Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Harmonisatie van wetgevingen - Informatieprocedure op gebied van normen en technische voorschriften - Technische voorschriften in zin van richtlijn 83/189 - Begrip - Nationale regeling die stoffen met groeibevorderende werking verbiedt - Daaronder begrepen - Verplichting van lidstaten om Commissie ieder ontwerp van technisch voorschrift mee te delen - Vrijstelling - Uitvoering van uit communautaire richtlijnen en verordeningen voortvloeiende verplichtingen
(Richtlijnen van de Raad 83/189, art. 1, punten 1 en 5, 8 en 10, en 86/469)
Samenvatting
Een nationale regeling die verbiedt stoffen met sympathico-mimetische werking aan mestrunderen van ouder dan 14 weken toe te dienen en die runderen waaraan die stoffen zijn toegediend, voorhanden of in voorraad te hebben, te kopen of te verkopen, is een technische specificatie in de zin van artikel 1, punt 1, van richtlijn 83/189 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften. Die regeling geeft namelijk een definitie van de productiemethodes en -procédés voor landbouwproducten, die bestemd zijn voor menselijke voeding. Zij is derhalve een technisch voorschrift in de zin van artikel 1, punt 5, van deze richtlijn, ten aanzien waarvan de lidstaat die het heeft vastgesteld, ingevolge artikel 10 van deze richtlijn is vrijgesteld van de in artikel 8 van deze richtlijn neergelegde verplichting tot mededeling aan de Commissie, aangezien de lidstaat met de vaststelling van die regeling heeft voldaan aan de verplichtingen welke voortvloeien uit richtlijn 86/649 inzake het onderzoek van dieren en vers vlees op de aanwezigheid van residuen.
Partijen
In de gevoegde zaken C-425/97-C-427/97,
betreffende verzoeken aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch (Nederland), in de aldaar dienende strafzaken tegen
A. Albers (C-425/97), M. van den Berkmortel (C-426/97) en L. Nuchelmans (C-427/97),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PB L 109, blz. 8), zoals gewijzigd bij richtlijn 88/182/EEG van de Raad van 22 maart 1988 (PB L 81, blz. 75),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J.-P. Puissochet, kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida, C. Gulmann (rapporteur), L. Sevón en M. Wathelet, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door J. G. Lammers, waarnemend juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
- de Ierse regering, vertegenwoordigd door M. A. Buckley, Chief State Solicitor, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. van Lier, juridisch adviseur, en M. Shotter, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van A. Albers, M. van den Berkmortel en L. Nuchelmans, vertegenwoordigd door L. J. L. Heukels, advocaat te Haarlem; de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. A. Fierstra, assistent juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde; de Ierse regering, vertegenwoordigd door P. Charleton, SC, en de Commissie, vertegenwoordigd door H. van Lier en M. Shotter, ter terechtzitting van 25 november 1998,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 december 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij drie tussenarresten van 11 november 1997, ingekomen bij het Hof op 16 december daaraanvolgend, heeft het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PB L 109, blz. 8), zoals gewijzigd bij richtlijn 88/182/EEG van de Raad van 22 maart 1988 (PB L 81, blz. 75; hierna: "richtlijn 83/189").
2 Die vraag is gerezen in strafzaken tegen A. Albers, M. van den Berkmortel en L. Nuchelmans, wegens het voorhanden hebben van mestrunderen waaraan stoffen met sympathico-mimetische werking die clenbuterol bevatten, waren toegediend.
3 De Verordening stoffen met sympathico-mimetische werking (PVV) 1991 (hierna: "Verordening"), vastgesteld door het bestuur van het Productschap voor Vee en Vlees en goedgekeurd door de minister van Landbouw, bevat in artikel 1 een definitie van stoffen met sympathico-mimetische werking. Vaststaat dat clenbuterol een van die stoffen is.
4 Artikel 2 van de Verordening bepaalt: "Het is verboden diergeneesmiddelen met sympathico-mimetische werking die clenbuterol bevatten, toe te dienen aan mestrunderen van ouder dan 14 weken, dan wel de toediening van zulke diergeneesmiddelen aan bedoelde mestrunderen toe te laten."
5 Artikel 3, lid 1, van de Verordening luidt: "Het is verboden mestrunderen waaraan in strijd met artikel 2 aldaar bedoelde stoffen met sympathico-mimetische werking zijn toegediend, voorhanden of in voorraad te hebben, te kopen of te verkopen."
6 Volgens artikel 1, punt 5, van richtlijn 83/189 wordt onder "technisch voorschrift" in de zin van deze richtlijn verstaan "technische specificaties, met inbegrip van de hierop toepasselijke bestuursrechtelijke bepalingen die de jure of de facto moeten worden nageleefd voor het verhandelen of het gebruik in een lidstaat of in een groot deel van deze staat, met uitzondering van die welke door de plaatselijke overheid zijn vastgesteld". Volgens artikel 1, punt 1, wordt onder "technische specificatie" in de zin van richtlijn 83/189 verstaan, "specificatie die voorkomt in een document ter omschrijving van de vereiste kenmerken van een product (...) alsmede productiemethodes en -procédés voor landbouwproducten in de zin van artikel 38, lid 1, van het Verdrag, voor producten bestemd voor menselijke of dierlijke voeding (...)".
7 Ingevolge de artikelen 8 en 9 van richtlijn 83/189 moeten de lidstaten de Commissie mededeling doen van de onder de werkingssfeer van de richtlijn vallende ontwerpen voor technische voorschriften alsmede, in bepaalde gevallen, de goedkeuring van deze ontwerpen een aantal maanden uitstellen teneinde de Commissie de mogelijkheid te bieden, na te gaan of deze ontwerpen verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht, of een richtlijn over dit onderwerp voor te stellen of vast te stellen.
8 Artikel 10 van richtlijn 83/189 bepaalt: "De artikelen 8 en 9 zijn niet van toepassing wanneer de lidstaten voldoen aan hun verplichtingen die voortvloeien uit communautaire richtlijnen."
9 In het arrest van 30 april 1996, CIA Security International (C-194/94, Jurispr. blz. I-2201, punt 54; hierna: "arrest CIA Security"), heeft het Hof richtlijn 83/189 aldus uitgelegd, dat het verzuim van de in de artikelen 8 en 9 opgelegde aanmeldingsplicht de niet-toepasselijkheid van de betrokken technische voorschriften meebrengt, zodat deze niet aan particulieren kunnen worden tegengeworpen. Het heeft derhalve voor recht verklaard, dat laatstgenoemden zich op de artikelen 8 en 9 van richtlijn 83/189 kunnen beroepen voor de nationale rechter, die een nationaal technisch voorschrift dat niet overeenkomstig deze richtlijn is meegedeeld, buiten toepassing dient te laten.
10 In urinemonsters van runderen die zich op de bedrijven van de drie verdachten in het hoofdgeding, veefokkers in Nederland, bevonden, werd clenbuterol aangetroffen. Het Openbaar Ministerie stelde daarop strafvervolging tegen hen in wegens overtreding van de Verordening.
11 In eerste aanleg werden Albers en Van den Berkmortel door de economische politierechter in de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch bij vonnissen van 14 december 1995, en Nuchelmans door de economische kamer in de Arrondissementsrechtbank te Maastricht bij vonnis van 6 juni 1996, veroordeeld wegens het voorhanden hebben van mestrunderen waaraan stoffen met sympathico-mimetische werking die clenbuterol bevatten, waren toegediend. Verdachten gingen van deze vonnissen in hoger beroep bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
12 Blijkens de verwijzingsarresten betoogden verdachten in hoger beroep, onder verwijzing naar het arrest CIA Security, dat de Verordening, die volgens hen technische voorschriften bevat en niet bij de Commissie is aangemeld, "buiten beschouwing moest blijven".
13 Daarop heeft de nationale rechter de behandeling van de zaken geschorst en het Hof in elk van de zaken de volgende prejudiciële vraag gesteld:
"Bevat de Verordening stoffen met sympathico-mimetische werking (PVV) 1991 en meer in het bijzonder artikel 3, eerste lid, van die Verordening, technische voorschriften, die ingevolge artikel 8 van richtlijn 83/189/EEG, zoals deze richtlijn luidde ten tijde van het in werking treden van de Verordening, vooraf aan de Commissie moesten worden meegedeeld?"
14 Bij beschikking van de president van het Hof van 26 januari 1998 zijn de drie zaken voor de schriftelijke en mondelinge behandeling alsmede voor het arrest gevoegd.
15 Met zijn vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of een voorschrift als artikel 3, lid 1, van de Verordening, juncto artikel 2 van die Verordening, een technisch voorschrift in de zin van richtlijn 83/189 is en, in voorkomend geval, of de lidstaat die dat voorschrift heeft vastgesteld, krachtens artikel 10 van deze richtlijn is vrijgesteld van de in artikel 8 van deze richtlijn neergelegde verplichting tot mededeling aan de Commissie.
16 Wat het eerste onderdeel van de vraag betreft, moet worden vastgesteld dat, zoals de Nederlandse regering en de Commissie hebben opgemerkt, voorschriften die, zoals de thans in geding zijnde, beogen de toediening van stoffen met sympathico-mimetische werking aan mestrunderen van ouder dan 14 weken te voorkomen, technische specificaties zijn in de zin van artikel 1, punt 1, van richtlijn 83/189.
17 Die voorschriften geven namelijk een definitie van de productiemethodes en -procédés voor landbouwproducten in de zin van artikel 38, lid 1, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 32, lid 1, EG), die bestemd zijn voor menselijke voeding.
18 Voor zover zij bovendien zijn vastgesteld door een nationaal bestuursorgaan, op het gehele Nederlandse grondgebied gelden en verbindend zijn voor degenen tot wie zij zijn gericht, gaat het inderdaad om technische voorschriften in de zin van artikel 1, punt 5, van richtlijn 83/189.
19 Wat het tweede onderdeel van de prejudiciële vraag betreft, stellen de Nederlandse en de Ierse regering alsmede de Commissie, dat de Nederlandse autoriteiten ingevolge artikel 10 van richtlijn 83/189 niet verplicht waren, het litigieuze technische voorschrift aan de Commissie mee te delen, voor zover zij met de vaststelling ervan enkel aan hun uit de communautaire richtlijnen voortvloeiende verplichtingen hebben voldaan.
20 In dit verband moet, zoals de Commissie met name heeft opgemerkt, meer in het bijzonder worden verwezen naar richtlijn 86/469/EEG van de Raad van 16 september 1986 inzake het onderzoek van dieren en vers vlees op de aanwezigheid van residuen (PB L 275, blz. 36), die op runderen van toepassing is.
21 Zoals de Commissie in herinnering heeft gebracht, beoogt richtlijn 86/469 volgens de negende overweging van de considerans onder meer gemeenschappelijke controlemaatregelen in te voeren om de oorzaak van residuen in dieren en vers vlees te bepalen en weg te nemen, waardoor wordt gewaarborgd dat vlees waarin residuen worden gevonden die het maximaal toelaatbare gehalte overschrijden, van consumptie wordt uitgesloten. Ingevolge artikel 9, lid 3, sub b, moeten de bevoegde autoriteiten erop toezien, dat indien uit onderzoek van een officieel monster "de aanwezigheid van verboden stoffen blijkt, de dieren niet voor consumptie door mens of dier op de markt kunnen worden gebracht".
22 Richtlijn 86/469 noemt in bijlage I de groepen van residuen die binnen haar werkingssfeer vallen. Clenbuterol valt onder punt B, getiteld "Specifieke groepen", groep I "Andere geneesmiddelen", sub c "Andere diergeneesmiddelen".
23 Hieruit volgt, dat de Nederlandse regering met de vaststelling van het verbod om clenbuterol toe te dienen aan mestrunderen van ouder dan 14 weken, en mestrunderen van ouder dan 14 weken waaraan deze stof is toegediend, voorhanden of in voorraad te hebben, te kopen of te verkopen, aan de uit richtlijn 86/649 voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan.
24 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord, dat een voorschrift als het thans in geding zijnde een technisch voorschrift is in de zin van richtlijn 83/189, ten aanzien waarvan de lidstaat die het heeft vastgesteld, ingevolge artikel 10 van deze richtlijn is vrijgesteld van de in artikel 8 van de richtlijn neergelegde verplichting tot mededeling aan de Commissie.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
25 De kosten door de Nederlandse en de Ierse regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch bij tussenarresten van 11 november 1997 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Een voorschrift als artikel 3, lid 1, van de Verordening stoffen met sympathico-mimetische werking (PVV) 1991, juncto artikel 2 van deze Verordening, is een technisch voorschrift in de zin van richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften, zoals gewijzigd bij richtlijn 88/182/EEG van de Raad van 22 maart 1988, ten aanzien waarvan de lidstaat die het heeft vastgesteld, ingevolge artikel 10 van deze richtlijn is vrijgesteld van de in artikel 8 van de richtlijn neergelegde verplichting tot mededeling aan de Commissie.
Full & Egal Universal Law Academy