Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Lidstaten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet-nakoming - Rechtvaardiging - Ontoelaatbaarheid (EG-Verdrag, art. 169) 2 Harmonisatie van wetgevingen - Batterijen en accu's die gevaarlijke stoffen bevatten - Richtlijn 91/157 - Verplichting voor lidstaten om specifieke programma's op te stellen ter verwezenlijking van bepaalde doelstellingen - Draagwijdte (Richtlijn 91/157 van de Raad, art. 6)
Samenvatting
1 Een lidstaat kan zich niet beroepen op bepalingen, praktijken of situaties van zijn nationale rechtsorde ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van de door een richtlijn voorgeschreven verplichtingen of termijnen. 2 Richtlijn 91/157 inzake batterijen en accu's die gevaarlijke stoffen bevatten, verplicht in artikel 6 de lidstaten ter verwezenlijking van de doelstellingen ervan programma's op te stellen, ze te herzien en regelmatig bij te stellen. Van belang is in dit verband, dat de lidstaten op wie een dergelijke verplichting rust, de Commissie moeten meedelen welke maatregelen zij voornemens zijn vast te stellen of te nemen op de betrokken gebieden. Slechts aan de hand van deze concrete kwantificering en een concreet tijdschema kan de Commissie dan beoordelen, of de ter uitvoering van de richtlijn voorgenomen maatregelen werkelijk bijdragen tot de verwezenlijking van de programma's waarmee de doelstellingen van de richtlijn moeten worden bereikt. Blijkens de tekst van artikel 6 en de algemene strekking van de richtlijn moeten de problemen verband houdend met bijzondere afvalstoffen zoals batterijen en accu's binnen een precies tijdschema worden opgelost. Zelfs indien bepaalde resultaten met betrekking tot de doelstellingen van de richtlijn worden bereikt vóór het verstrijken van de door de richtlijn gestelde termijn voor de tenuitvoerlegging van programma's, ontslaat deze omstandigheid de lidstaat niet van de verplichting de voorgeschreven programma's op te stellen. Kunnen niet worden beschouwd als programma's in de zin van artikel 6 van de richtlijn, positieve maatregelen in verband met de doelstellingen als omschreven in artikel 6, eerste alinea, waarbij het slechts gaat om een reeks normatieve bepalingen of concrete acties die niet zijn te beschouwen als een georganiseerd en gestructureerd systeem van doelstellingen.
Partijen
In zaak C-347/97,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur G. zur Hausen als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door A. Snoecx, adjunct-adviseur bij de algemene directie Juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Belgische ambassade, Rue des Girondins 4,
verweerster,
"betreffende een verzoek om vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet binnen de gestelde termijn alle maatregelen vast te stellen en ter kennis te brengen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan artikel 6 van richtlijn 91/157/EEG van de Raad van 18 maart 1991 inzake batterijen en accu's die gevaarlijke stoffen bevatten (PB L 78, blz. 38), de krachtens bedoeld artikel op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J.-P. Puissochet, kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida, C. Gulmann (rapporteur) en D. A. O. Edward, rechters,
advocaat-generaal: G. Cosmas
griffier: L. Hewlett, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 2 juli 1998,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 september 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij op 6 oktober 1997 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EG-Verdrag verzocht vast te stellen, dat het Koninkrijk België, door niet binnen de gestelde termijn alle maatregelen vast te stellen en/of ter kennis te brengen die nodig zijn om te voldoen aan artikel 6 van richtlijn 91/157/EEG van de Raad van 18 maart 1991 inzake batterijen en accu's die gevaarlijke stoffen bevatten (PB L 78, blz. 38; hierna: "richtlijn"), de krachtens dit artikel op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Artikel 1 van de richtlijn bepaalt, dat zij "onderlinge aanpassing ten doel heeft van de wetgevingen van de lidstaten met betrekking tot de nuttige toepassing en gecontroleerde verwijdering van gebruikte batterijen en accu's die gevaarlijke stoffen bevatten zoals aangegeven in bijlage I".
3 Artikel 6 van de richtlijn bepaalt:
"De lidstaten stellen programma's op ter verwezenlijking van de volgende doelstellingen:
- vermindering van de hoeveelheid zware metalen in batterijen en accu's;
- bevordering van het in de handel brengen van batterijen en accu's die een geringere hoeveelheid gevaarlijke stoffen en/of minder verontreinigende stoffen bevatten;
- geleidelijke vermindering in het huisvuil van de hoeveelheid onder bijlage I vallende gebruikte batterijen en accu's;
- bevordering van het onderzoek naar de vermindering van de hoeveelheid gevaarlijke stoffen in batterijen en accu's en naar de vervanging hiervan door andere, minder verontreinigende stoffen, alsmede naar methoden voor recycling ervan;
- gescheiden verwijdering van gebruikte batterijen en gebruikte accu's die onder bijlage I vallen.
De programma's worden voor de eerste maal vastgesteld voor een op 18 maart 1993 aanvangende periode van vier jaar. Zij moeten uiterlijk 17 september 1992 bij de Commissie worden ingediend.
De programma's worden regelmatig, ten minste om de vier jaar, opnieuw bezien en bijgesteld in het licht van met name de vooruitgang van de techniek, de toestand van de economie en die van het milieu. De gewijzigde programma's moeten tijdig aan de Commissie worden overgelegd."
4 Volgens artikel 11, lid 1, van de richtlijn treffen de lidstaten de maatregelen die nodig zijn om vóór 18 september 1992 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
5 Op 3 juli 1995 was de Commissie slechts van bepaalde maatregelen van het Vlaamse Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en het Waalse Gewest in kennis gesteld, en stelde zij vast dat zij niet in kennis was gesteld van maatregelen op federaal niveau tot vaststelling van de in artikel 6 bedoelde programma's, zodat zij overeenkomstig de procedure van artikel 169 van het Verdrag het Koninkrijk België aanmaande om binnen een termijn van twee maanden opmerkingen hierover te maken. Deze schriftelijke aanmaning is onbeantwoord gebleven.
6 Onder deze omstandigheden heeft de Commissie het Koninkrijk België op 27 december 1996 een met redenen omkleed advies doen toekomen, waarbij werd vastgesteld dat het de uit artikel 6 van de richtlijn voortvloeiende verplichtingen niet was nagekomen en België werd uitgenodigd binnen een termijn van twee maanden vanaf de kennisgeving van het advies, hieraan te voldoen.
7 Op 24 februari en 29 april 1997 heeft de Belgische regering de Commissie de antwoorden doen toekomen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en van het Waalse Gewest, met preciseringen over de door deze Gewesten genomen maatregelen en over de bereikte resultaten.
8 Op 9 juli 1997 heeft het Koninkrijk België de Commissie een koninklijk besluit van 17 maart 1997 doen toekomen, inzake batterijen en accu's die gevaarlijke stoffen bevatten; artikel 3 daarvan bepaalt, dat de federale minister die het leefmilieu onder zijn bevoegdheid heeft, programma's opstelt ter verwezenlijking van de eerste, de tweede en de vierde doelstelling zoals vermeld in artikel 6, eerste alinea, van de richtlijn.
9 Toen zij van de Belgische regering geen nadere informatie ontving, en tot de conclusie kwam dat niet alle maatregelen waren genomen die nodig waren ter verwezenlijking van de eerste, de tweede en de vierde doelstelling als vermeld in artikel 6, eerste alinea, van de richtlijn, besloot de Commissie het onderhavige beroep in te stellen.
10 Het Koninkrijk België zet in zijn verweerschrift in de eerste plaats uiteen, dat toen de programma's voor het eerst moesten worden vastgesteld, de federale overheid niet bevoegd was om programma's vast te stellen in de materies die onder de richtlijn vallen. Milieubescherming was in beginsel een bevoegdheid van de Gewesten. Eerst bij de hervorming van de instellingen op 16 juli 1993 heeft de federale overheid duidelijk de bevoegdheid gekregen inzake productnormen, en dus inzake de bepalingen betreffende de eerste, de tweede en de vierde doelstelling van artikel 6, eerste alinea, van de richtlijn.
11 In de tweede plaats stelt de Belgische regering, dat het opstellen van programma's slechts noodzakelijk was voor zover de doelstellingen van de richtlijn nog niet waren bereikt. De federale overheid was evenwel van mening, dat de doelstellingen van artikel 6 van de richtlijn waren bereikt, zodat aanvullende maatregelen niet meer noodzakelijk waren. De regering voegt daaraan toe, dat de formulering van artikel 3 van het koninklijk besluit van 17 maart 1997 niet kan worden beschouwd als een erkenning van een verzuim vanwege het federaal ministerie, nu dit artikel slechts de tekst overneemt van artikel 6, eerste alinea, eerste, tweede en vierde streepje, van de richtlijn.
12 In de derde plaats somt de Belgische regering een reeks maatregelen op die zijn vastgesteld of ontwikkeld en die zouden moeten volstaan ter verwezenlijking van de eerste, de tweede en de vierde doelstelling van artikel 6, eerste alinea, van de richtlijn. Zij beroept zich op een vrijwillige overeenkomst die in 1989 is gesloten met de batterijenproducenten met het oog op een verlaging van het gehalte aan zware metalen, inzonderheid kwik, alsmede op vrijwillige programma's die zijn opgezet door de Europese producenten ter vermindering van het gehalte aan gevaarlijke stoffen of ter bevordering van het gebruik van andere, minder verontreinigende stoffen. In april 1990 is een overeenkomst ondertekend met de Federatie van de Electriciteitssector en met Fabrimetal houdende goedkeuring van de gedragscode van 1 januari 1988, met het oog op een vermindering van de hoeveelheid kwik in primaire electrische batterijen die in België in de handel zijn.
13 Ten slotte preciseert de Belgische regering, dat de wet van 16 juli 1993, zoals gewijzigd bij de wet van 7 maart 1996, op federaal niveau een regeling inzake milieutaksen heeft ingevoerd. Ook batterijen en accu's vallen onder deze regeling, en er wordt een onderscheid gemaakt tussen de verschillende soorten batterijen en accu's op grond van de samenstelling ervan. In het kader van deze wettelijke regeling hebben de producenten en importeurs van batterijen in augustus 1995 de VZW Bebat opgericht, die is belast met het beheer van een door de producenten en importeurs gefinancierd fonds dat zich bezighoudt met het inzamelen en de recyclage van gebruikte batterijen. De VZW Bebat heeft op 17 juni 1996 een protocolakkoord gesloten met de drie Gewesten. De Belgische regering voegt daaraan toe, dat jaarlijks een belangrijk bedrag ter beschikking wordt gesteld voor onderzoek en ontwikkeling.
14 In dupliek voert de Belgische regering bovendien aan, dat het begrip "programma" in de richtlijn formeel geen nauwkeurig afgebakende juridische inhoud heeft. Elk geheel van maatregelen strekkende tot de verwezenlijking van de in de richtlijn gestelde doelstellingen, ongeacht de juridische aard en de vorm van die maatregelen, moet worden beschouwd als een programma, wanneer het volstaat ter verwezenlijking van die doelstellingen. Dit is het geval met de sectoriële overeenkomsten. De Belgische regering stelt, dat deze overeenkomsten als programma's kunnen worden beschouwd, nu daarin verbintenissen zijn vastgelegd zowel voor de betrokken sector als voor de overheid, alsmede maatregelen ter verwezenlijking daarvan.
15 Volgens vaste rechtspraak van het Hof kan een lidstaat zich niet beroepen op bepalingen, praktijken of situaties van zijn nationale rechtsorde ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van de door een richtlijn voorgeschreven verplichtingen of termijnen (zie met name arresten van 2 augustus 1993, Commissie/Nederland, C-303/92, Jurispr. blz. I-4739, punt 9, en 28 mei 1998, Commissie/Spanje, C-298/97, Jurispr. blz. I-3301, punt 14).
16 Voorts verplicht de richtlijn in artikel 6 de lidstaten ter verwezenlijking van de doelstellingen ervan programma's op te stellen, ze te herzien en regelmatig bij te stellen.
17 Van belang is in dit verband, dat de lidstaten op wie een dergelijke verplichting rust, de Commissie moeten meedelen welke maatregelen zij voornemens zijn vast te stellen of te nemen op de betrokken gebieden. Slechts aan de hand van deze concrete kwantificering en een concreet tijdschema kan de Commissie dan beoordelen, of de ter uitvoering van de richtlijn voorgenomen maatregelen werkelijk bijdragen tot de verwezenlijking van de programma's waarmee de doelstellingen van de richtlijn moeten worden bereikt (zie arrest van 5 oktober 1994, Commissie/Frankrijk, C-255/93, Jurispr. blz. I-4949, punt 25).
18 Blijkens de tekst van artikel 6 en de algemene strekking van de richtlijn moeten de problemen verband houdend met bijzondere afvalstoffen zoals batterijen en accu's binnen een precies tijdschema worden opgelost. In dit verband zij erop gewezen, dat zelfs indien bepaalde resultaten met betrekking tot de doelstellingen van de richtlijn worden bereikt vóór het verstrijken van de door de richtlijn gestelde termijn voor de tenuitvoerlegging van programma's, deze omstandigheid de lidstaat niet ontslaat van de verplichting de voorgeschreven programma's op te stellen.
19 In casu moet worden vastgesteld, dat het Koninkrijk België geen programma's heeft opgesteld in verband met de eerste, de tweede en de vierde doelstelling als vermeld in artikel 6, eerste alinea, van de richtlijn.
20 Wat namelijk de overeenkomsten betreft waarop de Belgische regering zich beroept, moet erop worden gewezen dat zij niet voorzien in een verplichte regelmatige herziening en bijstelling, ten minste om de vier jaar, met mededeling daarvan aan de Commissie, en dus niet in overeenstemming zijn met artikel 6 van de richtlijn, nu zij geen precies tijdschema bevatte voor de herziening van de programma's, met name in het licht van de vooruitgang van de techniek, de toestand van de economie en die van het milieu.
21 Wat de maatregelen betreft die zijn vastgesteld in het kader van de milieutaksenregeling, moet erop worden gewezen, dat de omstandigheid dat deze economische maatregelen zijdelings positieve gevolgen kunnen hebben voor de doelstellingen van artikel 6 van de richtlijn, niet volstaat om ze te beschouwen als programma's die tot de verwezenlijking van deze doelstellingen kunnen leiden.
22 Dat bovendien op de begroting van de VZW Bebat aanzienlijke bedragen voor onderzoek zijn ingeschreven, betekent niet noodzakelijk dat er eveneens een onderzoeksprogramma bestaat in verband met de vierde doelstelling vermeld in artikel 6, eerste alinea, van de richtlijn.
23 Gelet op een en ander, moet worden vastgesteld dat de Belgische regering weliswaar positieve maatregelen heeft genomen in verband met de doelstellingen als omschreven in artikel 6, eerste alinea, van de Zesde richtlijn, doch dat het daarbij slechts gaat om een reeks normatieve bepalingen of concrete acties die niet zijn te beschouwen als een georganiseerd en gestructureerd systeem van doelstellingen die zijn aan te merken als programma's in de zin van bedoeld artikel 6.
24 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat het Koninkrijk België, door niet binnen de gestelde termijn alle maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan artikel 6 van de richtlijn, de krachtens bedoeld artikel op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
25 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordeeld, indien dit is gevorderd. Aangezien de Commissie zulks heeft gevorderd en het Koninkrijk België in het ongelijk is gesteld, moet het in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de gestelde termijn alle maatregelen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan artikel 6 van richtlijn 91/157/EEG van de Raad van 18 maart 1991 inzake batterijen en accu's die gevaarlijke stoffen bevatten, is het Koninkrijk België de krachtens bedoeld artikel op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy