Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Invaliditeitsverzekering - Berekening van uitkeringen - Bijzondere toepassingsvoorwaarden van Nederlandse wettelijke regeling betreffende arbeidsongeschiktheidsverzekering - Werknemer die in Nederland verzekeringstijdvakken heeft vervuld volgens bijzondere regeling voor ambtenaren en vervolgens in andere lidstaat arbeidsongeschikt wordt - Aanvraag van geproratiseerde uitkering - Verplichting van bevoegd orgaan om onder bijzondere regeling vervulde tijdvakken gelijk te stellen met onder algemene regeling vervulde tijdvakken - Geen - Noodzaak om coördinatiemaatregelen te treffen - Keuze berustend bij gemeenschapswetgever
(EG-Verdrag, art. 48 en 51; verordeningen van de Raad nr. 1408/71, bijlage VI, onderdeel J, punt 4, sub a, en nr. 1606/98)
Samenvatting
Bijlage VI, onderdeel J, punt 4, sub a, bij verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 2001/83, zoals aangepast bij bijlage I, deel VIII, bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen, moet aldus worden uitgelegd, dat zij het bevoegde Nederlandse orgaan waarbij een geproratiseerde invaliditeitsuitkering wordt aangevraagd door een werknemer die arbeidsongeschikt is geworden in een andere lidstaat, volgens de wettelijke regeling waarvan het bedrag van de uitkeringen afhankelijk is van de duur van de tijdvakken van verzekering (wettelijke regeling van type B), niet verplicht om de door die werknemer na 1 juli 1967 in Nederland ingevolge een bijzondere regeling voor ambtenaren vervulde verzekeringstijdvakken gelijk te stellen met verzekeringstijdvakken vervuld ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering van 18 februari 1966, volgens welke het bedrag van de invaliditeitsuitkeringen onafhankelijk is van de duur van de tijdvakken van verzekering (wettelijke regeling van type A), zelfs indien een dergelijke gelijkstelling wel zou hebben plaatsgevonden ingeval belanghebbende geen gebruik van zijn recht op vrij verkeer van werknemers had gemaakt en in Nederland arbeidsongeschikt was geworden.
Immers, teneinde de daadwerkelijke uitoefening van het in artikel 48 van het Verdrag neergelegde recht op vrij verkeer te waarborgen, dient de Raad weliswaar ingevolge artikel 51 van het Verdrag een stelsel in te voeren dat migrerende werknemers in staat stelt, de moeilijkheden te overwinnen die voor hen kunnen voortvloeien uit de verschillen tussen de nationale wettelijke regelingen inzake sociale zekerheid, en heeft de gemeenschapswetgever wat de bijzondere regelingen voor ambtenaren betreft eerst door de vaststelling van verordening nr. 1606/98 aan deze verplichting voldaan, maar niettemin moet voor het tijdvak gelegen vóór de inwerkingtreding van deze verordening rekening worden gehouden met de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de Raad beschikt bij de keuze van de maatregelen waarmee het in artikel 51 van het Verdrag beoogde resultaat het best kan worden bereikt.
Met betrekking, meer in het bijzonder, tot de berekening van een invaliditeitsuitkering ingevolge een bijzondere regeling voor ambtenaren van een lidstaat, die de kenmerken vertoont van een regeling van type A, voor een arbeidsongeschiktheid die is ingetreden in een andere lidstaat, waar in het algemeen voor werknemers een wettelijke regeling van type B geldt, moet noodzakelijkerwijs een beroep worden gedaan op coördinatietechnieken die de verhoudingen tussen de betrokken nationale wettelijke regelingen regelen. De keuze van deze technieken berust overeenkomstig artikel 51 van het Verdrag bij de Raad.
Partijen
In zaak C-360/97,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Centrale Raad van Beroep (Nederland), in het aldaar aanhangig geding tussen
H. Nijhuis
en
Bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van bijlage VI, onderdeel J, punt 4, sub a, bij verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en bijlage 2, onderdeel J, punt 2, sub b, bij verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening nr. 1408/71, beide zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB L 230, blz. 6), zoals aangepast bij bijlage I, deel VIII, bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen (PB 1985, L 302, blz. 23),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, P. J. G. Kapteyn, J.-P. Puissochet en G. Hirsch, kamerpresidenten, G. F. Mancini, J. C. Moitinho de Almeida, C. Gulmann, L. Sevón en M. Wathelet (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: G. Cosmas
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- H. Nijhuis,
- het Bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, vertegenwoordigd door C. J. R. A. M. Brent, manager productcluster Bezwaar en Beroep van het Gemeenschappelijk Administratie Kantoor (GAK) Nederland BV, als gemachtigde,
- de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door A. Bos, juridisch adviseur van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. J. Kuijper, juridisch adviseur, als gemachtigde,$
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van H. Nijhuis; het Bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, vertegenwoordigd door F. W. M. Keunen, juridisch medewerker van het Gemeenschappelijk Administratie Kantoor (GAK) Nederland BV, als gemachtigde; de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. A. Fierstra, assistent juridisch adviseur van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde; de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door M. Ewing, van het Treasury Solicitor's Department, als gemachtigde, bijgestaan door S. Moore, Barrister, en de Commissie, vertegenwoordigd door P. J. Kuijper, ter terechtzitting van 1 december 1998,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 2 februari 1999,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij uitspraak van 24 september 1997, ingekomen bij het Hof op 22 oktober daaraanvolgend, heeft de Centrale Raad van Beroep krachtens artikel 177 EG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van bijlage VI, onderdeel J, punt 4, sub a, bij verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en bijlage 2, onderdeel J, punt 2, sub b, bij verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening nr. 1408/71, beide zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB L 230, blz. 6), zoals aangepast bij bijlage I, deel VIII, bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen (PB 1985, L 302, blz. 23; hierna: "verordening nr. 1408/71", respectievelijk "verordening nr. 574/72").
2 Deze vragen zijn gerezen in een geschil tussen H. Nijhuis, van Nederlandse nationaliteit, en het Bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (hierna: "LISV"), ter zake van het recht van Nijhuis op een invaliditeitspensioen.
De nationale wettelijke regeling
3 Nederlandse ambtenaren en met hen gelijkgestelden waren ten tijde van de feiten van het hoofdgeding verzekerd krachtens de Algemene Burgerlijke Pensioenwet van 6 januari 1966 (hierna: "ABPW"). Onder deze regeling hadden slechts zij die op het tijdstip van het intreden van de arbeidsongeschiktheid krachtens de ABPW verzekerd waren, recht op invaliditeitspensioen.
4 De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering van 18 februari 1966 (hierna: "WAO"), in werking getreden op 1 juli 1967, verzekert alle werknemers tegen de geldelijke gevolgen van invaliditeit. Om aanspraak te kunnen maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering uit hoofde van de WAO moet de belanghebbende op het tijdstip van het intreden van de arbeidsongeschiktheid verzekerd zijn geweest en gedurende 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt zijn geweest. De hoogte van de uitkering is niet afhankelijk van de duur van de tijdvakken van verzekering, maar onder meer van de mate van arbeidsongeschiktheid.
5 Volgens artikel 6 van de WAO is deze wet niet van toepassing op ambtenaren en militairen. Sinds 1 oktober 1976 vallen dezen echter onder de Algemene arbeidsongeschiktheidswet van 11 december 1975 (hierna: "AAW"), die geldt voor alle ingezetenen.
De communautaire wetgeving
6 Ingevolge artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1408/71 zijn bijzondere regelingen voor ambtenaren of met hen gelijkgestelden van de werkingssfeer van deze verordening uitgesloten.
7 Artikel 40 van verordening nr. 1408/71 stelt regels voor de berekening van invaliditeitsuitkeringen aan werknemers die achtereenvolgens onderworpen zijn geweest aan twee typen wettelijke regelingen: wettelijke regelingen als de WAO en de AAW, die in bijlage IV bij de verordening worden genoemd als regelingen bedoeld in artikel 37, lid 1, van de verordening, volgens welke het bedrag van de invaliditeitsuitkeringen onafhankelijk is van de duur van de tijdvakken van verzekering (hierna: "wettelijke regeling van type A"), en wettelijke regelingen als de in het hoofdgeding toepasselijke Duitse regeling, volgens welke het bedrag van de uitkeringen afhankelijk is van de duur van de tijdvakken van verzekering (hierna: "wettelijke regeling van type B").
8 Ingevolge artikel 40, lid 1, van verordening nr. 1408/71 worden de uitkeringen dan berekend overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 3, getiteld "Ouderdom en overlijden (pensioenen)", van titel III van deze verordening, met name artikel 46. Volgens artikel 46, lid 2, wordt in voorkomend geval een prorataberekening gemaakt voor elke wettelijke regeling waaraan de betrokkene onderworpen is geweest, dus ook voor die volgens welke het bedrag van de invaliditeitsuitkeringen onafhankelijk is van de duur van de tijdvakken van verzekering.
9 Voor het overige bepaalt artikel 45, lid 4, van verordening nr. 1408/71, in de ten tijde van de feiten van het hoofdgeding geldende versie, dat speciaal bedoeld is om bij de samentelling van tijdvakken van verzekering de problemen op te lossen die het gevolg zijn van de toepassing van een wettelijke regeling van type A, het volgende:
"Indien in de wettelijke regeling van een lidstaat welke de toekenning van uitkeringen afhankelijk stelt van de voorwaarde, dat de werknemer aan deze wettelijke regeling is onderworpen op het tijdstip waarop de verzekerde gebeurtenis zich voordoet, noch voor het verkrijgen van het recht op uitkeringen, noch voor de berekening daarvan eisen zijn gesteld betreffende de duur van de verzekering, wordt iedere werknemer die niet meer aan deze wettelijke regeling onderworpen is, voor de toepassing van dit hoofdstuk geacht dit nog steeds te zijn op het tijdstip waarop de verzekerde gebeurtenis zich voordoet, zo hij op dat tijdstip aan de wettelijke regeling van een andere lidstaat onderworpen is of, als dit niet het geval is, ingevolge de wettelijke regeling van een andere lidstaat recht op uitkeringen kan doen gelden. Laatstgenoemde voorwaarde wordt echter geacht te zijn vervuld in het in artikel 48, lid 1, bedoelde geval."
10 Bijlage VI, onderdeel J, punt 4, sub a, bij verordening nr. 1408/71 bepaalt:
"Bij de toepassing van artikel 46, lid 2, van de verordening zullen de Nederlandse organen de volgende bepalingen in acht nemen:
a) is de betrokkene op het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid met daaropvolgende invaliditeit is ontstaan, werknemer in de zin van artikel 1, sub a, van de verordening, dan stelt het bevoegde orgaan het uitkeringsbedrag vast overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering van 18 februari 1966 (WAO), rekening houdende met:
- de tijdvakken van verzekering vervuld krachtens genoemde wet van 18 februari 1966 (WAO);
- de tijdvakken van verzekering, vervuld na het bereiken van de 15-jarige leeftijd krachtens de Algemene arbeidsongeschiktheidswet van 11 december 1975 (AAW), voor zover deze niet samenvallen met de tijdvakken van verzekering, door de betrokkene vervuld krachtens de genoemde wet van 18 februari 1966 (WAO), en
- de tijdvakken van arbeid in loondienst en de daarmee gelijkgestelde tijdvakken, welke vóór 1 juli 1967 in Nederland zijn vervuld."
11 Voorts volgt uit bijlage 2, onderdeel J, punt 2, sub b, bij verordening nr. 574/72, dat voor de toekenning van uitkeringen bij invaliditeit het bevoegde orgaan volgens de Nederlandse wetgeving het Bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging (hierna: "NAB") is, wanneer werknemers en zelfstandigen zonder toepassing van de verordening niet uitsluitend krachtens de Nederlandse wetgeving aanspraak hebben op uitkering.
12 Tot slot moet worden opgemerkt, dat de Raad op 29 juni 1998 verordening (EG) nr. 1606/98 tot wijziging van de verordeningen nrs. 1408/71 en 574/72 met het oog op de uitbreiding van de toepassing ervan tot bijzondere stelsels voor ambtenaren (PB L 209, blz. 1), heeft vastgesteld. Deze verordening creëert, "om rekening te houden met het specifieke karakter van deze bijzondere pensioenstelsels", zoals in de achtste en de negende overweging van de considerans wordt verklaard, afwijkingen van de gebruikelijke regelingen voor de samentelling van tijdvakken en de bepaling van de toepasselijke wetgeving.
13 Zo bepalen, inzake de berekening van pensioenrechten, de nieuwe artikelen 43 bis, lid 2, en 51 bis, lid 2, die staan in het hoofdstuk "Invaliditeit" respectievelijk het hoofdstuk "Ouderdom en overlijden (pensioenen)" van titel III van verordening nr. 1408/71, in de versie van verordening nr. 1606/98, in identieke bewoordingen:
"Indien de wettelijke regeling van een lidstaat het verkrijgen, de vereffening, het behoud of het herstel van rechten op uitkeringen in een bijzonder stelsel voor ambtenaren evenwel afhankelijk stelt van de voorwaarde dat alle tijdvakken van verzekering in een of meer bijzondere stelsels voor ambtenaren in die lidstaat zijn vervuld of door de wettelijke regeling van die lidstaat met dergelijke tijdvakken worden gelijkgesteld, wordt slechts rekening gehouden met de tijdvakken welke krachtens de wettelijke regeling van die lidstaat kunnen worden erkend.
Indien de betrokkene, met inachtneming van de aldus vervulde tijdvakken, niet voldoet aan de voor het recht op genoemde uitkeringen gestelde voorwaarden, wordt met deze tijdvakken rekening gehouden voor de toekenning van uitkeringen volgens het algemene stelsel of, bij gebreke daarvan, volgens het stelsel dat van toepassing is op arbeiders, respectievelijk bedienden."
14 Voor het overige verwijst artikel 51 bis met betrekking tot de berekening van pensioenrechten ingevolge een bijzondere regeling voor ambtenaren, met name naar artikel 45, lid 5, van verordening nr. 1408/71, in de versie van verordening nr. 1606/98 (die in essentie overeenkomt met artikel 45, lid 4, van verordening nr. 1408/71 in de ten tijde van de feiten van het hoofdgeding geldende versie), en naar artikel 46 van die verordening.
Het hoofdgeding
15 Nijhuis werkte van 15 oktober 1968 tot 1 oktober 1973 in Nederland als wetenschappelijk medewerker in dienst van de Nederlandse Organisatie voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek te 's-Gravenhage en van 1 augustus 1973 tot 1 april 1974 als leraar in dienst van Ons Middelbaar Onderwijs te Tilburg. In die periode was hij voor het risico van onder meer invaliditeit verzekerd ingevolge de ABPW. Buiten genoemde perioden heeft hij in Nederland geen beroepswerkzaamheden verricht.
16 Vervolgens werkte Nijhuis in Duitsland als wetenschappelijk medewerker bij een onderzoeksinstituut, ter zake waarvan hij van 1 april 1974 tot 1 april 1988 verzekerd was uit hoofde van het Duitse Angestelltenversicherungsgesetz.
17 Nadat Nijhuis op 29 maart 1988 arbeidsongeschikt was geworden, kende de Bundesversicherungsanstalt hem bij beschikking van 4 september 1989 een invaliditeitspensioen toe met ingang van 9 november 1988. Bij de berekening van deze uitkering werd geen rekening gehouden met de in Nederland vervulde tijdvakken van verzekering.
18 Nijhuis diende een aanvraag om invaliditeitspensioen in bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (hierna: "ABP"), welke aanvraag op 22 mei 1990 werd afgewezen op grond dat belanghebbende ten tijde van het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid niet verzekerd was ingevolge de Nederlandse wettelijke regeling en verordening nr. 1408/71 niet van toepassing was op bijzondere regelingen voor ambtenaren, die bij artikel 4, lid 4, van deze verordening van haar materiële werkingssfeer waren uitgesloten.
19 Nijhuis diende daarop dezelfde aanvraag in bij de NAB, die bevoegd was tot toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ingevolge de WAO en de AAW, en waarvan de rechten en verplichtingen in 1997 zijn overgenomen door het LISV.
20 Bij beslissing van 31 januari 1990 wees de NAB de aanvraag om uitkering af op grond dat Nijhuis ten tijde van het intreden van de arbeidsongeschiktheid noch ingevolge de WAO, noch uit hoofde van de AAW verzekerd was en hij geen aanspraak op Nederlandse uitkeringen kon ontlenen aan artikel 45 van verordening nr. 1408/71, omdat hij niet als werknemer of zelfstandige aan de Nederlandse regelingen onderworpen was geweest.
21 Bij uitspraak van 28 februari 1992 verklaarde de Raad van Beroep te Amsterdam het beroep van Nijhuis tegen de afwijzende beslissing van de NAB ongegrond. Van die uitspraak ging belanghebbende in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
22 De Centrale Raad van Beroep vroeg zich af of, gelet op de recente rechtspraak van het Hof (zie met name arresten van 17 oktober 1995, Olivieri-Coenen, C-227/94, Jurispr. blz. I-3301; 22 november 1995, Vougioukas, C-443/93, Jurispr. blz. I-4033, en 13 november 1997, Grahame en Hollanders, C-248/96, Jurispr. blz. I-6407), de afwijzing van de NAB in overeenstemming was met het gemeenschapsrecht. In het bijzonder was het de vraag of, met name gelet op de artikelen 48 en 51 EEG-Verdrag, het bepaalde in bijlage VI, onderdeel J, punt 4, sub a, van verordening nr. 1408/71 het Nederlandse bevoegde orgaan op zich niet reeds verplichtte, het onder de ABPW vervulde tijdvak in aanmerking te nemen. Ook vroeg de Centrale Raad van Beroep zich af, welk Nederlands orgaan als bevoegd moest worden aangemerkt voor de eventuele betaling van een invaliditeitspensioen aan Nijhuis.
23 Daarop heeft deze rechterlijke instantie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende vragen gesteld:
"1) Moet het bepaalde in bijlage VI, onderdeel J, punt 4a, van verordening nr. 1408/71 (zoals luidend ten tijde hier van belang) zo worden uitgelegd, dat ten aanzien van een persoon die in Nederland uitsluitend arbeid heeft verricht in het tijdvak van 15 oktober 1968 tot 1 april 1974 en gedurende die gehele periode terzake van invaliditeit was verzekerd ingevolge een bijzondere regeling voor ambtenaren, bij de toepassing van artikel 46, lid 2, juncto artikel 45, lid 4, van verordening (EG) nr. 1408/71, mede gelet op artikel 48 en 51 van het EG-Verdrag, het zojuist genoemde tijdvak ingevolge genoemd bijlageonderdeel mede in aanmerking zou zijn te nemen bij de vaststelling van uitkeringen wegens invaliditeit?
2) Zo ja, dient dan als het terzake van de vaststelling van uitkeringen op grond van die tijdvakken bevoegde orgaan te worden aangemerkt het orgaan dat is aangewezen in bijlage 2, onderdeel J, punt 2 onder b, bij EG-verordening 574/72, dan wel het naar nationaal recht terzake van de invaliditeitsverzekering voor ambtenaren bevoegde orgaan, in weerwil van de omstandigheid dat dit laatste orgaan niet wordt vermeld in de zojuist genoemde bijlage?"
24 Vooraf moet worden opgemerkt dat, zoals partijen in het hoofdgeding en de Commissie ter terechtzitting hebben beklemtoond, Nijhuis sinds 25 oktober 1998, de datum van inwerkingtreding van verordening nr. 1606/98, dus nadat de onderhavige prejudiciële verwijzing heeft plaatsgevonden, een geproratiseerde WAO-uitkering ontvangt, zodat de vragen van de verwijzende rechter moeten worden begrepen als uitsluitend betrekking hebbend op het tijdvak vóór de inwerkingtreding van die verordening.
De eerste vraag
25 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of bijlage VI, onderdeel J, punt 4, sub a, bij verordening nr. 1408/71 aldus moet worden uitgelegd, dat zij het bevoegde Nederlandse orgaan waarbij een geproratiseerde invaliditeitsuitkering wordt aangevraagd door een werknemer die in een andere lidstaat arbeidsongeschikt is geworden, verplicht om de door die werknemer na 1 juli 1967 in Nederland ingevolge een bijzondere regeling voor ambtenaren vervulde tijdvakken van verzekering gelijk te stellen met ingevolge de WAO vervulde tijdvakken van verzekering.
26 Nijhuis en de Commissie beroepen zich met name op de arresten Olivieri-Coenen, Vougioukas en Grahame en Hollanders, reeds aangehaald, voor hun standpunt dat, aangezien er vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1606/98 geen coördinatiemaatregelen voor de bijzondere regelingen voor ambtenaren bestonden, de artikelen 48 en 51 van het Verdrag het bevoegde Nederlandse orgaan verplichtten, de ingevolge de ABPW vervulde tijdvakken van verzekering in aanmerking te nemen voor de toekenning van een geproratiseerde uitkering, die moest worden berekend door overeenkomstige toepassing van de bepalingen van verordening nr. 1408/71, in de destijds geldende versie, betreffende de berekening van pensioenrechten.
27 Volgens Nijhuis en de Commissie staat namelijk vast, dat indien belanghebbende geen gebruik had gemaakt van zijn recht op vrij verkeer van werknemers, maar enkel in Nederland had gewerkt, hij een Nederlandse invaliditeitsuitkering zou hebben ontvangen waarvan de berekening onafhankelijk zou zijn geweest van de duur van de tijdvakken van verzekering (wettelijke regeling van type A). Omdat hij echter van zijn recht op vrij verkeer gebruik heeft gemaakt, ontvangt Nijhuis in het geheel geen Nederlandse uitkering over het tijdvak vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1606/98, en enkel een pro rata temporis berekende uitkering in Duitsland (wettelijke regeling van type B).
28 In dit verband moet worden opgemerkt, dat, gelijk het Hof overwoog in punt 30 van het arrest Vougioukas, reeds aangehaald, de Raad, teneinde de daadwerkelijke uitoefening van het in artikel 48 van het Verdrag neergelegde recht op vrij verkeer te waarborgen, ingevolge artikel 51 van het Verdrag een stelsel dient in te voeren dat de werknemers in staat stelt, de moeilijkheden te overwinnen die voor hen kunnen voortvloeien uit de verschillen tussen de nationale wettelijke regelingen inzake sociale zekerheid.
29 Wat inzonderheid de bijzondere regelingen voor ambtenaren en met hen gelijkgestelden betreft, heeft de gemeenschapswetgever eerst door de vaststelling van verordening nr. 1606/98, in werking getreden op 25 oktober 1998, aan deze verplichting voldaan, waardoor hij voor het daarvóór gelegen tijdvak een aanzienlijke leemte heeft laten voortbestaan in de communautaire coördinatie van de socialezekerheidsstelsels.
30 Evenwel moet rekening worden gehouden met de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de Raad beschikt bij de keuze van de maatregelen waarmee het in artikel 51 van het Verdrag beoogde resultaat het best kan worden bereikt. Derhalve kon op de nationale organen waarbij rechtstreeks op basis van de artikelen 48 en 51 van het Verdrag aanvragen om socialezekerheidsuitkeringen ingevolge een bijzondere regeling voor ambtenaren of met hen gelijkgestelden werden ingediend, voordat op communautair niveau de maatregelen tot coördinatie van die regelingen werden getroffen, niet de verplichting rusten, de bepalingen die in verordening nr. 1408/71 waren opgenomen voor de socialezekerheidsregelingen die onder de materiële werkingssfeer van deze verordening vielen, op overeenkomstige wijze toe te passen. Dit zou slechts anders kunnen zijn, indien de nadelige gevolgen die uit een nationale wettelijke regeling voortvloeien voor werknemers die gebruik hebben gemaakt van hun recht op vrij verkeer, zonder communautaire coördinatiemaatregelen konden worden ondervangen.
31 Dit was het geval in de zaak Vougioukas, reeds aangehaald, die betrekking had op een aantal nationale voorschriften die discriminerend waren doordat zij ertoe leidden, dat tijdvakken van verzekering niet in aanmerking werden genomen op de enkele grond dat die tijdvakken in een andere lidstaat dan de betrokken lidstaat waren vervuld. Die voorschriften, die een verschil in behandeling invoerden tussen werknemers die hun recht op vrij verkeer niet hadden uitgeoefend en migrerende werknemers, in het nadeel van laatstgenoemden, konden buiten toepassing worden gelaten zonder dat het voor de beslechting van het bij de nationale rechter aanhangig geschil noodzakelijk was, een beroep te doen op coördinatiemaatregelen waarvan de vaststelling is voorbehouden aan de Raad.
32 In het hoofdgeding daarentegen, dat betrekking heeft op de berekening van een invaliditeitsuitkering ingevolge een bijzondere regeling voor ambtenaren en met hen gelijkgestelden van een lidstaat, die bovendien een wettelijke regeling van type A is, voor een arbeidsongeschiktheid die is ingetreden in een andere lidstaat, waar in het algemeen voor werknemers een wettelijke regeling van type B geldt, moet noodzakelijkerwijs een beroep worden gedaan op coördinatietechnieken die de verhoudingen tussen de betrokken nationale wettelijke regelingen regelen. De keuze van deze technieken berust overeenkomstig artikel 51 van het Verdrag bij de Raad. Hieraan zij toegevoegd, dat de Raad, zoals uit de punten 12 en 13 van het onderhavige arrest blijkt, in verordening nr. 1606/98 regels heeft vastgesteld die verschillen van die welke voorheen op het gebied van de samentelling van tijdvakken van verzekering werden gehanteerd.
33 De arresten Olivieri-Coenen en Grahame en Hollanders, reeds aangehaald, hadden weliswaar eveneens betrekking op de berekening van invaliditeitsuitkeringen ingevolge de Nederlandse wettelijke regeling, maar een beroep op deze arresten is in casu niet ter zake dienend. Zij betroffen immers de inaanmerkingneming van vóór 1 januari 1967, de datum van inwerkingtreding van de WAO, in Nederland vervulde tijdvakken van arbeid in loondienst en daarmee gelijkgestelde tijdvakken, waarvan de inaanmerkingneming uitdrukkelijk was voorgeschreven in bijlage V, onderdeel I, punt 4, sub a, bij verordening nr. 1408/71, in de op 1 februari 1982 geldende versie, wat de zaak Olivieri-Coenen betreft, en in bijlage VI, onderdeel J, punt 4, sub a, derde streepje, bij verordening nr. 1408/71, wat de zaak Grahame en Hollanders betreft. Zoals het LISV en de Nederlandse regering hebben beklemtoond, liggen in het onderhavige geval de door Nijhuis in Nederland vervulde tijdvakken van arbeid tussen 15 oktober 1968 en 1 april 1974.
34 Derhalve moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat bijlage VI, onderdeel J, punt 4, sub a, bij verordening nr. 1408/71 aldus moet worden uitgelegd, dat zij het bevoegde Nederlandse orgaan waarbij een geproratiseerde invaliditeitsuitkering wordt aangevraagd door een werknemer die in een andere lidstaat arbeidsongeschikt is geworden, niet verplicht om de door die werknemer na 1 juli 1967 in Nederland ingevolge een bijzondere regeling voor ambtenaren vervulde tijdvakken van verzekering gelijk te stellen met ingevolge de WAO vervulde tijdvakken van verzekering.
De tweede vraag
35 Gelet op het antwoord op de eerste vraag behoeft de tweede vraag geen beantwoording.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
36 De kosten door de Nederlandse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk alsook door de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door de Centrale Raad van Beroep bij uitspraak van 24 september 1997 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Bijlage VI, onderdeel J, punt 4, sub a, bij verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, zoals aangepast bij bijlage I, deel VIII, bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen, moet aldus worden uitgelegd, dat zij het bevoegde Nederlandse orgaan waarbij een geproratiseerde invaliditeitsuitkering wordt aangevraagd door een werknemer die in een andere lidstaat arbeidsongeschikt is geworden, niet verplicht om de door die werknemer na 1 juli 1967 in Nederland ingevolge een bijzondere regeling voor ambtenaren vervulde verzekeringstijdvakken gelijk te stellen met ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering van 18 februari 1966 vervulde verzekeringstijdvakken.
Full & Egal Universal Law Academy