Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Lidstaten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet-betwiste niet-nakoming
(EG-Verdrag, art. 169)
Partijen
In zaak C-368/97,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. J. Drijber, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door A. Snoecx, adjunct-adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Belgische ambassade, Rue des Girondins 4,
verweerder,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om uitvoering te geven aan richtlijn 94/57/EG van de Raad van 22 november 1994 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties en voor de desbetreffende werkzaamheden van maritieme instanties (PB L 319, blz. 20), de krachtens deze richtlijn en het EG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann (rapporteur), kamerpresident, M. Wathelet, J. C. Moitinho de Almeida, P. Jann en L. Sevón, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 maart 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 24 oktober 1997, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EG-Verdrag verzocht vast te stellen, dat het Koninkrijk België, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om uitvoering te geven aan richtlijn 94/57/EG van de Raad van 22 november 1994 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties en voor de desbetreffende werkzaamheden van maritieme instanties (PB L 319, blz. 20; hierna: "richtlijn"), de krachtens deze richtlijn en het EG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Op grond van artikel 16, leden 1 en 3, van de richtlijn moesten de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 31 december 1995 aan de richtlijn te voldoen, en moesten zij de Commissie onverwijld in kennis stellen van alle bepalingen van nationaal recht die zij op het onder de richtlijn vallende gebied vaststelden.
3 Daar zij na het verstrijken van die termijn geen mededeling of enige andere inlichting over maatregelen tot omzetting van de richtlijn van het Koninkrijk België had ontvangen, maande de Commissie bij brief van 27 februari 1996 de Belgische regering overeenkomstig artikel 169 van het Verdrag aan, binnen een termijn van twee maanden haar opmerkingen te maken.
4 Op 6 februari 1996 stelde het Koninkrijk België de Commissie ervan in kennis, dat de maatregelen om aan de richtlijn te voldoen, in voorbereiding waren.
5 Toen zij geen enkele concrete informatie over de vaststelling van die maatregelen ontving, zond de Commissie de Belgische regering op 22 november 1996 een met redenen omkleed advies, waarin zij haar verzocht, binnen twee maanden na kennisgeving ervan aan haar gemeenschapsverplichtingen te voldoen.
6 In haar brief van 9 januari 1997 verwees de Belgische regering de Commissie naar een eerdere brief van 26 november 1996, waarmee een ontwerp van ministerieel besluit houdende omzetting van de richtlijn voor advies aan de Commissie was toegezonden. In een brief van 18 maart 1997 maakte de Commissie een aantal opmerkingen bij dit ontwerp.
7 Bij gebreke van andere mededelingen van de Belgische autoriteiten heeft de Commissie besloten het onderhavige beroep in te stellen.
8 In haar verweerschrift betwist de Belgische regering niet, dat de voor de omzetting van de richtlijn noodzakelijke maatregelen niet binnen de gestelde termijn zijn vastgesteld; zij betoogt evenwel, dat de interne overlegprocedure met de bevoegde gewestregeringen afgerond is en dat het ministerieel besluit betreffende de erkenning van met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties, alsmede betreffende de machtiging van erkende organisaties, eerlang ondertekend zal worden.
9 Daar de omzetting van de richtlijn niet binnen de in de richtlijn gestelde termijn heeft plaatsgevonden, moet het beroep van de Commissie gegrond worden verklaard.
10 Mitsdien moet worden vastgesteld dat het Koninkrijk België, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om uitvoering te geven aan de richtlijn, de krachtens artikel 16, lid 1, van de richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
11 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordeeld, indien dit is gevorderd. Aangezien de Commissie zulks heeft gevorderd en het Koninkrijk België in het ongelijk is gesteld, moet het in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om uitvoering te geven aan richtlijn 94/57/EG van de Raad van 22 november 1994 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties en voor de desbetreffende werkzaamheden van maritieme instanties, is het Koninkrijk België de krachtens artikel 16, lid 1, van die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy