Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Lidstaten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet-betwiste niet-nakoming
(EG-Verdrag, art. 169)
Partijen
In zaak C-410/97,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Wolfcarius, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van die dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Groothertogdom Luxemburg, vertegenwoordigd door N. Schmit, directeur internationale economische betrekkingen en samenwerking bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, Rue de la Congrégation 6, Luxemburg,
verweerder,
"betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 92/29/EEG van de Raad van 31 maart 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid ter bevordering van een betere medische hulpverlening aan boord van schepen (PB L 113, blz. 19), de krachtens die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vierde kamer),
samengesteld als volgt: P. J. G. Kapteyn, kamerpresident, H. Ragnemalm (rapporteur) en K. M. Ioannou, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 juli 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 5 december 1997, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EG-Verdrag verzocht vast te stellen dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 92/29/EEG van de Raad van 31 maart 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid ter bevordering van een betere medische hulpverlening aan boord van schepen (PB L 113, blz. 19; hierna: "richtlijn"), de krachtens die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Ingevolge artikel 9, lid 1, eerste alinea, van de richtlijn moesten de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 31 december 1994 aan deze richtlijn te voldoen, en de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen.
3 Daar de Commissie geen kennisgeving van maatregelen tot omzetting van de richtlijn in Luxemburgs recht had ontvangen, leidde zij de in artikel 169 EG-Verdrag bedoelde niet-nakomingsprocedure in door het Groothertogdom Luxemburg op 16 mei 1995 een aanmaningsbrief te zenden.
4 Bij brief van 12 september 1996 stelde de Luxemburgse regering de Commissie ervan in kennis, dat de nodige maatregelen om de richtlijn uit te voeren, in voorbereiding waren.
5 Toen haar niet de definitief vastgestelde tekst werd meegedeeld, deed de Commissie het Groothertogdom Luxemburg op 16 december 1996 een met redenen omkleed advies toekomen met het verzoek, binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving ervan de nodige maatregelen vast te stellen.
6 Bij brief van 23 januari 1997 stelde de Luxemburgse regering de Commissie ervan in kennis, dat de vaststelling van een ontwerpverordening aan de gang was.
7 Toen de Commissie verder niets vernam over de voltooiing van de uitvoeringsprocedure, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld.
8 In zijn verweerschrift erkent het Groothertogdom Luxemburg, dat het zijn verplichting tot uitvoering van de richtlijn niet is nagekomen. Het wijst er echter op, dat een ontwerp van wet tot uitvoering van de richtlijn in voorbereiding is en vóór half maart 1998 aan de ministerraad zou moeten worden voorgelegd.
9 Daar de uitvoering van de richtlijn niet binnen de daarin gestelde termijn heeft plaatsgevonden, moet het beroep van de Commissie gegrond worden geacht.
10 Mitsdien moet worden vastgesteld dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om aan de richtlijn te voldoen, de krachtens die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
11 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie zulks heeft gevorderd en het Groothertogdom Luxemburg in het ongelijk is gesteld, moet het in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 92/29/EEG van de Raad van 31 maart 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid ter bevordering van een betere medische hulpverlening aan boord van schepen, is het Groothertogdom Luxemburg de krachtens die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Groothertogdom Luxemburg wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy