Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Rekenkamer - Geldelijke regeling van leden - Pensioenen - Verordening nr. 840/95 houdende wijziging van regeling - Geen gevolgen voor bij inwerkingtreding reeds bereikte pensioenen - Begrip "reeds bereikte pensioenen"
(Verordeningen van de Raad nr. 2290/77, art. 9, en nr. 840/95, art. 2)
2 Rekenkamer - Geldelijke regeling van leden - Pensioenen - Verhoging van pensioenen in geval van verhoging van basissalaris - Beslissingsbevoegdheid van Raad - Omvang - Verplichting genomen beslissing te rechtvaardigen - Draagwijdte
(Verordening nr. 2290/77 van de Raad, art. 18)
3 Rekenkamer - Geldelijke regeling van leden - Pensioenen - Verordening nr. 840/95 houdende wijziging van regeling - Verschillende pensioenberekening naargelang ambt wordt neergelegd vóór of na inwerkingtreding van verordening - Gelijkheidsbeginsel - Schending
(Verordeningen van de Raad nr. 2290/77 en nr. 840/95)
Samenvatting
1 Artikel 2 van verordening nr. 840/95, tot wijziging van verordening nr. 2290/77 tot vaststelling van de geldelijke regeling van de leden van de Rekenkamer, bepaalt dat de verordening zonder gevolgen blijft voor pensioenen die op de dag van de inwerkingtreding ervan reeds zijn bereikt. Wat het begrip "reeds bereikte pensioenen" betreft, volgt uit de tekst van verordening nr. 2290/77, en met name uit artikel 9, leden 1 en 2 daarvan, dat het recht op pensioen ontstaat, en dat het pensioen dus wordt bereikt, op de dag van de ambtsnederlegging van het lid van de Rekenkamer, ongeacht de - latere of daarmee samenvallende - datum vanaf welke hij in het genot komt van het pensioenrecht.
2 Artikel 18 van verordening nr. 2290/77 tot vaststelling van de geldelijke regeling van de leden van de Rekenkamer bepaalt, dat de Raad, wanneer hij tot verhoging van het basissalaris besluit, tegelijkertijd een besluit neemt omtrent een passende verhoging der reeds verworven pensioenen. Hieruit volgt, dat de Raad enkel verplicht is de opportuniteit van een dergelijke verhoging te onderzoeken, zonder dat hem in het algemeen de verplichting wordt opgelegd tot een verhoging te besluiten. Doch dit verplichte onderzoek van de opportuniteit van een verhoging moet wel een bepaalde richting volgen, zodat gewoonlijk de passende verhoging van de reeds verworven pensioenen gelijk is aan de verhoging van het basissalaris.
De Raad is weliswaar niet gehouden het passende karakter van een verhoging van de reeds verworven pensioenen apart te rechtvaardigen indien deze gelijk is aan die van het basissalaris, maar de zaak ligt anders in de uitzonderlijke gevallen waarin de verhoging van de pensioenen veel geringer is dan die van het basissalaris, en geheel anders in het hoogst uitzonderlijke geval dat de Raad besluit dat het passend is om de reeds verworven pensioenen helemaal niet te verhogen.
3 Er is sprake van een schending van het beginsel van gelijkheid van behandeling door verordening nr. 840/95, tot wijziging van verordening nr. 2290/77 tot vaststelling van de geldelijke regeling van de leden van de Rekenkamer, welke wijzigingsverordening is vastgesteld om rekening te houden met het feit dat de Rekenkamer op 1 november 1993 een gemeenschapsinstelling is geworden, nu zij in de pensioenregeling voor voormalige leden die hun werkzaamheden hebben beëindigd na die datum, een verschil invoert naargelang zij hun ambt hebben neergelegd en dus recht op pensioen hebben verworven vóór of na de datum waarop de verordening van toepassing werd (1 mei 1995). Vanuit het oogpunt van de redenen voor de wijzigingsverordening, bevinden deze leden zich in een vergelijkbare situatie, doch zij worden zonder objectieve rechtvaardiging verschillend behandeld.
Partijen
In zaak T-121/97,
R. Ryan, voormalig lid van de Rekenkamer, wonende te Dublin, vertegenwoordigd door G. Vandersanden, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbend te Luxemburg bij fiduciaire Myson SARL, Rue de Cessange 30,
verzoeker,
tegen
Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J.-M. Stenier, J. Inghelram en P. Giusta, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbend te Luxemburg bij de zetel van de Rekenkamer, Rue Alcide de Gasperi 12, Kirchberg,
verweerster,
ondersteund door
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J.-P. Jacqué en T. Blanchet, leden van zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbend te Luxemburg bij A. Morbilli, directeur-generaal van de directie juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
interveniënt,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Rekenkamer van 20 februari 1997 tot vaststelling van verzoekers pensioen met ingang van 1 maart 1997,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J. Azizi, kamerpresident, R. García-Valdecasas en M. Jaeger, rechters,
griffier: B. Pastor, hoofdadministrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 12 mei 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
Wettelijk kader
1 Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 2290/77 van de Raad van 18 oktober 1977 tot vaststelling van de geldelijke regeling van de leden van de Rekenkamer (PB L 268, blz. 1; hierna: "verordening nr. 2290/77") bepaalt in artikel 9, lid 1: "Na de ambtsnederlegging hebben de leden van de Rekenkamer recht op ouderdomspensioen, ingaande op de dag waarop zij de 65-jarige leeftijd bereiken".
2 Artikel 10, eerste alinea, van verordening nr. 2290/77 bepaalt, dat het pensioen van de leden van de Rekenkamer voor elk geheel ambtsjaar 4,5 % van het laatstgenoten basissalaris bedraagt en voor elke gehele maand één twaalfde van dat bedrag, en dat het ten hoogste 70 % bedraagt van het laatstgenoten basissalaris.
3 Op grond van artikel 2 van verordening nr. 2290/77 is het basismaandsalaris van de leden van de Rekenkamer gelijk aan het bedrag dat wordt verkregen door toepassing van een percentage van 108 % op het basissalaris van een ambtenaar van de Europese Gemeenschappen in de laatste salaristrap van de rang A 1 voor de voorzitter, en van een percentage van 104 % voor de overige leden.
4 Artikel 18 van verordening nr. 2290/77 bepaalt:
"Besluit de Raad tot verhoging van het basissalaris, dan neemt hij tegelijkertijd een besluit omtrent een passende verhoging der reeds verworven pensioenen."
5 Artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2290/77 bepaalt, dat een voormalig lid van de Rekenkamer met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin hij zijn ambt heeft neergelegd en gedurende drie jaar een maandelijkse overbruggingstoelage ontvangt waarvan de hoogte, afhankelijk van de duur van zijn ambtsperiode, varieert van 35 % tot 60 % van het basissalaris dat hij ontving op het moment waarop hij zijn ambt neerlegde.
6 Artikel G, punt 6, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna: "VEU"), dat op 1 november 1993 in werking is getreden, verleent de Rekenkamer de status van gemeenschapsinstelling.
7 Op 10 april 1995 heeft de Raad verordening (EG, Euratom, EGKS) nr. 840/95 vastgesteld, houdende wijziging van verordening nr. 2290/77 (PB L 85, blz. 10; hierna: "verordening nr. 840/95"). In de tweede overweging van deze verordening heet het, dat ingevolge de inwerkingtreding van het VEU, de Rekenkamer een instelling van de Europese Gemeenschappen is geworden, zodat het wenselijk lijkt de bepalingen van verordening nr. 2290/70 te wijzigen. Verordening nr. 840/95, die op 20 april 1995 in werking is getreden, was ingevolge artikel 3, tweede alinea, van toepassing met ingang van 1 mei 1995.
8 Verordening nr. 840/95 wijzigt artikel 2 van verordening nr. 2290/77 en brengt het maandsalaris van de voorzitter van de Rekenkamer van 108 % op 115 % van het basissalaris van een ambtenaar van de Europese Gemeenschappen in de laatste salaristrap van de rang A 1, en dat van de andere leden van 104 % op 108 % van dat bedrag.
9 Zij wijzigt eveneens artikel 8 van verordening nr. 2290/77 en brengt de maandelijkse overbruggingstoelage voor een voormalig lid van de Rekenkamer op een bedrag dat, afhankelijk van de duur van de ambtsperiode, varieert van 40 % tot 65 % van het basissalaris dat hij ontving op het moment waarop hij zijn ambt neerlegde.
10 Artikel 2 bepaalt:
"Deze verordening is niet van toepassing op pensioenen die op de dag van haar inwerkingtreding reeds zijn bereikt."
De feiten
11 Verzoeker was van 18 mei 1986 tot 9 februari 1994 lid van de Rekenkamer.
12 Met ingang van laatstgenoemde datum ontving hij op grond van artikel 8 van verordening nr. 2290/77 gedurende drie jaar te rekenen vanaf zijn ambtsnederlegging, dat wil zeggen tot februari 1997, een maandelijkse overbruggingstoelage.
13 Daar hij met ingang van 1 maart 1997 pensioengerechtigd was, ontving hij voor het eerst als bijlage bij een schrijven van de secretaris-generaal van de Rekenkamer van 20 februari 1997 de berekening van zijn nettopensioen.
14 Bij die gelegenheid stelde hij vast, dat zijn pensioen was berekend uitgaande van een basismaandsalaris dat was vastgesteld aan de hand van het oude artikel 2 van verordening nr. 2290/77, en dus gelijk was aan het bedrag dat wordt verkregen door toepassing van een percentage van 104 % op het basissalaris van een ambtenaar van de Europese Gemeenschappen in de laatste salaristrap van de rang A 1.
Procesverloop en conclusies van partijen
15 Tegen deze achtergrond heeft verzoeker op grond van artikel 173, vierde alinea, EG-Verdrag bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 16 april 1997, het onderhavige beroep ingesteld.
16 Bij een op 29 juli 1997 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft de Raad verzocht om toelating tot interventie aan verweersters zijde. Bij een op 12 september 1997 ter griffie van het Gerecht neergelegd schrijven heeft verzoeker verzocht om bepaalde documenten die in bijlage bij het verweerschrift van de Rekenkamer waren gevoegd, ten aanzien van de Raad als vertrouwelijk te behandelen.
17 Bij beschikking van 20 november 1997 heeft de president van de Vijfde kamer van het Gerecht het verzoek om toelating tot interventie ingewilligd en het verzoek om vertrouwelijke behandeling afgewezen.
18 Het Gerecht (Vijfde kamer) heeft, op rapport van de rechter-rapporteur besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan.
19 Partijen zijn ter terechtzitting van 12 mei 1998 gehoord in hun pleidooien en hebben de mondelinge vragen van het Gerecht beantwoord.
20 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage
- het besluit van de Rekenkamer van 20 februari 1997 tot vaststelling van zijn pensioen met ingang van 1 maart 1997, nietig te verklaren;
- verweerster te verwijzen in de kosten.
21 Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage: - het beroep te verwerpen;
- over de kosten te beslissen naar recht.
22 Interveniënt ondersteunt verweersters conclusies.
Ten gronde
23 Tot staving van zijn beroep voert verzoeker in wezen twee middelen aan: onjuiste uitlegging door verweerster van artikel 2 van verordening nr. 840/95, en onwettigheid van verordening nr. 840/95.
Onjuiste uitlegging van artikel 2 van verordening nr. 840/95
Argumenten van partijen
24 Verzoeker vraagt zich af wat moet worden verstaan onder reeds verworven pensioenen ("pensions acquises") als bedoeld in artikel 18 van verordening nr. 2290/77 en artikel 2 van verordening nr. 840/95.(1) Deze uitdrukking is dubbelzinnig en staat open voor verschillende uitleggingen. Volgens hem worden hiermee de pensioenen aangeduid die daadwerkelijk zijn vereffend, dat wil zeggen, die worden betaald. Verzoeker leidt hieruit af, dat verordening nr. 840/95 niet op zijn geval van toepassing is omdat pas in maart 1997, dus na de inwerkingtreding van die verordening, met de daadwerkelijke betaling van het hem toegekende pensioen is begonnen. Zou de uitdrukking "reeds verworven pensioenen" anders moeten worden omschreven, dan zijn er verschillende mogelijkheden. Het pensioen kan verworven zijn hetzij met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op de ambtsnederlegging, hetzij direct na afloop van de periode van drie jaar gedurende welke de voormalige voorzitter of het voormalige lid van de Rekenkamer een maandelijkse overbruggingstoelage ontvangt. Ook wijst verzoeker erop, dat in de Engelse versie van artikel 18 van verordening nr. 2290/77 en van artikel 2 van verordening nr. 840/95 niet dezelfde term is gebruikt. Eerstgenoemd artikel spreekt van "existing pensions". Dit zou kunnen betekenen bestaande, dat wil zeggen daadwerkelijk betaalde pensioenen. Artikel 2 spreekt van "acquired pensions"; dit komt overeen met de Franse uitdrukking - die in beide verordeningen identiek is - en is even dubbelzinnig.
25 Verzoeker concludeert hieruit, dat aan de uitdrukking "reeds verworven pensioenen" vanwege haar onnauwkeurigheid die definitie moet worden gegeven die voor hem het gunstigst is, te weten die waarbij pensioenen pas worden verworven op het moment waarop zij worden vastgesteld. Aangezien verzoekers pensioen niet was vastgesteld, in de zin van betaald, vóór de datum waarop verordening nr. 840/95 van kracht werd (1 mei 1995), werd zijn geval niet door artikel 2 van die verordening beheerst.
26 Volgens verzoeker is het logisch en in overeenstemming met de geldelijke regeling die bij verordening nr. 2290/77 is ingevoerd, om voor de periode na de ambtsnederlegging van een voorzitter of een lid van de Rekenkamer aan te nemen, dat een pensioen pas verworven is wanneer aan twee voorwaarden is voldaan. In de eerste plaats moet de betrokkene zijn ambt bij de Rekenkamer hebben neergelegd, en in de tweede plaats moet hij daadwerkelijk zijn pensioen ontvangen, ongeacht of hij een vervroegd pensioen vanaf 60 jaar heeft aangevraagd, of de normale pensioengerechtigde leeftijd (65 jaar) heeft bereikt, dan wel tijdens de periode van 3 jaar tijdens welke hij de overbruggingstoelage ontvangt, de leeftijd van 65 jaar heeft overschreden. Dit laatste heeft zich in verzoekers geval voorgedaan.
27 Verzoeker concludeert hieruit, dat artikel 2 van verordening nr. 840/95 niet op zijn situatie van toepassing is.
28 Volgens verweerster volgt uit de tekst van artikel 9 van verordening nr. 2290/77, dat het recht op pensioen ontstaat en dat het pensioen wordt verworven op het moment van de ambtsnederlegging. De opvatting dat het pensioen pas wordt verworven op het moment dat het voor het eerst wordt uitbetaald, strookt niet met de letter van artikel 9 van verordening nr. 2290/77, en leidt bovendien tot gevolgen die indruisen tegen de logica. Verweerster voegt hieraan toe, dat op het moment van de ambtsnederlegging het recht op pensioen vaststaat en de hoogte van het pensioen kan worden vastgesteld, en dat enkel de datum van de eerste betaling nog door de pensioengerechtigde moet worden gekozen.
29 Interveniënt heeft geen opmerkingen gemaakt over het eerste middel.
Beoordeling door het Gerecht
30 Verzoeker stelt in wezen, dat het begrip "reeds bereikte pensioenen" ("pensions acquises") in artikel 2 van verordening nr. 840/95 in de voor hem meest gunstige zin moet worden uitgelegd. Vanaf 1 maart 1997 wordt het pensioen hem uitgekeerd. Hij had er dus belang bij, dat zijn pensioen pas werd bereikt ("acquise") in de zin van artikel 2 van verordening nr. 840/95 na de datum waarop die verordening van toepassing werd, dat wil zeggen na 1 mei 1995. Hij stelt daarom voor om onder "reeds bereikte pensioenen" te verstaan pensioenen die daadwerkelijk worden betaald.
31 De door verzoeker voorgestane uitlegging is onverenigbaar met de tekst van verordening nr. 2290/77, waaruit blijkt, dat het recht op pensioen ontstaat en het pensioen bijgevolg wordt verworven op de dag van de ambtsnederlegging.
32 In de eerste plaatst bepaalt artikel 9, lid 1, van die verordening namelijk, dat de leden van de Rekenkamer na hun ambtsnederlegging recht hebben op een ouderdomspensioen, ingaande op de dag waarop zij de 65-jarige leeftijd bereiken. Ingevolge lid 2 van dat artikel kunnen de leden echter verlangen om van de 60-jarige leeftijd af in het genot van dit pensioen te worden gesteld. De verordening maakt bijgevolg onderscheid tussen het moment waarop het recht op pensioen ontstaat - de dag van de ambtsnederlegging - en de latere of daarmee samenvallende datum vanaf welke het voormalige lid in het genot komt van dat recht, dat wil zeggen de dag waarop hij de 60- of 65-jarige leeftijd bereikt.
33 In de tweede plaats wordt de hoogte van het pensioen ingevolge artikel 10 van verordening nr. 2290/77 berekend aan de hand van het laatstgenoten basissalaris. Het recht op een basissalaris eindigt ingevolge artikel 1 van de verordening met de ambtsnederlegging. Het laatstgenoten basissalaris - het criterium voor de bepaling van het recht op pensioen - is dus één feit, waarvan het tijdstip vastligt, en dat samenvalt met de ambtsnederlegging.
34 Zoals verweerster terecht heeft opgemerkt, druisen de gevolgen van de door verzoeker voorgestane uitlegging bovendien in tegen de logica. Het verschuldigde pensioen wordt namelijk op grond van artikel 10 van verordening nr. 2290/77 berekend aan de hand van het laatstgenoten salaris. Zou het "verworven pensioen" in de zin van artikel 18 van verordening nr. 2290/77 en artikel 2 van verordening nr. 840/95 pas worden vastgesteld op het moment van de betaling en op grond van het basissalaris dat op die datum geldt, dan zou het salaris dat als grondslag dient voor de berekening van het pensioenbedrag, in strijd met artikel 10 van verordening nr. 2290/77 niet langer het laatstgenoten basissalaris zijn.
35 De door verzoeker voorgestelde uitlegging kan bijgevolg niet worden aanvaard.
36 Wat betreft verzoekers argument over het bestaan van een verschil tussen de Engelse versie van artikel 18 van verordening nr. 2290/77 ("existing pensions") en artikel 2 van verordening nr. 840/95 ("acquired pensions"), kan worden volstaan met te verwijzen naar de vaste rechtspraak volgens welke de gemeenschapsbepalingen uniform moeten worden uitgelegd en toegepast in het licht van de tekst in de andere talen van de Gemeenschap (arrest Hof van 17 juli 1997, Ferriere Nord/Commissie, C-219/95 P, Jurispr. blz. I-4411, punt 15). De betrokken bepaling moet, gelet op de noodzaak van een eenvormige uitlegging van deze versies, indien daartussen verschillen bestaan, worden uitgelegd met inachtneming van de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt (arrest Hof van 24 oktober 1996, Kraaijeveld e.a., C-72/95, Jurispr. blz. I-5403, punt 28). Voorts lijken de twee uitdrukkingen als synoniemen te kunnen worden beschouwd, aangezien een recht op pensioen dat is verworven, noodzakelijkerwijs bestaat, en een pensioen kan bestaan zonder te worden uitgekeerd. Zou daarentegen de uitdrukking "existing pensions" in de Engelse versie van artikel 18 van verordening nr. 2290/77 moeten worden vertaald als uitgekeerde pensioenen in plaats van verworven pensioenen, dan zou zij wezenlijk afwijken van de andere taalversies, die eveneens authentiek zijn. Artikel 18 van verordening nr. 2290/77 kan op grond van dit taalkundige verschil dus niet in die zin worden uitgelegd, dat het niet slaat op verworven maar op uitgekeerde pensioenen.
37 Het middel betreffende onjuiste uitlegging van artikel 2 van verordening nr. 840/95 moet dus worden verworpen.
Onwettigheid van verordening nr. 840/95
38 Het middel betreffende onwettigheid van verordening nr. 840/95 bestaat uit drie onderdelen, ontleend aan respectievelijk schending van artikel 18 van verordening nr. 2290/77, schending van het discriminatieverbod, en schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen.
Eerste onderdeel: schending van artikel 18 van verordening nr. 2290/77
- Argumenten van partijen
39 Volgens verzoeker is artikel 2 van verordening nr. 840/95 onverenigbaar met artikel 18 van verordening nr. 2290/77. Uit de formulering van laatstgenoemd artikel volgt, dat de Raad tegelijkertijd met de verhoging van het basissalaris een besluit moet nemen houdende een passende verhoging van de reeds verworven pensioenen. De Raad heeft in dit verband een zekere beleidsvrijheid ten aanzien van de omvang van de verhoging. Hij zou evenwel handelen in strijd met dit artikel indien hij in geval van verhoging van het basissalaris naliet een besluit te nemen tot verhoging van de reeds verworven pensioenen. Verordening nr. 840/95 miskent de letter en de geest van artikel 18 van verordening nr. 2290/77 alsmede de omstandigheid dat pensioenen in het algemeen worden beschouwd als een voortzetting van het salaris.
40 Verzoeker constateert, dat verordening nr. 840/95 in artikel 1 het basissalaris en de maandelijkse overbruggingstoelage van de voorzitter en de leden van de Rekenkamer verhoogt. Deze verhoging zou uitsluitend zijn ingegeven door de inwerkingtreding van het VEU, dat de Rekenkamer de status van gemeenschapsinstelling verleent. Artikel 2 van die verordening daarentegen bepaalt uitdrukkelijk, dat er geen verhoging van de reeds bereikte pensioenen zal plaatsvinden.
41 Verzoeker stelt in de eerste plaats, dat voor de niet-verhoging van de reeds verworven pensioenen in verordening nr. 840/95 geen specifieke motivering is gegeven. In de tweede plaats is de motivering voor de verhoging van het basissalaris en de overbruggingstoelage zuiver formeel, en kan zij op zich geen rechtvaardiging vormen voor de niet-verhoging van de reeds verworven pensioenen. De verhoging van het basissalaris en de overbruggingstoelage zonder gelijktijdige verhoging van de reeds verworven pensioenen gaan in tegen de eertijds gevolgde vaste praktijk van de Raad, is in strijd met artikel 18 van verordening nr. 2290/77, en is dus niet naar behoren met redenen omkleed.
42 Bovendien komt de datum van inwerkingtreding van verordening nr. 840/95 niet overeen met die waarop de Rekenkamer de status heeft gekregen van instelling in de zin van artikel 4 van het Verdrag, zoals gewijzigd bij artikel G, punt 6, van het VEU. Het VEU is namelijk in werking getreden op 1 november 1993, dus op een datum waarop verzoeker nog in functie was. De motivering die wordt aangevoerd ter rechtvaardiging van de verhoging van de salarissen en de overbruggingstoelagen van de voorzitters en leden van de Rekenkamer, zou dus eveneens moeten gelden voor verzoeker, en zou dus a fortiori tot uiting moeten komen in een verhoging van zijn pensioenrechten. De motivering van verordening nr. 840/95 en haar gevolgen voor verzoekers situatie zijn dus duidelijk met elkaar in tegenspraak.
43 Verzoeker concludeert hieruit, dat artikel 2 van verordening nr. 840/95 onwettig is wegens strijd met artikel 18 van verordening nr. 2290/77.
44 Verweerster erkent, dat de Raad ingevolge artikel 18 van verordening nr. 2290/77 gehouden was om bij de wijziging van die verordening door verordening nr. 840/95 een besluit te nemen tot verhoging van de reeds verworven pensioenen. Volgens haar heeft de Raad aan deze verplichting voldaan door in artikel 2 van verordening nr. 840/95 te bepalen dat de passende verhoging van de reeds verworven pensioenen gelijk was aan nul. Artikel 2 van verordening nr. 840/95 voldoet aan de eisen van artikel 18 van verordening nr. 2290/77. In de eerste plaats is artikel 2 van verordening nr. 840/95 namelijk gelijktijdig vastgesteld met het besluit tot verhoging van de salarissen, neergelegd in artikel 1 van die verordening. In de tweede plaats verlangt artikel 18 van verordening nr. 2290/77 een besluit omtrent een passende verhoging, dat wil zeggen een besluit over de vraag of tot een passende verhoging dient te worden overgegaan. Het verplicht dus niet noodzakelijkerwijs om tot een verhoging te beslissen. In de derde plaats verplicht artikel 18 van verordening nr. 2290/77 de Raad om te beslissen over een "passende verhoging", dat wil zeggen een verhoging die in overeenstemming is met de concrete omstandigheden die zijn besluit tot salarisverhoging rechtvaardigen. In casu heeft de Raad beslist, dat de verhoging van de reeds bereikte pensioenen, die zijns inziens in overeenstemming was met de concrete omstandigheden en de redenen voor de salarisverhoging, nihil was.
45 Volgens verweerster is artikel 2 van verordening nr. 840/95 juist en voldoende gemotiveerd. Deze motivering volgt in hoofdzaak uit het feit, dat artikel 2 een rechtstreekse toepassing vormt van de basisbepaling (artikel 18 van verordening nr. 2290/77). Voorts volgt zij indirect uit de motivering voor de verhoging van de salarissen, waartoe in artikel 1 van verordening nr. 840/95 is besloten, en die het gevolg is van de omstandigheid dat de Rekenkamer de status van instelling heeft gekregen. Verweerster brengt in dit verband de vaste rechtspraak in herinnering, volgens welke in de motivering van een verordening kan worden volstaan met de vermelding van het geheel der omstandigheden welke tot haar uitvaardiging hebben geleid en van haar algemene doelstellingen (arresten Hof van 13 maart 1968, Beus, 5/67, Jurispr. blz. 118, op blz. 135, en 20 juni 1973, Koninklijke Lassiefabrieken, 80/72, Jurispr. blz. 635).
46 Interveniënt wijst erop, dat de situatie die heeft geleid tot het besluit om de salarissen van de leden van de Rekenkamer te verhogen, bijzonder en uitzonderlijk was. Zowel voor de Rekenkamer zelf als voor de Raad ging het erom rekening houden met het feit, dat de Rekenkamer de status van gemeenschapsinstelling had gekregen. Het ging dus niet om een verhoging als die welke gewoonlijk plaatsvinden vanwege bijvoorbeeld de verhoging van een index of een vergelijkbare omstandigheid. Dergelijke verhogingen vinden overigens in het geval van de leden van de instelling automatisch plaats als gevolg van de verhoging van de berekeningsgrondslag van hun vergoedingen, dat wil zeggen het salaris van een ambtenaar in de laatste salaristrap van de rang A 1.
47 Bezien tegen die achtergrond, is het volstrekt logisch dat die verhoging enkel ex nunc werkt en niet van toepassing is op reeds verworven pensioenen. Die pensioenen vormen de voortzetting van het salaris, in die zin dat zij gebaseerd zijn op het laatstgenoten salaris. Voor leden die hun ambt hadden neergelegd voordat verordening nr. 840/95 op hen van toepassing werd, was dit salaris gelijk aan 104 % en niet 108 % van het salaris van een ambtenaar in de laatste salaristrap van de rang A 1.
48 Interveniënt meent dat hij de in artikel 18 van verordening nr. 2290/77 neergelegde verplichting om een besluit te nemen omtrent de reeds verworven pensioenen, volledig is nagekomen. Dit besluit is genomen in de vorm van artikel 2 van de gewraakte verordening. Er zou dus geen sprake zijn van schending van artikel 18 van verordening nr. 2290/77.
49 Interveniënt verwerpt verzoekers argument, dat de motivering ontleend aan het feit dat de Rekenkamer een gemeenschapsinstelling was geworden, zuiver formeel was en op zich geen schending van artikel 18 van verordening nr. 2290/77 kon rechtvaardigen, aangezien het geen objectief criterium betrof en er geen enkel verband was tussen het feit dat de Rekenkamer een instelling was geworden en de verhoging van de salarissen. Volgens hem blijkt immers duidelijk uit de ontstaansgeschiedenis van verordening nr. 840/95, dat de verwerving van de status van gemeenschapsinstelling door de Rekenkamer, een materiële reden was die op zich het besluit van de Raad tot verhoging van de salarissen en de overbruggingstoelagen van de leden van deze nieuwe instelling ten volle rechtvaardigde. Het was de bedoeling hiermee een zeker evenwicht te garanderen tussen de bezoldigingsniveaus van de leden van de verschillende instellingen.
50 Omdat de verwerving van de status van instelling de enige motivering was voor verordening nr. 840/95, was het bijgevolg nodig noch gerechtvaardigd om die verordening anders te motiveren dan met de tweede overweging van haar considerans. Uit deze nieuwe status vloeit voort, dat de verhoging niet geldt voor de verworven pensioenen. Voor dit aspect was dus geen aparte vermelding in de considerans nodig.
51 Interveniënt concludeert hieruit, dat in casu volledig is voldaan aan de in artikel 190 van het Verdrag neergelegde motiveringsplicht, en dat het eerste onderdeel van het tweede middel betreffende schending van verordening nr. 2290/77 door artikel 2 van verordening nr. 840/95, moet worden verworpen.
- Beoordeling door het Gerecht
52 Artikel 18 van verordening nr. 2290/77 geldt wanneer de Raad tot een verhoging van het basissalaris heeft besloten. Vaststaat, dat de Raad in artikel 1 van verordening nr. 840/77 het basissalaris van de voorzitter en de leden van de Rekenkamer heeft verhoogd.
53 Overigens is artikel 18 van verordening nr. 2290/77 bij verordening nr. 840/95 niet ingetrokken. Hieruit volgt, dat de Raad bij de vaststelling van verordening nr. 840/95 artikel 18 van verordening nr. 2290/77 in acht moest nemen.
54 Artikel 18 verplicht de Raad in de eerste plaats om tegelijkertijd met het besluit tot verhoging van het basissalaris een besluit te nemen omtrent de pensioenen. Met de vaststelling van artikel 2 van verordening nr. 840/95 heeft de Raad aan deze verplichting voldaan.
55 Artikel 18 verplicht de Raad in de tweede plaats om dit besluit een bepaald voorwerp te geven. Het moet gaan om een besluit "omtrent een passende verhoging der reeds verworven pensioenen".
56 Deze formulering leidt tot twee conclusies. In de eerste plaats bepaalt artikel 18 van verordening nr. 2290/77, dat de Raad "een besluit neemt omtrent een (...) verhoging", en niet een besluit tot verhoging. Daarmee verplicht het de Raad enkel tot een onderzoek van de opportuniteit van een dergelijke verhoging, en legt het hem niet in het algemeen de verplichting op om aan het eind van dat onderzoek tot een verhoging van de reeds verworven pensioenen te besluiten.
57 Dit verplichte onderzoek van de opportuniteit van een verhoging van de pensioenen moet echter wel een bepaalde richting volgen. Artikel 18 van verordening nr. 2290/77 verplicht de Raad immers om een besluit te nemen omtrent een "passende" verhoging van de pensioenen. Dit betekent enerzijds, dat de verhoging van de pensioenen, waarover het in dat besluit gaat, niet noodzakelijkerwijs gelijk behoeft te zijn aan die van het basissalaris. Het geeft de Raad dus een zekere beleidsvrijheid. Anderzijds drukt deze term echter ook uit, dat de Raad zich moet laten leiden door het streven om vast te stellen wat in concreto de "passende" verhoging van de reeds verworven pensioenen is.
58 Gewoonlijk is de passende verhoging van de reeds verworven pensioenen in geval van verhoging van het basissalaris gelijk aan laatstbedoelde verhoging. In uitzonderlijke gevallen kan het echter op grond van de omstandigheden passend en gerechtvaardigd zijn om de pensioenen minder of zelfs veel minder te verhogen dan het basissalaris. Zeer uitzonderlijk kan de passende verhoging van de reeds verworven pensioenen, gezien de volstrekt ongebruikelijke omstandigheden zelfs nihil zijn.
59 Bij zijn beoordeling van de vraag of een verhoging van de reeds verworven pensioenen passend is, beschikt de Raad over een discretionaire bevoegdheid. Deze is echter wel onderworpen aan de wettigheidstoetsing van het Gerecht. In het kader van die toetsing aan, onder meer, de algemene beginselen van gemeenschapsrecht, besteedt het Gerecht uiteraard veel aandacht aan de overwegingen van de verordening ter rechtvaardiging van het passend karakter van een verhoging van de reeds verworven pensioenen. De Raad is weliswaar niet gehouden het passende karakter van een verhoging van de reeds verworven pensioenen apart te rechtvaardigen indien deze gelijk is aan die van het basissalaris, maar de zaak ligt anders in de uitzonderlijke gevallen waarin de verhoging van de pensioenen veel geringer is dan die van het basissalaris, en geheel anders in het hoogst uitzonderlijke geval dat de Raad besluit dat het passend is om de reeds verworven pensioenen helemaal niet te verhogen. Nagegaan moet dus worden, of in casu artikel 2 van verordening nr. 840/95 aan bedoelde eisen voldoet, waar het bepaalt dat "deze verordening niet van toepassing is op pensioenen die op de dag van haar inwerkingtreding reeds zijn bereikt."
60 Verordening nr. 840/95 is gemotiveerd met de overweging, dat "ingevolge de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Rekenkamer een instelling van de Europese Gemeenschap is geworden, en dat het derhalve wenselijk lijkt de bepalingen van verordening (...) nr. 2290/77 betreffende de salarissen en overbruggingstoelagen bij ambtsnederlegging te wijzigen" (tweede overweging van de considerans van verordening nr. 840/95).
61 Verordening nr. 840/95 bevat evenwel geen enkele uitdrukkelijke specifieke overweging inzake het achterwege blijven van een verhoging van de reeds verworven pensioenen.
62 Volgens verweerster en interveniënt vormt de tweede overweging van de considerans van verordening nr. 840/95 echter impliciet een rechtvaardiging. Volgens hen ligt in de rechtvaardiging voor de verhoging van het basismaandsalaris en de overbruggingstoelage een impliciete maar toereikende rechtvaardiging besloten voor de niet-verhoging van de reeds verworven pensioenen. De gemeenschappelijke rechtvaardiging voor deze maatregelen is de omstandigheid dat de Rekenkamer voortaan een gemeenschapsinstelling is. In zekere zin leidt dit tot een revaluatie van het ambt van leden van de Rekenkamer. Hiertegenover staat, dat een dergelijke revaluatie niet dient plaats te vinden met betrekking tot de ambtsuitoefening vóór deze gebeurtenis. Aangezien de pensioenen beloningen zijn voor de ambtsuitoefening onder de oude regeling, behoren zij dus niet te worden verhoogd.
63 Hoewel deze overweging impliciet is, kan zij redelijkerwijs volstaan als rechtvaardiging voor de niet-verhoging van de pensioenen die waren verworven vóór de dag waarop de Rekenkamer een instelling is geworden, dat wil zeggen 1 november 1993. Van geen van de leden van de Rekenkamer die zijn ambt vóór de inwerkingtreding van het VEU heeft neergelegd, kan immers worden gezegd, dat hij lid van de Rekenkamer als gemeenschapsinstelling is geweest.
64 Vastgesteld moet echter worden, dat het in artikel 2 van verordening nr. 840/95 neergelegde besluit om de reeds verworven pensioenen niet te verhogen, niet ingaat op de datum van inwerkingtreding van het VEU (1 november 1993) maar op de datum waarop verordening nr. 840/95 van toepassing wordt (1 mei 1995). Zoals hiervoor is uiteengezet, wordt het recht op pensioen verworven op de dag waarop de betrokkene zijn ambt neerlegt. Hieruit volgt, dat aan leden van de Rekenkamer zoals verzoeker, die na 1 november 1993 hun ambt hebben uitgeoefend maar het vóór 1 mei 1995 hebben neergelegd en bij die gelegenheid recht op pensioen hebben verworven, een pensioenverhoging wordt ontzegd. De rechtvaardiging voor deze niet-verhoging, die uit de tweede overweging van verordening nr. 840/95 naar voren komt, te weten het feit dat de Rekenkamer een instelling is geworden, geldt niet voor hen omdat zij hun functie na dat feit hebben uitgeoefend. Deze rechtvaardiging geldt voor hen des te minder, nu het beslissende criterium voor de verlening van pensioenrechten de ambtsnederlegging is. Van die datum moet men dus uitgaan voor de beoordeling van wijzigingen van omstandigheden als bedoeld in de considerans van verordening nr. 840/95.
65 Verordening nr. 840/95 bevat dus geen enkele rechtvaardiging voor de niet-verhoging van de pensioenen die zijn verworven tussen 1 november 1993 (de datum waarop de Rekenkamer een gemeenschapsinstelling is geworden) en 1 mei 1995 (de dag waarop de verordening van toepassing werd). In strijd met artikel 18 van verordening nr. 2290/77 geeft zij dus niet aan waarom het passend is, dat leden van de Rekenkamer die hun ambt tussen die twee data hebben neergelegd, niet voor een verhoging van hun pensioen in aanmerking komen vanaf de inwerkingtreding van verordening nr. 840/95, die de basissalarissen van de zittende leden verhoogt.
66 Ter terechtzitting heeft interveniënt aangevoerd, dat de weigering om een lid als verzoeker voor een pensioenverhoging in aanmerking te laten komen, zijn rechtvaardiging vindt in het feit, dat de taken van de Rekenkamer door de toekenning van de status van gemeenschapsinstelling zijn uitgebreid, onder meer met de in het nieuwe artikel 188 C, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag neergelegde taak om aan het Europees Parlement en de Raad een verklaring voor te leggen waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de regelmatigheid en de wettigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd. Hiermee zijn haar leden met nieuwe taken en verantwoordelijkheden belast. Deze taken zijn volgens hem pas ten volle uitgeoefend na afloop van een volledig begrotingsjaar en de opstelling van de eerste desbetreffende betrouwbaarheidsverklaring. Een lid dat, zoals verzoeker, zijn ambt in februari 1994 heeft neergelegd, heeft dus niet echt aan de uitoefening van die nieuwe bevoegdheden kunnen deelnemen. De weigering om hem in aanmerking te laten komen voor de verhoging van het basissalaris voor de leden op grond van de nieuwe status van de Rekenkamer als instelling, zou dus objectief gerechtvaardigd zijn.
67 Het Gerecht is echter van oordeel, dat deze redenering, die overigens pas voor het eerst ter terechtzitting is voorgedragen in antwoord op een vraag van het Gerecht en waarvan de juistheid door verzoeker wordt betwist, in twee opzichten niet opgaat. In de eerste plaats legt artikel 18 van verordening nr. 2290/77 met het voorschrift om tegelijkertijd met het besluit tot verhoging van het basissalaris een besluit te nemen tot passende verhoging van de reeds verworven pensioenen, de Raad noodzakelijkerwijs de verplichting op om te onderzoeken of de verhoging van de reeds verworven pensioenen passend is, en daarmee de gegrondheid van de omvang van die passende verhoging te beoordelen voor hij dat besluit neemt. De rechtvaardiging die de Raad ter terechtzitting heeft aangevoerd, komt niet naar voren uit de considerans van verordening nr. 840/95 en ook niet uit enig ander document dat aan het Gerecht is overgelegd, zodat niet is aangetoond, dat de Raad zich daadwerkelijk door deze overweging heeft laten leiden bij zijn besluit om de tussen 1 november 1993 en 1 mei 1995 verworven pensioenen niet te verhogen. Anderzijds verklaart de aangevoerde rechtvaardiging niet waarom het besluit tot verhoging van de verworven pensioenen ingaat per 1 mei 1995 en niet, zoals uit deze rechtvaardiging voortvloeit, ofwel aan het eind van het eerste begrotingsjaar van de Rekenkamer nadat zij een gemeenschapsinstelling was geworden, dat wil zeggen op 31 december 1994, ofwel op de datum waarop de eerste betrouwbaarheidsverklaring over het begrotingsjaar 1994 is afgegeven, hetgeen volgens de verklaring van verweersters vertegenwoordiger ter terechtzitting, is gebeurd in november 1995. Hieraan zij toegevoegd, dat de hoogte van het pensioen wordt berekend op basis van niet alleen het aantal gehele ambtsjaren maar ingevolge artikel 10, eerste alinea, van verordening nr. 2290/77, ook van elke gehele maand die na het laatste gehele ambtsjaar is vervuld.
68 Het eerste onderdeel van het tweede middel, betreffende schending van artikel 18 van verordening nr. 2290/77 door artikel 2 van verordening nr. 840/95, is dus gegrond.
69 Het Gerecht acht het niettemin dienstig om ook het tweede onderdeel van dit middel te onderzoeken, betreffende schending van het discriminatieverbod.
Tweede onderdeel: schending van het discriminatieverbod
- Argumenten van partijen
70 Verzoeker merkt op, dat de datum waarop verordening nr. 840/95 van kracht is geworden (1 mei 1995), in die zin centraal staat, dat pensioenen die na die datum zijn verworven, van een verhoging profiteren, en vóór die datum verworven pensioenen niet. Dit verschil in behandeling berust niet op enig objectief criterium. De grond die de Raad aanvoert ter rechtvaardiging van deze differentiatie - het feit dat de Rekenkamer een gemeenschapsinstelling is geworden - is geen objectief criterium in verband met een verhoging van de maandelijkse basissalarissen en overbruggingstoelagen. Overigens is volgens hem artikel 18 van verordening nr. 2290/77 van toepassing, los van de oorzaak van de betrokken verhoging.
71 Verzoeker vraagt zich af waarom deze verhoging behalve voor de basissalarissen ook geldt voor de maandelijkse overbruggingstoelagen die bestonden op de datum waarop verordening nr. 840/95 van toepassing werd (1 mei 1995), maar niet voor de pensioenen. Dit verschil is in zijn geval frappant. Daar hij de Rekenkamer in februari 1994 had verlaten, twee maanden nadat deze een instelling van de Europese Gemeenschappen was geworden, ontving hij vanaf de inwerkingtreding van verordening nr. 840/95 een verhoging van de maandelijkse overbruggingstoelage die hij sinds maart 1994 genoot. Daarentegen kon zijn pensioen niet worden verhoogd omdat het bedrag daarvan was vastgesteld op grond van het laatstgenoten basissalaris, dat hij vóór de datum van de inwerkingtreding van verordening nr. 840/95 had ontvangen. Verzoeker concludeert hieruit, dat er geen enkel verband bestaat tussen de verkrijging door de Rekenkamer van de status van gemeenschapsinstelling en de berekening van de salarissen, overbruggingstoelagen en pensioenen.
72 Wat geldt voor de overbruggingstoelagen, die na de inwerkingtreding van verordening nr. 840/95 zijn verhoogd, moet volgens verzoeker ook gelden voor de pensioenen. Door zonder geldige objectieve reden de vaststelling van de overbruggingstoelagen en die van de pensioenen verschillend te behandelen, voert verordening nr. 840/95 een willekeurige discriminatie in. Als gevolg hiervan is artikel 2 van die verordening onwettig en kan het niet aan verzoeker worden tegengeworpen.
73 Volgens verzoeker schept de regeling die bij artikel 2 van verordening nr. 840/95 is ingevoerd, ook een niet te rechtvaardigen en onbillijk verschil in behandeling enerzijds ten opzichte van de voorzitter en de leden van de Rekenkamer die nog niet gepensioneerd zijn, en, anderzijds, tussen de gepensioneerden onderling, afhankelijk van de datum die in aanmerking wordt genomen voor de vaststelling van het moment waarop hun pensioen is verworven.
74 Het arrest van het Hof van 19 maart 1975, Gillet/Commissie (28/74, Jurispr. blz. 463) waarop verweerster zich beroept, is volgens verzoeker in casu niet relevant. Die zaak betrof namelijk een wijziging van een situatie voor de toekomst met de daaruit voortvloeiende consequenties op financieel terrein. Verordening nr. 840/95 voert daarentegen verschillende pensioenniveaus in voor identieke prestaties die in het verleden zijn verricht door de voorzitter of de leden van de Rekenkamer. De facto leidt dit tot de vaststelling van verschillende pensioenpercentages voor de periode van oktober 1977, het tijdstip waarop de Rekenkamer in het leven is geroepen, tot mei 1995. Als gevolg hiervan zou een lid van de Rekenkamer dat van oktober 1977 tot aan zijn pensionering in april 1995 zijn ambt heeft uitgeoefend, een lager pensioen ontvangen dan een collega die op hetzelfde moment is aangesteld - in oktober 1977 - maar die zijn pensioen een week later heeft verworven, in de loop van mei 1995. Verzoeker herhaalt, dat hij op 18 mei 1986 bij de Rekenkamer is aangesteld en dat hij zijn ambt heeft neergelegd op 9 februari 1994, kort nadat de Rekenkamer een gemeenschapsinstelling was geworden.
75 Verzoeker merkt voorts op, dat de Raad bij de vaststelling van verordening nr. 840/95 is afgeweken van zijn traditionele praktijk om aan de verhoging van de pensioenen dezelfde terugwerkende kracht te verlenen als aan de salarisverhogingen. Indien de verkrijging van de status van gemeenschapsinstelling de reden was voor deze verordening, gelijk de Raad stelt, dan had de aanpassing van de salarissen terugwerkende kracht moeten hebben tot december 1993, een datum waarop hij nog in dienst was. De datum 1 mei 1995 berust dus niet op een geldig objectief criterium om de personen aan te wijzen die recht hebben op een pensioenverhoging.
76 Anders dan de Rekenkamer, meent verzoeker voorts, dat de Raad de pensioenverhogingen niet van geval tot geval kan beoordelen. Artikel 18 van verordening nr. 2290/77 verlangt integendeel dat het besluit omtrent de, in het licht van de verhoging van de salarissen, passende verhoging van de pensioenen tegelijkertijd wordt genomen. De woorden "passend besluit" moeten niet worden begrepen als een besluit dat "van geval tot geval" wordt genomen, maar als een besluit dat in het licht van de salarisverhogingen gerechtvaardigd is.
77 Verweerster verwijst naar het in punt 74 (supra) genoemde arrest Gillet/Commissie, waarin het Hof, naar aanleiding van een verordening houdende afschaffing met ingang van een bepaalde datum van een voor ambtenaren gunstige maatregel, oordeelde, dat de ambtenaren die nog van die maatregel konden profiteren en zij die dat niet meer konden doen, niet ongelijk werden behandeld. Zij citeert in dat verband advocaat-generaal Mayras die in zijn conclusie in die zaak (blz. 476) opmerkte, dat geen enkele rechtsregel van hogere orde dan het Statuut de communautaire wetgever in die situatie verplichtte om aan ambtenaren die na de datum van de inwerkingtreding van de afschaffingsverordening waren aangesteld of bevorderd, dezelfde voordelen toe te kennen, en concludeert, dat de afwijkende behandeling van laatstbedoelde personeelsleden geen onwettige discriminatie is.
78 Verweerster leidt hieruit af, dat de datum waarop een nieuwe verordening in werking treedt, een objectief onderscheidingscriterium is om vast te stellen wie voor toepassing van die verordening in aanmerking komt. De rechtspraak van het Hof acht dit criterium in overeenstemming met het beginsel van gelijke behandeling en het discriminatieverbod. Het arrest brengt namelijk het beginsel in herinnering, dat een verschil in behandeling dat het gevolg is van de inwerkingtreding van een nieuwe bepaling op een bepaalde datum, geen onwettige discriminatie kan opleveren. Deze inwerkingtreding is een objectief gegeven dat zonder onderscheid op allen van toepassing is. Deze conclusie moet dus ook in casu gelden voor verordening nr. 840/95, die met ingang van 1 mei 1995 de pensioenen van de voormalige leden van de Rekenkamer handhaaft op een bepaald niveau, dat wordt berekend op basis van een bedrag dat gelijk is aan 104 % van het salaris van een ambtenaar in de laatste salaristrap van de rang A 1, terwijl de bezoldiging van zittende of toekomstige leden van de Rekenkamer gelijk is aan 108 % van het salaris van een die ambtenaar.
79 Volgens verweerster zou een tegenovergestelde oplossing elke betekenis ontnemen aan het beginsel, dat de gemeenschapsoverheid, in casu de Raad, in de statutaire voorschriften te allen tijde de wijzigingen mag aanbrengen die het in het belang van de dienst acht.
80 Verweerster zet uiteen, dat het door verzoeker gewraakte verschil in behandeling tussen de oplossingen waarvoor is gekozen ten aanzien van de overbruggingstoelage en van de pensioenen, zijn rechtvaardiging vindt in het beginsel dat uitzonderingsbepalingen eng moeten worden uitgelegd. Op grond van dat beginsel dient de specifieke afwijkende regeling van artikel 2 van verordening nr. 840/95 enkel te gelden voor de pensioenen terwijl voor de overbruggingstoelage, bij gebreke van een specifieke afwijkende bepaling, de algemene regeling van artikel 1 van die verordening geldt. Zou het Gerecht van oordeel zijn, dat de overbruggingstoelage op onregelmatige wijze is verhoogd, voegt verweerster hier subsidiair aan toe, dan is dit in geen geval een rechtvaardiging om ook de pensioenen te verhogen.
81 Volgens verweerster moet ook verzoekers stelling, dat artikel 2 van verordening nr. 840/95 een discriminatie invoert tussen gepensioneerden onderling, worden verworpen. Enkel indien artikel 18 van verordening nr. 2290/77 een automatische, voor allen gelijke verhoging van de pensioenen zou voorschrijven, zou hieruit een garantie voor een gelijk pensioen voor alle gepensioneerden voortvloeien. Artikel 18 bepaalt echter, dat de verhoging van geval tot geval moet worden onderzocht en in geen geval automatisch is. Verweerster leidt hieruit af, dat verzoeker dus slechts de onwettigheid van dat artikel kan inroepen, wat hij in zijn verzoekschrift niet heeft gedaan.
82 Verweerster erkent, dat het door verzoeker in repliek gegeven voorbeeld, dat twee voormalige leden verschillende pensioenen kunnen krijgen omdat de ene zijn pensioen kort vóór de inwerkingtreding van de nieuwe bepaling heeft gekregen en de ander kort daarna, theoretisch juist is. Het is echter geen relevant argument. Het enkele feit, dat bepaalde adressaten van een algemene en abstracte regeling in bepaalde grensgevallen hiervan nadelen kunnen ondervinden, maakt die regeling nog niet discriminatoir (arrest Hof van 16 oktober 1980, Hochstrass/Hof van Justitie, Jurispr. blz. 3005, punt 14). In casu kan de door verzoeker vermelde situatie, die overigens niet overeenkomt met zijn persoonlijke omstandigheden, dus geen afbreuk doen aan de geldigheid van de algemene, abstracte regeling. Bovendien impliceert een verschil in behandeling niet noodzakelijkerwijs ongelijkheid van behandeling of discriminatie. In casu is er volgens haar sprake van een objectief, neutraal en abstract onderscheid dat berust op de datum van inwerkingtreding van de nieuwe verordening.
83 Verweerster preciseert ook wat zij verstaat onder verhoging van de pensioenen van geval tot geval. Artikel 18 van verordening nr. 2290/77 verplicht de Raad zich over een passende verhoging van de pensioenen uit te spreken telkens wanneer hij tot verhoging van de basissalarissen besluit, dat wil zeggen, elke keer dat dat geval zich voordoet. Deze beoordeling vindt dus "van geval tot geval" plaats, omdat de verhoging van de pensioenen enkel "passend" kan zijn indien zij specifiek verwijst naar de salarisverhoging die heeft plaatsgevonden. Bovendien is duidelijk, dat artikel 18 een specifiek onderzoek met betrekking tot de verhoging van de pensioenen verlangt wanneer de salarissen worden verhoogd. Van een automatische verhoging van de pensioenen kan geen sprake zijn, want anders zou artikel 18 geen enkele reden van bestaan hebben.
84 Verweerster concludeert hieruit, dat de gestelde discriminatie tussen de gepensioneerden onderling een gevolg is van artikel 18 van verordening nr. 2290/77 en niet van artikel 2 van verordening nr. 840/95, dat niet meer is dan een toepassing van eerstgenoemde bepaling. Zij leidt hieruit af, dat verzoeker daarom enkel de ongeldigheid van artikel 18 van verordening nr. 2290/77 kan inroepen, doch dit niet doet. Daarom moet dit onderdeel van dit middel worden verworpen.
85 Interveniënt merkt op, dat hij slechts zijn discretionaire bevoegdheid heeft uitgeoefend waar hij zich heeft aangesloten bij de zienswijze van de Rekenkamer, dat het salaris van haar leden moest worden verhoogd nu zij een gemeenschapsinstelling was geworden. Er was geen sprake van een verplichte handeling. Noch het Verdrag noch enige andere bepaling hebben interveniënt tot deze verhogingen verplicht. Aangezien er op hem geen enkele verplichting rustte, kan hem geen enkel verzuim worden verweten; het ongedaan maken van een verzuim zou de enige geldige reden zijn voor een eventuele terugwerkende kracht van de salarisverhogingen tot aan de dag van de inwerkingtreding van het VEU. Terugwerkende kracht behoort hoe dan ook normaliter een uitzondering te blijven. De datum waarop de gewraakte verordening van toepassing werd, is objectief, neutraal en abstract, en roept geen discriminatie in het leven.
86 Interveniënt concludeert hieruit, dat het onderdeel van het middel betreffende schending van het discriminatieverbod, moet worden verworpen.
- Beoordeling door het Gerecht
87 Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld arresten Gerecht van 9 februari 1994, Lacruz Bassols/Hof van Justitie, T-109/92, JurAmbt. blz. II-105, punt 87, en 18 december 1997, Delvaux/Commissie, T-142/95, JurAmbt. blz. II-1247, punt 95) houden het gelijkheidsbeginsel en het non-discriminatiebeginsel in, dat vergelijkbare situaties niet verschillend mogen worden behandeld, tenzij een verschil in behandeling objectief gerechtvaardigd is.
88 In casu voert verordening nr. 840/95 in de pensioenregeling voor voormalige leden van de Rekenkamer een verschil in naargelang de leden hun ambt hebben neergelegd en dus recht op pensioen hebben verworven vóór of na de datum waarop de verordening van toepassing werd (1 mei 1995). Dit verschil bestaat hierin, dat het pensioen van leden die hun ambt vóór 1 mei 1995 hebben neergelegd, wordt berekend uitgaande van een basissalaris dat 104 % bedraagt van het salaris van een ambtenaar in de laatste salaristrap van de rang A 1, terwijl het pensioen van leden die hun functie na 1 mei 1995 hebben neergelegd, wordt berekend uitgaande van een basissalaris dat 108 % bedraagt van het salaris van een ambtenaar in de laatste salaristrap van de rang A 1.
89 Verordening nr. 840/95 bevat geen uitdrukkelijke rechtvaardiging voor dit verschil in behandeling. Deze verordening is vastgesteld om rekening te houden met het feit, dat de Rekenkamer bij de inwerkingtreding van het VEU op 1 november 1993, een gemeenschapsinstelling was geworden. Deze motivering kan dus een verschil in behandeling rechtvaardigen tussen leden die hun werkzaamheden vóór, respectievelijk na die datum hebben beëindigd. Zij kan daarentegen geen verschil in behandeling rechtvaardigen tussen leden die allen hun werkzaamheden na die datum hebben beëindigd, en bijgevolg allen hun werkzaamheden hebben uitgeoefend nadat de Rekenkamer een gemeenschapsinstelling was geworden. Deze leden bevinden zich, in het licht van die motivering, in een vergelijkbare situatie, doch worden verschillend behandeld. Deze motivering kan dus niet verklaren waarom leden die allen hun ambt na de datum van inwerkingtreding van het VEU - 1 november 1993 - hebben neergelegd, verschillend moeten worden behandeld naargelang zij hun ambt hebben neergelegd vóór of na de datum waarop verordening nr. 840/95 van toepassing werd (1 mei 1995). In de schriftelijke behandeling hebben verweerster en interveniënt geen enkel gegeven aangevoerd waaruit zou kunnen blijken, dat dit verschil in behandeling van personen die zich in vergelijkbare situaties bevonden, objectief gerechtvaardigd was.
90 Met het ter terechtzitting aangevoerde argument ontleend aan het feit, dat de nieuwe taken waarmee het VEU de Rekenkamer heeft belast, pas ten volle konden worden uitgeoefend aan het einde van een volledig begrotingsjaar, op het moment dat de eerste betrouwbaarheidsverklaring wordt gepresenteerd (zie punt 66), beoogt interveniënt eveneens aan te tonen, dat er tussen verzoekers situatie en die van de leden die hun ambt na de inwerkingtreding van verordening nr. 840/95 hebben neergelegd, een verschil bestaat dat een verschil in behandeling rechtvaardigt. Het Gerecht herinnert aan hetgeen het in punt 67 heeft uiteengezet en voegt hieraan toe, dat het onderhavige verschil in pensioenregeling is ingevoerd per 1 mei 1995, na het einde van het eerste begrotingsjaar volgend op de toekenning van de status van instelling aan de Rekenkamer (31 december 1994) en vóór de opstelling van de betrouwbaarheidsverklaring met betrekking tot het begrotingsjaar 1994, die volgens verweerster ter terechtzitting, is afgegeven in november 1995. Gezien deze tegenstrijdigheden lijkt de datum 1 mei 1995 niet bewust te zijn gekozen op grond van de aangevoerde overwegingen, en beantwoordt hij daaraan blijkbaar ook niet.
91 Bovendien zijn de door de Raad ter terechtzitting aangevoerde overwegingen niet relevant voor een objectieve rechtvaardiging van een verschil in behandeling. Zij gaan namelijk uit van een vergelijking tussen de situatie van de verschillende leden van de Rekenkamer in het licht van het feit dat deze de status van instelling heeft verkregen. Deze vergelijking kijkt niet enkel naar de twee objectieve gegevens: de datum waarop de Rekenkamer een instelling is geworden, en de datum van de ambtsnederlegging van de leden, maar houdt ook rekening met een derde factor, te weten de lengte van de periode dat het lid zijn ambt heeft uitgeoefend nadat de Rekenkamer een instelling is geworden en voordat hij zijn ambt neerlegde. Met dit element gaat de beoordeling van de lengte van de ambtsuitoefening dus deel uitmaken van de vergelijking.
92 In de bijzondere logica van deze benadering had ook rekening moeten worden gehouden met het feit dat een pensioen de tegenprestatie vormt voor alle werkzaamheden die het lid heeft uitgeoefend in dienst van wat aanvankelijk een orgaan en vervolgens een instelling was. Artikel 10, eerste alinea, van verordening nr. 2290/77 bepaalt in dit verband, dat de hoogte van het pensioen wordt vastgesteld aan de hand van de totale ambtsperiode van het lid, welke niet alleen gehele ambtsjaren omvat maar ook alle maanden waarin hij nog in dienst was na afloop van het laatste volledige ambtsjaar. Overigens bedraagt de ambtstermijn van een lid van de Rekenkamer, volgens het oude artikel 206, lid 4, eerste alinea, van het Verdrag, dat ingevolge artikel G, punt 59, van het VEU artikel 188 B, lid 3, eerste alinea, van het Verdrag is geworden, zes jaar en zijn de leden herbenoembaar. Hieruit volgt dat een lid dat zijn ambt kort na de datum van inwerkingtreding van verordening nr. 840/95 (1 mei 1995) heeft neergelegd, zijn ambt bijna geheel heeft vervuld in een tijdvak gelegen vóór 1 november 1993, de datum waarop de Rekenkamer een instelling is geworden, en maar voor een klein gedeelte in de periode na die gebeurtenis. Vanuit deze optiek bezien verschilt zijn situatie dus niet significant van die van verzoeker.
93 De door de Raad ter terechtzitting aangevoerde omstandigheden vormen dus geen objectieve rechtvaardiging voor het verschil in behandeling met betrekking tot een pensioenverhoging die is ingegeven door het feit dat de Rekenkamer een instelling is geworden, tussen leden die allen hun ambt zijn blijven uitoefenen na dit feit, op grond dat zij hun ambt hebben neergelegd vóór of na 1 mei 1995.
94 Verweerster en interveniënt werpen verder nog tegen, dat een verschil in behandeling dat het gevolg is van de inwerkingtreding van een nieuwe bepaling op een bepaalde datum, principieel geen onwettige discriminatie kan opleveren. Deze inwerkingtreding vormt immers een objectief gegeven dat zonder onderscheid voor allen geldt. Een tegenovergestelde oplossing zou elke zin ontnemen aan het beginsel, dat de gemeenschapsinstantie gerechtigd is op elk moment de wijzigingen aan te brengen die het in het belang van de dienst acht.
95 Dit betoog miskent echter, dat het niet uitgesloten is, dat de datum van de inwerkingtreding van een nieuwe regeling een onwettige discriminatie oplevert (zie bijvoorbeeld, met betrekking tot het discriminatoire karakter van de datum van inwerkingtreding van een nieuwe interne richtlijn, arrest Gerecht van 9 juli 1997, Monaco/Parlement, T-92/96, JurAmbt. blz. II-573, punten 50-58).
96 Bovendien kan verweerster zich voor deze stelling niet beroepen op de reeds aangehaalde arresten Gillet/Commissie en Hochstrass/Hof van Justitie.
97 De vraag die in de zaak Gillet/Commissie aan de orde was, had betrekking op een in 1972 vastgestelde verordening die, in het kader van een maatregel tot beëindiging van de dienst, voor ambtenaren van de rang A 1 of A 2 die onder het oude EGKS-personeelsstatuut van 1956 waren aangeworven en die hun ambt onder gelijke omstandigheden hadden neergelegd, vergoedingsregelingen invoerde die verschilden naargelang de betrokkene op de datum van inwerkingtreding van het nieuwe EGKS-ambtenarenstatuut (1 januari 1962) een van deze rangen bezat of niet. Verzoeker, een ambtenaar die pas na 1 januari 1962 in deze categorie was opgenomen, voerde in het kader van een exceptie van onwettigheid aan, dat deze verordening discriminatoir van aard was. Het Hof verwierp deze exceptie.
98 Inderdaad volgt uit dit arrest impliciet, dat de gemeenschapswetgever gerechtigd is om voor de toekomst statutaire bepalingen vast te stellen die voor de ambtenaren ongunstiger zijn. In dit arrest tekende het Hof hierbij echter enerzijds aan, dat geen afbreuk kan worden gedaan aan overgangsmaatregelen ter bescherming van op regelmatige wijze verworven rechten van ambtenaren die onder een gunstiger, oud Statuut waren aangeworven, en concludeerde het anderzijds, dat deze overgangsmaatregelen geen discriminatie opleverden van een ambtenaar die onder het nieuwe, ongunstiger Statuut was aangeworven. Bij zijn onderzoek van de gewraakte maatregelen heeft het Hof zorgvuldig onderzocht of het verschil in behandeling van enerzijds ambtenaren die onder het oude, gunstiger Statuut waren aangeworven en na de vaststelling van het nieuwe, ongunstiger Statuut bleven profiteren van een overgangsregeling ter bescherming van hun rechten, en anderzijds van ambtenaren die onder het nieuwe, ongunstiger Statuut waren aangeworven, objectief gerechtvaardigd was. In dit verband stelt het arrest in de eerste plaats vast, dat de ambtenaar die onder het nieuwe, ongunstiger Statuut is aangeworven, zich niet op het oude, gunstiger Statuut kan beroepen, en in de tweede plaats, dat geen afbreuk kan worden gedaan aan de overgangsregeling ten gunste van ambtenaren die onder het oude, gunstiger Statuut zijn aangeworven.
99 In het arrest is eveneens onderzocht of de referentiedatum die de twee vergoedingsregelingen van elkaar scheidt (1 januari 1962), objectief gerechtvaardigd is.
100 Uit dit arrest kan dus niet worden afgeleid, dat de datum van inwerkingtreding van een nieuwe regeling nooit discriminatoir kan zijn.
101 In het tweede door verweerster aangehaalde arrest, het arrest Hochstrass/Hof van Justitie (aangehaald in punt 82), verklaart het Hof weliswaar: "Zelfs al leidt de instelling van een algemene en abstracte regeling in grensgevallen noodzakelijkerwijze tot onvoorzienbare bezwaren, de wetgever kan niet worden verweten zijn toevlucht te hebben genomen tot een indeling in categorieën" die discriminerend zou zijn (punt 14). Het laat hier echter direct op volgen, dat deze conclusie enkel geldt "indien deze [indeling] in het licht van het nagestreefde doel niet neerkomt op een daadwerkelijke discriminatie".
102 In het arrest is overigens zorgvuldig onderzocht of de indeling in categorieën die in de nieuwe wettelijke regeling is gehanteerd (de invoering van een toelage voor verblijf in het buitenland die wordt toegekend op basis van een nationaliteitscriterium), objectief gerechtvaardigd is.
103 Dit arrest ontslaat dus niet van de verplichting om in het kader van het toezicht op de inachtneming van het non-discriminatiebeginsel na te gaan of de verschillen in regime die door een nieuwe regeling zijn ingevoerd, objectief gerechtvaardigd zijn.
104 Ten slotte merkt het Gerecht op, dat het de gemeenschapswetgever weliswaar vrijstaat om op elk moment in de statutaire bepalingen, in casu verordening nr. 2290/77, die wijzigingen aan te brengen die hij in het belang van de dienst acht. Maar indien die wijziging specifiek wordt gerechtvaardigd met een beroep op een nieuwe situatie - in casu het feit dat de Rekenkamer de status van gemeenschapsinstelling heeft gekregen - en betrekking heeft op een bepaalde categorie personen - in casu de leden die hun ambt na dit feit hebben uitgeoefend - dan moet zij de personen die behoren tot de categorie welke in het bijzonder door deze nieuwe situatie worden geraakt, gelijk behandelen.
105 De gemeenschapswetgever was in casu niet noodzakelijkerwijs verplicht om tot een verhoging van het basissalaris, en daarmee van de pensioenen van de leden van de Rekenkamer te besluiten. Gaat hij echter tot een dergelijke verhoging over met de motivering dat de Rekenkamer een instelling is geworden, en is hij voornemens degenen die aanspraak hadden op een pensioen dat reeds was verworven vóór de inwerkingtreding van de desbetreffende verordening, hiervoor niet in aanmerking te laten komen, dan moet hij erop toezien, dat vanaf de inwerkingtreding van de verordening alle leden die zich in de situatie bevinden die de grond vormde voor deze verhoging, dat wil zeggen degenen die hun functie hebben uitgeoefend nadat de Rekenkamer de status van instelling had gekregen, op identieke wijze worden behandeld. Zoals hierboven reeds is vastgesteld, is in casu niet aan deze eisen voldaan.
106 Ten slotte vloeit de vastgestelde discriminatie ook niet voort uit de toepassing van artikel 18 van verordening nr. 1290/77, gelijk verweerster stelt. Dit artikel, dat de Raad verplicht om in geval van een verhoging van het basissalaris van de leden van de Rekenkamer, tegelijkertijd een besluit te nemen omtrent een passende verhoging van de reeds verworven pensioenen, belet de Raad geenszins om het gelijkheidsbeginsel in acht te nemen. Integendeel, met het gebruik van het adjectief "passend" verplicht dit artikel de Raad zich ook af te vragen of dit hogere rechtsbeginsel wel in acht is genomen.
107 Hieruit volgt, dat de Raad in casu het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden.
108 Aangezien dus ook het tweede onderdeel van het onderhavige middel, betreffende schending van het gelijkheidsbeginsel, gegrond is, behoeft niet meer te worden ingegaan op verzoekers argumenten betreffende de omstandigheid, dat verordening nr. 840/95 de overbruggingstoelage heeft verhoogd zonder de pensioenen te verhogen die op de datum van inwerkingtreding ervan reeds waren verworven.
109 Het beroep is dus gegrond, zonder dat het derde onderdeel van het onderhavige middel, betreffende schending van het vertrouwensbeginsel, behoeft te worden onderzocht.
110 Het gewraakte besluit van verweerster, dat gebaseerd is op artikel 2 van verordening nr. 840/95, moet bijgevolg nietig worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
111 Luidens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. De Rekenkamer dient dus in de kosten te worden verwezen aangezien zij in het ongelijk is gesteld en verzoeker haar verwijzing in de kosten heeft gevorderd.
112 Luidens artikel 87, lid 4, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering, dragen de instellingen die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart nietig het besluit van de Rekenkamer van 20 februari 1997 tot vaststelling van verzoekers pensioen.
2) Verwijst de Rekenkamer in de kosten.
3) Verstaat dat de Raad zijn eigen kosten zal dragen.
(1) - Nvdv - In de Nederlandse tekst van de verordeningen zijn twee verschillende uitdrukkingen gebruikt, "reeds verworven pensioenen" (artikel 18 van verordening nr. 2290/77), en "pensioenen die reeds zijn bereikt" (artikel 2 van verordening nr. 840/95).
Full & Egal Universal Law Academy