.
17 In de punten 36 en 41 van dat arrest wees het Hof erop, dat het besluit van de Commissie om een met redenen omkleed advies uit te brengen, volgens het collegialiteitsbeginsel moet worden genomen, en dat de formele vereisten die voor een daadwerkelijke eerbiediging van dat beginsel in acht moeten worden genomen, verschillen naargelang de aard en de rechtsgevolgen van de door de instelling vastgestelde handelingen.
18 Wat het uitbrengen van een met redenen omkleed advies betreft, merkte het Hof in punt 44 van dat arrest op, dat het hier een procedure vooraf betreft, waaraan voor de adressaat van het advies geen bindend rechtsgevolg is verbonden en die slechts een precontentieuze fase vormt van een procedure die eventueel kan resulteren in een beroep op het Hof.
19 In punt 48 van dat arrest stelde het Hof dus vast, dat het besluit van de Commissie om een met redenen omkleed advies uit te brengen, door het college in gemeen overleg moet worden genomen, hetgeen betekent, dat de gegevens waarop dat besluit is gebaseerd, ter beschikking moeten zijn van de leden van het college. In datzelfde punt merkte het Hof echter ook op, dat het college niet zelf de tekst van de handelingen waarin die besluiten worden bekrachtigd en de definitieve vorm ervan hoeft vast te stellen.
20 In de punten 49 en 50 van dat arrest wees het Hof erop, dat vaststond, dat de leden van het college beschikten over alle gegevens die zij voor hun besluitvorming dienstig achtten toen het college besloot het met redenen omkleed advies uit te brengen, en dat, in die omstandigheden, de uit het collegialiteitsbeginsel voortvloeiende regels waren nageleefd.
21 In de onderhavige zaak is er geen reden om andere conclusies te trekken dan die waartoe het Hof in voornoemd arrest Commissie/Duitsland is gekomen wat betreft de beschikbaarheid van de gegevens die de leden van het college dienstig achtten voor hun besluit het met redenen omkleed advies uit te brengen en, bijgevolg, ten aanzien van de inachtneming van het collegialiteitsbeginsel.
22 Daaruit volgt, dat het middel van niet-ontvankelijkheid ongegrond moet worden verklaard.
Ten gronde
23 De Duitse regering erkent, dat zij geen bijzondere maatregelen heeft genomen om richtlijn 90/605 uit te voeren. Zij betoogt niettemin, dat de Duitse wetgeving aan belangrijke onderdelen van die richtlijn voldoet.
24 Zo zouden de bepalingen van het eerste deel van het derde boek van het Handelsgesetzbuch (hierna: "HGB"), die op alle personenvennootschappen van toepassing zijn, overeenkomen met de artikelen 2, leden 1 en 2, 7, 14, 15, leden 1 en 2, 18 tot en met 21, 31, 35, 37, lid 2, 38, 39, met uitzondering van lid 1, sub d, 40, lid 1, 41 en 42 van richtlijn 78/660.
25 Bovendien zouden de bepalingen van het Gesetz über die Rechnungslegung von bestimmten Unternehmen und Konzernen van 15 augustus 1969 (BGBl. I, 1969, blz. 1189; hierna: "Publizitätsgesetz"), die voorschrijven dat personenvennootschappen van een zekere omvang jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen moeten opstellen, bijna volledig op die van de richtlijnen 78/660 en 83/349 berusten. Het Publizitätsgesetz zou ook voorzien in een verplichting tot controle en openbaarmaking van de jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen voor personenvennootschappen van een zekere omvang.
26 Voor het overige stelt de Duitse regering, dat de uitvoering van richtlijn 90/605 moeilijk is gebleken wegens verschillen van mening, in de betrokken kringen in Duitsland, aangaande de daartoe te treffen maatregelen.
27 In de eerste plaats zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak een lidstaat zich niet op nationale bepalingen, praktijken of situaties kan beroepen ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van door een richtlijn voorgeschreven verplichtingen of termijnen (zie, onder meer, arrest van 19 februari 1998, Commissie/Griekenland, C-8/97, Jurispr. blz. I-823, punt 8).
28 In de tweede plaats zij erop gewezen, dat de bepalingen van het eerste deel van het derde boek van het HGB, waarop de Duitse regering zich beroept, weliswaar op alle handelaars en dus op alle personenvennootschappen van toepassing zijn, maar dat niet wordt betwist, dat zij slechts gedeeltelijk uitvoering geven aan de in richtlijn 78/660 vervatte regeling.
29 Voor zover de bepalingen van het tweede deel van het derde boek van het HGB de uitvoering van richtlijn 78/660 vervolledigen, dient te worden vastgesteld, dat overeenkomstig de stellingen van de Commissie in haar memorie van repliek, die door de Duitse regering niet worden betwist, de bepalingen van deze laatste afdeling, getiteld "Aanvullende bepalingen voor de kapitaalvennootschappen (naamloze vennootschappen, commanditaire vennootschappen op aandelen en vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid)", niet van toepassing zijn op personenvennootschappen, en dat de Duitse wetgever dus heeft verzuimd ze, overeenkomstig de door de betrokken richtlijn ingevoerde regels, op dit soort vennootschappen van toepassing te verklaren.
30 Er wordt niet betwist, dat de bepalingen van het Publizitätsgesetz, waarop de Duitse regering zich ook beroept, enkel op sommige grote vennootschappen van toepassing zijn, en dus geen uitvoering van richtlijn 90/605 kunnen opleveren.
31 Mitsdien moet worden vastgesteld dat de Bondsrepubliek Duitsland, door niet binnen de gestelde termijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om aan richtlijn 90/605 te voldoen, de krachtens die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
32 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Bondsrepubliek Duitsland in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de gestelde termijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 90/605/EEG van de Raad van 8 november 1990 tot wijziging van de richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG betreffende respectievelijk de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening, ten aanzien van het toepassingsgebied van deze richtlijnen, is de Bondsrepubliek Duitsland de krachtens die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Bondsrepubliek Duitsland wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy