Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Vrij verkeer van goederen - Kwantitatieve uitvoerbeperkingen - Maatregelen van gelijke werking - Verbod van procedure van dwangbevel bij betekening aan debiteur in andere lidstaat - Toelaatbaarheid
[EG-Verdrag, art. 34 (thans, na wijziging, art. 29 EG)]
2 Vrij verkeer van kapitaal - Vrijheid van betalingen - Artikel 73 B, lid 2, EG-Verdrag (thans artikel 56, lid 2, EG) - Draagwijdte - Procesrechtelijke voorwaarden die gelden voor acties tot betaling van geldbedrag - Daarvan uitgesloten
[EEG-Verdrag, art. 106 (thans art. 73 H EG-Verdrag, ingetrokken bij het Verdrag van Amsterdam); EG-Verdrag, art. 73 B, lid 2 (thans art. 56, lid 2, EG)]
Samenvatting
1 Artikel 34 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 29 EG) verzet zich niet tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan de procedure van het betalingsbevel uitgesloten is in gevallen waarin de betekening aan de debiteur in een andere lidstaat van de Gemeenschap dient plaats te vinden.
Weliswaar leidt een dergelijke nationale bepaling namelijk ertoe dat op de marktdeelnemer een andere procesrechtelijke regeling van toepassing is naargelang hij goederen binnen de betrokken lidstaat levert, dan wel deze naar andere lidstaten uitvoert, doch de omstandigheid dat nationale onderdanen om die reden ervoor zouden terugdeinzen om goederen aan in andere lidstaten gevestigde kopers te verkopen, is zo onzeker en indirect, dat van deze nationale bepaling niet kan worden gezegd, dat zij de handel tussen de lidstaten belemmert.
2 Evenals artikel 106 EEG-Verdrag (thans artikel 73 H EG-Verdrag, ingetrokken bij het Verdrag van Amsterdam) dient artikel 73 B, lid 2, EG-Verdrag (thans artikel 56, lid 2, EG) degeen die een geldbedrag verschuldigd is wegens een levering van goederen of diensten, in staat te stellen om vrijwillig, zonder ongegronde beperking, aan deze contractsverplichting te voldoen, en dient het de schuldeiser in staat te stellen om een dergelijke betaling vrij in ontvangst te nemen. Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op de procesrechtelijke voorwaarden die gelden voor de actie van een schuldeiser om van een onwillige debiteur betaling van een geldbedrag te verkrijgen.
Een nationale bepaling van procesrecht, op grond waarvan de procedure van het betalingsbevel uitgesloten is in gevallen waarin de betekening aan de debiteur in een andere lidstaat van de Gemeenschap dient plaats te vinden, vormt geen beperking van het vrije betalingsverkeer.
Partijen
In zaak C-412/97,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van de Pretore di Bologna (Italië), in het aldaar aanhangig geding tussen
ED Srl
en
I. Fenocchio,
">om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 34 en 59 EG-Verdrag (thans, na wijziging, de artikelen 29 EG en 49 EG) alsmede van artikel 73 B EG-Verdrag (thans artikel 56 EG) ter beoordeling van de verenigbaarheid met deze bepalingen van een nationaal voorschrift op grond waarvan het verboden is een betalingsbevel uit te vaardigen dat buiten het nationale grondgebied moet worden betekend,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J.-P. Puissochet, kamerpresident, P. Jann (rapporteur), D. A. O. Edward, L. Sevón en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: G. Cosmas
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door U. Leanza, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door O. Fiumara, avvocato dello Stato,
- de Franse regering, vertegenwoordigd door K. Rispal-Bellanger, onderdirecteur internationaal economisch recht en gemeenschapsrecht bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en G. Mignot, secretaris buitenlandse zaken bij deze directie, als gemachtigden,
- de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Stix-Hackl, Gesandte bij het Bondsministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door L. Pignataro en P. Stancanelli, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door O. Fiumara; de Franse regering, vertegenwoordigd door R. Loosli-Surrans, chargé de mission bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, en de Commissie, vertegenwoordigd door P. Stancanelli, ter terechtzitting van 26 november 1998,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 21 januari 1999,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 29 november 1997, ingekomen ten Hove op 5 december daaraanvolgend, heeft de Pretore di Bologna krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 34 en 59 EG-Verdrag (thans, na wijziging, de artikelen 29 EG en 49 EG) alsmede van artikel 73 B EG-Verdrag (thans artikel 56 EG) ter beoordeling van de verenigbaarheid met deze bepalingen van een nationaal voorschrift op grond waarvan het verboden is een betalingsbevel uit te vaardigen dat buiten het nationale grondgebied moet worden betekend.
2 Deze vraag is gesteld in het kader van het geschil betreffende een procedure tot verkrijging van een betalingsbevel, die is ingeleid door de vennootschap naar Italiaans recht ED Srl (hierna: "ED"), gevestigd te Funo di Argelato, tegen I. Fenocchio, woonachtig te Berlijn (Duitsland).
3 ED heeft Fenocchio goederen geleverd met een tegenwaarde van 19 933 700 LIT. Aangezien laatstgenoemde slechts een voorschot van 100 000 LIT had betaald, doch het saldo niet had voldaan, stelde ED op 6 oktober 1997 voor de Pretore di Bologna overeenkomstig artikel 633 van de Italiaanse Codice di procedura civile (hierna: "CPC") een vordering tot verkrijging van een bevel tot betaling van het verschuldigde saldo, vermeerderd met interessen en kosten, in.
4 Vaststaat dat de vordering aan alle ter zake gestelde materiële voorwaarden voldeed. Aangezien de debiteur evenwel in Duitsland woonde, zou het bevel hem in die lidstaat moeten worden betekend. Bijgevolg kon de vordering niet worden toegewezen wegens artikel 633, laatste alinea, CPC, dat bepaalt: "Geen bevel kan worden uitgevaardigd wanneer de betekening aan de in artikel 643 bedoelde verweerder buiten de Italiaanse Republiek of aan de Italiaanse soevereiniteit onderworpen gebieden moet plaatsvinden."
5 De verwijzende rechter verklaart, dat met de bijzondere procedure tot verkrijging van een betalingsbevel snel en goedkoop een executoriale titel tegen de debiteur van een niet betaalde vordering kan worden verkregen. In deze procedure vindt slechts een summier gerechtelijk onderzoek plaats, en behoeft de eiser enkel de grondslag van zijn vordering met adequate bewijsstukken aan te tonen. Het bevel wordt door de rechter uitgevaardigd, zonder dat de wederpartij is gehoord en zonder procedure in tegenspraak. De debiteur kan tegen het betalingsbevel verzet doen, waardoor tussen partijen een gewone procedure op tegenspraak wordt ingeleid.
6 Volgens de verwijzende rechter is het verbod om deze procedure te gebruiken wanneer de debiteur in het buitenland woont, oorspronkelijk ingegeven door het streven het risico te voorkomen dat deze laatste nooit op de hoogte zou zijn van een tegen hem uitgevaardigd bevel, of daarvan pas zou ervaren na het verstrijken van de termijn voor verzet, hetgeen de uitoefening van zijn rechten van de verdediging zou beletten. Hoewel deze reden gegrond was in 1940, toen de bepaling is vastgesteld, zou zij thans niet meer gerechtvaardigd zijn, aangezien de betekening in het buitenland niet langer een groot probleem is en de termijnen voor verzet lang genoeg zijn. Dit geldt in het bijzonder met betrekking tot de staten die partij zijn bij het Verdrag van Den Haag van 15 november 1965 inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken, waarvan artikel 10, sub a, de betekening per post toestaat.
7 De verwijzende rechter vraagt zich dan ook af, of het onderhavige verbod niet onverenigbaar is met de artikelen 34 en 59 van het Verdrag, alsmede met artikel 73 B van dat Verdrag. De in Italië gevestigde ondernemingen zouden op grond daarvan namelijk de voorkeur kunnen geven aan handelsrelaties met afnemers die in deze lidstaat actief zijn, in plaats van met buitenlandse afnemers, aangezien zij alleen ten aanzien van de Italiaanse afnemers kunnen profiteren van de bijzondere bescherming en de lagere kosten die de procedure van het betalingsbevel biedt. Als gevolg daarvan zou het vrije verkeer van goederen kunnen worden aangetast, evenals het vrij verrichten van diensten, omdat de procedure van het betalingsbevel ook voor vorderingen uit hoofde van dienstprestaties kan worden gebruikt. Voor zover de vorderingen betrekking hebben op geldbedragen, zou het onderhavige verbod ook een aantasting van het vrij verkeer van kapitaal kunnen opleveren.
8 De verwijzende rechter merkt verder op, dat de voor hem in geding zijnde bepaling reeds is onderzocht in het kader van een exceptie van ongrondwettigheid die voor de Corte costituzionale was opgeworpen. De Corte costituzionale verwierp deze exceptie (zie beschikking nr. 364 van 27 juni 1989, Giurisprudenza costituzionale 1990, IV, blz. 1661), overwegende dat uit de communautaire verdragen geen algemene beginselen kunnen worden afgeleid die van invloed zijn op het gebied van gerechtelijke procedures, ten aanzien waarvan de nationale wettelijke regeling van de lidstaten geldt. Het verbod om een betalingsbevel uit te vaardigen dat in het buitenland moet worden betekend, heeft enkel tot gevolg dat geen bescherming door middel van die procedure kan worden geboden, doch niet dat er geen rechtsbescherming is, omdat nog altijd een rechtsvordering via de gewone weg kan worden ingesteld.
9 Onder deze omstandigheden heeft de Pretore di Bologna besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de navolgende prejudiciële vraag te stellen:
"Moet het in artikel 633, laatste alinea, van de Codice di procedura civile neergelegde verbod om een rechterlijk bevel tot betaling uit te vaardigen wanneer de betekening aan de wederpartij moet plaatsvinden buiten de Italiaanse Republiek of de aan Italiaanse soevereiniteit onderworpen gebieden, als een beperking of een maatregel van gelijke werking worden beschouwd, die al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel het bij de artikelen 34, 59 en 73 B van het Verdrag van Rome gewaarborgde vrije verkeer van goederen, diensten en kapitaal kan belemmeren?"
Artikel 34 van het Verdrag
10 Volgens vaste rechtspraak van het Hof heeft artikel 34 van het Verdrag betrekking op nationale maatregelen die een specifieke beperking van het uitgaand goederenverkeer ten doel of tot gevolg hebben en aldus tot een ongelijke behandeling van de binnenlandse handel en de uitvoerhandel van een lidstaat leiden, waardoor aan de nationale productie of de binnenlandse markt van de betrokken lidstaat een bijzonder voordeel wordt verzekerd (zie, met name, arrest van 7 februari 1984, Jongeneel Kaas e.a., 237/82, Jurispr. blz. 483, punt 22).
11 De in punt 4 van dit arrest genoemde nationale bepaling leidt er stellig toe dat op de marktdeelnemer een andere procesrechtelijke regeling van toepassing is naargelang hij goederen binnen de betrokken lidstaat levert, dan wel deze naar andere lidstaten uitvoert. Zoals de Franse en de Oostenrijkse regering evenwel terecht hebben opgemerkt, is de omstandigheid dat nationale onderdanen om die reden ervoor zouden terugdeinzen om goederen aan in andere lidstaten gevestigde kopers te verkopen, zo onzeker en indirect, dat van deze nationale bepaling niet kan worden gezegd, dat zij de handel tussen de lidstaten belemmert (zie, in een ander verband, arresten van 7 maart 1990, Krantz, C-69/88, Jurispr. blz. I-583, punt 11; 24 januari 1991, Alsthom Atlantique, C-339/89, Jurispr. blz. I-107, punten 14 en 15, en 13 oktober 1993, CMC Motorradcenter, C-93/92, Jurispr. blz. I-5009, punt 12).
12 Met betrekking tot dit onderdeel van de vraag dient derhalve te worden geconcludeerd, dat artikel 34 van het Verdrag zich niet verzet tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan de procedure van het betalingsbevel uitgesloten is in gevallen waarin de betekening aan de debiteur in een andere lidstaat van de Gemeenschap dient plaats te vinden.
Artikel 59 van het Verdrag
13 Zoals de Commissie en de meeste lidstaten die opmerkingen bij het Hof hebben ingediend, hebben verklaard, houdt de zaak in het hoofdgeding geen verband met een dienstverrichting.
14 Bijgevolg behoeft het onderdeel van de vraag, dat artikel 59 van het Verdrag betreft, niet te worden beantwoord.
Artikel 73 B van het Verdrag
15 Artikel 73 b, lid 2, van het Verdrag luidt:
"In het kader van de bepalingen van dit hoofdstuk zijn alle beperkingen van het betalingsverkeer tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen verboden."
16 Teneinde de strekking van deze bepaling vast te stellen, dient zij te worden vergeleken met het oude artikel 106, lid 1, EEG-Verdrag [nadien artikel 73 H, lid 1, EG-Verdrag (ingetrokken bij het Verdrag van Amsterdam)], waarvoor het in de plaats is gekomen en dat luidt:
"Elke lidstaat verbindt zich, om in de valuta van de lidstaat waarin de schuldeiser of de begunstigde verblijf houdt, de betalingen welke betrekking hebben op het goederen-, diensten- en kapitaalverkeer, evenals de overmaking van kapitaal en loon, toe te staan, voor zover het goederen-, diensten-, kapitaal- en personenverkeer tussen de lidstaten met toepassing van dit Verdrag is vrijgemaakt."
17 Evenals artikel 106 EEG-Verdrag, dient artikel 73 B, lid 2, van het Verdrag degeen die een geldbedrag verschuldigd is wegens een levering van goederen of diensten, in staat te stellen om vrijwillig, zonder ongegronde beperking, aan deze contractsverplichting te voldoen, en dient het de schuldeiser in staat te stellen om een dergelijke betaling vrij in ontvangst te nemen. Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op de procesrechtelijke voorwaarden die gelden voor de actie van een schuldeiser om van een onwillige debiteur betaling van een geldbedrag te verkrijgen.
18 Aan de verwijzende rechter dient derhalve te worden geantwoord dat een nationale bepaling van procesrecht, zoals die waarom het in het hoofdgeding gaat, geen beperking van het vrije betalingsverkeer vormt.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
19 De kosten door de Italiaanse, de Franse en de Oostenrijkse regering, alsmede door de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door de Pretore di Bologna bij beschikking van 29 november 1997 gestelde vraag, verklaart voor recht:
1) Artikel 34 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 29 EG) verzet zich niet tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan de procedure van het betalingsbevel uitgesloten is in gevallen waarin de betekening aan de debiteur in een andere lidstaat van de Gemeenschap dient plaats te vinden.
2) Een nationale bepaling van procesrecht, zoals die waarom het in het hoofdgeding gaat, vormt geen beperking van het vrije betalingsverkeer.
Full & Egal Universal Law Academy