Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Sociale politiek - Mannelijke en vrouwelijke werknemers - Gelijke beloning - Collectieve overeenkomst die personen met beperkt dienstverband uitsluit van jaarlijkse bijzondere uitkering - Maatregel die aanzienlijk hoger percentage vrouwen dan mannen treft - Ontoelaatbaarheid
[EG-Verdrag, art. 119 (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG)]
Samenvatting
$$Artikel 119 van het Verdrag (de artikelen 117-120 van het Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG) moet aldus worden uitgelegd, dat de omstandigheid dat werknemers die in de regel minder dan vijftien uur per week werken, daarvoor een normale bezoldiging van maximaal een fractie van het referentiemaandloon ontvangen en uit dien hoofde zijn vrijgesteld van de verplichte sociale verzekering, door een collectieve arbeidsovereenkomst die van toepassing is ongeacht het geslacht van de werknemer, maar die in feite een aanzienlijk hoger percentage vrouwen dan mannen treft, van de daarin voorziene bijzondere jaarlijkse uitkering worden uitgesloten, een indirecte discriminatie op grond van geslacht vormt.
Partijen
In zaak C-281/97,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van het Arbeitsgericht München (Duitsland), in het aldaar aanhangige geding tussen
A. Krüger
en
Kreiskrankenhaus Ebersberg,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 119 EG-Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG) en van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB L 39, blz. 40),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: G. Hirsch (rapporteur), president van de Tweede kamer, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, J. L. Murray en H. Ragnemalm, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- het Kreiskrankenhaus Ebersberg, vertegenwoordigd door A. Dassau, Referent bij het Kommunaler Arbeitgeberverband Bayern eV,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur P. Hillenkamp en door M. Wolfcarius, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, bijgestaan door T. Eilmansberger en S. Köck, advocaten te Brussel,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van het Kreiskrankenhaus Ebersberg en de Commissie ter terechtzitting van 12 november 1998,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 december 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 3 juli 1997, ingekomen bij het Hof op 1 augustus daaraanvolgend, heeft het Arbeitsgericht München krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 119 EG-Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG) en van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB L 39, blz. 40).
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen Krüger en Kreiskrankenhaus Ebersberg over de betaling van een bijzondere jaarlijkse uitkering.
3 Krüger werd met ingang van 1 oktober 1990 door verweerder in het hoofdgeding aangeworven voor een voltijdbaan als verpleegster. De dienstbetrekking viel onder het Bundesangestelltentarifvertrag van 1961 (collectieve arbeidsovereenkomst voor arbeidscontractanten in de overheidssector; hierna: "BAT").
4 Na de geboorte van haar kind op 24 april 1995 kreeg Krüger krachtens het Bundeserziehungsgeldgesetz (federale wet betreffende de toekenning van de opvoedingsuitkering en het ouderschapsverlof; hierna: "BErzGG") ouderschapsverlof van 20 juni 1995 tot 23 april 1998 en een opvoedingsuitkering.
5 Sedert 20 september 1995 werkt Krüger bij verweerder in het hoofdgeding in beperkt dienstverband in de zin van § 8 van boek IV van het Sozialgesetzbuch (Sociaal Wetboek; hierna: "SGB"); zij werkt in de regel minder dan vijftien uur per week en ontvangt daarvoor een normale bezoldiging van maximaal een fractie van het referentiemaandloon. Beperkte dienstverbanden zijn vrijgesteld van socialezekerheidsbijdragen.
6 Krüger verzocht haar werkgever om betaling van de bijzondere jaarlijkse uitkering voor 1995, een kerstgratificatie gelijk aan één maand loon, waarin het Zuwendungs-Tarifvertrag van 1973 (collectieve arbeidsovereenkomst betreffende een uitkering aan de werknemers; hierna: "ZTV") voorziet.
7 Verweerder in het hoofdgeding weigerde deze uitkering toe te kennen, op grond dat het ZTV alleen van toepassing is op personen wier dienstbetrekking door het BAT wordt geregeld, en dat personen met een beperkt dienstverband in de zin van § 8 SGB volgens § 3 n BAT van het toepassingsgebied van deze collectieve arbeidsovereenkomst zijn uitgesloten.
8 Op 14 juni 1996 stelde Krüger bij het Arbeitsgericht een beroep in om betaling van de jaarlijkse uitkering te verkrijgen.
9 Volgens de verwijzende rechter bevat § 3 n BAT een indirecte discriminatie van vrouwen, aangezien vermoedelijk meer dan 90 % van de werknemers die recht hebben op de prestaties bedoeld in het BErzGG, vrouwen zijn. Verder is hij van oordeel, dat vrouwen met ouderschapsverlof die kinderen opvoeden en werken, worden benadeeld ten opzichte van vrouwen die hun beroepsactiviteit opgeven om hun kinderen op te voeden.
10 In die omstandigheden heeft het Arbeitsgericht München de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
"Is met richtlijn 76/207/EEG betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, en met artikel 119 EG-Verdrag, verenigbaar een bepaling van nationaal recht - in casu § 3 n BAT juncto het Zuwendungs-Tarifvertrag van 12 oktober 1973 - volgens welke werknemers die gedurende hun ouderschapsverlof arbeid verrichten waarvoor de socialeverzekeringsplicht niet geldt, geen jaarlijkse gratificatie ingevolge de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst ontvangen, in tegenstelling tot werknemers die wel verplicht verzekerd zijn? Is deze bepaling met bovengenoemde normen verenigbaar wanneer werknemers die ouderschapsverlof genieten, maar niet werken, in het eerste jaar wel ZTV-gratificatie ontvangen?"
11 Zoals verweerder in het hoofdgeding en Commissie stellen en de advocaat-generaal in de punten 15 tot en met 20 van zijn conclusie heeft opgemerkt, heeft alleen § 3 n BAT juncto het ZTV tot gevolg, dat personen met een beperkt dienstverband in de zin van § 8 SGB de bijzondere jaarlijkse uitkering niet ontvangen, en speelt het BErzGG hierin geen enkele rol.
12 Hieruit volgt, dat de verwijzende rechter in wezen wenst te vernemen, of artikel 119 van het Verdrag en richtlijn 76/207 aldus moeten worden uitgelegd, dat de omstandigheid dat werknemers die in de regel minder dan vijftien uur per week werken, daarvoor een normale bezoldiging van maximaal een fractie van het referentiemaandloon ontvangen en uit dien hoofde zijn vrijgesteld van de verplichte sociale verzekering, door een collectieve arbeidsovereenkomst van de daarin voorziene bijzondere jaarlijkse uitkering worden uitgesloten, een indirecte discriminatie van vrouwen oplevert, wanneer deze uitsluiting een aanzienlijk hoger percentage vrouwen dan mannen treft.
Richtlijn 76/207
13 Allereerst dient te worden nagegaan, of richtlijn 76/207 op het hoofdgeding van toepassing is.
14 Met name uit de tweede overweging van de considerans van richtlijn 76/207 volgt immers, dat zij niet ziet op de beloning in de zin van artikel 119 van het Verdrag (zie arrest van 13 februari 1996, Gillespie e.a., C-342/93, Jurispr. blz. I-475, punt 24).
15 Volgens vaste rechtspraak omvat het begrip beloning in de zin van artikel 119, tweede alinea, van het Verdrag alle huidige of toekomstige voordelen in geld of in natura, mits deze, zij het ook indirect, door de werkgever aan de werknemer uit hoofde van diens dienstbetrekking worden betaald (zie met name arresten van 9 februari 1982, Garland, 12/81, Jurispr. blz. 359, punt 5; 17 mei 1990, Barber, C-262/88, Jurispr. blz. I-1889, punt 12, en 9 februari 1999, Seymour-Smith en Perez, C-167/97, Jurispr. blz. I-623, punt 23).
16 In punt 10 van genoemd arrest Garland heeft het Hof gepreciseerd, dat zolang die voordelen uit hoofde van de dienstbetrekking worden toegekend, het voor de toepassing van artikel 119 van het Verdrag niet aankomt op het rechtskarakter ervan.
17 Een kerstgratificatie die de werkgever krachtens een wet of een collectieve arbeidsovereenkomst aan de werknemer uitkeert, wordt uit hoofde van de dienstbetrekking van laatstgenoemde betaald en vormt derhalve een beloning in de zin van artikel 119 van het Verdrag. Zij valt dus niet onder het toepassingsgebied van richtlijn 76/207.
Artikel 119 van het Verdrag
18 Artikel 119 van het Verdrag formuleert het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke arbeid, maar ziet niet op discriminatie van een groep werknemers ten opzichte van een andere groep werknemers van hetzelfde geslacht.
19 Dit beginsel verzet zich daarentegen niet alleen tegen de toepassing van bepalingen die een rechtstreeks op het geslacht gebaseerde discriminatie inhouden, maar ook tegen de toepassing van bepalingen die aan de hand van geslachtsneutrale criteria verschillen in behandeling van mannelijke en vrouwelijke werknemers handhaven, indien deze verschillen niet kunnen worden gerechtvaardigd door objectieve factoren die niets met discriminatie op grond van geslacht van doen hebben (zie met name arrest Seymour-Smith en Perez, reeds aangehaald, punt 52).
20 Daar het verbod van discriminatie tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers dwingend recht is, geldt het niet alleen voor overheidshandelingen, maar is het ook van toepassing op alle overeenkomsten die de arbeid in loondienst collectief regelen, alsook op alle overeenkomsten tussen particulieren (zie met name arrest van 7 februari 1991, Nimz, C-184/89, Jurispr. blz. I-297, punt 11).
21 Met betrekking tot de in het hoofdgeding aan de orde zijnde weigering om de uitkering toe te kennen, staat vast, dat de omstandigheid dat personen met een beperkt dienstverband in de zin van § 8 SGB van het toepassingsgebied van het BAT zijn uitgesloten, geen rechtstreeks op het geslacht gebaseerde discriminatie vormt. Derhalve dient te worden nagegaan, of een dergelijke maatregel een door artikel 119 van het Verdrag verboden indirecte discriminatie kan zijn.
22 Volgens vaste rechtspraak verzet artikel 119 van het Verdrag zich tegen een bepaling uit een nationale regeling of uit een collectieve arbeidsovereenkomst die weliswaar ongeacht het geslacht van de werknemer van toepassing is, doch feitelijk een aanzienlijk groter percentage vrouwen dan mannen treft, tenzij die bepaling haar rechtvaardiging vindt in objectieve factoren die niets met discriminatie op grond van geslacht van doen hebben (zie arrest Seymour-Smith en Perez, reeds aangehaald, punt 67, en arrest van 13 juli 1989, Rinner-Kühn, 171/88, Jurispr. blz. 2743, punt 12).
23 Met de bepaling van het SGB waarbij personen met een beperkt dienstverband van de sociale verzekering worden uitgesloten, beoogde de Duitse regering in het kader van haar sociale en werkgelegenheidsbeleid te voldoen aan een maatschappelijke vraag naar beperkte dienstverbanden (zie arresten van 14 december 1995, Nolte, C-317/93, Jurispr. blz. I-4625, punt 31, en Megner en Scheffel, C-444/93, Jurispr. blz. I-4741, punt 27).
24 Ingevolge § 3 n BAT vallen personen met een beperkt dienstverband buiten het toepassingsgebied van het BAT, zodat zij niet in aanmerking komen voor de bijzondere jaarlijkse uitkering waarin die collectieve arbeidsovereenkomst voorziet.
25 De uitsluiting van het toepassingsgebied van het BAT mag evenwel niet afdoen aan het in artikel 119 van het Verdrag geformuleerde beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke arbeid. Volgens vaste rechtspraak is dit een fundamenteel beginsel van gemeenschapsrecht, dat door geen enkele nationale regel van zijn inhoud mag worden beroofd (zie arrest Seymour-Smith en Perez, reeds aangehaald, punt 75).
26 Doordat personen met een beperkt dienstverband zijn uitgesloten van een collectieve arbeidsovereenkomst die voorziet in de toekenning van een bijzondere jaarlijkse uitkering, worden zij anders behandeld dan werknemers met een voltijdbaan. Indien de nationale rechter, die bij uitsluiting bevoegd is de feiten te beoordelen, vaststelt, dat deze uitsluiting weliswaar ongeacht het geslacht van de werknemer van toepassing is, maar in feite een aanzienlijk groter percentage vrouwen dan mannen treft, moet hij daaruit concluderen, dat de betrokken collectieve arbeidsovereenkomst een indirecte discriminatie in de zin van artikel 119 van het Verdrag vormt.
27 Verweerder in het hoofdgeding betoogt evenwel, onder verwijzing naar genoemd arrest Nolte, dat het in het kader van het sociale en werkgelegenheidsbeleid nagestreefde doel, dat objectief niets met discriminatie op grond van geslacht van doen heeft, in casu rechtvaardigt dat beperkte dienstverbanden van het toepassingsgebied van de collectieve arbeidsovereenkomst worden uitgesloten.
28 Het Hof heeft gepreciseerd, dat het sociale beleid bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort. Derhalve staat het aan de lidstaten, de maatregelen te kiezen die geschikt zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van hun sociale en werkgelegenheidsbeleid. Bij de uitoefening van deze bevoegdheid beschikken de lidstaten over een ruime beoordelingsmarge (zie arresten Nolte, punt 33, en Megner en Scheffel, punt 29, beide reeds aangehaald).
29 Het hoofdgeding betreft evenwel een andere situatie dan die welke in de genoemde arresten Nolte en Megner en Scheffel aan de orde was. In het onderhavige geval gaat het immers noch om een door de nationale wetgever in het kader van zijn beoordelingsvrijheid genomen maatregel, noch om een basisbeginsel van het Duitse socialezekerheidsstelsel, maar om de uitsluiting van personen met een beperkt dienstverband van een collectieve arbeidsovereenkomst die in de toekenning van een bijzondere jaarlijkse uitkering voorziet, hetgeen tot gevolg heeft, dat deze personen ter zake van de beloning anders worden behandeld dan personen die onder die collectieve arbeidsovereenkomst vallen.
30 Mitsdien moet op de gestelde vraag worden geantwoord, dat artikel 119 van het Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat de omstandigheid dat werknemers die in de regel minder dan vijftien uur per week werken, daarvoor een normale bezoldiging van maximaal een fractie van het referentiemaandloon ontvangen en uit dien hoofde zijn vrijgesteld van de verplichte sociale verzekering, door een collectieve arbeidsovereenkomst die van toepassing is ongeacht het geslacht van de werknemer, maar in feite een aanzienlijk hoger percentage vrouwen dan mannen treft, van de daarin voorziene bijzondere jaarlijkse uitkering worden uitgesloten, een indirecte discriminatie op grond van geslacht vormt.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
31 De kosten door de Commissie wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Arbeitsgericht München bij beschikking van 3 juli 1997 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 119 EG-Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG) moet aldus worden uitgelegd, dat de omstandigheid dat werknemers die in de regel minder dan vijftien uur per week werken, daarvoor een normale bezoldiging van maximaal een fractie van het referentiemaandloon ontvangen en uit dien hoofde zijn vrijgesteld van de verplichte sociale verzekering, door een collectieve arbeidsovereenkomst die van toepassing is ongeacht het geslacht van de werknemer, maar die in feite een aanzienlijk hoger percentage vrouwen dan mannen treft, van de daarin voorziene bijzondere jaarlijkse uitkering worden uitgesloten, een indirecte discriminatie op grond van geslacht vormt.
Full & Egal Universal Law Academy