Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
1 Ambtenaren - Beroep - Voorafgaande administratieve klacht - Voorwerp - Overeenstemming tussen klacht en beroep
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
2 Ambtenaren - Bezwarend besluit - Motiveringsplicht - Doel - Draagwijdte - Besluit waarin naar aanleiding van medische controle wordt geconcludeerd dat afwezigheid van ambtenaar onregelmatig is - Medisch geheim
(Ambtenarenstatuut, art. 25, tweede alinea)
Samenvatting
1 De administratieve klacht is weliswaar een conditio sine qua non voor de instelling van een beroep tegen een handeling waardoor iemand die onder toepassing van het Statuut valt, wordt bezwaard, doch strekt er niet toe, de omvang van een eventueel beroep in rechte nauwkeurig en definitief af te bakenen, zolang de grond of het voorwerp van de klacht in dat stadium maar geen wijzigingen ondergaat. Dat is zo in het geval van een beroep tot nietigverklaring dat is gericht tegen de besluiten die tot de klacht hebben geleid, en waarvan de tot staving van het verzoek tot nietigverklaring aangevoerde middelen nauw samenhangen met de in de klacht betwiste punten.
2 De door artikel 25, tweede alinea, van het Statuut voorgeschreven motivering van een bezwarend besluit heeft ten doel, enerzijds de gemeenschapsrechter in staat te stellen toezicht uit te oefenen op de wettigheid van het besluit, en anderzijds de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om vast te stellen of het besluit al dan niet gegrond is. De aan de motivering te stellen eisen moeten worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling en de aard van de redengeving.
Wanneer in het betrokken besluit naar aanleiding van een medisch controleonderzoek wordt geconcludeerd dat de afwezigheid van een ambtenaar onregelmatig is, en uitdrukkelijk wordt verwezen naar de beoordeling van de controlerende arts, volgens welke de ambtenaar vanaf de dag na het onderzoek haar werk kon hervatten, zonder dat de ambtenaar daaraan gevolg heeft gegeven, is het niet nodig, dat de instelling de inhoud van de beoordelingen van medische aard die de controlerende arts na het onderzoek bij de ambtenaar thuis heeft uitgebracht, ambtshalve bij dat besluit voegt of in de motivering ervan overneemt. Dergelijke beoordelingen kunnen immers onder het medisch geheim vallen of vertrouwelijk zijn, zodat de betrokkene zelf of zijn behandelende arts, in voorkomend geval, de instelling moet verzoeken, hem die beoordelingen mee te delen.
Partijen
In zaak C-316/97 P,
Europees Parlement, vertegenwoordigd door M. Peter, afdelingshoofd bij zijn juridische dienst, en A. Caiola, lid van die dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij zijn secretariaat-generaal, Kirchberg,
rekwirant,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vijfde kamer) van 10 juli 1997, Gaspari/Parlement (T-36/96, JurAmbt. blz. II-595), strekkende tot vernietiging van dit arrest,
andere partij bij de procedure:
G. Gaspari, ambtenaar van het Europees Parlement, vertegenwoordigd door J.-N. Louis, T. Demaseure, A. Tornel en F. Parmentier, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Fiduciaire Myson SARL, Rue de Cessange 30,
verzoekster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, L. Sevón en M. Wathelet (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 18 juni 1998,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 juli 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 12 september 1997, heeft het Europees Parlement krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 10 juli 1997, Gaspari/Parlement (T-36/96, JurAmbt. blz. II-595; hierna: "bestreden arrest"), houdende nietigverklaring van het besluit van 22 mei 1995 waarbij het Parlement de onregelmatigheid vaststelde van de afwezigheid van G. Gaspari op 5 mei 1995, en op haar vakantieverlof een dag in mindering bracht, en van het besluit van 9 augustus 1995 waarbij het Parlement dat besluit bevestigde.
2 In het bestreden arrest stelde het Gerecht het volgende vast:
"1 Verzoekster, ambtenaar van het Parlement in de rang B 2, tewerkgesteld bij het directoraat-generaal Griffie (DG I) te Luxemburg, legde verweerder een attest van 3 mei 1995 van haar behandelende arts over, waarin zij arbeidsongeschikt werd verklaard voor de periode van woensdag 3 mei tot en met vrijdag 5 mei 1995.
2 Op 4 mei 1995 begaf dokter Broutchoux, controlerende arts van verweerder te Luxemburg, zich naar verzoeksters woonplaats voor een medisch controleonderzoek.
3 Na afloop daarvan deelde hij haar mee, dat zij zijns inziens haar werkzaamheden vanaf de volgende dag, vrijdag 5 mei 1995, kon hervatten.
4 Volgens verweerder probeerde de controlerende arts na het controleonderzoek vergeefs verzoeksters behandelende arts telefonisch te bereiken. Verzoekster betwist dit en stelt, dat zij na dit controleonderzoek zelf telefonisch contact heeft opgenomen met haar behandelende arts.
5 Zij hervatte haar werkzaamheden pas op maandag 8 mei 1995.
6 Dezelfde dag zond zij de directeur-generaal Personeel, begroting en financiën van de verwerende instelling een nota waarin zij klaagde over de houding die de controlerende arts jegens haar had aangenomen.
7 Bij brief van 22 mei 1995 (hierna: $bestreden besluit') deelde het hoofd van de afdeling Personeel haar mee, dat haar afwezigheid op 5 mei 1995 als onregelmatig werd beschouwd omdat de controlerende arts haar had meegedeeld dat zij haar werk op die dag kon hervatten, en dat overeenkomstig artikel 60 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: $Statuut') die dag afwezigheid in mindering zou worden gebracht op haar vakantieverlof.
8 Bij brief van 9 augustus 1995 bevestigde hij dat besluit."
3 Artikel 59, lid 1, eerste en tweede alinea, van het Statuut luidt als volgt:
"De ambtenaar die aantoont ten gevolge van ziekte of ongeval verhinderd te zijn zijn werkzaamheden te verrichten, komt van rechtswege in aanmerking voor ziekteverlof.
De betrokkene moet zijn instelling zo spoedig mogelijk mededelen dat hij niet in staat is zijn werkzaamheden te verrichten en hierbij de plaats aangeven waar hij zich bevindt. Van de vierde dag van zijn afwezigheid af dient hij een medisch attest over te leggen. Hij kan door de instelling aan iedere medische controle worden onderworpen."
4 Artikel 60 van het Statuut bepaalt bovendien:
"Behoudens bij ziekte of ongeval mag de ambtenaar, zonder hiertoe tevoren door zijn chef te zijn gemachtigd, niet afwezig zijn. Onverminderd de eventuele toepassing van tuchtrechtelijke bepalingen, wordt iedere onregelmatige afwezigheid die naar behoren is vastgesteld, op het vakantieverlof in mindering gebracht. Indien de ambtenaar geen recht meer op zodanig verlof heeft, ontvangt hij over het desbetreffende tijdvak geen bezoldiging."
5 Op 21 augustus 1995 diende Gaspari tegen het besluit van 22 mei 1995 een klacht in waarin zij enerzijds stelde, dat zij, met haar afwezigheid op 5 mei 1995, de adviezen van haar arts nauwgezet heeft gevolgd en niets meer, en anderzijds, dat de opmerkingen van de controlerende arts (die haar behandelende arts "wel zou willen kennen") ongegrond waren, omdat hij haar nooit tevoren had gezien en methodes had gebruikt die zij als "partijdig" kwalificeerde.
6 Bij besluit van 13 december 1995 wees het Parlement de klacht af.
7 In die omstandigheden stelde Gaspari, bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht op 14 maart 1996, beroep in tegen de besluiten van 22 mei en 9 augustus 1995 waarbij het Parlement de onregelmatigheid heeft vastgesteld van haar afwezigheid op 5 mei 1995 en op haar vakantieverlof een dag in mindering heeft gebracht.
Het bestreden arrest
8 Tot staving van haar beroep voerde Gaspari drie middelen aan, respectievelijk ontleend aan schending van artikel 25 van het Statuut, schending van artikel 59 van het Statuut, en kennelijke beoordelingsfout.
9 Artikel 25, tweede alinea, van het Statuut bepaalt:
"Elk besluit dat overeenkomstig dit statuut ten aanzien van een ambtenaar wordt genomen, dient onverwijld schriftelijk te zijner kennis te worden gebracht. Iedere voor hem nadelige beslissing dient met redenen te zijn omkleed."
10 Daar het Gerecht echter vaststelde, dat het betoog van Gaspari betreffende het eerste middel in werkelijkheid ook strekte ten bewijze van een schending van haar recht van verweer, doordat haar behandelende arts het rapport van de controlerende arts waarop het bestreden besluit berust, niet zou hebben ontvangen, hoewel zij om toezending daarvan heeft verzocht, heeft het dat middel geherkwalificeerd en overwogen, dat het niet enkel was ontleend aan schending van de motiveringsplicht, maar ook aan schending van het recht van verweer (punt 19 van het bestreden arrest).
11 Enkel het aldus vervolledigde eerste middel is door het Gerecht onderzocht.
12 Dienaangaande overwoog het Gerecht, dat niet het door de controlerende arts na het controleonderzoek opgestelde rapport het bezwarende besluit is, maar wel het administratieve besluit waarbij de onregelmatigheid van de afwezigheid is vastgesteld en waarbij deze afwezigheid op het vakantieverlof in mindering is gebracht. Het tekende daarbij evenwel aan, dat
"de onregelmatigheid van de afwezigheid op basis van de conclusie van het in artikel 59, lid 1, tweede alinea, van het Statuut bedoelde controleonderzoek is vastgesteld, zodat het rapport van de controlerende arts de enige en uitsluitende grondslag van het betrokken administratieve besluit vormt. Een dergelijk besluit is slechts gegrond indien het logisch voortvloeit uit de conclusie van de controlerende arts, dat de betrokken ambtenaar tijdens de omstreden afwezigheid arbeidsgeschikt was. Die conclusie moet op haar beurt logisch voortvloeien uit de bij het controleonderzoek gedane vaststellingen" (punt 27).
13 Het Gerecht concludeerde daaruit, dat
"om de motivering van het betrokken administratieve besluit te kunnen kennen en de gegrondheid ervan nuttig te kunnen beoordelen, de betrokken ambtenaar op zijn verzoek kennis moet kunnen nemen van het rapport van de controlerende arts" (punt 28).
14 Het Gerecht vervolgde:
"30 In de onderhavige zaak is het rapport van de controlerende arts niet meegedeeld aan verzoekster of haar behandelende arts, ofschoon zij zulks in haar klacht had gevraagd. In die omstandigheden is de motivering van het bestreden besluit, die beperkt bleef tot een verwijzing naar de vaststelling, dat de controlerende arts verzoekster had meegedeeld dat zij zijns inziens haar werkzaamheden vanaf 5 mei 1995 kon hervatten, en dat zij die pas op 8 mei 1995 daadwerkelijk had hervat, een loutere formaliteit, die niet volstaat om verzoekster in staat te stellen de gegrondheid ervan te beoordelen.
31 Daaruit volgt dat verzoekster, ofschoon zij daarom had verzocht, tijdens de precontentieuze procedure op geen enkel ogenblik rechtstreeks of onrechtstreeks - via haar behandelende arts - kennis heeft gekregen van de medische gronden waarop het jegens haar genomen besluit was gebaseerd, en dus evenmin haar standpunt over de vaststellingen en conclusies van de controlerende arts heeft kunnen bekendmaken en in voorkomend geval de gegrondheid van die vaststellingen en conclusies betwisten.
32 De eerbiediging van het recht van verweer vormt evenwel een grondbeginsel van het gemeenschapsrecht dat in acht moet worden genomen in elke tegen een persoon ingeleide procedure die tot een voor deze persoon bezwarend besluit kan leiden. Dat beginsel moet zelfs bij ontbreken van enige regeling inzake de betrokken procedure in acht worden genomen.
33 Toegepast op de in artikel 59, lid 1, tweede alinea, van het Statuut bedoelde procedure van medische controle, eist dit beginsel, dat de betrokkene, in voorkomend geval bijgestaan door zijn behandelende arts, in staat wordt gesteld zijn standpunt over de conclusies van het medische controleonderzoek nuttig kenbaar te maken en eventueel de gegrondheid ervan te betwisten (arrest van 6 mei 1997, Quijano/Commissie, T-169/95, JurAmbt. blz. II-273, punt 44). Aangezien de betrokkene de gegrondheid van dergelijke conclusies evenwel niet met kans op succes kan betwisten zonder kennis te hebben genomen van de medische vaststellingen waarop zij berusten, eist dat beginsel, dat de betrokkene in staat wordt gesteld zijn standpunt over het volledige rapport van de controlerende arts kenbaar te maken.
34 In het onderhavige geval kan niet worden uitgesloten, dat verweerder een ander dan het thans bestreden besluit zou hebben vastgesteld indien verzoekster haar standpunt over het rapport van de controlerende arts kenbaar had kunnen maken. Mitsdien is de grief inzake schending van verzoeksters recht van verweer gegrond.
35 Uit het voorgaande volgt, dat het eerste middel tot nietigverklaring gegrond is, doordat enerzijds het besluit een motiveringsgebrek vertoont, en anderzijds verzoeksters recht van verweer is geschonden."
De hogere voorziening
15 Tot staving van zijn hogere voorziening voert het Parlement vier middelen aan.
16 Met zijn eerste middel verwijt het Parlement het Gerecht, het beroep niet niet-ontvankelijk te hebben verklaard, hoewel de middelen in de klacht niet overeenkomen met die in het verzoekschrift.
17 Dienaangaande kan worden volstaan met eraan te herinneren, dat volgens vaste rechtspraak de administratieve klacht weliswaar een conditio sine qua non is voor de instelling van een beroep tegen een handeling waardoor iemand die onder toepassing van het Statuut valt, wordt bezwaard, doch dat de klacht er niet toe strekt de omvang van een eventueel beroep in rechte nauwkeurig en definitief af te bakenen, zolang de grond of het voorwerp van de klacht in dat stadium maar geen wijzigingen ondergaat (zie met name arrest van 20 maart 1984, Razzouk en Beydoun/Commissie, 75/82 en 117/82, Jurispr. blz. 1509, punt 9).
18 In de onderhavige zaak was het bij het Gerecht ingediende beroep echter gericht tegen de besluiten die tot de klacht hebben geleid, en hingen de tot staving van het verzoek tot nietigverklaring aangevoerde middelen nauw samen met de in de klacht betwiste punten, zoals zij in punt 5 van het onderhavige arrest zijn samengevat.
19 Het eerste middel moet dus ongegrond worden verklaard.
20 Met zijn derde middel verwijt het Parlement het Gerecht, artikel 48, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering te hebben geschonden, door het middel ontleend aan schending van het recht van verweer te aanvaarden, hoewel dit door Gaspari eerst in het stadium van de repliek is aangevoerd.
21 Dienaangaande zij erop gewezen, dat het Gerecht in punt 19 van het bestreden arrest heeft vastgesteld, dat "in weerwil van het opschrift van het eerste middel, dat uitsluitend naar artikel 25 van het Statuut verwijst", het betoog van Gaspari in het kader van dit middel "in werkelijkheid ertoe strekt, ook te bewijzen dat haar recht van verweer is geschonden, doordat haar behandelende arts het rapport van de controlerende arts waarop het bestreden besluit berust, niet zou hebben ontvangen, hoewel zij om toezending daarvan heeft verzocht". Het gaat dus niet om een nieuw middel, maar om een door het Gerecht op goede gronden verrichte herkwalificatie.
22 Het derde middel moet dus ongegrond worden verklaard.
23 Met zijn tweede en zijn vierde middel, die samen moeten worden behandeld, maakt het Parlement het Gerecht het verwijt een rechtsdwaling te hebben begaan, waar het enerzijds oordeelt, dat het besluit van 22 mei 1995 een motiveringsgebrek vertoonde, en anderzijds, dat het recht van verweer van Gaspari door het Parlement was geschonden.
24 Het Parlement is van mening, dat het omstreden besluit uitdrukkelijk verwijst naar het resultaat van het krachtens artikel 59, lid 1, van het Statuut op 4 mei 1995 bij Gaspari thuis verricht medisch controleonderzoek. Het besluit zou dus zijn gemotiveerd door de beoordeling van de controlerende arts, dat betrokkene haar werk kon hervatten, welke beoordeling laatstgenoemde bekend was vanaf het einde van het medisch controleonderzoek.
25 Het Parlement voegt daaraan toe, dat de administratie geen beoordelingsbevoegdheid bezit wat betreft het gevolg dat moet worden gegeven aan het resultaat van een controleonderzoek bij een ambtenaar thuis: zij zou slechts akte kunnen nemen van het resultaat, en daaraan de besluiten verbinden die zijn voorgeschreven in het Statuut, dat geen enkel overleg met de behandelende arts van de ambtenaar organiseert en op dit gebied niet voorziet in de instelling van een medisch college in geval van betwisting. De enige weg die openstaat voor de ambtenaar die het ongunstige resultaat van de medische controle betwist, zou erin bestaan, om een nieuw medisch onderzoek te verzoeken of een ander attest over te leggen, van de behandelende arts of van een andere arts, dat de door de eerste arts geformuleerde diagnose bevestigt. In de onderhavige zaak zou Gaspari geen van die stappen hebben ondernomen, maar zich ertoe hebben beperkt de medische beoordelingen te betwisten, zonder die betwisting met enig bewijs te staven.
26 Dienaangaande zij herinnerd aan de vaste rechtspraak van het Hof, volgens welke de door artikel 25, tweede alinea, van het Statuut voorgeschreven motivering van een bezwarend besluit ten doel heeft, enerzijds de gemeenschapsrechter in staat te stellen toezicht uit te oefenen op de wettigheid van het besluit, en anderzijds de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om vast te stellen of het besluit al dan niet gegrond is (zie, met name, arresten van 26 november 1981, Michel/Parlement, 195/80, Jurispr. blz. 2861, punt 22, en 20 november 1997, Commissie/V, C-188/96 P, Jurispr. blz. I-6561, punt 26). De aan de motivering te stellen eisen moeten worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling en de aard van de redengeving (arrest van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink's France, C-367/95 P, Jurispr. blz. I-1719, punt 63).
27 Aangezien in het betrokken besluit naar aanleiding van een medisch controleonderzoek wordt geconcludeerd dat de afwezigheid van een ambtenaar onregelmatig is, en uitdrukkelijk wordt verwezen naar de beoordeling van de controlerende arts, volgens welke de ambtenaar vanaf de dag na het onderzoek haar werk kon hervatten, zonder dat de ambtenaar daaraan gevolg heeft gegeven, is het niet nodig, dat de instelling de inhoud van de beoordelingen van medische aard die de controlerende arts na het onderzoek bij de ambtenaar thuis heeft uitgebracht, ambtshalve bij dat besluit voegt of in de motivering ervan overneemt.
28 Dergelijke beoordelingen kunnen immers onder het medisch geheim vallen of vertrouwelijk zijn, zodat de betrokkene zelf of zijn behandelende arts, indien hij de conclusie van de controlerende arts betwist, de instelling moet verzoeken, hem de medische beoordelingen van de controlerende arts mee te delen of door haar medische dienst te laten meedelen.
29 Indien de instelling, na een dergelijk verzoek, nalaat de beoordelingen mee te delen, valt niet uit te sluiten, dat dit ontbreken van een mededeling bij de ambtenaar twijfel kan doen rijzen omtrent de gegrondheid van het besluit. In de onderhavige zaak echter heeft, naar blijkt uit de feiten zoals zij door het Gerecht zijn vastgesteld, de mededeling van het rapport van de controlerende arts (ofschoon door Gaspari aangevraagd in het stadium van de administratieve klacht) daadwerkelijk plaatsgevonden in de loop van de contentieuze procedure, zodat het toezicht op de wettigheid van het bestreden besluit door het Gerecht, en het onderzoek van de gegrondheid ervan door Gaspari, wordt vergemakkelijkt. Gelet op de voorafgaande uiteenzetting, volstaan die omstandigheden niet om te stellen, dat de beknoptheid van de motivering van het bestreden besluit, aldus vervolledigd in de loop van de contentieuze procedure, grond oplevert voor de nietigverklaring van het besluit.
30 Daaruit volgt, dat het Gerecht heeft gedwaald ten aanzien van het recht, waar het heeft geoordeeld, dat de bestreden besluiten een motiveringsgebrek vertoonden.
31 Het Gerecht kon evenmin oordelen, dat de instelling, door het bestreden besluit vast te stellen, het recht van verweer van Gaspari had geschonden.
32 Mitsdien moet het bestreden arrest worden vernietigd, daar het Gerecht heeft gedwaald ten aanzien van het recht, waar het enerzijds oordeelde, dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek vertoonde, en anderzijds, dat het recht van verweer van Gaspari door het Parlement is geschonden.
De kosten in eerste aanleg
33 Opgemerkt zij, dat voor de regeling van de kosten in eerste aanleg, rekening moet worden gehouden met de voorafgaande overwegingen wat de beknopte motivering van het bestreden besluit betreft (zie, in die zin, arresten van 30 mei 1984, Picciolo/Parlement, 111/83, Jurispr. blz. 2323, punt 30, en 8 maart 1988, Sergio e.a./Commissie, 64/86, 71/86, 72/86, 73/86 en 78/86, Jurispr. blz. 1399, punten 56 en 57).
34 Ongeacht de rechtmatigheid van het besluit wat de grond van de zaak betreft, kan men Gaspari niet euvel duiden, dat zij het Gerecht om een wettigheidstoetsing heeft verzocht. De beslissing van het Gerecht waarbij het Parlement tot alle kosten in eerste aanleg is veroordeeld, moet dus worden gehandhaafd.
35 Deze overweging kan natuurlijk geen betrekking hebben op de kosten betreffende de onderhavige procedure, waaromtrent de beslissing wordt aangehouden.
Verwijzing van de zaak naar het Gerecht
36 Artikel 54, eerste alinea, van het Statuut-EG van het Hof van Justitie bepaalt:
"In geval van gegrondheid van de hogere voorziening vernietigt het Hof de beslissing van het Gerecht. Het kan dan zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening verwijzen naar het Gerecht."
37 In de onderhavige zaak acht het Hof zich niet in staat uitspraak te doen, daar het niet uitgesloten is, dat voor de beoordeling van de andere in eerste aanleg aangevoerde middelen aanvullende feitelijke vaststellingen nodig zijn. De zaak moet dus naar het Gerecht worden verwezen voor afdoening ten gronde en onderzoek van de andere middelen die Gaspari in eerste aanleg heeft aangevoerd.
Dictum
rechtdoende,
1) Vernietigt het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 10 juli 1997, Gaspari/Parlement (T-36/96), houdende nietigverklaring wegens schending van de motiveringsplicht en van het recht van verweer van het besluit van 22 mei 1995 waarbij het Parlement de onregelmatigheid heeft vastgesteld van de afwezigheid van Gaspari op 5 mei 1995 en op haar vakantieverlof een dag in mindering heeft gebracht, en van het besluit van 9 augustus 1995 waarbij het Parlement dat besluit heeft bevestigd.
2) Verwijst de zaak naar het Gerecht van eerste aanleg, voor een uitspraak over de andere middelen die Gaspari in eerste aanleg heeft aangevoerd.
3) Houdt de beslissing omtrent de kosten aan.
Full & Egal Universal Law Academy