Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Overheidsopdrachten van de Europese Gemeenschappen - Arbitragebeding houdende bevoegdverklaring van Hof - Eenzijdige ontbinding krachtens bedingen van overeenkomst - Verzoek om teruggave van voorschotten en betaling van schadevergoeding - Schade - Kosten betreffende procedure in rechte - Daarvan uitgesloten
[EG-Verdrag, art. 181 (thans art. 238 EG)]
Samenvatting
$$In het kader van een schadevordering naar aanleiding van de niet-uitvoering van een contract, kunnen de door partijen met het oog op de procedure in rechte gemaakte kosten als zodanig niet worden beschouwd als een van de proceskosten onderscheiden schadepost.
Partijen
In zaak C-334/97,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Stancanelli, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door A. Dal Ferro, advocaat te Vicenza, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Comune di Montorio al Vomano, in de persoon van haar wettelijk vertegenwoordiger pro tempore, vertegenwoordigd door P. Scarpantoni, advocaat te Teramo,
verweerster,
betreffende een beroep krachtens artikel 181 EG-Verdrag (thans artikel 238 EG), ertoe strekkende de terugbetaling te verkrijgen van de door de Commissie aan verweerster voorgeschoten bedragen in het kader van twee contracten betreffende een demonstratieproject op het gebied van de exploitatie van alternatieve energiebronnen, en verweerster te doen veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding aan de Commissie,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Derde kamer),
samengesteld als volgt: J.-P. Puissochet, kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida en C. Gulmann (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: N. Fennelly
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 februari 1999,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 24 september 1997, stelde de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens een arbitragebeding in de zin van artikel 181 EG-Verdrag (thans artikel 238 EG) tegen de gemeente Montorio al Vomano (hierna: "Montorio") beroep in strekkende tot terugbetaling van een bedrag van in totaal 613 600 000 LIT, door de Commissie aan Montorio voorgeschoten in het kader van twee contracten betreffende de bouw en de ingebruikneming van een geïntegreerd systeem, bestaande uit een windkracht- en een dieselinstallatie alsmede een hydro-elektrische centrale, welk bedrag is te vermeerderen met interesten ten bedrage van 894 557 399 LIT, alsmede de interesten over de periode van 31 augustus 1997 tot de dag van betaling, en voorts strekkende tot veroordeling van Montorio om aan de Commissie een schadevergoeding van 50 000 000 LIT te betalen.
2 Op 28 juli 1986 sloot de Europese Economische Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Commissie, met Montorio twee contracten met de nummers WE 147-85 en HY 149-85 (hierna: "contract 147" en "contract 149").
3 Deze twee contracten, betreffende de bouw en de ingebruikneming van een geïntegreerd systeem, bestaande uit een windkracht- en een dieselinstallatie (contract 147) alsmede een hydro-elektrische centrale (contract 149), zijn gesloten in het kader van de financiële steun aan demonstratieprojecten die bij een besluit van de Commissie van 8 november 1985 is toegekend op het gebied van de exploitatie van alternatieve energiebronnen, overeenkomstig verordening (EEG) nr. 1972/83 van de Raad van 11 juli 1983 (PB L 195, blz. 6).
4 Naar luid van artikel 13 van de contracten 147 en 149, "komen de partijen bij het contract overeen alle geschillen betreffende de geldigheid, de uitlegging en de uitvoering van dit contract voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen".
5 Volgens artikel 14 van elk van de betrokken contracten, "is op dit contract het Italiaanse recht van toepassing".
Contract 147
6 De in het contract bedoelde installatie moest de energiebehoeften dekken van een project voor een toeristisch centrum en woningen te Cusciano (deel uitmakend van de gemeente Montorio).
7 Ingevolge artikel 2 en bijlage I, afdeling A, punt 2.1, van contract 147 dienden de werkzaamheden voor de bouw van de windkracht- en dieselinstallatie, die waren begonnen op 8 april 1986, beëindigd te zijn op 30 november 1988.
8 Volgens artikel 4.1 van contract 147, droeg Montorio de technische en financiële verantwoordelijkheid voor de in bijlage I bij het contract bedoelde werken. Ingevolge artikel 4.3 verplichtte zij zich ertoe, binnen drie maanden na de ondertekening van het contract, en daarna elk semester, een rapport in te dienen over de vooruitgang van de werken alsmede een staat van de gemaakte kosten. Volgens artikel 4.4 moest Montorio de Commissie onmiddellijk informeren over alle feiten die de correcte uitvoering van het contract in het gedrang zouden kunnen brengen, en alle nuttige preciseringen ter zake meedelen. Bovendien verbond de gemeente zich er ingevolge artikel 4.5.1 toe, de Commissie onverwijld alle inlichtingen mee te delen die zij vraagt in verband met de uitvoering van het programma van de werkzaamheden. Volgens artikel 4.5.2 was Montorio verplicht alle nodige technische en financiële documenten ter beschikking van de Commissie te stellen die nodig zijn voor de controle van de uitvoering van het programma van de werkzaamheden.
9 Volgens artikel 8 van het contract, kan het "door de Commissie van rechtswege worden ontbonden in geval van niet-uitvoering door de contractant van een van de verplichtingen die ingevolge het onderhavige contract op hem rusten, met name bij niet-naleving van de termijnen voor het indienen van de in artikel 4.3 bedoelde rapporten, na aanmaning bij aangetekende brief met ontvangstbewijs, voor zover de uitvoering niet binnen de maand volgt (...) In dat geval moet de verleende financiële steun door de contractant onmiddellijk aan de Commissie worden terugbetaald, vermeerderd met rente vanaf de datum van ontvangst van die bedragen. De rentevoet is die welke door de Europese Investeringsbank wordt toegepast op de datum van het besluit van de Commissie inzake de toekenning van financiële steun voor het project."
10 Op 20 augustus 1986 heeft de Commissie Montorio een voorschot van 246 000 000 LIT gestort.
11 In januari en september 1987 heeft de Commissie Montorio schriftelijk uitgenodigd zich te schikken naar de eisen van artikel 4.3 van contract 147 inzake de indiening van rapporten.
12 Bij brief van 3 november 1987 heeft de Commissie een gunstig gevolg gegeven aan het verzoek van Montorio om de termijn voor voltooiing van de werken te verlengen tot 31 mei 1989.
13 In 1987 en 1988 heeft de Commissie in drie keer aan Montorio een bedrag betaald van in totaal 209 200 000 LIT.
14 In november 1988 en maart 1989 zag de Commissie zich verplicht Montorio te herinneren aan haar verplichtingen voortvloeiend uit artikel 4.3 van contract 147.
15 Bij brief van 18 september 1991 liet Montorio de Commissie weten, dat het toeristisch centrum en de woningen te Cusciano niet zouden worden gebouwd zoals aanvankelijk was voorzien, zodat het aanvankelijke project moest worden gewijzigd, in die zin dat een windkrachtinstallatie zou worden gebouwd die is aangesloten op het stroomnet ten behoeve van de gehele gemeente. Montorio voorzag dat de werken op 31 december 1992 beëindigd zouden zijn. Zij garandeerde de financiering van het project voor het gedeelte dat niet door de Europese Gemeenschap werd gedragen.
16 Bij brief van 20 december 1991 vroeg de Commissie een kopie van het formeel besluit van de bevoegde autoriteiten van de gemeente tot toekenning van de kredieten voor het gewijzigde project, en van de vergunning om de installatie aan te sluiten op het stroomnet. Montorio heeft op 8 januari 1992 deze brief beantwoord.
17 Na een inspectie ter plaatse in maart 1992, heeft de Commissie Montorio bij brief van 25 augustus 1992 verzocht de volgende documenten over te leggen:
- het schriftelijk accoord van de Regione Abruzzo inzake het bedrag van haar financiële bijdrage aan het nieuwe project en de datum van betaling daarvan;
- een analyse van de financiering van de totale kosten van het project, en
- een nieuw programma van de werkzaamheden met een beschrijving van het verloop van de uitvoering van het project.
De Commissie preciseerde, dat zij, indien deze documenten niet vóór 30 september 1992 in haar bezit waren, artikel 8 van contract 147 zou toepassen.
18 In haar antwoord van 13 oktober 1992 verzocht Montorio in feite om een nieuwe verlenging van de termijn. Bij twee brieven van 29 oktober 1992 liet zij de Commissie weten, dat haar vertragingen bij de uitvoering van de bouwwerken voor het in het contract bedoelde project, het gevolg waren "van de bureaucratische traagheid van de bevoegde instanties die de milieuvergunningen moeten afgeven", en liet zij haar weten dat de autoriteiten van de Regione Abbruzo nog geen beslissing hadden genomen over de toekenning van de tweede schijf van de financiering waarin was voorzien bij decreet nr. 1550 van 4 december 1986 van voormelde Regione. In een van deze brieven werd gepreciseerd, dat het nieuwe programma van de werkzaamheden, met het voorziene verloop daarvan, in bijlage bij de brief was gevoegd.
19 Op 30 november 1992 besloot de Commissie het contract te ontbinden, op grond dat de documenten die zij bij brief van 25 augustus 1992 had gevraagd, haar niet waren toegezonden. Naar aanleiding van de ontbinding van dit contract vroeg de Commissie op 19 december 1995 en op 24 januari 1996 de terugbetaling van de betaalde bedragen. Montorio is niet tot terugbetaling overgegaan.
Contract 149
20 Ingevolge artikel 2 en bijlage I, afdeling A, punt 2.2, van contract 149 moesten de daarin bedoelde werken, betreffende een hydro-elektrische installatie van 300 kW, uiterlijk in mei 1988 zijn voltooid.
21 Overeenkomstig artikel 4.2.1 en bijlage 1, afdeling A, punt 3, van contract 149 heeft Montorio de vennootschap Tecno Srl (hierna: "Tecno") belast met de bouw van deze hydro-elektrische installatie.
22 Volgens artikel 4.3.1 van contract 149 rustte op Montorio de verplichting om de Commissie te informeren in geval van onmogelijkheid om de werken aan te vatten, en haar een nieuwe datum voor te stellen. Bovendien moest Montorio binnen drie maanden vanaf de ondertekening van het contract een tussenrapport indienen over de voortgang van het project, tezamen met een overzicht van de tijdens deze periode gemaakte kosten.
23 De formulering van de artikelen 4.1 en 8 van contract 149 is identiek met die van de artikelen 4.1 en 8 van contract 147.
24 Op 8 augustus 1986 heeft de Commissie Montorio een voorschot van 158 400 000 LIT betaald.
25 Op 27 januari 1987 heeft de Commissie Montorio gevraagd de verplichtingen van artikel 4.3.1 van contract 149 na te leven, toen deze had nagelaten het eerste tussenrapport over de voortgang van de werkzaamheden en het overzicht van uitgaven binnen de daarin gestelde termijn in te dienen. Op 3 juli daaropvolgend zond de Commissie Montorio een rappel van gelijke strekking.
26 Op 8 januari 1988 maande de Commissie de gemeente aan haar verplichtingen na te komen, en preciseerde zij, dat anders overeenkomstig artikel 8 het contract van rechtswege kon worden ontbonden.
27 Toen Montorio op deze uitnodigingen en rappels niet inging, liet de Commissie haar bij brief van 16 maart 1988 weten, dat het contract werd ontbonden en de terugbetaling werd gevraagd van de financiële bijdrage van 158 400 000 LIT die zij had ontvangen, vermeerderd met rente over dat bedrag. Montorio heeft de teruggevorderde bedragen niet terugbetaald.
De ontbinding van de contracten
Contract 147
28 De Commissie voert met name aan, dat zij Montorio bij herhaling uitstel heeft verleend voor de uitvoering van de op haar rustende contractuele verplichtingen, en haar bij brief van 25 augustus 1992 heeft aangemaand om haar uiterlijk op 30 september 1992 daaropvolgend bepaalde documenten te doen toekomen, inzonderheid die welke zijn vermeld in punt 17 van het onderhavige arrest. De toezending van deze documenten was vereist ingevolge de punten 4.4, 4.5.1 en 4.5.2 van het contract. De Commissie zet uiteen, dat Montorio haar deze documenten niet heeft doen toekomen, zodat zij haar bij brief van 30 november 1992 in kennis heeft gesteld van de ontbinding van contract 147 overeenkomstig artikel 8 daarvan.
29 Montorio werpt met een beroep op artikel 1453 van het Italiaans burgerlijk wetboek een exceptie van niet-ontvankelijkheid van het verzoek om ontbinding van het contract op, stellende dat de Commissie de gemeentelijke instanties had moeten aanmanen om de betrokken uitrusting te bouwen, en daartoe een termijn had moeten vaststellen waarvan het verstrijken de ontbinding tot gevolg zou hebben gehad. Voorts stelt zij, dat zij op goede gronden kon aannemen, dat de Commissie bereid was de uitspraak af te wachten in de rechtszaak die zij heeft ingeleid tegen Tecno, alsmede de nieuwe beslissing van de Regione Abruzzo betreffende de financiering van de werken, nu de Commissie bijna tien jaar heeft gewacht om de passende maatregelen te nemen tegen de niet-naleving van de termijn voor de voltooiing van de werkzaamheden.
30 Montorio stelt ten slotte, dat het uitdrukkelijk ontbindend beding in artikel 8 van het contract niet van toepassing is, op de volgende gronden:
- de schriftelijke aanmaning is niet verstuurd bij aangetekende brief met ontvangstbewijs;
- de Commissie is ook na het verstrijken van de termijn om toezending van de rapporten blijven vragen, zodat haar handelwijze neerkomt op afstand van het uitdrukkelijk ontbindend beding;
- de gemeente heeft de gevraagde documenten op 29 oktober 1992 overgemaakt, en aldus aan haar contractuele verplichting voldaan.
31 Wat de exceptie van niet-ontvankelijkheid betreft, zij erop gewezen dat het beroep van de Commissie, anders dan Montorio stelt, geen verzoek is om gerechtelijke ontbinding van het contract wegens niet-uitvoering, in de zin van artikel 1453 van het Italiaans burgerlijk wetboek, doch wel een verzoek om te doen vaststellen dat de ontbinding van het contract van rechtswege plaats heeft gevonden krachtens het ontbindend beding van artikel 8 daarvan, overeenkomstig de algemene regeling van artikel 1456 van het Italiaans burgerlijk wetboek.
32 In ieder geval zijn de twee door Montorio tot staving van haar exceptie van niet-ontvankelijkheid aangevoerde gronden onwerkzaam. Enerzijds is de omstandigheid, dat de Commissie Montorio niet heeft aangemaand om met name te voldoen aan haar contractuele verplichting om de betrokken installaties te bouwen, en heeft nagelaten daartoe een termijn te bepalen waarvan het verstrijken de ontbinding teweeg zou brengen, op zich niet van dien aard, dat zij de niet-ontvankelijkheid van het beroep meebrengt. Volgens artikel 8 van contract 147 kan namelijk ook de niet-uitvoering van andere contractuele verplichtingen dan die waarover Montorio het heeft, de ontbinding van rechtswege van het contract teweegbrengen. Wat voorts het middel betreft dat is ontleend aan de beweerde schending van het gewettigd vertrouwen van Montorio, moet worden vastgesteld dat, zelfs in de veronderstelling dat een beroep niet-ontvankelijk zou kunnen worden verklaard op grond dat het instellen ervan een schending vormt van het gewettigd vertrouwen van de verweerder, de feiten van het dossier, zoals weergegeven in de punten 17 tot en met 19 van het onderhavige arrest, uitsluiten dat de Commissie bij Montorio het gewettigd vertrouwen had kunnen doen ontstaan dat zij bereid was geen beroep in te stellen vóór de uitspraak in het geding dat Montorio wegens niet-nakoming van contractuele verplichtingen heeft ingeleid tegen Tecno, en vóór de nieuwe beslissing van de Regione Abruzzo inzake de financiering van de werken.
33 Uit een en ander volgt, dat de exceptie van niet-ontvankelijkheid niet kan worden aanvaard.
34 Wat de andere middelen van Montorio betreft, moet er in de eerste plaats op worden gewezen, dat de Commissie, anders dan de gemeente stelt, de kopie van het ontvangstbewijs van de schriftelijke aanmaning van 25 augustus 1992 heeft overgelegd. Bovendien heeft Montorio daarop geantwoord bij brief van 13 oktober daaropvolgend, zodat zij niet kan beweren dat zij die aanmaning niet heeft ontvangen.
35 In de tweede plaats is in het dossier geen enkel bewijselement opgenomen tot staving van de gegrondheid van de beweringen van Montorio, dat de Commissie ook na het verstrijken van de in de aanmaning van 25 augustus 1992 toegekende termijn, nog zou blijven aandringen zijn op het toezenden van de rapporten.
36 In de derde plaats moet erop worden gewezen, dat de Commissie naar eigen zeggen de documenten als bedoeld in punt 17 van het onderhavige arrest niet heeft ontvangen, en dat Montorio niet het bewijs heeft geleverd dat zij die documenten inderdaad aan de Commissie heeft overgemaakt.
37 Vastgesteld moet worden, dat Montorio niet de op haar rustende verplichting heeft betwist om de betrokken documenten aan de Commissie over te maken, en niet de niet-toepasselijkheid heeft opgeworpen van het ontbindend beding in artikel 8 van contract 147 voor het geval van niet-nakoming van deze verplichting. Uit een en ander volgt dus, dat deze verplichting door de contractpartijen is beschouwd als een wezenlijke contractuele verplichting, waarvan de niet-uitvoering de ambtshalve ontbinding van het contract teweeg kon brengen.
38 Nu vaststaat, dat Montorio de betrokken verplichting niet is nagekomen, is de door de Commissie krachtens het ontbindend beding uitgesproken ambtshalve ontbinding, die bij brief van 30 november 1992 ter kennis van Montorio is gebracht, feitelijk en rechtens gegrond.
Contract 149
39 De Commissie herinnert er aan, dat Montorio ingevolge artikel 4.3.1 van contract 149 verplicht was haar binnen drie maanden vanaf de ondertekening van het contract een tussenrapport te laten toekomen over de voortgang van het programma van de werkzaamheden zoals beschreven in bijlage I bij dit contract, samen met een overzicht van de tijdens die periode gedane uitgaven. In weerwil van verschillende brieven waarbij Montorio werd verzocht haar deze stukken over te leggen, alsmede van de aanmaning daartoe, heeft de gemeente daaraan evenwel geen gevolg gegeven. Daarop, aldus de Commissie, heeft zij Montorio bij aangetekende brief van 16 maart 1988 in kennis gesteld van de ontbinding van het contract.
40 In dupliek stelt Montorio, dat laatstbedoelde brief haar nooit heeft bereikt, zodat de ontbinding van dit contract niet in 1988 plaats heeft gevonden, doch eerst op de datum van indiening van het verzoekschrift door de Commissie.
41 Zoals de advocaat-generaal in punt 22 van zijn conclusie opmerkt, is dit middel kennelijk niet-ontvankelijk. Ingevolge artikel 42, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof mogen namelijk in de loop van het geding geen nieuwe middelen worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. Zulks blijkt in casu niet het geval te zijn.
42 Overigens betwist Montorio niet, dat was voldaan aan de voorwaarden voor ontbinding van het contract. In dit verband blijkt uit het dossier dat de door de Commissie krachtens het ontbindend beding van artikel 8 van contract 149, in samenhang met artikel 4.3.1 daarvan, uitgesproken ontbinding, die bij aangetekende brief van 16 maart 1988 ter kennis van Montorio is gebracht, feitelijk en rechtens gegrond is.
De terugbetaling van de voorschotten
43 Blijkens artikel 8, derde alinea, van de contracten 147 en 149 is Montorio in geval van toepassing van het ontbindend beding van dit artikel gehouden de Commissie onmiddellijk de betaalde voorschotten terug te betalen. In casu staat vast, dat het totale bedrag van die voorschotten 613 600 000 LIT bedraagt.
De interesten
44 Montorio voert de nietigheid aan van het bepaalde in artikel 8, derde alinea, van de contracten 147 en 149, bepalende dat de toepasselijke rentevoet die van de Europese Investeringsbank is op de datum van het besluit waarbij de Commissie de financiële bijdrage voor het project heeft toegekend. Zij stelt in dit verband, dat de burgemeester, waar hij specifiek de artikelen 8 van bedoelde contracten heeft goedgekeurd overeenkomstig de artikelen 1341 en 1342 van het Italiaans burgerlijk wetboek, de voorwaarden voor ontbinding van het contract heeft aanvaard, doch dat deze aanvaarding geen betrekking had op de toepasselijke rentevoet. Montorio voert eveneens aan, dat de verschuldigde interesten, te weten de wettelijke interesten, ingevolge artikel 8 eerst ingaan op de datum van ontbinding van het contract en niet op die van de ontvangst van de verschillende bedragen.
45 In dupliek stelt Montorio voorts, dat het contractueel beding waarbij een hogere dan de wettelijke rentevoet is opgelegd, onregelmatig is, op grond dat de werkelijke rentevoet niet is vermeld en de dominante contractpartij verplicht is alle nuttige elementen ter kennis van de medecontractant te brengen.
46 Dit middel is niet-ontvankelijk om dezelfde redenen als die welke zijn vermeld in punt 41 van het onderhavige arrest.
47 Wat de door Montorio opgeworpen exceptie betreft, moet worden vastgesteld dat, in de veronderstelling dat een clausule tot vaststelling van de rentevoet zoals die welke thans aan de orde is, een vexatoir beding is dat uitdrukkelijk moet worden goedgekeurd in de zin van artikel 1341, tweede alinea, van het Italiaans burgerlijk wetboek, vaststaat dat artikel 8 van de contracten 147 en 149, en dus met name het beding tot vaststelling van de contractuele rentevoet, door de burgemeester van Montorio op 25 juli 1986 uitdrukkelijk schriftelijk is goedgekeurd. Deze exceptie moet derhalve worden verworpen.
48 Nu Montorio niet de rentevoet van 14,2 % heeft betwist die volgens de Commissie de door de Europese Investeringsbank toegepaste rentevoet was op de datum van het besluit tot toekenning van de financiële bijdrage voor het project, dient deze rentevoet te worden gehanteerd bij de berekening van de rente over de door de Commissie voorgeschoten bedragen.
49 Ook het door Montorio aangevoerde middel betreffende de datum vanaf welke de rente loopt, moet worden verworpen. Uit artikel 8, derde alinea, van de contracten 147 en 149 blijkt namelijk duidelijk, dat deze datum die is van de ontvangst van de betaalde voorschotten.
50 Wat contract 147 betreft, stelt de Commissie dat de rente verschuldigd is vanaf 1 december 1986 voor het eerste voorschot van 246 000 000 LIT, vanaf 1 maart 1988 voor het tweede voorschot van 49 200 000 LIT, vanaf 1 juni 1988 voor het derde voorschot van 110 800 000 LIT, vanaf 1 augustus 1988 voor het vierde en laatste voorschot van 49 200 000 LIT. Wat contract 149 betreft, stelt de Commissie dat de over het voorschot van 158 400 000 LIT verschuldigde rente loopt vanaf 1 november 1986.
51 Bij ontbreken van enig element in het dossier op grond waarvan deze data en bedragen in twijfel zouden kunnen worden getrokken, dient de vordering van de Commissie te worden toegewezen wat de berekening van de interesten betreft.
De vergoeding van de schade
52 Onder verwijzing naar artikel 1453 van het Italiaans burgerlijk wetboek vordert de Commissie bovendien de veroordeling van Montorio om haar een schadevergoeding te betalen van 50 000 000 LIT, ter vergoeding van de schade die zij zou hebben geleden wegens de niet-uitvoering van de contracten en die zou bestaan in een ondoeltreffende inzet van personeel en een aantasting van de geloofwaardigheid van de instelling.
53 Wat de ondoeltreffende inzet van personeel van de Commissie betreft, zij erop gewezen, dat met betrekking tot de periode vóór de ontbinding van de contracten de bepalingen van artikel 4.3 in samenhang met artikel 8 daarvan de Commissie de mogelijkheid boden tijdig de consequenties te verbinden aan de niet-nakoming door haar medecontractant van de door deze aangegane verbintenissen, zodat zij de contractuele relatie voortijdig en eenzijdig kon beëindigen. De Commissie herinnert er overigens zelf aan, dat zij als blijk van goede wil aan Montorio uitstel heeft verleend, om haar in staat te stellen haar contractuele verplichtingen alsnog na te komen. Onder deze voorwaarden, kan de Commissie van verweerster niet verlangen, dat zij de aansprakelijkheid op zich neemt voor schade die voortvloeit uit de besluiten of verzuimen van de Commissie zelf.
54 Wat de periode na de ontbinding van de contracten betreft, moet er eveneens op worden gewezen, dat de door de partijen met betrekking tot de procedure in rechte gemaakte kosten als zodanig in geen geval kunnen worden beschouwd als een van de proceskosten onderscheiden schadepost.
55 Wat de andere door de Commissie gestelde schade betreft, die zou voortvloeien uit een aantasting van haar geloofwaardigheid, heeft zij het feitelijk karakter daarvan niet op nauwkeurige en overtuigende wijze aangetoond.
56 De schadevordering van de Commissie moet dus worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
57 Naar luid van artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Nu de Commissie heeft geconcludeerd tot veroordeling van verweerster, en deze op de belangrijkste punten in het ongelijk is gesteld, dient zij te worden verwezen in de kosten.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
rechtdoende:
1) Veroordeelt de gemeente Montorio al Vomano om krachtens de contracten nrs. WE 147-85 en HY 149-85 aan de Commissie te betalen:
- het bedrag van 246 000 000 LIT, vermeerderd met 14,2 % rente vanaf 1 december 1986 tot de dag van betaling;
- het bedrag van 49 200 000 LIT, vermeerderd met 14,2 % rente vanaf 1 maart 1988 tot de dag van betaling;
- het bedrag van 110 800 000 LIT, vermeerderd met 14,2 % rente vanaf 1 juni 1988 tot de dag van betaling;
- het bedrag van 49 200 000 LIT, vermeerderd met 14,2 % rente vanaf 1 augustus 1988 tot de dag van betaling;
- het bedrag van 158 400 000 LIT, vermeerderd met 14,2 % rente vanaf 1 november 1986 tot de dag van betaling.
2) Verwerpt het beroep voor het overige.
3) Verwijst de gemeente Montorio al Vomano in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy