Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Rundvlees - Speciale premie voor producenten van rundvlees - Verbintenis van aanvrager om runderen op zijn bedrijf te houden - Niet-nakoming als gevolg van overdracht van landbouwbedrijf tijdens looptijd van verbintenis - Overmacht die handhaving van recht op premie rechtvaardigt - Geen
(Verordeningen van de Commissie nr. 1244/82, art. 5, en nr. 714/89, art. 2 en 9, lid 3)
2 Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Rundvlees - Speciale premie voor producenten van rundvlees - Overdracht van landbouwbedrijf tijdens looptijd van verbintenissen aangegaan door overdrager - Recht op premie - Overgang op overnemer die zelf aan gestelde voorwaarden voldoet - Geen
(Verordeningen van de Raad nr. 805/68, art. 4 bis, lid 1, zoals gewijzigd bij verordening nr. 571/89, en nr. 468/87; verordening nr. 714/89 van de Commissie)
Samenvatting
1 De overdracht van het bedrijf tijdens de looptijd van de verbintenis van de producent om de runderen op zijn bedrijf te houden, welke verbintenis is opgelegd bij artikel 2 van verordening nr. 714/89 houdende uitvoeringsbepalingen van het stelsel van de speciale premie voor producenten van rundvlees, kan niet worden gelijkgesteld met overmacht en inzonderheid niet met de niet-nakoming van die verbintenis wegens overlijden van de begunstigde of wegens langdurige ongeschiktheid van de begunstigde om zijn beroep uit te oefenen, twee gevallen van overmacht die worden genoemd in artikel 5 van verordening nr. 1244/82 houdende uitvoeringsbepalingen van de premieregeling voor het aanhouden van het zoogkoeienbestand, waarnaar artikel 9, lid 3, van verordening nr. 714/89 verwijst. Een dergelijke overdracht is immers geen abnormale en onvoorzienbare omstandigheid die onafhankelijk is van de wil van degene die zich erop beroept, en waarvan de gevolgen ondanks alle voorzorgsmaatregelen niet konden worden vermeden.
2 Artikel 4 bis, lid 1, van verordening nr. 805/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, zoals gewijzigd bij verordening nr. 571/89, junctis de verordeningen nr. 468/87 tot vaststelling van de algemene voorschriften van het stelsel van de speciale premie voor producenten van rundvlees, en nr. 714/89 houdende uitvoeringsbepalingen van dit stelsel, moet aldus worden uitgelegd, dat ingeval het landbouwbedrijf bij wege van "vorweggenommene Erbfolge" (geanticipeerde erfopvolging onder levenden) wordt overgedragen tijdens de looptijd van de door de aanvrager van die premie aangegane verbintenissen, het recht op die premie niet overgaat op de nieuwe eigenaar die de gestelde voorwaarden inzake het houden en mesten van de dieren heeft vervuld.
Partijen
In zaak C-376/97,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van het Bundesverwaltungsgericht (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
Bezirksregierung Lüneburg
en
K.-H. Wettwer,
">om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van een aantal bepalingen van verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB L 148, blz. 24), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 571/89 van de Raad van 2 maart 1989 (PB L 61, blz. 43), van verordening (EEG) nr. 468/87 van de Raad van 10 februari 1987 tot vaststelling van de algemene voorschriften van het stelsel van de speciale premie voor producenten van rundvlees (PB L 48, blz. 4), en van verordening (EEG) nr. 714/89 van de Commissie van 20 maart 1989 houdende uitvoeringsbepalingen van het stelsel van de speciale premie voor producenten van rundvlees (PB L 78, blz. 38),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Tweede kamer),
samengesteld als volgt: G. Hirsch, kamerpresident, G. F. Mancini en R. Schintgen (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: P. Léger
griffier: R. Grass
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- K.-H. Wettwer, vertegenwoordigd door J. Lukanow, advocaat te Euskirchen,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K.-D. Borchardt, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 februari 1999,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 16 september 1997, ten Hove ingekomen op 4 november daaraanvolgend, heeft het Bundesverwaltungsgericht krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van een aantal bepalingen van verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB L 148, blz. 24), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 571/89 van de Raad van 2 maart 1989 (PB L 61, blz. 43), van verordening (EEG) nr. 468/87 van de Raad van 10 februari 1987 tot vaststelling van de algemene voorschriften van het stelsel van de speciale premie voor producenten van rundvlees (PB L 48, blz. 4), en van verordening (EEG) nr. 714/89 van de Commissie van 20 maart 1989 houdende uitvoeringsbepalingen van het stelsel van de speciale premie voor producenten van rundvlees (PB L 78, blz. 38).
2 Deze vraag is gerezen in het kader van een geding tussen K.-H. Wettwer, landbouwer, en de Bezirksregierung Lüneburg (hierna: "Bezirksregierung") over de overdracht van het recht op een speciale premie voor het jaar 1991 aan zijn zoon, aan wie hij zijn landbouwbedrijf had overgedragen tijdens de looptijd van de verbintenissen die hij was aangegaan om die premie te krijgen.
De toepasselijke bepalingen
3 Artikel 4 bis van verordening nr. 805/68, zoals gewijzigd bij verordening nr. 571/89, bepaalt:
"1. Aan rundvleesproducenten kan een speciale premie worden verleend. Deze premie wordt de producenten op hun verzoek toegekend voor mannelijke runderen van ten minste negen maanden die op hun bedrijf zijn gemest.
De premie wordt beperkt tot negentig dieren per kalenderjaar en per bedrijf. De premie wordt vastgesteld op 40 ECU per dier.
De premie wordt slechts eenmaal per dier toegekend. De premie wordt aan de producent uitbetaald of aan hem doorbetaald.
2. De Raad stelt, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de algemene regels betreffende de speciale premie vast, met name de definitie van de producenten die voor de premie in aanmerking komen en de voorwaarden voor de toekenning daarvan.
3. De Commissie stelt de uitvoeringsbepalingen van dit artikel vast volgens de procedure van artikel 27.
(...)"
4 Volgens artikel 1 van de door de Raad krachtens artikel 4 bis, lid 2, van verordening nr. 805/68 vastgestelde verordening nr. 468/87 dient te worden verstaan onder "producent: de individuele landbouwondernemers, natuurlijke of rechtspersoon, waarvan het bedrijf zich op het grondgebied van de Gemeenschap bevindt, die runderen houdt". In die bepaling wordt bedrijf omschreven als "het geheel van de door de producent beheerde productie-eenheden, die gelegen zijn op het grondgebied van eenzelfde lidstaat".
5 Ingevolge artikel 3, lid 1, van verordening nr. 468/87 worden de aanvragen met betrekking tot de toekenning van de premie "één of meerdere malen per jaar bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaten ingediend" en gaan zij "vergezeld van een schriftelijke verklaring van de producent waarin wordt verklaard dat hij de mannelijke runderen waarvoor hij om toekenning van de premie heeft verzocht, heeft gemest".
6 In artikel 5 van verordening nr. 468/87 wordt gepreciseerd, dat de door de Commissie krachtens artikel 4 bis, lid 3, van verordening nr. 805/68 vast te stellen bepalingen ter uitvoering van het stelsel van de speciale premie voor producenten van rundvlees, onder meer betrekking hebben op de indiening van de aanvragen en de betaling van de premie alsmede op de naleving van de in artikel 3, lid 1, bedoelde voorwaarden, met name de duur van het verblijf van het vee op het bedrijf teneinde voldoende toezicht te waarborgen.
7 Artikel 2, tweede streepje, van verordening nr. 714/89 houdende uitvoeringsbepalingen van het ten tijde van de feiten van het hoofdgeding van toepassing zijnde premiestelsel bepaalt, dat de producent zich bij de indiening van zijn aanvraag ertoe moet verbinden, "de mannelijke runderen waarvoor hij de premie aanvraagt, op zijn bedrijf te houden gedurende de periode die ter uitvoering van artikel 8, lid 2, wordt vastgesteld, en (...) minstens tot zij negen maanden oud zijn".
8 Volgens artikel 8, lid 2, van verordening nr. 714/89 dienen de lidstaten met het oog op een afdoende controle op de in het raam van artikel 2 ingediende aanvragen een minimumperiode vast te stellen gedurende welke de mannelijke dieren na de datum van indiening van de aanvraag op het bedrijf moeten worden gehouden. Deze periode mag niet korter zijn dan twee noch langer dan vijf maanden. In Duitsland bedraagt zij drie maanden.
9 Ingevolge artikel 8, lid 1, van verordening nr. 714/89 kunnen de nationale autoriteiten die met het toezicht op de naleving van de voorschriften van de speciale-premieregeling zijn belast, administratieve controles of controles ter plaatse verrichten. Deze controles hebben met name betrekking op:
"a) het aantal mannelijke runderen, dat op het door de producent geëxploiteerde bedrijf wordt gehouden en waarvoor de premie wordt aangevraagd (...);
b) de juistheid van de voorgeschreven verklaringen en het nakomen van de verbintenissen door de producent;
c) (...)".
10 Artikel 9, lid 1, van verordening nr. 714/89 bepaalt, dat de betrokkene, onverminderd de leden 2, 3 en 4 van dat artikel, de premie verliest indien uit de controle blijkt dat het werkelijke aantal subsidiabele dieren kleiner is dan het aantal dieren waarvoor de premie is aangevraagd. Om de voorschriften ter voorkoming en bestraffing van onregelmatigheden en bedrog te verscherpen wordt in lid 6 van dat artikel bepaald:
"Indien lid 1 van toepassing is en wanneer de bevoegde instantie vaststelt dat het een valse verklaring is die doelbewust of door grove nalatigheid is afgelegd, komt de betrokken producent gedurende een periode van twaalf maanden die ingaat op de datum van die vaststelling, niet meer voor de premieregeling in aanmerking."
11 Artikel 9, lid 3, van verordening nr. 714/89 luidt als volgt: "Het recht op de premie blijft voor het werkelijke aantal subsidiabele dieren bestaan wanneer de producent de in artikel 2 bedoelde verbintenis wegens overmacht niet heeft kunnen nakomen, meer in het bijzonder in de in artikel 5 van verordening (EEG) nr. 1244/82 van de Commissie bedoelde gevallen. De producent stelt de bevoegde instantie daarvan in kennis binnen tien dagen, te rekenen vanaf de datum waarop het betrokken feit zich heeft voorgedaan."
12 In artikel 5, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1244/82 van de Commissie van 19 mei 1982 houdende uitvoeringsbepalingen van de premieregeling voor het aanhouden van het zoogkoeienbestand (PB L 143, blz. 20), wordt bepaald:
"Onverminderd de bijzondere omstandigheden die in individuele gevallen in aanmerking moeten worden genomen, kunnen de bevoegde instanties ter rechtvaardiging van het handhaven van het recht op de premie met name de navolgende gevallen van overmacht aanvaarden:
a) overlijden van de begunstigde;
b) langdurige ongeschiktheid van de begunstigde om zijn beroep uit te oefenen;
c) onteigening van een belangrijk deel van het bedrijfsareaal van de begunstigde, voor zover deze onteigening niet te voorzien was op de dag waarop de aanvraag werd ingediend;
d) een natuurramp waardoor de door de begunstigde gebruikte gronden op belangrijke wijze worden aangetast;
e) onopzettelijke vernieling van de rundveestallen van de begunstigde;
f) epizoötie onder de gehele rundveestapel van de begunstigde of een deel daarvan."
Het hoofdgeding
13 Op 2 mei 1991 vroeg Wettwer bij de Bezirksregierung voor tien op zijn landbouwbedrijf gehouden dieren de speciale premie voor producenten van rundvlees aan, waarin artikel 4 bis, lid 1, van verordening nr. 805/68, zoals gewijzigd, voorziet.
14 Bij notariële akte van 4 juli 1991 droeg Wettwer bij wege van "vorweggenommene Erbfolge" (geanticipeerde erfopvolging onder levenden) zijn bedrijf samen met de daaraan verbonden rechten en verplichtingen over aan zijn zoon, die eveneens landbouwer was en een ander landbouwbedrijf exploiteerde. Op 23 juli 1991 deelde hij dit mee aan de Bezirksregierung.
15 Bij besluit van 17 oktober 1991 wees de Bezirksregierung de aanvraag van Wettwer af op grond dat hij de tien dieren niet gedurende ten minste drie maanden vanaf de indiening van de aanvraag op zijn bedrijf had gehouden, en dat de premie alleen aan de aanvrager kon worden toegekend omdat zij wordt verleend aan een persoon en niet aan een bedrijf.
16 Voor het Verwaltungsgericht, waarbij hij een beroep tot nietigverklaring van het besluit houdende weigering van de speciale premie had ingesteld, betoogde Wettwer, dat zijn zoon als erfopvolger de aan de premieaanvraag verbonden verplichtingen inzake het houden van de runderen op het bedrijf en het vetmesten ervan nakwam, zodat de voorwaarden voor toekenning van de premie waren vervuld.
17 Bij vonnis van 17 september 1992 wees het Verwaltungsgericht het beroep van Wettwer af op grond dat volgens artikel 4 bis, lid 1, van verordening nr. 805/68, zoals gewijzigd bij verordening nr. 571/89, de premie wordt toegekend aan de producent die ze heeft aangevraagd en niet aan het bedrijf en dat Wettwer noch zijn zoon recht had op de premie omdat de eerste zijn hoedanigheid van producent had verloren vóór het einde van de controleperiode van drie maanden en de tweede geen premieaanvraag had ingediend.
18 Van dit vonnis kwam Wettwer in hoger beroep bij het Niedersächsische Oberverwaltungsgericht, dat bij arrest van 26 mei 1995 het vonnis van de rechter in eerste aanleg heeft gewijzigd met als voornaamste overweging, dat uit de bepalingen van het gemeenschapsrecht noch uit die van het nationale recht kon worden geconcludeerd, dat de overdracht ante mortem van een landbouwbedrijf uitsloot dat de erfopvolger in de rechten en verplichtingen treedt die de aanvraag van de speciale premie voor de aanvrager meebrengt.
19 Daarop stelde de Bezirksregierung "Revision" in bij het Bundesverwaltungsgericht, dat, van oordeel dat de teksten geen van de twee aangevoerde stellingen en uitleggingen uitsloten, de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof de volgende vraag heeft gesteld:
"Is het recht op de speciale premie voor producenten van rundvlees voor 1991 overgegaan op de producent aan wie de aanvrager tijdens de looptijd van de aangegane verbintenissen zijn landbouwbedrijf bij wege van $vorweggenommene Erbfolge' (geanticipeerde erfopvolging onder levenden) heeft overgedragen en die de gestelde voorwaarden inzake het houden en mesten van de dieren heeft vervuld?"
20 Blijkens de verwijzingsbeschikking wenst de nationale rechter met deze vraag in wezen te vernemen, of artikel 4 bis, lid 1, van verordening nr. 805/68, zoals gewijzigd bij verordening nr. 571/89, junctis de verordeningen nrs. 468/87 en 714/89, aldus moet worden uitgelegd, dat ingeval het landbouwbedrijf bij wege van "vorweggenommene Erbfolge" (geanticipeerde erfopvolging onder levenden) wordt overgedragen tijdens de looptijd van de door de aanvrager aangegane verbintenissen, het recht op de speciale premie voor producenten van rundvlees voor 1991 overgaat op de nieuwe eigenaar die de gestelde voorwaarden inzake het houden en mesten van de dieren heeft vervuld.
21 Om op de aldus geherformuleerde vraag te antwoorden dient allereerst te worden beklemtoond, dat het volgens artikel 4 bis, lid 1, van verordening nr. 805/68, zoals gewijzigd bij verordening nr. 571/89, de rundvleesproducenten zijn aan wie op hun verzoek een speciale premie kan worden toegekend voor mannelijke runderen van ten minste negen maanden die op hun bedrijf zijn gemest, en dit voor maximaal negentig dieren per kalenderjaar en per bedrijf.
22 Verder dient erop te worden gewezen, dat om het toezicht op de vervulling van de door de Raad gestelde toekenningsvoorwaarden te verzekeren de door de Raad en de Commissie vastgestelde uitvoeringsbepalingen, te weten artikel 3 van verordening nr. 468/87 en artikel 2 van verordening nr. 714/89, voorschrijven dat de premieaanvragen vergezeld moeten gaan van schriftelijke verklaringen waarin de producent enerzijds verklaart, dat hij de runderen waarvoor hij om toekenning van de premie heeft verzocht, heeft gemest, en anderzijds zich ertoe verbindt, die runderen op zijn bedrijf te houden gedurende een minimumperiode vastgesteld overeenkomstig artikel 8, lid 2, van verordening nr. 714/89.
23 In de derde overweging van de considerans van verordening nr. 714/89 wordt uitdrukkelijk verklaard, dat wegens de moeilijkheden in verband met het overleggen van stukken ten bewijze dat de vereiste voorwaarden in acht zijn genomen, is voorgeschreven dat bij de aanvragen verklaringen en verbintenissen van de begunstigden moeten worden gevoegd, en dat de lidstaten op deze verklaringen en verbintenissen administratieve controles en controles ter plaatse dienen uit te voeren.
24 In die omstandigheden vormen die verklaringen en verbintenissen van de aanvrager een wezenlijk onderdeel van het toezicht op het stelsel van een speciale premie voor producenten van rundvlees, zoals dit door de gemeenschapswetgever is ingesteld.
25 Ten derde wordt in de gemeenschapsregeling niet bepaald, dat ingeval de aanvrager van de premie zijn bedrijf overdraagt, de nieuwe exploitant verplicht is of de mogelijkheid heeft, zich ertoe te verbinden de verbintenissen na te komen die de producent die hem zijn bedrijf heeft overgedragen, bij de indiening van zijn aanvraag was aangegaan.
26 Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, kan bij ontbreken van een dergelijke formele verbintenis van de nieuwe exploitant de in artikel 9, lid 6, van verordening nr. 714/89 bepaalde sanctie, dat degene die doelbewust of door grove nalatigheid een valse verklaring aflegt, gedurende een periode van twaalf maanden niet voor de premieregeling in aanmerking komt, niet worden toegepast, hetgeen de doeltreffendheid van het stelsel van toezicht op de vervulling van de voorwaarden voor toekenning van de premie ernstig aantast.
27 Gelet op een en ander dient te worden geconcludeerd, dat in geval van overdracht van een bedrijf tijdens de looptijd van de verbintenissen die door de aanvrager van een speciale premie voor producenten van rundvlees zijn aangegaan, de aanvrager het recht op de premie verliest en de nieuwe exploitant slechts op een dergelijke premie aanspraak kan maken wanneer hij in voorkomend geval zelf een aanvraag indient die vergezeld gaat van de vereiste verklaringen en verbintenissen. Hieruit volgt, dat bij gebreke van een dergelijke aanvraag, het feit dat de nieuwe eigenaar de voorwaarden inzake het houden en mesten van de dieren zelf heeft vervuld, niet volstaat om hem in aanmerking te laten komen voor de premie.
28 Zoals de advocaat-generaal in punt 22 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is deze uitlegging de enige waarmee in een geval van overdracht van het bedrijf aan een andere producent, zoals het in het hoofdgeding aan de orde zijnde geval, bij de huidige stand van de bepalingen kan worden gegarandeerd, dat aan de nieuwe eigenaar geen premie wordt toegekend voor meer dan negentig dieren per kalenderjaar en per bedrijf.
29 Die uitlegging vindt overigens steun in de omstandigheid dat artikel 9, lid 3, van verordening nr. 714/89 - dat uitdrukkelijk ziet op het geval dat de producent de in artikel 2 van die verordening bedoelde verbintenis om de runderen op zijn bedrijf te houden, wegens overmacht niet is kunnen nakomen - bepaalt, dat het recht op de premie slechts in geval van overmacht behouden blijft.
30 De overdracht van de exploitatie tijdens de looptijd van die verbintenis kan evenwel niet worden gelijkgesteld met overmacht en inzonderheid niet met de niet-nakoming van die verbintenis wegens overlijden van de begunstigde of wegens langdurige ongeschiktheid van de begunstigde om zijn beroep uit te oefenen, twee gevallen van overmacht die worden genoemd in artikel 5 van verordening nr. 1244/82, waarnaar artikel 9, lid 3, van verordening nr. 714/89 verwijst. Een dergelijke overdracht is immers geen abnormale en onvoorzienbare omstandigheid die onafhankelijk is van de wil van degene die zich erop beroept, en waarvan de gevolgen ondanks alle voorzorgsmaatregelen niet konden worden vermeden (zie met name arrest van 29 september 1998, First City Trading e.a., C-263/97, Jurispr. blz. I-5537, punt 38).
31 Mitsdien moet op de gestelde vraag worden geantwoord, dat artikel 4 bis, lid 1, van verordening nr. 805/68, zoals gewijzigd bij verordening nr. 571/89, junctis de verordeningen nrs. 468/87 en 714/89, aldus moet worden uitgelegd, dat ingeval het landbouwbedrijf bij wege van "vorweggenommene Erbfolge" (geanticipeerde erfopvolging onder levenden) wordt overgedragen tijdens de looptijd van de door de aanvrager aangegane verbintenissen, het recht op de speciale premie voor producenten van rundvlees voor 1991 niet overgaat op de nieuwe eigenaar die de gestelde voorwaarden inzake het houden en mesten van de dieren heeft vervuld.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
32 De kosten door de Commissie wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
uitspraak doende op de door het Bundesverwaltungsgericht bij beschikking van 16 september 1997 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 4 bis, lid 1, van verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 571/89 van de Raad van 2 maart 1989, junctis de verordeningen (EEG) nr. 468/87 van de Raad van 10 februari 1987 tot vaststelling van de algemene voorschriften van het stelsel van de speciale premie voor producenten van rundvlees, en (EEG) nr. 714/89 van de Commissie van 20 maart 1989 houdende uitvoeringsbepalingen van het stelsel van de speciale premie voor producenten van rundvlees, moet aldus worden uitgelegd, dat ingeval het landbouwbedrijf bij wege van "vorweggenommene Erbfolge" (geanticipeerde erfopvolging onder levenden) wordt overgedragen tijdens de looptijd van de door de aanvrager aangegane verbintenissen, het recht op de speciale premie voor producenten van rundvlees voor 1991 niet overgaat op de nieuwe eigenaar die de gestelde voorwaarden inzake het houden en mesten van de dieren heeft vervuld.
Full & Egal Universal Law Academy