Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Beroep wegens niet-nakoming - Precontentieuze procedure - Ingebrekestelling - Uitvoerig gemotiveerde mening als bedoeld in richtlijn 83/189 - Ontbreken van regelmatige ingebrekestelling - Niet-ontvankelijkheid van beroep
[EG-Verdrag, art. 169 (thans art. 226 EG); richtlijn 83/189 van de Raad, art. 9, lid 1]
Samenvatting
$$Uit het oogmerk van de precontentieuze fase van de niet-nakomingsprocedure volgt dat de schriftelijke ingebrekestelling tot doel heeft, enerzijds het voorwerp van het geschil af te bakenen en aan de lidstaat die om opmerkingen wordt verzocht, de gegevens te verschaffen die hij nodig heeft om zijn verweer voor te bereiden, en anderzijds hem in staat te stellen hieraan gevolg te geven voordat beroep bij het Hof wordt ingesteld. Voorts moet een verzuim van een op de betrokken lidstaat rustende verplichting worden gesteld alvorens een schriftelijke ingebrekestelling kan worden verzonden.
Toen krachtens artikel 9, lid 1, van richtlijn 83/189 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften, een uitvoerig gemotiveerde mening te kennen werd gegeven, kon de lidstaat tot dewelke deze gemotiveerde mening was gericht, zich niet schuldig hebben gemaakt aan een schending van het gemeenschapsrecht, daar de betrokken handeling slechts een ontwerp was. De tegenovergestelde opvatting zou tot gevolg hebben dat de uitvoerig gemotiveerde mening een voorwaardelijke ingebrekestelling vormt, waarvan het bestaan afhankelijk is van het gevolg dat de betrokken lidstaat aan deze mening geeft. De eisen van rechtszekerheid, die besloten liggen in elke procedure die op een rechtsgeding kan uitlopen, verzetten zich tegen een dergelijke onzekerheid.
Daar een dergelijke uitvoerig gemotiveerde mening geen ingebrekestelling is die aan de eisen van artikel 169 van het Verdrag (thans artikel 226 EG) voldoet, is het door de Commissie ingestelde beroep wegens niet-nakoming niet-ontvankelijk.
( cf. punten 17-21 )
Partijen
In zaak C-341/97,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. van Vliet, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van die dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
ondersteund door
Franse Republiek, vertegenwoordigd door K. Rispal-Bellanger, onderdirecteur bij de directie Juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Franse ambassade, Boulevard Joseph II 8 B,
interveniënte,
tegen
Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door M. A. Fierstra, hoofd van de afdeling Europees recht bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, Bezuidenhoutseweg 67, te 's-Gravenhage,
verweerder,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat het Koninkrijk der Nederlanden, door op 16 december 1992 de Verordening voorkoming introductie van uitheemse toxische dinoflagellaten vast te stellen, niet heeft voldaan aan de krachtens de artikelen 30 en 36 EG-Verdrag (thans, na wijziging, de artikelen 28 EG en 30 EG) op hem rustende verplichtingen,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: L. Sevón, president van de Eerste kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, P. J. G. Kapteyn, P. Jann, H. Ragnemalm en M. Wathelet (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: G. Cosmas
griffier: L. Hewlett, administrateur, vervolgens R. Grass, griffier
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 2 december 1999,
gezien de beschikking van 16 december 1999 waarbij de behandeling werd heropend, om overlegging van nieuwe stukken werd gevraagd en partijen werden verzocht hun conclusies over de ontvankelijkheid van het beroep kenbaar te maken,
gezien de nieuwe stukken en de conclusies van partijen over de ontvankelijkheid van het beroep,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 30 september 1997, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG) het Hof verzocht vast te stellen dat het Koninkrijk der Nederlanden, door op 16 december 1992 de Verordening voorkoming introductie van uitheemse toxische dinoflagellaten (hierna: omstreden verordening") vast te stellen, niet heeft voldaan aan de krachtens de artikelen 30 en 36 EG-Verdrag (thans, na wijziging, de artikelen 28 EG en 30 EG) op hem rustende verplichtingen.
2 Bij beschikking van de president van het Hof van 20 maart 1998 werd de Franse Republiek toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie. Zij heeft echter geen conclusies ingediend.
3 Ter terechtzitting van 2 december 1999 heeft de Nederlandse regering voor het eerst de ontvankelijkheid van het gehele beroep betwist, op grond dat zij vóór de ontvangst van een met redenen omkleed advies betreffende de omstreden verordening op 20 oktober 1994 niet in de gelegenheid was gesteld opmerkingen te maken over die verordening, en de door haar ontvangen ingebrekestellingen enkel betrekking hadden op eerdere regelingen.
4 Bij beschikking van 16 december 1999 heeft het Hof, teneinde zich over de ontvankelijkheid van het beroep wegens niet-nakoming te kunnen uitspreken, krachtens artikel 61 van het Reglement voor de procesvoering de behandeling heropend en heeft het partijen verzocht bepaalde correspondentie over te leggen, alsmede schriftelijke opmerkingen over de gestelde niet-ontvankelijkheid in te dienen.
Het verloop van de precontentieuze procedure
5 Blijkens de stukken, zoals aangevuld door partijen na de beschikking tot heropening van de behandeling, zond de Commissie de Nederlandse regering op 1 augustus 1991 een eerste ingebrekestelling omdat twee Nederlandse regelingen, namelijk de Importregeling levende oesters 1988 en de Importregeling verse mosselen 1988 II, niet in overeenstemming waren met het gemeenschapsrecht. In hun antwoord van 7 november 1991 deelden de Nederlandse autoriteiten mee, dat die regelingen waren ingetrokken en vervangen door het Besluit behandeling tweekleppige weekdieren afkomstig uit vreemde wateren van 25 februari 1991 (hierna: besluit van 1991"). Op 18 mei 1993 deed de Commissie de Nederlandse regering dan een nieuwe ingebrekestelling toekomen, waarin zij stelde dat dit besluit ook in strijd was met artikel 30 van het Verdrag.
6 Intussen hadden de Nederlandse autoriteiten de regeling terzake nogmaals gewijzigd. Op 16 december 1992 stelde het bestuur van het Productschap voor Vis en Visproducten (hierna: Productschap") namelijk de omstreden verordening vast, die de introductie van uitheemse toxische dinoflagellaten in de Nederlandse wateren beoogt te voorkomen. Het onderhavige beroep wegens niet-nakoming betreft deze verordening, die op 1 januari 1993 in werking is getreden.
7 In het kader van richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PB L 109, blz. 8), zoals gewijzigd bij richtlijn 88/182/EEG van de Raad van 22 maart 1988 (PB L 81, blz, 75; hierna: richtlijn 83/189"), had de Commissie op 6 mei 1992 de tekst van de omstreden verordening, die op dat ogenblik nog een ontwerp was, ontvangen.
8 Richtlijn 83/189 voorziet in een informatieprocedure volgens welke de lidstaten verplicht zijn, ieder ontwerp voor een technisch voorschrift mede te delen aan de Commissie, die de overige lidstaten onverwijld in kennis stelt van het ontvangen ontwerp (artikel 8, lid 1). Zodra een lidstaat een ontwerp heeft meegedeeld, kunnen de Commissie en de andere lidstaten daarover opmerkingen bij hem indienen, waarmee hij, bij de verdere uitwerking van het technische voorschrift, zoveel mogelijk rekening dient te houden (artikel 8, lid 2). Overeenkomstig artikel 9, lid 1, van richtlijn 83/189 moet de lidstaat de goedkeuring van een ontwerp van het technisch voorschrift zes maanden uitstellen, te rekenen vanaf de datum van mededeling, indien de Commissie of een andere lidstaat binnen een termijn van drie maanden na die datum de uitvoerig gemotiveerde mening te kennen geeft, dat de beoogde maatregel moet worden gewijzigd teneinde eventuele belemmeringen voor het vrije verkeer van goederen die uit die maatregel kunnen voortvloeien, op te heffen of te beperken.
9 Bij uitvoerig gemotiveerde mening van 6 augustus 1992 gaf de Commissie overeenkomstig artikel 9, lid 1, van richtlijn 83/189 te kennen, dat de omstreden verordening, die nog steeds in het stadium van ontwerp verkeerde, in strijd zou zijn met artikel 30 van het Verdrag indien zij werd aangenomen zonder rekening te houden met haar opmerkingen. In haar brief wees de Commissie de Nederlandse regering erop, dat indien dit ontwerp voor een technisch voorschrift werd goedgekeurd zonder dat rekening werd gehouden met haar bezwaren, zij deze gemotiveerde mening als een ingebrekestelling in de zin van artikel 169 van het Verdrag zou beschouwen en het door de Nederlandse regering op grond van artikel 9, lid 1, van richtlijn 83/189 gegeven antwoord zou gelijkstellen met de in deze bepaling van het Verdrag bedoelde opmerkingen.
10 Op 17 mei 1993 deed de Nederlandse minister van Landbouw de Commissie de definitieve tekst van de omstreden verordening toekomen. Deze was zonder enige wijziging ten opzichte van het bij de Commissie aangemelde ontwerp vastgesteld.
11 Bij brief van 13 juli 1993 deelde de permanente vertegenwoordiger van Nederland bij de Europese Unie de Commissie mee, dat het Productschap het besluit van 1991 per 1 januari 1993 had ingetrokken, en stelde hij, dat de grond voor de ingebrekestelling van 18 mei 1993 derhalve was komen te vervallen.
12 Aangaande de omstreden verordening stelde de permanente vertegenwoordiger van Nederland bij de Europese Unie, dat in het kader van de overeenkomstig richtlijn 83/189 verrichte notificaties op 24 november 1992 naar aanleiding van de uitvoerig gemotiveerde mening van de Commissie van 6 augustus 1992 een bespreking had plaatsgevonden tussen de Nederlandse autoriteiten en vertegenwoordigers van DG VI en de juridische dienst van de Commissie. Daarbij zou de Commissie hebben aangegeven, dat de bepalingen van de omstreden verordening haar bij nader inzien niet disproportioneel leken tegen de achtergrond van artikel 36 van het Verdrag. Zij zou te kennen hebben gegeven, dat zij geen beletsel meer zag voor de vaststelling van de ontwerpverordening, zoals die aan haar was meegedeeld.
13 Op 20 oktober 1994 deed de Commissie het Koninkrijk der Nederlanden een met redenen omkleed advies toekomen, waarin zij constateerde dat de omstreden verordening was vastgesteld zonder rekening te houden met de in haar uitvoerig gemotiveerde mening van 6 augustus 1992 geformuleerde bezwaren. Wat de bespreking van 24 november 1992 betreft, waren de vertegenwoordigers van de Commissie, voor zover haar bekend, er niet mee akkoord gegaan, dat de omstreden verordening verantwoord was gezien het bepaalde in de artikelen 30 tot en met 36 van het Verdrag. De Commissie kwam derhalve tot de slotsom, dat hoewel zij betreurde dat er eventueel een misverstand was ontstaan bij de Nederlandse autoriteiten, zij zich genoodzaakt zag, het in die uitvoerig gemotiveerde mening naar voren gebrachte standpunt te handhaven.
Het standpunt van partijen over de ontvankelijkheid van het beroep
14 Partijen zijn het er niet over eens, of de uitvoerig gemotiveerde mening die de Commissie op 6 augustus 1992 op grond van artikel 9, lid 1, van richtlijn 83/189 te kennen heeft gegeven, als een regelmatige ingebrekestelling in de zin van artikel 169 van het Verdrag is aan te merken.
15 Volgens de Nederlandse regering kan een uitvoerig gemotiveerde mening in de zin van artikel 9, lid 1, van richtlijn 83/189 niet worden aangemerkt als een ingebrekestelling die voldoet aan de vereisten van artikel 169 van het Verdrag, wanneer zij slechts een ontwerpregeling betreft en niet te kennen is gegeven in een situatie waarin een lidstaat reeds een krachtens het Verdrag op hem rustende verplichting niet is nagekomen.
16 De Commissie stelt, dat niets in artikel 169 van het Verdrag zich ertegen verzet, dat de uitvoerig gemotiveerde mening bedoeld in artikel 9, lid 1, van richtlijn 83/189 als een ingebrekestelling fungeert. Nergens is voorgeschreven, dat een ingebrekestelling in de zin van artikel 169 van het Verdrag een bepaalde vorm moet hebben. Volgens laatstgenoemd artikel moet de betrokken lidstaat enkel in de gelegenheid zijn gesteld zijn opmerkingen te maken, hetgeen bij de brief van 6 augustus 1992 is gebeurd. Daarin zou namelijk het voorwerp van het geschil zijn afgebakend en zouden aan de Nederlandse autoriteiten de gegevens zijn verschaft, die deze nodig hadden om hun opmerkingen te formuleren en hun verweer voor te bereiden.
Beoordeling door het Hof
17 Uit het oogmerk van de precontentieuze fase van de niet-nakomingsprocedure volgt, dat de schriftelijke ingebrekestelling tot doel heeft, het voorwerp van het geschil af te bakenen en aan de lidstaat die om opmerkingen wordt verzocht, de gegevens te verschaffen die hij nodig heeft om zijn verweer voor te bereiden (arrest van 17 september 1996, Commissie/Italië, C-289/94, Jurispr. blz. I-4405, punt 15) en hem in staat te stellen hieraan gevolg te geven voordat beroep bij het Hof wordt ingesteld (arrest van 9 november 1999, Commissie/Italië, C-365/97, Jurispr. blz. I-7773, punten 23 en 24).
18 Voorts moet een verzuim van een op de betrokken lidstaat rustende verplichting worden gesteld alvorens een schriftelijke ingebrekestelling kan worden verzonden.
19 Vaststaat, dat toen krachtens richtlijn 83/189 een uitvoerig gemotiveerde mening te kennen werd gegeven, de lidstaat tot dewelke deze gemotiveerde mening was gericht, zich niet schuldig kon hebben gemaakt aan een schending van het gemeenschapsrecht, daar de betrokken handeling slechts een ontwerp was.
20 De tegenovergestelde opvatting zou tot gevolg hebben, dat de uitvoerig gemotiveerde mening een voorwaardelijke ingebrekestelling vormt, waarvan het bestaan afhankelijk is van het gevolg dat de betrokken lidstaat aan deze mening geeft. De eisen van rechtszekerheid, die besloten liggen in elke procedure die op een rechtsgeding kan uitlopen, verzetten zich tegen een dergelijke onzekerheid.
21 Gelet op een en ander dient het door de Commissie ingestelde beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 92, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering niet-ontvankelijk te worden verklaard wegens het ontbreken van een ingebrekestelling die aan de eisen van artikel 169 voldoet.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
22 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van het Koninkrijk der Nederlanden in de kosten te worden verwezen. De Franse Republiek zal overeenkomstig artikel 69, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering haar eigen kosten dragen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) De Commissie van de Europese Gemeenschappen wordt in de kosten verwezen.
3) De Franse Republiek zal haar eigen kosten dragen.
Full & Egal Universal Law Academy