Samenvatting
Trefwoorden
1 Hogere voorziening - Middelen - Verkeerde beoordeling van feiten - Niet-ontvankelijkheid
(EG-Verdrag, art. 168 A; 's Hofs Statuut-EG, art. 51)
2 Hogere voorziening - Middelen - Loutere herhaling van reeds voor Gerecht aangevoerde middelen en argumenten - Niet-ontvankelijkheid - Afwijzing
('s Hofs Statuut-EG, art. 49 en 51; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 112, lid 1, sub c)
3 Steunmaatregelen van de staten - Verbod - Afwijkingen - Steun aan onderneming belast met beheer van dienst van algemeen economisch belang - Voorwaarden - Beoordelingsbevoegdheid van Commissie
(EG-Verdrag, art. 90, lid 2, en 92)
Samenvatting
4 Krachtens artikel 168 A van het Verdrag en artikel 51, eerste alinea, van 's Hofs Statuut kan een hogere voorziening slechts worden gebaseerd op middelen inzake schending van rechtsregels, met uitsluiting van iedere feitelijke beoordeling.
5 Een verzoekschrift in hogere voorziening dat zich beperkt tot een herhaling of een letterlijke weergave van de voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten, waaronder die welke waren gebaseerd op feiten die het Gerecht uitdrukkelijk heeft verworpen, voldoet niet aan de motiveringseisen die voortvloeien uit artikel 51 van 's Hofs Statuut en artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Een dergelijke hogere voorziening is in feite niets anders dan een vordering tot heronderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoekschrift, hetgeen overeenkomstig artikel 49 van 's Hofs Statuut niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort.
6 Krachtens artikel 90, lid 2, van het Verdrag kan de betaling van staatssteun aan het verbod van artikel 92 ontsnappen, wanneer de betrokken steun slechts de meerkosten beoogt te compenseren die ontstaan door de vervulling van de bijzondere taak die is toevertrouwd aan een onderneming die met het beheer van een dienst van algemeen economisch belang is belast, en mits de toekenning van de steun noodzakelijk is om de betrokken onderneming in staat te stellen haar verplichtingen als openbare dienstverrichter in economisch evenwichtige omstandigheden te vervullen.
In het geval van een fiscaal voordeel voor een onderneming die is belast met een publieke dienstverleningstaak en die tegelijkertijd activiteiten ontplooit in de mededingingssfeer, worden de door artikel 90, lid 2, van het Verdrag gestelde eisen niet miskend, wanneer wordt geconcludeerd dat de mogelijkheid van kruislingse subsidiëring in zoverre is uitgesloten, dat het bedrag van de steun kleiner is dan de meerkosten die de vervulling van de bijzondere taak in de zin van die bepaling meebrengt, dat wil zeggen, wanneer als voorwaarde is gesteld, dat het fiscale voordeel niet groter mag zijn dan de meerkosten van de publieke dienstverleningstaak.
Full & Egal Universal Law Academy