Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Lidstaten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet-betwiste niet-nakoming
(EG-Verdrag, art. 169)
Partijen
In zaak C-313/97,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door L. Pignataro, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door U. Leanza, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door G. Aiello, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Italiaanse ambassade, Rue Marie-Adélaïde 5,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en/of mee te delen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 94/57/EG van de Raad van 22 november 1994 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties en voor de desbetreffende werkzaamheden van maritieme instanties (PB L 319, blz. 20), de krachtens het EG-Verdrag en die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann, kamerpresident, M. Wathelet (rapporteur), J. C. Moitinho de Almeida, J.-P. Puissochet en L. Sevón, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 januari 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 10 september 1997, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EG-Verdrag verzocht vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en/of mee te delen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 94/57/EG van de Raad van 22 november 1994 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties en voor de desbetreffende werkzaamheden van maritieme instanties (PB L 319, blz. 20; hierna: "richtlijn"), de krachtens het EG-Verdrag en de richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Volgens artikel 16 van de richtlijn moesten de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 31 december 1995 aan deze richtlijn te voldoen, en moesten zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen.
3 Daar zij geen mededeling ontving betreffende de omzetting van de richtlijn in Italiaans recht en evenmin beschikte over andere informatie waaruit zij kon concluderen dat de Italiaanse Republiek aan deze verplichting had voldaan, maande de Commissie deze staat bij brief van 27 februari 1996 aan om binnen twee maanden na ontvangst van die brief overeenkomstig artikel 169 van het Verdrag haar opmerkingen bij haar kenbaar te maken.
4 Aangezien de Italiaanse regering niet op die brief reageerde, zond de Commissie de Italiaanse Republiek op 6 december 1996 een met redenen omkleed advies, waarin zij de niet-nakoming van de in de richtlijn neergelegde verplichtingen vaststelde en haar verzocht, de nodige maatregelen te treffen teneinde daaraan binnen twee maanden na de betekening van het advies te voldoen.
5 Bij brief van 30 januari 1997 deelde de Italiaanse regering de Commissie mee, dat de richtlijn was overgenomen in de wet betreffende gemeenschapsaangelegenheden voor 1995/1996, die reeds op 8 november 1996 door de ministerraad was goedgekeurd, en aan het Parlement was voorgelegd met de andere richtlijnen waaraan door middel van een decreto legislativo uitvoering moest worden gegeven.
6 Voorts zond de Italiaanse regering de Commissie op 30 juli 1997 de tekst van een wetsontwerp houdende omzetting van de betrokken richtlijn, tezamen met de bijbehorende memorie van toelichting, en verklaarde zij tevens, dat de wetgevingsprocedure vóór de zomervakantie beëindigd zou zijn.
7 Daar zij van de Italiaanse regering verder geen informatie ontving waaruit zij kon opmaken, dat de Italiaanse Republiek inmiddels aan de uit de richtlijn voortvloeiende verplichtingen had voldaan, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
8 De Italiaanse regering betwist de verweten niet-nakoming niet en verklaart, dat de voor de omzetting van de richtlijn noodzakelijke maatregelen in voorbereiding zijn.
9 Aangezien de richtlijn niet binnen de daarin gestelde termijn in nationaal recht is omgezet, moet het beroep van de Commissie gegrond worden verklaard.
10 Mitsdien moet worden vastgesteld dat de Italiaanse Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om aan de richtlijn te voldoen, de krachtens artikel 16 van die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
11 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien de Italiaanse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 94/57/EG van de Raad van 22 november 1994 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties en voor de desbetreffende werkzaamheden van maritieme instanties, is de Italiaanse Republiek de krachtens artikel 16 van die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy