Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
1. Procedure - Kosten - Begroting - Invorderbare kosten - Begrip
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 90 en 91, sub b)
2. Procedure - Kosten - Begroting - In aanmerking te nemen factoren
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 91, sub b)
Samenvatting
1. Uit de artikelen 91, sub b, en 90 van het Reglement van de procesvoering van het Gerecht volgt dat de invorderbare kosten zijn beperkt tot enerzijds de kosten die in verband met de procedure voor het Gerecht, met uitzondering van de daaraan voorafgaande fase, zijn gemaakt, en anderzijds de daartoe noodzakelijke kosten.
( cf. punten 24-25 )
2. Het staat niet aan de gemeenschapsrechter om de door de partijen aan hun eigen advocaten verschuldigde honoraria te begroten, maar hij dient te bepalen, tot welk bedrag die vergoedingen kunnen worden teruggevorderd van de partij die in de kosten is verwezen. De gemeenschapsrechter behoeft bij zijn beslissing op een verzoek tot begroting van de kosten geen rekening te houden met een nationaal tarief van advocatenhonoraria of met een eventuele overeenkomst dienaangaande tussen de belanghebbende partij en haar gemachtigden of raadslieden. Aangezien een tariefregeling in het gemeenschapsrecht ontbreekt, moet de gemeenschapsrechter de gegevens van de zaak vrijelijk beoordelen, daarbij rekening houdend met het onderwerp en de aard van het geschil, het belang ervan vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht, de moeilijkheid van de zaak, de hoeveelheid werk die de gemachtigden of de raadslieden aan de contentieuze procedure kunnen hebben gehad, en het economisch belang van het geschil voor de partijen.
Het belang dat een geschil vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht heeft wegens de nieuwe rechtsvragen en de ingewikkelde feitelijke vragen die het doet rijzen, kan zowel hoge honoraria rechtvaardigen als de omstandigheid dat een der partijen zich door meerdere advocaten laat vertegenwoordigen.
( cf. punten 26-31 )
Partijen
In zaak T-80/97 DEP,
Starway SA, gevestigd te Luynes (Frankrijk), vertegenwoordigd door J.-F. Bellis en P. De Baere, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door A. Tanca en S. Marquardt als gemachtigden,
verweerder,
ondersteund door
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door V. Kreuschitz en S. Meany als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënte,
betreffende een verzoek tot begroting van de kosten die verweerster aan verzoekster moet betalen naar aanleiding van het arrest van het Gerecht van 26 september 2000, Starway/Raad (T-80/97, Jurispr. blz. II-3099),
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer - uitgebreid),
samengesteld als volgt: M. Jaeger, kamerpresident, R. García-Valdecasas, K. Lenaerts, P. Lindh, en J. Azizi, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
Feiten en procesverloop
1 Op 10 januari 1997 stelde de Raad verordening (EG) nr. 71/97 vast, tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht dat bij verordening (EEG) nr. 2474/93 was ingesteld voor rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China op de invoer van bepaalde onderdelen van rijwielen uit de Volksrepubliek China, en tot heffing van het uitgebreide recht op dergelijke uit hoofde van verordening (EG) 703/96 geregistreerde invoer (PB L 16, blz. 55). Deze verordening is vastgesteld op basis van artikel 13, lid 1, van verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1996, L 56, blz. 1), krachtens hetwelk de overeenkomstig deze verordening ingestelde antidumpingrechten kunnen worden uitgebreid tot de invoer van soortgelijke producten, of delen daarvan, uit derde landen wanneer er ontwijking van de geldende maatregelen plaatsvindt.
2 In artikel 2, leden 1 en 3, van verordening nr. 71/97 is het antidumpingrecht dat is ingesteld bij verordening (EEG) nr. 2474/93 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer in de Gemeenschap van rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht (PB L 228, blz. 1), uitgebreid tot de invoer van bepaalde hoofdbestanddelen van rijwielen.
3 Bij op 28 maart 1997 onder nummer T-80/97 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft Starway verzocht om nietigverklaring van artikel 2 van verordening nr. 71/97 voorzover het op haar van toepassing is. Bij beschikking van 17 september 1997 heeft het Gerecht de Commissie toegelaten tot interventie aan de zijde van de Raad.
4 Bij arrest van 26 september 2000, Starway/Commissie (T-80/97, Jurispr. blz. II-3099; hierna: arrest in de hoofdzaak") heeft het Gerecht artikel 2 van verordening nr. 71/97 nietig verklaard met betrekking tot verzoeksters invoer van hoofdbestanddelen van rijwielen tussen 20 april 1996 en 18 april 1997, en de Raad in verzoeksters kosten verwezen.
5 Bij brief van 27 oktober 2000 heeft verzoekster bij de Raad een totaalbedrag van 4 975 000 BEF (123 327,03 euro) aan kosten in zaak T-80/97 gedeclareerd.
6 Bij brief van 20 november 2000 verzocht de Raad verzoekster om een specificatie van het bedrag. Bij brief aan de Raad van 20 december 2000 heeft verzoekster het bedrag nader gespecificeerd.
7 Bij brief van 15 februari 2001 deelde de Raad verzoekster in antwoord op haar brief van 20 december 2000 mee dat het gevraagde bedrag zijns inziens te hoog was. Op 22 februari 2001 bevestigde verzoekster het in de brief van 20 december 2000 genoemde bedrag.
8 Op 8 maart 2001 antwoordde de Raad dat hij het bedrag van de gevraagde kosten niet kon aanvaarden en dat hij, indien verzoekster dit bedrag niet bijstelde, voornemens was de zaak door het Gerecht te laten onderzoeken.
9 Bij op 12 juli 2001 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster krachtens artikel 92, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht verzocht om begroting van de kosten.
10 Bij op 24 september 2001 ter griffie van het Gerecht neergelegde memories hebben de Raad en de Commissie hun opmerkingen over dit verzoek ingediend.
Conclusies van partijen
11 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage het bedrag van de door de Raad te vergoeden kosten op 4 975 000 BEF (123 327,03 euro) te stellen.
12 De Raad concludeert dat het het Gerecht behage de invorderbare kosten, met inbegrip van die in verband met het onderhavige geding, op 1 474 000 BEF (36 539,51 euro) te stellen.
13 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage de invorderbare kosten, met inbegrip van die in verband met het onderhavige geding, op 1 500 000 BEF (37 184,03 euro) te stellen.
Argumenten van partijen
14 Verzoekster acht het gevraagde kostenbedrag in de eerste plaats gerechtvaardigd wegens het voorwerp en de aard van het geschil, en wegens het belang ervan vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht. Het was de eerste zaak waar nietigverklaring werd gevorderd van een op basis van artikel 13 van verordening nr. 384/96 vastgestelde verordening tot uitbreiding van een antidumpingrecht. In deze context waren in deze zaak voor het eerst vragen over de ontvankelijkheid van de door een verordening tot uitbreiding van een antidumpingrecht geraakte vennootschappen aan de orde. Ook verduidelijkte deze zaak de vraag van het voorwerp van het bewijs en de bewijslast in een onderzoek naar ontwijking van een antidumpingrecht en de bewijskracht van certificaten van oorsprong in het kader van dergelijke onderzoeken.
15 Volgens de Raad heeft verzoekster niet duidelijk gemaakt waarom de omstandigheid dat het om de eerste zaak over deze uitbreidingsprocedure ging, enerzijds een belangrijke beloning van verzoeksters raadslieden rechtvaardigt en anderzijds aantoont dat de hoofdzaak noodzakelijkerwijze ingewikkeld was.
16 Volgens de Raad heeft verzoekster in haar verzoekschrift niets gesteld met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep en heeft zij in repliek alleen maar de relevante rechtspraak aangehaald. Uit niets blijkt dat daartoe bijzonder onderzoek noodzakelijk was. Bovendien, aldus de Raad, ondersteund door de Commissie, is de motivering die het Gerecht tot de conclusie heeft gebracht dat verzoekster rechtstreeks geraakt was door de bestreden verordening, beperkt tot de bijzondere omstandigheden van het geval, aangezien verzoekster, zoals blijkt uit het arrest in de hoofdzaak, pas van het uitgebreide recht werd vrijgesteld, nadat zij haar bevoorrading sterk had gewijzigd. Wat de vraag van de bewijslast in een onderzoek naar ontwijking betreft, betoogt de Raad dat verzoekster de stelling verdedigde dat de instellingen niet het bewijs hadden geleverd dat de betrokken rijwielonderdelen van oorsprong waren uit het land waarvoor het definitieve antidumpingrecht gold. Het Gerecht daarentegen heeft verordening nr. 71/97 nietig verklaard op grond dat de instellingen de hun in de administratieve procedure overgelegde documenten niet zorgvuldig en onpartijdig hadden onderzocht (punt 119 van het arrest in de hoofdzaak). Evenmin, aldus de Raad en de Commissie, rechtvaardigt het werk van verzoeksters advocaten met betrekking tot de bewijskracht van de verschillende aan de Commissie overgelegde documenten het bedrag van het gevraagde advocatenhonorarium. Op dit punt volgde het arrest in de hoofdzaak namelijk de grote lijnen van de beginselen voor de bewijsvoering.
17 Vervolgens is verzoekster van mening dat de moeilijkheid van de zaak veel werk in de contentieuze procedure noodzakelijk heeft gemaakt. Waar het om het eerste beroep tegen een uitbreidingsverordening ging, kon zij zich niet op rechtspraak baseren. De zaak was eveneens bijzonder moeilijk wegens de complexiteit van de feiten en meer bepaald wegens het bewijs. Zij vestigt er de aandacht op dat zij op verzoek van de Commissie een zeer omvangrijke documentatie heeft moeten verzamelen om in de precontentieuze procedure de oorsprong van de betrokken rijwielonderdelen te kunnen traceren. Zij preciseert dat zij voor het Gerecht zowel in haar schrifturen als ter terechtzitting de redenen heeft moeten uiteenzetten waarom zij de door de Commissie in de administratieve procedure gevraagde oorsprongscertificaten niet kon overleggen, en dat zij voor het Gerecht moest aantonen dat aan de hand van de aan de Commissie in de administratieve procedure verstrekte documenten ook zonder de oorsprongscertificaten de oorsprong van de ingevoerde onderdelen kon worden getraceerd. Zij wijst erop dat zes bladzijden uitleg en 82 bladzijden bijlagen noodzakelijk waren om de oorsprong van een enkel rijwielonderdeel aan te tonen en dat de complexiteit van de door de Commissie verlangde bewijsvoering blijkens het arrest in de hoofdzaak grote invloed heeft gehad op de uitslag van het geding. Verzoekster geeft toe dat het Gerecht in het arrest in de hoofdzaak de oorsprong van de betrokken rijwielonderdelen niet heeft onderzocht. Dat is evenwel te verklaren doordat het Gerecht reeds over voldoende gegevens beschikte om artikel 2 van verordening nr. 71/97 op andere gronden nietig te verklaren.
18 Volgens de Raad bleek de complexiteit van de aangevoerde feiten en van het bewijs in casu in de administratieve procedure voor de Commissie en niet in de procedure voor het Gerecht, zodat de desbetreffende kosten geen deel kunnen uitmaken van een begroting van kosten door het Gerecht (beschikkingen Hof van 30 november 1994, British Aerospace/Commissie, C-294/90 DEP, Jurispr. blz. I-5423, punten 11-14, en SFEI e.a./Commissie, C-222/92 DEP, Jurispr. blz. I-5431, punten 11-13). Op zichzelf was het voor verzoekster niet bijzonder moeilijk om het Gerecht het probleem van de bewijsvoering in de administratieve procedure uit te leggen. De Raad vestigt er nog de aandacht op dat verzoekster ter terechtzitting op een voorstel van het Gerecht om aan te tonen dat de veelheid van aan het Gerecht overgelegde documenten de oorsprong van de rijwielonderdelen kon bewijzen, antwoordde dat een terechtzitting zich daartoe niet leende.
19 De Commissie voegt eraan toe dat verzoeksters advocaten Starway reeds de gehele administratieve procedure lang hadden geadviseerd en dus de feiten van de zaak en de betrokken rechtsvragen noodzakelijkerwijze moesten kennen. Het betoog voor het Gerecht was dus een herhaling. Zij merkt nog op dat verzoekster bezwaarlijk kan stellen dat het bewijs van de litigieuze oorsprong van de betrokken onderdelen veel werk vergde, terwijl verzoekster voor het Gerecht heeft gesteld dat dit bewijs in de administratieve procedure was geleverd.
20 Ten slotte wijst verzoekster erop dat in totaal 10 miljoen Franse francs aan antidumpingrechten zijn geheven krachtens de verordening die bij het arrest in de hoofdzaak nietig is verklaard, en dat dit bedrag bijzonder hoog was gelet op de bescheiden omvang van verzoekster, tegen wie overigens na de zaak een faillissementsprocedure is geopend.
21 Volgens de Raad kan de omvang van de betrokken financiële belangen geen invloed hebben op het bedrag van de invorderbare kosten.
22 Op basis van haar argumenten vordert verzoekster vergoeding van het honorarium van drie advocaten voor een totaalbedrag van 4 809 000 BEF (119 212 euro) [388 werkuren tegen 8 000 tot 15 000 BEF (198,31 tot 371,84 euro) per werkuur] plus andere kosten ten belope van 166 000 BEF (4 115,03 euro) voor fotokopieën, telecommunicatie en vervoer.
23 Volgens de Raad bedragen de invorderbare kosten ter zake van advocatenhonoraria 1 600 000 BEF (39 662,96 euro) [200 uur tegen 8 000 BEF (198,31 euro) per werkuur] en de andere kosten 34 000 BEF (842,84 euro). Bovendien verzoekt hij om het bedrag van zijn kosten in verband met het onderhavige verzoek tot begroting van de kosten, namelijk 160 000 BEF (3 966,30 euro) [20 uur werk tegen 8 000 BEF (198,31 euro) per uur] in mindering te brengen op het totaalbedrag, aangezien verzoekster het verzoek van de Raad om het bedrag van haar kosten te verlagen, heeft afgewezen.
Beoordeling door het Gerecht
24 Volgens artikel 91, sub b, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht worden als invorderbare kosten aangemerkt de door partijen in verband met de procedure gemaakte noodzakelijke kosten, in het bijzonder de reis- en verblijfkosten en het honorarium van de gemachtigde, raadsman of advocaat". Uit deze bepaling volgt, dat de invorderbare kosten zijn beperkt tot enerzijds de kosten die in verband met de procedure voor het Gerecht zijn gemaakt, en anderzijds de daartoe noodzakelijke kosten (zie, naar analogie, beschikkingen Gerecht van 15 juli 1998, Opel Austria/Raad, T-115/94 DEP, Jurispr. blz. II-2739, punt 26, en 19 september 2001, UK Coal/Commissie, T-64/99 DEP, Jurispr. blz. II-2547, punt 25).
25 Waar in artikel 91 van het Reglement voor de procesvoering wordt gesproken van procedure", is alleen de procedure voor het Gerecht en niet de precontentieuze fase bedoeld. Dit blijkt met name uit artikel 90 van dit Reglement, alwaar sprake is van de procedure voor het Gerecht" (zie, naar analogie, beschikkingen Hof van 21 oktober 1970, Hake/Commissie, 75/69, Jurispr. blz. 901, 902, en British Aerospace/Commissie, reeds aangehaald, punten 11 en 12).
26 Wat de kosten van de procedure voor het Gerecht betreft, staat het volgens vaste rechtspraak niet aan de gemeenschapsrechter om de door de partijen aan hun eigen advocaten verschuldigde honoraria vast te stellen, maar dient hij te bepalen tot welk bedrag die vergoedingen kunnen worden teruggevorderd van de partij die in de kosten is verwezen. Bij de beslissing op een verzoek tot begroting van de kosten behoeft het Gerecht geen rekening te houden met een nationaal tarief van advocatenhonoraria of met een eventuele overeenkomst dienaangaande tussen de belanghebbende partij en haar gemachtigden of raadslieden (beschikkingen Gerecht van 8 november 1996, Stahlwerke Peine-Salzgitter/Commissie, T-120/89 DEP, Jurispr. blz. II-1547, punt 27, Opel Austria/Raad, reeds aangehaald, punt 27, en UK Coal/Commissie, reeds aangehaald, punt 26).
27 Het is eveneens vaste rechtspraak dat, aangezien een tariefregeling in het gemeenschapsrecht ontbreekt, het Gerecht de gegevens van de zaak vrijelijk moet beoordelen, daarbij rekening houdend met het onderwerp en de aard van het geschil, het belang ervan vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht, de moeilijkheid van de zaak, de hoeveelheid werk die de gemachtigden of de raadslieden aan de contentieuze procedure kunnen hebben gehad, en het economisch belang van het geschil voor de partijen (beschikking president van de derde kamer van het Hof van 26 november 1985, Leeuwarder Papierwarenfabriek/Commissie, 318/82, Jurispr. blz. 3727, punten 2 en 3; beschikkingen Gerecht van 8 maart 1995, Air France/Commissie, T-2/93 DEP, Jurispr. blz. II-533, punt 16, Opel Austria/Raad, reeds aangehaald, punt 28, en UK Coal/Commissie, reeds aangehaald, punt 27).
28 Op basis van deze criteria moet het bedrag van de in casu invorderbare kosten worden vastgesteld.
29 Wat het onderwerp en de aard van het geschil alsook het belang ervan uit het oogpunt van het gemeenschapsrecht betreft, blijkt dat dit geschil zowel rechtens als feitelijk vrij ingewikkeld was. Zoals verzoekster terecht heeft opgemerkt, was het de eerste maal dat nietigverklaring werd gevorderd van een verordening tot uitbreiding van een op basis van artikel 13 van verordening nr. 348/96 vastgesteld antidumpingrecht. Er kwamen daarbij verschillende vrij ingewikkelde vragen aan de orde, die ofwel nog niet door de gemeenschapsrechter waren beslecht, ofwel in casu bijzondere aspecten ten aanzien van de toepasselijke bepalingen vertoonden.
30 In het bijzonder rees in deze zaak voor het eerst de vraag of het beroep van een importeur van onderdelen van een aan een definitief antidumpingrecht onderworpen product tegen een verordening tot uitbreiding van dit antidumpingrecht tot deze onderdelen ontvankelijk was, ook al kon deze importeur volgens de toepasselijke gemeenschapsregeling onder bepaalde voorwaarden van het uitgebreide recht worden vrijgesteld. Ook was in deze zaak voor het eerst de uitlegging van artikel 13, lid 2, van verordening nr. 384/96 aan de orde, in verband met het voorwerp en de verdeling van de bewijslast inzake de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om assemblagewerkzaamheden als ontwijking van een antidumpingrecht te beschouwen. Ten slotte bracht de zaak ook in belangrijke mate duidelijkheid over de bewijsmiddelen die de gemeenschapsinstellingen in procedures tot uitbreiding van een antidumpingrecht kunnen verlangen, en in het bijzonder over de bewijskracht van de certificaten van oorsprong.
31 Het geschil rechtvaardigde derhalve zowel hoge honoraria als de omstandigheid dat verzoekster zich door meerdere advocaten liet vertegenwoordigen (zie in deze zin beschikkingen Stahlwerke Peine-Salzgitter/Commissie, reeds aangehaald, punt 30, en Opel Austria/Raad, reeds aangehaald, punt 29).
32 Wat de moeilijkheid van de zaak en de hoeveelheid aan de procedure voor het Gerecht verbonden werk betreft, volgt uit het voorgaande dat het geschil vrij veel werk voor verzoeksters advocaten kan hebben meegebracht, met name wat de analyse van de toepasselijke regeling en de relevante rechtspraak betreft. Anders dan de Raad stelt, weerspiegelt dit werk zich in verzoeksters memories.
33 Bovendien bewijst het financiële belang van de zaak voor verzoekster, dat het geschil een grote weerslag had op haar economische belangen.
34 Met betrekking tot de motivering van het hoge aantal opgegeven werkuren van haar advocaten, die verzoekster baseert op de omvangrijke documentatie over de oorsprong van de betrokken rijwielonderdelen, die het Gerecht in repliek is voorgelegd, blijkt uit het feitelijke kader van de zaak, zoals samengevat in het arrest in de hoofdzaak, dat verzoekster deze documentatie op verzoek van de Commissie reeds in de administratieve procedure had overgelegd om de Commissie in staat te stellen na te gaan of het zonder oorsprongscertificaten nochtans mogelijk was de oorsprong van deze onderdelen aldus te traceren (punten 20 en 25 van het arrest in de hoofdzaak).
35 Weliswaar heeft verzoekster in de procedure voor het Gerecht getracht aan te tonen dat de veelheid aan documenten de oorsprong van de betrokken onderdelen kon bewijzen, en leverde dit extra werk voor haar op naast het werk dat in de procedure voor de Commissie was verricht. De Raad en de Commissie hebben evenwel terecht hiertegen ingebracht dat dit werk reeds grotendeels in de administratieve procedure was verricht. Zoals de Commissie er terecht op wijst, had verzoekster anders voor het Gerecht niet kunnen stellen dat zij in de administratieve procedure het bewijs van de oorsprong van de betrokken rijwielonderdelen had geleverd. Ten slotte blijkt uit het dossier dat verzoekster wat het bewijs van de oorsprong van deze onderdelen betreft, zich voor de Commissie reeds op dezelfde soort juridische en feitelijke argumenten had beroepen als voor het Gerecht, zodat zij de zaak reeds goed kende (zie in deze zin beschikking Opel Austria/Raad, reeds aangehaald, punt 30).
36 Verzoekster heeft het Gerecht geen gegevens verstrekt omtrent de verdeling van de gedeclareerde uren van de betrokken advocaten over de verschillende werkzaamheden in het kader van de procedure voor het Gerecht, met name omtrent het aantal uren dat is besteed aan de verzameling en presentatie van de documentatie over de oorsprong van de betrokken rijwielonderdelen. In deze omstandigheden en gelet op al het voorgaande lijkt het gepast om het aantal te vergoeden uren te bepalen op 200 en het uurtarief te stellen op het gemiddelde van de door de betrokken advocaten toegepaste tarieven, namelijk 11 500 BEF (285,08 euro).
37 Wat de fotokopieerkosten ad 125 000 BEF (3 098,17 euro) betreft, die zijn gemaakt om het Gerecht de omvangrijke documentatie over te leggen die verzoekster voordien aan de Commissie op haar verzoek had verstrekt, dient te worden opgemerkt dat verzoekster, zoals de Raad ter terechtzitting terecht heeft opgemerkt, op het voorstel van het Gerecht om aan de hand van een concreet voorbeeld aan te tonen dat de veelheid aan documenten de oorsprong van de betrokken onderdelen kon bewijzen, antwoordde dat een terechtzitting daartoe niet geschikt was. Bij de overlegging van deze documentatie aan het Gerecht verklaarde zij ook dat zij niet de bedoeling had het Gerecht uit te nodigen deze documentatie stuk voor stuk te onderzoeken, maar alleen het Gerecht het dossier van de administratieve procedure voor de Commissie in zijn geheel te laten zien. In deze omstandigheden kunnen de voor de overlegging van deze documentatie aan het Gerecht gemaakte fotokopieerkosten niet als in verband met de procedure gemaakte noodzakelijke kosten" in de zin van artikel 91, sub b, van het Reglement voor de procesvoering worden beschouwd. Deze kosten komen dus in mindering van het gevraagde bedrag voor andere kosten dan honoraria. De Raad heeft deze andere kosten niet betwist.
38 Gelet op het voorgaande is het billijk om het bedrag van de door verzoekster invorderbare kosten vast te stellen op 2 341 000 BEF (58 031,87 euro).
39 Daar het Gerecht bij de vaststelling van de invorderbare kosten rekening heeft gehouden met alle omstandigheden van de zaak tot het tijdstip van zijn uitspraak, behoeft niet afzonderlijk te worden beslist over de kosten die partijen voor de onderhavige procedure tot begroting van de kosten hebben gemaakt (beschikkingen Gerecht van 5 juli 1993, Meskens/Parlement, T-84/91 DEP, Jurispr. blz. II-757, punt 16, Opel Austria/Raad, reeds aangehaald, punt 33, en UK Coal/Commissie, reeds aangehaald, punt 33).
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer - uitgebreid)
beschikt:
Het totaalbedrag van de door de Raad aan verzoekster in zaak T-80/97 te vergoeden kosten wordt vastgesteld op 58 031,87 euro.
Full & Egal Universal Law Academy