Samenvatting
Trefwoorden
Procedure - Interventie - Belanghebbenden - Geding betreffende nietigverklaring van beschikking houdende opheffing van boete-immuniteit voor inbreuk op mededingingsregels - Verenigingen die concurrenten van in beschikking bedoelde ondernemingen vertegenwoordigen - Indirect en hypothetisch belang bij beslissing van geding - Niet-ontvankelijkheid
('s Hofs Statuut-EG, art. 37, tweede alinea; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 115; verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 6)
Samenvatting
Het interventierecht in een voor het Gerecht aanhangig rechtsgeding is afhankelijk van de voorwaarde, dat men aannemelijk maakt een rechtstreeks en dadelijk belang te hebben bij de beslissing van het geding, en niet een belang met betrekking tot de gebezigde middelen. Een dergelijk recht kan worden toegekend aan representatieve verenigingen die de bescherming van de belangen van hun leden tot doel hebben, in gedingen waarin principiële punten aan de orde komen, waardoor de belangen van hun leden aanzienlijk kunnen worden geschaad.
In een geding betreffende de geldigheid van een krachtens artikel 15, lid 6, van verordening nr. 17 gegeven beschikking van de Commissie houdende opheffing van de boete-immuniteit van ondernemingen die partij zijn bij een regelmatig aangemelde overeenkomst, kunnen verenigingen die concurrenten van de in die beschikking bedoelde ondernemingen vertegenwoordigen, ook al zijn zij derden die een klacht hebben ingediend, niet tot interventie worden toegelaten, daar de belangen van hun leden, gezien de aard van de bestreden handeling, door het te wijzen arrest niet aanzienlijk kunnen worden geschaad.
Een dergelijke beschikking waarbij de boete-immuniteit wordt opgeheven, heeft immers niet tot gevolg dat partijen bij de aangemelde overeenkomst wordt belet ze toe te passen. Ook al is het denkbaar, dat het risico dat een boete wordt opgelegd, hen hiervan zal weerhouden, dit eventuele, louter feitelijke gevolg is geheel afhankelijk van de wil van de ondernemingen die partij zijn bij de overeenkomst. Zo derden ten aanzien van de aangemelde overeenkomst er een voorkeur voor kunnen hebben, dat in casu al dan niet een dergelijk gevolg intreedt, gaat het dus om een eenvoudig indirect en hypothetisch belang, dat niet volstaat om vast te stellen, dat hun rechtspositie zou worden aangetast door de beslissing van het geding tussen de adressaten van de beschikking waarbij de immuniteit wordt opgeheven en de Commissie.
Derden die een klacht hebben ingediend, hebben er overigens geen wettig belang bij dat de immuniteit van de partijen bij de mededingingsregeling wordt ingetrokken. Anders dan de voorlopige maatregelen die de Commissie op grond van artikel 3 van verordening nr. 17 kan nemen, kan de opheffing van de immuniteit namelijk niet rechtstreeks ten goede komen aan de derden die een klacht hebben ingediend. Bovendien strekt een beschikking houdende opheffing van de immuniteit, waarbij overwegingen van opportuniteit en algemeen belang gelden, niet tot bescherming van de belangen van een derde-marktdeelnemer. Bovendien vormt die beschikking de afsluiting van een bijzondere rechtsgang welke zich onderscheidt van de procedure ten gronde die het onderzoek van de aangemelde overeenkomst met artikel 85 van het Verdrag beoogt en waarin de procedurele rechten van derden die een klacht hebben ingediend, onverlet worden gelaten. Ten slotte heeft die beschikking geen weerslag op de definitieve geldigheid van de aangemelde overeenkomsten, en kan zij dus de rechtspositie van de betrokken verenigingen of hun leden voor de nationale rechterlijke instanties niet wijzigen.
Full & Egal Universal Law Academy