Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Hogere voorziening - Middelen - Verkeerde beoordeling van feiten - Niet-ontvankelijkheid - Toetsing door Hof van beoordeling van bewijs - Uitgesloten, behoudens geval van verkeerde opvatting
(EG-Verdrag, art. 168 A; 's Hof Statuut-EG, art. 51)
2 Hogere voorziening - Middelen - Middel voor het eerst aangevoerd in hogere voorziening - Niet-ontvankelijkheid
('s Hofs Statuut-EG, art. 51)
Samenvatting
3 Het staat enkel aan het Gerecht te beoordelen, welke waarde moet worden gehecht aan de hem voorgelegde bewijsmiddelen, wanneer deze bewijzen regelmatig zijn verkregen en de rechtsregels en algemene rechtsbeginselen inzake de bewijslast en de procedureregels inzake de bewijsvoering zijn gerespecteerd. De beoordeling van dit bewijs levert derhalve geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens in het geval van een verkeerde opvatting van dit bewijs.
4 In hogere voorziening is de bevoegdheid van het Hof beperkt tot het onderzoek van de beoordeling door het Gerecht van de middelen die in eerste aanleg zijn aangevoerd.
Partijen
In zaak C-291/97 P,
H, voormalig ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Brussel, vertegenwoordigd door V. Lurquin, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van L. Schiltz, advocaat aldaar, Rue du Fort Rheinsheim 2,
rekwirante,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Derde kamer) van 3 juni 1997, H/Commissie (T-196/95, JurAmbt. blz. II-403), en strekkende tot vernietiging van dat arrest, andere partij bij de procedure: Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. M. Alves Vieira, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van die dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann, kamerpresident, M. Wathelet, J. C. Moitinho de Almeida, J.-P. Puissochet en L. Sevón (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: S. Alber
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 maart 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij op 5 augustus 1997 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft H krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG en de overeenkomstige bepalingen van 's Hofs Statuten-EGKS en EGA hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 3 juni 1997, H/Commissie (T-196/95, JurAmbt. blz. II-403; hierna: "bestreden arrest"), waarbij het Gerecht het beroep heeft verworpen dat H had ingesteld tegen het besluit van de Commissie van 27 september 1994 om haar ambtshalve te pensioneren.
2 Uit het bestreden arrest blijkt:
"1 Verzoekster, gewezen ambtenaar in de rang B 3 van de Commissie, is bij besluit van de raadgevend arts van de Commissie van 17 maart 1993 krachtens artikel 59, lid 2, Ambtenarenstatuut ambtshalve met ziekteverlof gezonden.
2 Op 15 juni 1993 diende zij een klacht in tegen dat besluit.
3 Bij brief van 17 juni 1993, die met de gewone post aan verzoeksters adres te Brussel werd gezonden, liet de Commissie verzoekster weten, dat zij had besloten de zaak overeenkomstig artikel 59, lid 3, van het Statuut aan de invaliditeitscommissie voor te leggen, en verzocht zij haar een arts van haar keuze aan te wijzen om haar in deze invaliditeitscommissie te vertegenwoordigen. Dit verzoek werd herhaald bij eveneens met de gewone post verzonden brief van 15 juli 1993.
4 Daar verzoekster geen arts aanwees, verzocht de Commissie de president van het Hof bij brief van 17 december 1993, krachtens artikel 7, tweede alinea, van bijlage II bij het Statuut ambtshalve een arts aan te wijzen.
(...)
8 Bij brief van 20 juni 1994 wees de president van het Hof ambtshalve een arts aan om verzoekster in de invaliditeitscommissie te vertegenwoordigen.
9 Bij een met de gewone post verzonden brief van dezelfde dag bracht de door de Commissie aangewezen arts verzoekster op de hoogte van de instelling en de samenstelling van de invaliditeitscommissie.
10 Op 13 september 1994 concludeerde de invaliditeitscommissie, dat verzoekster $een als volledig te beschouwen blijvende invaliditeit had opgelopen, waardoor zij de aan een ambt van haar loopbaan verbonden functies niet meer kon uitoefenen, en dat zij om die reden haar dienst bij de Commissie moest beëindigen'.
11 Bij besluit van 27 september 1994 besloot het tot aanstelling bevoegd gezag onder verwijzing naar het advies van de invaliditeitscommissie, verzoekster overeenkomstig artikel 53 van het Statuut per 1 oktober 1994 te pensioneren (hierna: $bestreden besluit'). Volgens de Commissie is dezelfde dag een brief met het bestreden besluit en een administratief ontvangstbewijs door ambtenaren van het beveiligingsbureau aan verzoeksters privéadres bezorgd. Daar verzoekster niet werd aangetroffen, is dat ontvangstbewijs niet door haar ondertekend.
12 Op 10 januari 1995 berichtte verzoekster dat zij het bestreden besluit had ontvangen.
13 Op 6 april 1995 diende zij een klacht in tegen het bestreden besluit.
(...)
15 Bij besluit van 27 juni 1995, door verzoekster ontvangen op 18 juli daaraanvolgend, wees de Commissie de klacht van 6 april 1995 af."
3 In die omstandigheden heeft H bij verzoekschrift van 17 oktober 1995 bij het Gerecht beroep ingesteld tot nietigverklaring van het advies van de invaliditeitscommissie van 13 september 1994, van het besluit van de Commissie van 27 september 1994 waarbij zij ambtshalve is gepensioneerd, en van het besluit van de Commissie van 27 juni 1995 waarbij haar klacht tegen dat besluit is afgewezen.
Het bestreden arrest
4 Het Gerecht verklaarde in punt 36 van het bestreden arrest, dat het beroep ontvankelijk was voor zover het betrekking had op het besluit van 27 september 1994. In de punten 39 en 40 oordeelde het daarentegen, dat het besluit van de Commissie van 27 juni 1995 tot afwijzing van de klacht geen voor beroep vatbare handeling vormde, en in de punten 43 tot en met 50, dat het advies van de invaliditeitscommissie als een voorbereidende handeling moest worden aangemerkt.
5 H voerde onder meer een middel aan dat ontleend was aan onregelmatigheden bij de instelling en de werkzaamheden van de invaliditeitscommissie. Dit middel bestond uit drie onderdelen. De hogere voorziening heeft enkel betrekking op de beslissingen van het Gerecht over de eerste twee onderdelen van het middel.
6 Met het eerste onderdeel verweet H de Commissie, dat deze een strikt eenzijdige procedure had gevolgd voor de instelling van de invaliditeitscommissie en de aanwijzing van de arts die haar in deze commissie vertegenwoordigde.
7 In de punten 77 en 78 van het bestreden arrest stelde het Gerecht vast, dat uit verscheidene stukken van het dossier - met name het verzoekschrift en de brieven van H, waarin zij erkende de brieven van de Commissie van 17 juni en 15 juli 1993 te hebben ontvangen, waarin zij was verzocht een arts van haar keuze aan te wijzen - met stelligheid bleek, dat verzoekster volledig op de hoogte was van het besluit van de Commissie om de zaak aan de invaliditeitscommissie voor te leggen, en van de instelling van die commissie.
8 Het Gerecht overwoog in punt 79, dat de Commissie, bij het uitblijven van een antwoord op die brieven, gerechtigd was de president van het Hof te verzoeken, overeenkomstig artikel 7, tweede alinea, van bijlage II bij het Statuut een arts aan te wijzen om verzoekster in de invaliditeitscommissie te vertegenwoordigen.
9 In punt 80 verklaarde het Gerecht voorts, dat die aanwijzing door de president van het Hof overeenkomstig artikel 7, tweede alinea, van bijlage II bij het Statuut geen gerechtelijke procedure is, maar een administratieve handeling. De opvatting dat deze procedure op tegenspraak zou moeten verlopen, zou indruisen tegen het doel van de bepaling, dat er juist in bestaat, in het stilzitten van de betrokken ambtenaar te voorzien.
10 Ten slotte merkte het Gerecht in punt 81 op, dat H bij brief van de door de Commissie aangewezen arts van 20 juni 1994 in kennis was gesteld van de aanwijzing van de arts die haar vertegenwoordigde, en van de namen van de andere artsen in de invaliditeitscommissie.
11 Met het tweede onderdeel van het middel betwistte H de regelmatigheid van de werkzaamheden van de invaliditeitscommissie, doordat zij niet in kennis was gesteld van de naam van de arts die haar vertegenwoordigde, waardoor zij de haar door artikel 9 van bijlage II bij het Statuut toegekende rechten niet ten volle had kunnen uitoefenen, namelijk door overlegging aan de invaliditeitscommissie van alle rapporten of attesten van haar behandelend geneesheer of van andere door haar geraadpleegde artsen.
12 Het Gerecht stelde in punt 83 evenwel vast, dat uit de nota's van 22 juli en 10 september 1994, opgesteld door de arts die als vertegenwoordiger van H was aangewezen, respectievelijk door de in onderlinge overeenstemming aangewezen derde arts, duidelijk blijkt dat H, hoewel schriftelijk opgeroepen, had geweigerd met de leden van de invaliditeitscommissie contact op te nemen.
13 In punt 84 stelde het Gerecht voorts vast, dat H, nadat zij bij voornoemde brief van 20 juni 1994 in kennis was gesteld van de samenstelling van de invaliditeitscommissie, wel degelijk de mogelijkheid had gehad de door haar relevant geachte medische rapporten aan de commissie over te leggen, maar dat zij dat niet had gedaan.
14 Het Gerecht kwam daarom in punt 85 tot de slotsom, dat H niet kon stellen dat zij verhinderd was de haar door artikel 9, eerste alinea, van bijlage II bij het Statuut toegekende rechten uit te oefenen.
15 Na de andere middelen van H te hebben onderzocht, verklaarde het Gerecht het tegen het besluit van 27 september 1994 gerichte beroep ongegrond.
Het eerste middel in hogere voorziening
16 Het eerste middel dat H in hogere voorziening aanvoert, is ontleend aan procedurele onregelmatigheden in de samenstelling en de werking van de in artikel 7 van bijlage II bij het Statuut bedoelde invaliditeitscommissie. Het Gerecht zou ten onrechte hebben geoordeeld, in de eerste plaats, dat de procedure waarbij de president van het Hof ambtshalve een arts benoemt die de ambtenaar in de commissie moet vertegenwoordigen, geen procedure op tegenspraak is, en, in de tweede plaats, dat de procedure voor de invaliditeitscommissie op tegenspraak is verlopen, zulks gezien de brief van 20 juni 1994 waarbij dokter P. rekwirante in kennis had gesteld van zijn benoeming en van de naam van de andere artsen in de invaliditeitscommissie.
17 Volgens H kan weliswaar worden erkend, dat de handeling waarbij de president van het Hof een arts benoemt die de ambtenaar in de invaliditeitscommissie moet vertegenwoordigen, een administratieve handeling is, maar dat neemt niet weg, dat de handelingen die er onmiddellijk aan voorafgaan of erop volgen, volstrekt contradictoir moeten blijven. De Commissie, aldus H, had haar dus moeten inlichten over haar besluit zich tot de president van het Hof te wenden, en haar een afschrift moeten zenden van de aanwijzingsbeschikking van de president van het Hof. Bovendien meent zij, dat zij door de invaliditeitscommissie had moeten worden opgeroepen. Het feit dat de door het Gerecht vermelde brieven haar niet zijn betekend, levert schending op van artikel 26, derde alinea, van het Statuut, dat bepaalt, dat de mededeling van elk stuk dat voor de administratieve situatie van een ambtenaar van belang is, moet blijken uit de handtekening die de ambtenaar eronder heeft gesteld, dan wel per aangetekende post moet geschieden.
18 De Commissie antwoordt, dat dit middel niet-ontvankelijk is, omdat het enkel een kritiek vormt op de feitelijke beoordeling door het Gerecht van de door partijen aangevoerde bewijsmiddelen en van de bewijskracht van de aan het Gerecht overgelegde stukken. In het kader van de hogere voorziening is het Hof evenwel niet bevoegd de feiten vast te stellen of de bewijsmiddelen die het Gerecht tot staving van deze feiten heeft aanvaard, te onderzoeken.
19 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat het enkel aan het Gerecht staat te beoordelen, welke waarde moet worden gehecht aan de hem voorgelegde bewijsmiddelen, wanneer deze bewijzen regelmatig zijn verkregen en de rechtsregels en algemene rechtsbeginselen inzake de bewijslast en de procedureregels inzake de bewijsvoering zijn gerespecteerd. De beoordeling van dit bewijs levert derhalve geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens in het geval van een verkeerde opvatting van dit bewijs (zie, onder meer, beschikking van 6 oktober 1997, AIUFFASS en AKT/Commissie, C-55/97 P, Jurispr. blz. I-5383, punt 25).
20 Waar het Gerecht de hem voorgelegde en in de punten 78 en 79 van het bestreden arrest beschreven bewijsmiddelen heeft onderzocht en heeft geconcludeerd, dat H stellig volledig op de hoogte was van het besluit de zaak aan de invaliditeitscommissie voor te leggen, en van de instelling van die commissie, heeft het een feitelijke beoordeling gegeven die niet vatbaar is voor toetsing door het Hof.
21 Het Gerecht heeft voorts terecht overwogen, dat bij het uitblijven van een antwoord van rekwirante op de brieven van de Commissie, deze gerechtigd was de president van het Hof te verzoeken een arts aan te wijzen die H in de invaliditeitscommissie zou vertegenwoordigen. Zoals het Gerecht in punt 80 van het arrest correct heeft uiteengezet, zou de opvatting dat de aanwijzingsprocedure op "tegenspraak" had moeten verlopen, indruisen tegen het doel van artikel 7, tweede alinea, van bijlage II bij het Statuut, dat erin bestaat, in het stilzitten van de ambtenaar te voorzien.
22 Ten slotte vormt ook de vaststelling van het Gerecht in punt 81, dat H bij de brief van de door de Commissie aangewezen arts van 20 juni 1994 in kennis is gesteld van de aanwijzing van de arts die haar vertegenwoordigde, en van de namen van de andere artsen in de invaliditeitscommissie, een feitelijke beoordeling die niet vatbaar is voor toetsing door het Hof.
23 Het eerste middel van rekwirante is derhalve deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond.
24 Met betrekking tot het door H in het kader van het eerste middel opgeworpen argument inzake schending van artikel 26, derde alinea, van het Statuut, moet worden vastgesteld, dat dit een zelfstandig middel is dat niet voor het Gerecht is aangevoerd.
25 In hogere voorziening is de bevoegdheid van het Hof echter beperkt tot het onderzoek van de beoordeling door het Gerecht van de middelen die in eerste aanleg zijn aangevoerd (beschikking van 17 september 1996, San Marco/Commissie, C-19/95 P, Jurispr. blz I-4435, punt 49).
26 Dit middel moet bijgevolg niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het tweede middel in hogere voorziening
27 Met haar tweede middel, ontleend aan schending van artikel 9, eerste alinea, van bijlage II bij het Statuut, stelt H, dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld, dat zij in staat was de haar door die bepaling toegekende rechten uit te oefenen.
28 Volgens de Commissie is ook dit middel een kritiek op de feitelijke beoordeling van het Gerecht, en derhalve niet ontvankelijk.
29 Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat het Gerecht, waar het de hem voorgelegde en in de punten 83 en 84 van het bestreden arrest beschreven bewijsmiddelen heeft onderzocht en heeft geconcludeerd, in de eerste plaats, dat rekwirante, hoewel schriftelijk opgeroepen, had geweigerd contact op te nemen met de leden van de invaliditeitscommissie, en, in de tweede plaats, dat zij wel degelijk de mogelijkheid had gehad de door haar relevant geachte medische rapporten aan de invaliditeitscommissie over te leggen, maar dat niet had gedaan, een feitelijke beoordeling heeft gegeven die niet vatbaar is voor toetsing door het Hof.
30 Mitsdien moet ook het tweede middel niet-ontvankelijk worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
31 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Verweerster heeft geconcludeerd tot verwijzing van rekwirante in de kosten. Aangezien rekwirante in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten van deze instantie worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst rekwirante in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy