Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Beroep wegens niet-nakoming - Onderzoek van gegrondheid door Hof - In aanmerking te nemen situatie - Situatie bij verstrijken van in met redenen omkleed advies gestelde termijn
[EG-Verdrag, art. 169 (thans art. 226 EG)]
2. Milieu - Waterverontreiniging - Richtlijn 76/464 - Verplichting tot opstelling van specifieke programma's ter vermindering van verontreiniging door bepaalde gevaarlijke stoffen - Draagwijdte
(Richtlijn 76/464 van de Raad, art. 7, en bijlage, lijst II)
Samenvatting
1. In het kader van een beroep krachtens artikel 169 van het Verdrag (thans artikel 226 EG) moet het bestaan van niet-nakoming worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, en kan het Hof geen rekening houden met sedertdien opgetreden wijzigingen.
( cf. punt 35 )
2. De programma's die de lidstaten volgens artikel 7 van richtlijn 76/464 moeten opstellen ter vermindering van de verontreiniging van hun wateren door stoffen van lijst II in de bijlage van de richtlijn, dienen specifiek te zijn, dat wil zeggen dat zij een totale en samenhangende benadering moeten inhouden, met het karakter van een concrete en gestructureerde planning die het hele nationale grondgebied omvat en betrekking heeft op de vermindering van de verontreiniging veroorzaakt door alle stoffen van lijst II die in de nationale context van elke lidstaat van belang zijn, gelet op de in diezelfde programma's vastgestelde kwaliteitsdoelstellingen voor de ontvangende wateren.
Als programma's in de zin van artikel 7 van de richtlijn kunnen daarom niet worden aangemerkt nationale maatregelen die, ook al kunnen zij bijdragen tot vermindering van de verontreiniging van het aquatisch milieu, louter concrete maatregelen zijn en niet het resultaat van een totale en samenhangende planning, die is gebaseerd op een onderzoek van de situatie van de ontvangende wateren en bepaalt welke kwaliteitsdoelstellingen moeten worden bereikt.
( cf. punten 39-40, 42 )
Partijen
In zaak C-384/97,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Kontou-Durande, lid van de juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxembourg bij C. Gómez de la Cruz, lid van die dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Helleense Republiek, vertegenwoordigd door A. Samoni-Rantou, juridisch adviseur bij de bijzondere juridische dienst, sectie Europees recht, van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en E.-M. Mamouna, auditeur bij die dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Griekse ambassade, Val Sainte-Croix 117,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Helleense Republiek, door geen programma's met kwaliteitsdoelstellingen en termijnen voor de uitvoering daarvan op te stellen ter vermindering van de waterverontreiniging door de 99 gevaarlijke stoffen van lijst II, eerste streepje, van de bijlage bij richtlijn 76/464/EEG van de Raad van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd (PB L 129, blz. 23), en door lozingen die in de wateren worden verricht en die een van de bedoelde stoffen kunnen bevatten, niet te binden aan een voorafgaande vergunning van de bevoegde autoriteit, waarin emissienormen op basis van de in die programma's vastgelegde kwaliteitsdoelstellingen zijn vastgesteld, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens het EG-Verdrag en artikel 7 van de richtlijn,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: R. Schintgen, president van de Tweede kamer, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, P. J. G. Kapteyn, G. Hirsch (rapporteur), H. Ragnemalm en V. Skouris, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger
griffier: L. Hewlett, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 29 september 1999, waarbij de Commissie was vertegenwoordigd door M. Kontou-Durande en de Helleense Republiek door E. Skandalou, adjunct-juridisch adviseur bij de bijzondere juridische dienst, sectie Europees recht, van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 oktober 1999,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 10 november 1997 heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG) verzocht vast te stellen dat de Helleense Republiek, door geen programma's met kwaliteitsdoelstellingen en termijnen voor de uitvoering daarvan op te stellen ter vermindering van de waterverontreiniging door de 99 gevaarlijke stoffen van lijst II, eerste streepje, van de bijlage bij richtlijn 76/464/EEG van de Raad van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd (PB L 129, blz. 23; hierna: richtlijn"), en door lozingen die in de wateren worden verricht en die een van de bedoelde stoffen kunnen bevatten, niet te binden aan een voorafgaande vergunning van de bevoegde autoriteit, waarin emissienormen op basis van de in die programma's vastgelegde kwaliteitsdoelstellingen zijn vastgesteld, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens het EG-Verdrag en artikel 7 van de richtlijn.
De betrokken regelgeving
2 Het doel van de richtlijn is, de verontreiniging van het aquatisch milieu door bepaalde bijzonder gevaarlijke stoffen die voorkomen op een zogenoemde lijst I", te beëindigen en de waterverontreiniging door andere gevaarlijke stoffen, genoemd op een andere lijst, de zogenoemde lijst II", te verminderen. Beide lijsten zijn als bijlage bij de richtlijn gevoegd. Ter bereiking van dit doel dienen de lidstaten ingevolge artikel 2 van de richtlijn de passende maatregelen te nemen.
3 Met betrekking tot de stoffen van lijst I moeten de lidstaten ingevolge de artikelen 3 en 5 van de richtlijn elke lozing in het aquatisch milieu onderwerpen aan een voorafgaande vergunning van de bevoegde autoriteiten en emissienormen vaststellen die de door de Raad op basis van het effect van die stoffen op het aquatisch milieu vast te stellen grenswaarden niet mogen overschrijden.
4 Ingevolge artikel 7, lid 1, van de richtlijn zijn de lidstaten verplicht programma's op te stellen ter vermindering van de waterverontreiniging door stoffen van lijst II (hierna: programma's"), met daarin kwaliteitsdoelstellingen voor de wateren, die op basis van het effect van die stoffen op de in het water levende organismen zijn vastgesteld. Volgens artikel 7, lid 2, van de richtlijn moeten lozingen die een van de onder lijst II vallende stoffen kunnen bevatten, worden onderworpen aan een voorafgaande vergunning van de bevoegde nationale autoriteit, die de emissienormen vastlegt. Voorts moeten ingevolge artikel 7, lid 6, van de richtlijn de programma's en de resultaten van de toepassing ervan in beknopte vorm aan de Commissie worden meegedeeld.
5 Lijst II omvat de stoffen van lijst I waarvoor de Raad nog geen grenswaarden heeft vastgesteld.
6 Omdat het merendeel van de stoffen van lijst I groepsgewijs is vermeld, moest voor de vaststelling van de grenswaarden eerst worden bepaald, welke individuele stoffen tot die groepen behoren. Daartoe heeft de Commissie in samenwerking met de lidstaten een lijst van 129 individuele stoffen opgesteld. Deze lijst is door de Raad in zijn resolutie van 7 februari 1983 betreffende de bestrijding van de waterverontreiniging (PB C 46, blz. 17) aangemerkt als basis voor verdere werkzaamheden ter tenuitvoerlegging van de richtlijn". Aan deze lijst zijn nadien nog drie stoffen toegevoegd. Voor 18 van deze 132 stoffen van lijst I zijn door de Raad grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen vastgesteld en voor 15 andere stoffen heeft de Commissie op 14 februari 1990 een voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van richtlijn 76/464 ingediend (PB C 55, blz. 7). Er blijven op lijst I dus 99 stoffen over, die wegens het ontbreken van grenswaarden tot lijst II behoren en waarvoor de lidstaten ingevolge artikel 7, lid 1, van de richtlijn programma's moeten vaststellen.
7 Tijdens vergaderingen van nationale deskundigen op 31 januari en 1 februari 1989 werd een lijst van prioritaire stoffen van lijst II opgesteld.
8 De richtlijn kent geen omzettingstermijn. In artikel 12, lid 2, is evenwel bepaald, dat de Commissie, zo mogelijk binnen een termijn van 27 maanden na de kennisgeving van de richtlijn, aan de Raad de eerste voorstellen voorlegt op basis van vergelijkend onderzoek van de door de lidstaten opgestelde programma's. Omdat de Commissie meende dat de lidstaten haar de daarvoor benodigde gegevens niet binnen die termijn zouden kunnen verstrekken, heeft zij hun bij schrijven van 3 november 1976 voorgesteld, de datum van 15 september 1981 aan te houden voor het opstellen van de programma's en van 15 september 1986 voor de uitvoering daarvan.
De feiten
9 Bij schrijven van 26 april 1989 informeerde de Commissie bij de Helleense Republiek naar de toepassing van de programma's voor bepaalde stoffen van lijst II van de richtlijn. In antwoord daarop gaven de Griekse autoriteiten de Commissie informatie over de in Griekenland geldende wettelijke regeling ter beperking van stoffen van lijst II, de geplande werkzaamheden ter beheersing van de lozingen en ter verbetering van de situatie in de stedelijke gebieden van Thessaloniki en Athene, en de lopende studies ter vermindering van de verontreiniging. In dit antwoord werd echter in het ongewisse gelaten, welke termijnen waren vastgesteld voor de uitvoering van concrete programma's ter vermindering van de waterverontreiniging door stoffen van lijst II van de richtlijn.
10 Op 4 april 1990 zond de Commissie een tweede brief aan de Helleense Republiek om deze te attenderen op artikel 7 van de richtlijn. Daarin herinnerde zij eraan, dat inmiddels een lijst van 132 prioritaire stoffen van lijst I was opgesteld en dat voor 33 daarvan reeds zogenoemde afgeleide" richtlijnen of voorstellen voor een richtlijn bestonden.
11 In diezelfde brief hield de Commissie staande, dat voor de 99 resterende stoffen de verplichtingen van artikel 7 bleven gelden, omdat daarvoor geen communautaire regeling was getroffen. De Commissie verzocht de Helleense Republiek om haar:
- een bijgewerkte opgave te doen toekomen over welke van de 99 stoffen in de Griekse wateren werden geloosd,
- mee te delen, welke kwaliteitsdoelstellingen golden op het moment waarop de lozingsvergunningen werden verleend (voor een of meer van bovenbedoelde stoffen) voor de verschillende door die lozingen beïnvloede gebieden, en
- indien geen doelstellingen zouden zijn vastgesteld: de redenen daarvan mee te delen, vergezeld van een tijdsschema met de datum waarop die kwaliteitsdoelstellingen wel zouden zijn vastgesteld.
12 De Griekse autoriteiten hebben deze brief niet beantwoord.
13 In die omstandigheden besloot de Commissie de procedure van artikel 169 van het Verdrag in te leiden. Bij aanmaningsbrief van 27 december 1990 deelde de Commissie de Helleense Republiek mee, dat zij haars inziens de krachtens de richtlijn, met name artikel 7, en het Verdrag op haar rustende verplichtingen niet was nagekomen, en verzocht zij haar binnen een termijn van twee maanden haar opmerkingen kenbaar te maken.
14 Bij aanvullende brief van 5 oktober 1993 zond de Commissie de complete lijst van 99 stoffen mee die in de aanmaningsbrief had ontbroken, en herhaalde zij haar verzoek.
15 De Griekse autoriteiten antwoordden op 12 augustus 1994, dat het enige nieuwe feit ten opzichte van de situatie in 1990 was, dat een overeenkomst was gesloten met de Egeïsche universiteit voor de uitvoering van een specifieke studie. Daarnaast verstrekten zij een aantal inlichtingen over de mogelijke aanwezigheid van stoffen van lijst II in het aquatisch milieu.
16 Zij wezen er in het bijzonder erop, dat 32 stoffen die in landbouwbestrijdingsmiddelen of de verpakking ervan voorkomen, vanwege hun geringe hoeveelheid fotochemisch of bacterieel werden afgebroken en niet rechtstreeks in het aquatisch milieu werden geloosd; 9 andere stoffen zouden in Griekenland niet in de handel zijn. Voorts erkenden de Griekse autoriteiten de mogelijke aanwezigheid van 17 stoffen in afvalwater, waarvan één niet in het oppervlaktewater werd geloosd. Ten aanzien van 10 andere stoffen en de stoffen waarover zij geen informatie konden geven, zegden zij een nadere studie toe om gegevens te verkrijgen over de concentratie van die stoffen in het afvalwater van productie-installaties en over de eventuele aanwezigheid van andere stoffen van lijst II in het aquatisch milieu.
17 De Commissie concludeerde daaruit, dat de Griekse autoriteiten voor 72 van de 99 stoffen van lijst II niet de noodzakelijke maatregelen hadden genomen ter vermindering van de waterverontreiniging door die stoffen. Het gaat om 59 stoffen waarover geen enkele informatie is verstrekt, 10 stoffen waarvan de mogelijke aanwezigheid in het aquatisch milieu is erkend en 3 stoffen waarover geen nauwkeurige informatie is verstrekt.
18 Op 23 december 1996 zond de Commissie de Helleense Republiek daarom een met redenen omkleed advies waarin zij als haar oordeel te kennen gaf, dat door geen programma's met kwaliteitsdoelstellingen en termijnen voor de uitvoering daarvan op te stellen ter vermindering van de waterverontreiniging door gevaarlijke stoffen van lijst II, en door lozingen die in de wateren worden verricht en die een van bedoelde stoffen kunnen bevatten, niet te binden aan een voorafgaande vergunning van de bevoegde autoriteit, waarin emissienormen op basis van de in die programma's vastgelegde kwaliteitsdoelstellingen zijn vastgesteld, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 7 van de richtlijn en artikel 5 EG-Verdrag (thans artikel 10 EG).
19 Bij schrijven van 20 maart 1997 heeft de Helleense Republiek de Commissie geïnformeerd over acties van het Ministerie van Ruimtelijke ordening, Milieu en Openbare werken met betrekking tot stoffen van lijst II, en meer in het bijzonder over het voornemen om de Egeïsche universiteit opdracht te geven voor een studie over de situatie in Griekenland met betrekking tot bedoelde stoffen.
Ten gronde
20 De Commissie betoogt, dat de Helleense Republiek ingevolge artikel 7 van de richtlijn programma's had moeten opstellen ter vermindering van de waterverontreiniging door stoffen van lijst II, dat wil zeggen de 99 meegedeelde stoffen alsmede de families en groepen van stoffen, genoemd onder het tweede streepje van die lijst.
21 Op het tijdstip waarop het beroep werd ingesteld, had de Helleense Republiek evenwel geen mededeling gedaan van geïntegreerde programma's ter vermindering van de bestaande verontreiniging van de binnen- en kustwateren door stoffen van lijst II van de richtlijn. Dat betekent, dat de lozingen in die wateren, die een van de stoffen van lijst II kunnen bevatten, niet conform de richtlijn waren onderworpen aan een voorafgaande vergunning met daarin nieuwe emissienormen op basis van de in de programma's ter vermindering van de verontreiniging opgenomen kwaliteitsdoelstellingen.
22 In het bijzonder wijst de Commissie erop, dat wat het volgens de Griekse autoriteiten bestaande nauwkeurige wettelijke kader voor de bescherming van alle ontvangende wateren, de daartoe in sommige provincies vastgestelde kwaliteitsdoelstellingen en in andere provincies vastgestelde drempelwaarden voor lozingen in ontvangende wateren betreft, het gaat om bepalingen met een uiteenlopende strekking, grondslag en gelding, zoals:
- ministeriële besluiten tot omzetting in Grieks recht van de richtlijnen 75/439/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie (PB L 194, blz. 23), 76/403/EEG van de Raad van 6 april 1976 betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (PB L 108, blz. 41), en 78/319/EEG van de Raad van 20 maart 1978 betreffende toxische en gevaarlijke afvalstoffen (PB L 84, blz. 43);
- een ministerieel besluit met betrekking tot de bescherming van water dat wordt gebruikt voor de drinkwatervoorziening van de regio rond Athene tegen verontreiniging en besmetting;
- besluiten van prefecten of ministers ter aanwijzing van ontvangende wateren waarin afvalwater van verschillende regio's wordt geloosd, zoals Komotini, Alexandroupolis, het Vistonis meer, de Saronische golf, Florina, Kavalla, welke besluiten voor het merendeel drempelwaarden bevatten voor emissies van verschillende stoffen, waaronder slechts enkele van de 99 gevaarlijke stoffen die thans in geding zijn, en
- andere besluiten ter regeling van het gebruik van de oppervlaktewateren in verschillende regio's (de regeling van het gebruik van oppervlakte- en grondwater betreft met name de regio Florina, het gebruik van het water van de rivieren Aliakmon en Pinion), die kwaliteitsdoelstellingen vastleggen met in achtneming waarvan gebruik van deze wateren mogelijk is.
23 Volgens de Commissie zijn deze bepalingen niet aan te merken als programma's in de zin van artikel 7 van de richtlijn, omdat zij een ander voorwerp en doel hebben dan de richtlijn en zijn vastgesteld om in een andere behoefte te voorzien.
24 Hoewel zij erkent dat de genomen maatregelen bijdragen aan een zekere handhaving van de kwaliteit van de binnenwateren, meent de Commissie dat zij niet in de plaats kunnen komen van de door de richtlijn voorgeschreven maatregelen, te weten de vaststelling en mededeling aan de Commissie van programma's, zoals die bijvoorbeeld kunnen resulteren uit de aan de Egeïsche universiteit opgedragen studie, met het concrete doel de bestaande waterverontreiniging door gevaarlijke stoffen van de families en groepen stoffen van lijst II van de bijlage bij de richtlijn te verminderen.
25 Om dat te bereiken moeten eerst de vervuilingsbronnen over het hele nationale grondgebied in kaart worden gebracht, moeten de stoffen van lijst II van de richtlijn worden gelokaliseerd en moet vervolgens worden vastgesteld, welke maatregelen nodig zijn om de bestaande verontreiniging terug te dringen; tot die maatregelen behoort de oprichting van een controlenetwerk. Van dergelijke programma's is aan de Commissie nochtans nog geen mededeling gedaan.
26 Volgens de Commissie is het voorts duidelijk, dat kwaliteitsdoelstellingen slechts zijn vastgesteld voor een beperkt aantal regio's en dan nog slechts voor enkele van de stoffen van lijst II. Die kwaliteitsdoelstellingen berusten niet op een concrete studie waarin de bestaande verontreiniging wordt geanalyseerd en de te volgen methode ter vermindering van deze verontreiniging wordt beschreven. Het is dus onmogelijk te bepalen, in hoeverre zij bijdragen aan de doelstellingen van de richtlijn. Bovendien zijn die kwaliteitsdoelstellingen niet gericht op de vermindering van een geconstateerde verontreiniging, zoals de richtlijn dat vereist.
27 Het argument ten slotte, dat programma's met kwaliteitsdoelstellingen niet nodig zouden zijn voor provincies waarin geen industriële activiteiten plaatsvinden, noemt de Commissie ongegrond. Tegen het betoog van de Griekse autoriteiten, dat in 24 van de 52 provincies geen industriële installaties voorkomen waar stoffen van lijst II worden gebruikt en dat de wateren in die provincies daarom zouden moeten worden uitgezonderd van de verplichting een programma op te stellen als bedoeld in artikel 7 van de richtlijn, brengt de Commissie in, dat zich in die regio's zeer wel verontreiniging uit andere bronnen kan voordoen, zoals door bestrijdingsmiddelen, viskwekerijen of chemicaliën die door kleinschalige bedrijven worden gebruikt. Waterverontreiniging is ook vanuit aangrenzende regio's mogelijk. De Griekse autoriteiten hebben trouwens zelf kwaliteitsnormen voor bepaalde stoffen van lijst II vastgesteld voor gebieden waarin geen industriële installaties schijnen te bestaan, zoals Florina en Kastoria.
28 Volgens de Griekse regering zijn alle noodzakelijke maatregelen genomen om aan de richtlijn te voldoen.
29 Ten eerste is bij besluit van 4 juni 1997 aan de Egeïsche universiteit opdracht gegeven om de situatie in Griekenland met betrekking tot de bewuste stoffen te onderzoeken.
30 De eerste fase van deze studie is in maart 1998 afgesloten (inventarisering van de vervuilingsbronnen, van de giftige stoffen van lijst II, evaluatie van de gegevens, opstelling van een overzicht van de mogelijk in het aquatisch milieu aanwezige stoffen en opbouw van een meetnet voor controle van het oppervlaktewater op de hier aan de orde zijnde stoffen).
31 Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Griekse regering nader verklaard, dat op deze wijze 35 stoffen in de Griekse oppervlaktewateren waren ontdekt, al waren die uit naburige landen, met name via grensrivieren binnengekomen. Er is vervolgens een ontwerp-kaderwet uitgewerkt met kwaliteitsdoelstellingen voor de oppervlaktewateren in verband met lozingen van in de bijlage bij de richtlijn genoemde stoffen. Dit ontwerp zal in Griekenland worden toegepast voor de drempelwaarden van die stoffen in de oppervlaktewateren en de bestaande maatregelen zullen aan dit ontwerp worden aangepast.
32 De tweede fase van de studie (nemen van monsters en analyse van de ontvangende oppervlaktewateren, voorlopige technische rapporten met de resultaten van de monsters en een volledig verslag vergezeld van voorstellen voor programma's ter vermindering van lozingen van stoffen van de bijlage bij de richtlijn) is in juli 1998 ingegaan en zal binnenkort worden voltooid.
33 Ten tweede stelt de Griekse regering, dat voor de wateren die in het bijzonder te lijden hebben van lozingen van gevaarlijke stoffen van lijst II van de richtlijn reeds kwaliteitsdoelstellingen zijn vastgesteld om die verontreiniging te verminderen.
34 In dit verband noemt zij een aantal maatregelen op wettelijk en bestuurlijk niveau, zoals interministeriële, interprovinciale en provinciale besluiten, die bij de afgifte van de nodige vergunningen voor de lozing van afvalwater van belang zijn.
35 Volgens vaste rechtspraak moet het bestaan van een niet-nakoming worden beoordeeld naar de situatie zoals die bestaat aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, en kan het Hof met nadien opgetreden wijzigingen geen rekening houden (arrest van 25 november 1998, Commissie/Spanje, C-214/96, Jurispr. blz. I-7661, punt 25).
36 Het met redenen omkleed advies waarin de Helleense Republiek werd verzocht binnen een termijn van twee maanden daaraan gevolg te geven, werd in casu verzonden op 23 december 1996.
37 Eerst bij besluit van 4 juni 1997 heeft de Griekse regering de Egeïsche universiteit opdracht gegeven om de situatie met betrekking tot de bewuste stoffen te onderzoeken.
38 De Griekse regering erkent dat de eerste fase van deze studie, die onder meer een inventarisatie omvatte van de vervuilingsbronnen en van de mogelijk in het aquatisch milieu aanwezige stoffen, eerst in maart 1998 is voltooid. Op de voorgeschreven datum was de Griekse regering dus niet in staat, sluitende gegevens te verschaffen over de mate van vervuiling van de oppervlaktewateren door de stoffen waarop de studie betrekking heeft.
39 Voorts moeten volgens de rechtspraak van het Hof de krachtens artikel 7 van de richtlijn op te stellen programma's specifieke programma's zijn. De in algemene saneringsprogramma's nagestreefde doelstelling van vermindering van de verontreiniging is niet noodzakelijkerwijs in overeenstemming met het meer specifieke doel van de richtlijn (arresten van 12 december 1996, Commissie/Duitsland, C-298/95, Jurispr. blz. I-6747, punten 22 en 26; 11 juni 1998, Commissie/Griekenland, C-232/95 en C-233/95, Jurispr. blz. I-3343, punt 35, en 21 januari 1999, Commissie/België, C-207/97, Jurispr. blz. I-275, punt 39).
40 Volgens vaste rechtspraak bestaat de specificiteit van de betrokken programma's hierin, dat zij een totale en samenhangende benadering moeten inhouden, met het karakter van een concrete en gestructureerde planning die het hele nationale grondgebied omvat en betrekking heeft op de vermindering van de verontreiniging veroorzaakt door alle stoffen van lijst II die in de nationale context van elke lidstaat van belang zijn, gelet op de in diezelfde programma's vastgestelde kwaliteitsdoelstellingen voor de ontvangende wateren. Zij onderscheiden zich dus zowel van een algemeen saneringsprogramma als van een geheel van concrete maatregelen ter beperking van de waterverontreiniging (arrest Commissie/België, reeds aangehaald, punt 40).
41 Daaraan moet worden toegevoegd, dat de in de voorafgaande vergunningen neergelegde emissienormen moeten worden berekend op basis van de in de betrokken programma's vastgestelde kwaliteitsdoelstellingen die het resultaat zijn van het onderzoek van de ontvangende wateren. Deze programma's moeten overigens in een zodanige vorm aan de Commissie worden meegedeeld, dat zij gemakkelijk kunnen worden onderzocht met het oog op een onderlinge vergelijking en een geharmoniseerde toepassing ervan in alle lidstaten (arrest Commissie/België, reeds aangehaald, punt 41).
42 Ook al zouden sommige van de door de Griekse regering genoemde maatregelen eventueel kunnen bijdragen tot vermindering van de verontreiniging van het aquatisch milieu, het betreft niettemin louter concrete maatregelen die niet het resultaat zijn van een algemeen en gestructureerd programma voor de vermindering van de verontreiniging, dat is gebaseerd op een onderzoek van de situatie van de ontvangende wateren en bepaalt welke kwaliteitsdoelstellingen moeten worden bereikt (zie arrest Commissie/België, reeds aangehaald, punt 45).
43 Derhalve moet worden vastgesteld dat de Helleense Republiek, door geen programma's ter vermindering van de verontreiniging op te stellen die kwaliteitsdoelstellingen bevatten ten aanzien van de gevaarlijke stoffen van lijst II, eerste streepje, van de bijlage bij de richtlijn, de krachtens artikel 7, lid 1, van genoemde richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
44 Wat betreft de vordering tot vaststelling, dat de Helleense Republiek de krachtens artikel 7 van de richtlijn op haar rustende verplichtingen eveneens niet is nagekomen door de lozingen die in de wateren worden verricht en die een van de bedoelde stoffen kunnen bevatten, niet te binden aan een voorafgaande vergunning van de bevoegde autoriteit, waarin emissienormen zijn vastgelegd op basis van de in die programma's vastgestelde kwaliteitsdoelstellingen, zij eraan herinnerd dat nu geen programma's in de zin van artikel 7, lid 1, van de richtlijn zijn vastgesteld, er ook geen vergunningen in de zin van artikel 7, lid 2, kunnen zijn verleend (zie arrest Commissie/Griekenland, reeds aangehaald, punten 27-29). Deze vordering mist derhalve zelfstandige betekenis en behoeft niet te worden onderzocht.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
45 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover zulks is gevorderd. Aangezien de Commissie een kostenveroordeling heeft gevorderd en de Helleense Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende, verklaart:
1) Door geen programma's ter vermindering van de verontreiniging op te stellen die kwaliteitsdoelstellingen bevatten ten aanzien van de gevaarlijke stoffen van lijst II, eerste streepje, van de bijlage bij richtlijn 76/464/EEG van de Raad van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd, is de Helleense Republiek de krachtens artikel 7, lid 1, van genoemde richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy