Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Procedure Verzoek tot opschorting van gedwongen tenuitvoerlegging van door Hof krachtens arbitragebeding gewezen arrest Afwijzing
(Art. 244 EG en 256 EG)
Partijen
In zaak C-334/97 R-EX,
Comune di Montorio al Vomano, in de persoon van haar wettelijk vertegenwoordiger pro tempore, vertegenwoordigd door G. Romano, avvocato,
verzoekster,
betreffende een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (Derde kamer) van 10 juni 1999, Commissie/Montorio (C-334/97, Jurispr. blz. I-3387),
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Stancanelli als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET HOF,
advocaat-generaal A. Tizzano gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 3 april 2001, heeft de Comune di Montorio al Vomano (hierna: Montorio") krachtens de artikelen 244 EG en 256 EG het Hof verzocht om opschorting van de tenuitvoerlegging van zijn arrest van 10 juni 1999, Commissie/Montorio (C-334/97, Jurispr. blz. I-3387; hierna: betrokken arrest"), en alle andere geschikte conservatoire maatregelen te gelasten, met verwijzing van de Commissie van de Europese Gemeenschappen in de kosten.
2 Op 4 mei 2001 heeft de Commissie haar schriftelijke conclusies met betrekking tot het verzoek ingediend.
3 Aangezien de schriftelijke conclusies van partijen alle inlichtingen bevatten die noodzakelijk zijn om op het verzoek te beslissen, behoeven zij niet in hun mondelinge toelichtingen te worden gehoord.
4 Bij het betrokken arrest verklaarde het Hof zich op grond van een arbitragebeding in de zin van artikel 181 EG-Verdrag (thans artikel 238 EG) in de tussen de Commissie en Montorio gesloten overeenkomsten met de nrs. WE 147-85 en HY 149-85 bevoegd om kennis te nemen van het verzoek van de Commissie tot terugbetaling van de bedragen die aan Montorio zijn uitgekeerd in het kader van de uitvoering van die overeenkomsten, vermeerderd met de contractuele interesten. Het Hof heeft Montorio veroordeeld tot betaling van:
het bedrag van 246 000 000 ITL, vermeerderd met 14,2 % rente vanaf 1 december 1986 tot de dag van betaling;
het bedrag van 49 200 000 ITL, vermeerderd met 14,2 % rente vanaf 1 maart 1988 tot de dag van betaling;
het bedrag van 110 800 000 ITL, vermeerderd met 14,2 % rente vanaf 1 juni 1988 tot de dag van betaling;
het bedrag van 49 200 000 ITL, vermeerderd met 14,2 % rente vanaf 1 augustus 1988 tot de dag van betaling;
het bedrag van 158 400 000 ITL, vermeerderd met 14,2 % rente vanaf 1 november 1986 tot de dag van betaling;
alsmede de kosten.
5 Volgens verzoekster heeft de Commissie haar bij brief van 16 september 1999 verzocht om betaling van de genoemde bedragen.
6 Op 24 juli 2000 heeft de Italiaanse minister van Buitenlandse Zaken met toepassing van artikel 256 EG de formule van tenuitvoerlegging op het betrokken arrest aangebracht.
7 Bij een op 16 januari 2001 tegelijk met de executoriale titel betekend betalingsbevel heeft de Commissie verzoekster op basis van het betrokken arrest gelast om binnen tien dagen de totale som van 1 800 629 453,31 ITL, alsmede de kosten van de betekening van het bevel en de toekomstige kosten te betalen.
8 Bij dagvaarding van 25 januari 2001, betekend op 31 januari 2001 en op dezelfde datum ingeschreven op de algemene rol van het Tribunale di Teramo (Italië), heeft verzoekster dat bevel overeenkomstig de bepalingen van het Italiaans burgerlijk wetboek op het gebied van verzet tegen de tenuitvoerlegging aangevochten.
9 Artikel 244 EG bepaalt dat de arresten van het Hof van Justitie uitvoerbaar zijn overeenkomstig de bepalingen van artikel 256 EG. Artikel 256, tweede alinea, EG bepaalt dat de tenuitvoerlegging geschiedt volgens de bepalingen van burgerlijke rechtsvordering die van kracht zijn in de staat op wiens grondgebied zij plaatsvindt. Artikel 256, laatste alinea, EG bepaalt dat de tenuitvoerlegging niet kan worden geschorst dan krachtens een beschikking van het Hof van Justitie, maar dat het toezicht op de regelmatigheid van de wijze van tenuitvoerlegging tot de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties behoort.
10 Tot staving van haar verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging beroept Montorio zich op de niet-inachtneming en dus de schending door de Gemeenschap van artikel 228 EG.
11 Verzoekster erkent dat de in artikel 228 EG neergelegde procedure strikt genomen de gevolgen betreft van een na een procedure wegens niet-nakoming gewezen arrest van het Hof, maar betoogt dat deze procedure eveneens in de onderhavige zaak moet worden toegepast, en wel om meerdere redenen. Om te beginnen vloeit een dergelijke toepassing voort uit het beginsel van loyale samenwerking. Voorts moet Montorio, daar zij deel uitmaakt van de lokale overheid, anders worden behandeld dan een willekeurige natuurlijke of rechtspersoon en dient de procedure van artikel 228 EG naar analogie op haar te worden toegepast.
12 Ten slotte verklaart verzoekster dat onmiddellijke betaling van het gevorderde bedrag haar ernstige en onherstelbare schade zou toebrengen en een financiële ramp zou veroorzaken. Dat is niet in het belang van de Commissie, omdat een dergelijke ramp vertragingen bij de tenuitvoerlegging van het betrokken arrest kan meebrengen.
13 Volgens verzoekster zou het mogelijk moeten zijn om een passend afbetalingsschema op te stellen, waardoor enerzijds Montorio in staat wordt gesteld om met vermijding van een faillissement aan al haar verplichtingen te voldoen, en anderzijds de Commissie de haar toekomende bedragen gemakkelijk en volledig kan innen.
14 Met een beroep op de artikelen 83, lid 1, eerste alinea, en 89, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof stelt de Commissie dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat bij het Hof geen beroep is ingesteld dat strekt tot betwisting van de feitelijke inhoud van het betrokken arrest.
15 Ten gronde beklemtoont de Commissie dat het beginsel van loyale samenwerking van artikel 10 EG in het kader van contractuele betrekkingen niet van toepassing is. Bovendien heeft de Commissie de beginselen en regels van het op de overeenkomsten met de nrs. WE 147-85 en HY 149-85 toepasselijke Italiaanse recht constant in acht genomen. Ten slotte kan de procedure van artikel 228 EG niet naar analogie worden toegepast, omdat de tenuitvoerlegging van een arrest waarin niet-nakoming van contractuele verplichtingen wordt vastgesteld, van volkomen andere aard is.
16 Overigens betwijfelt de Commissie ernstig of de betaling van bedragen die verschuldigd zijn krachtens een arrest waarvan de geldigheid niet is betwist, schade kan opleveren. Montorio zou haar gewone institutionele en administratieve werkzaamheden namelijk kunnen voortzetten krachtens bepaalde Italiaanse regels die het normale functioneren van gemeenten beogen te waarborgen, met name door inbeslagneming van bepaalde essentiële goederen te beperken.
17 Er moet op worden gewezen dat verzoekster de op haar rustende verplichting tot betaling van de in het betrokken arrest vastgestelde bedragen niet betwist, maar de Commissie verwijt dat zij voor de tenuitvoerlegging van dit arrest een onjuiste weg is ingeslagen.
18 Vaststaat evenwel dat het betrokken arrest krachtens een arbitragebeding is gewezen en betrekking heeft op de nakoming naar Italiaans recht van contractuele verplichtingen tussen de Commissie en een plaatselijke overheid.
19 Bijgevolg was de Commissie, anders dan Montorio betoogt, niet verplicht om bij de tenuitvoerlegging van het betrokken arrest de procedure van artikel 228 EG te volgen, die van toepassing is in geval van niet-nakoming van een arrest waarin het Hof heeft vastgesteld dat een lidstaat een krachtens het Verdrag op hem rustende verplichting niet is nagekomen.
20 Noch het beginsel van loyale samenwerking, waarvan de relevantie voor de onderhavige zaak overigens twijfelachtig lijkt, noch de door Montorio aangevoerde vermeende analogie, kan het Hof de bevoegdheid geven tot wijziging van het uitdrukkelijk bij het EG-Verdrag voorziene stelsel van rechtswegen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van arresten die krachtens een arbitragebeding zijn gewezen.
21 Gelet op de kenmerken van de onderhavige procedure, moet het verzoek dus zonder meer worden afgewezen, en behoeft niet te worden beslist over het door de Commissie aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
22 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
DE PRESIDENT VAN HET HOF
beschikt:
1) Het verzoek wordt afgewezen.
2) De Comune di Montorio al Vomano wordt in de kosten verwezen.
Full & Egal Universal Law Academy