Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Lidstaten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet-nakoming - Rechtvaardiging - Ontoelaatbaarheid
(EG-Verdrag, art. 169)
Samenvatting
Een lidstaat kan zich niet beroepen op nationale bepalingen, praktijken of situaties ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van door een richtlijn voorgeschreven verplichtingen of termijnen.
Partijen
In zaak C-326/97,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Stancanelli, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van die dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door A. Snoecx, adjunct-adviseur bij de algemene directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Belgische ambassade, Rue des Girondins 4,
verweerder,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 95/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 1995 tot wijziging van richtlijn 86/662/EEG betreffende de beperking van geluidsemissies van hydraulische graafmachines, kabelgraafmachines, dozers, laders en graaflaadmachines (PB L 168, blz. 14), de krachtens die richtlijn en het EG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: P. J. G. Kapteyn, kamerpresident, G. Hirsch, G. F. Mancini, H. Ragnemalm en R. Schintgen (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: N. Fennelly
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 juni 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 17 september 1997, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EG-Verdrag verzocht vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 95/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 1995 tot wijziging van richtlijn 86/662/EEG betreffende de beperking van geluidsemissies van hydraulische graafmachines, kabelgraafmachines, dozers, laders en graaflaadmachines (PB L 168, blz. 14; hierna: "richtlijn"), de krachtens die richtlijn en het EG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Volgens artikel 2, lid 1, eerste alinea, van de richtlijn moesten de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 31 december 1995 aan deze richtlijn te voldoen. Lid 2 van dat artikel bepaalt, dat de lidstaten de Commissie de tekst meedelen van alle belangrijke bepalingen van intern recht die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
3 Daar de Commissie geen enkele mededeling over de omzetting van de richtlijn in Belgisch recht had ontvangen en over geen enkel gegeven beschikte waaruit zij kon opmaken dat het Koninkrijk België aan die verplichting had voldaan, maande zij die staat bij brief van 27 februari 1996 aan om binnen een termijn van twee maanden zijn opmerkingen te maken.
4 Toen de Belgische autoriteiten niet antwoordden, deed de Commissie het Koninkrijk België op 5 maart 1997 een met redenen omkleed advies toekomen met het verzoek, binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving ervan de nodige maatregelen vast te stellen om de uit de richtlijn voortvloeiende verplichtingen na te komen.
5 Daar dit met redenen omkleed advies zonder gevolg bleef, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
6 Het Koninkrijk België betwist niet, dat de richtlijn niet binnen de gestelde termijn is uitgevoerd, maar zet uiteen, dat de uitvoering ervan afhangt van die van richtlijn 84/532/EEG van de Raad van 17 september 1984 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake gemeenschappelijke bepalingen voor bouwmaterieel en bouwmachines (PB L 300, blz. 111), waarvan de uitvoering op gewestelijk, maar niet op nationaal vlak zou hebben plaatsgevonden. Als gevolg van de inwerkingtreding van de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur (Belgisch Staatsblad, blz. 16774), volgens welke de productnormen onder de nationale bevoegdheid vallen, zouden die richtlijnen echter op federaal vlak moeten worden uitgevoerd. De Belgische regering preciseert evenwel, dat de desbetreffende procedure zich in de eindfase bevindt en dat de ontwerpen van koninklijk besluit eerlang aan de bevoegde ministers ter ondertekening zullen worden voorgelegd.
7 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak een lidstaat zich niet kan beroepen op nationale bepalingen, praktijken of situaties ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van door een richtlijn voorgeschreven verplichtingen of termijnen (zie, onder meer, arrest van 28 mei 1998, Commissie/Spanje, C-298/97, Jurispr. blz. I-3301, punt 14).
8 Daar de uitvoering van de richtlijn niet binnen de daarin gestelde termijn heeft plaatsgevonden, moet het beroep van de Commissie gegrond worden geacht.
9 Mitsdien moet worden vastgesteld dat het Koninkrijk België, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om aan de richtlijn te voldoen, de krachtens die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
10 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie zulks heeft gevorderd en het Koninkrijk België in het ongelijk is gesteld, moet het in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 95/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 1995 tot wijziging van richtlijn 86/662/EEG betreffende de beperking van geluidsemissies van hydraulische graafmachines, kabelgraafmachines, dozers, laders en graaflaadmachines, is het Koninkrijk België de krachtens die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy