Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Niet-contractuele aansprakelijkheid - Voorwerp - Handelingen van gemeenschapsinstellingen of handelingen van personeelsleden van Gemeenschap - Begrip - Handelingen van primair gemeenschapsrecht - Daarvan uitgesloten - Schade voortvloeiend uit Europese Akte
[EG-Verdrag, art. 7 A (thans, na wijziging, art. 14 EG) en art. 215, tweede alinea (thans art. 288, tweede alinea, EG)]
2. Niet-contractuele aansprakelijkheid - Voorwaarden - Normatieve handeling die economische beleidskeuzen impliceert - Voldoende gekwalificeerde schending van ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel
[EG-Verdrag, art. 215, tweede alinea (thans art. 288, tweede alinea. EG)]
3. Gemeenschapsrecht - Beginselen - Bescherming van gewettigd vertrouwen - Voorwaarden
4. Niet-contractuele aansprakelijkheid - Schending door gemeenschapsinstellingen van wettelijke verplichting tot handelen - Verdwijnen van beroep van douane-expediteur ten gevolge van Europese Akte - Handelingsplicht van instellingen - Geen - Verplichting voor Gemeenschap om leden van betrokken beroepssector schadeloos te stellen - Geen
[EG-Verdrag, art. 215, tweede alinea (thans art. 288, tweede alinea, EG)]
Samenvatting
$$1. Wat de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap betreft, kan de oorzaak van de schade die de douane-expediteurs door de afschaffing van de douanegrenzen en de fiscale grenzen tussen de lidstaten hebben geleden, niet aan de Raad en de Commissie worden toegerekend. De rechtstreekse en bepalende oorzaak van die schade is immers niet de vaststelling van een aantal besluiten van afgeleid recht en evenmin het ontbreken van passende compensatie- en begeleidingsmaatregelen, maar artikel 13 van de Europese Akte, waarbij in het EEG-Verdrag een artikel 8 A, vervolgens 7 A van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 14 EG) is ingevoegd, waarin onder meer wordt bepaald, dat de interne markt (...) een ruimte zonder binnengrenzen [omvat]". De Europese Akte is evenwel vastgesteld door de lidstaten en kan dus niet aan genoemde instellingen worden toegerekend en derhalve evenmin de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap meebrengen.
( cf. punt 19 )
2. De Gemeenschap kan slechts niet-contractueel aansprakelijk worden gesteld voor schade die voortvloeit uit hetzij de vaststelling van normatieve handelingen van haar instellingen, hetzij onrechtmatige verzuimen om dergelijke handelingen vast te stellen, indien er sprake is van schending van een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel. Indien een instelling in het kader van haar ruime beoordelingsvrijheid een normatieve handeling heeft vastgesteld of heeft verzuimd vast te stellen, kan de Gemeenschap slechts aansprakelijk worden gesteld indien de schending gekwalificeerd is, dit wil zeggen indien het om een kennelijke en ernstige schending gaat.
( cf. punt 24 )
3. Het recht om aanspraak te maken op bescherming van het gewettigd vertrouwen geldt voor elke particulier die in een situatie verkeert waaruit blijkt dat de gemeenschapsinstellingen bij hem gegronde verwachtingen hebben gewekt. Er kan evenwel geen schending van het vertrouwensbeginsel worden aangevoerd wanneer de administratie geen nauwkeurige toezeggingen heeft gedaan.
( cf. punt 32 )
4. Verzuimen van gemeenschapsinstellingen kunnen slechts tot aansprakelijkheid van de Gemeenschap leiden voorzover de instellingen een uit een communautaire bepaling voortvloeiende wettelijke verplichting tot handelen niet zijn nagekomen.
Aangezien het verdwijnen van de werkzaamheid van douane-expediteur noch aan de Raad noch aan de Commissie kan worden toegerekend, rustte op hen geen verplichting tot vergoeding van de schade die daaruit zou kunnen voortvloeien. In het bijzonder behoeft niet te worden nagegaan of er eventueel een algemeen rechtsbeginsel bestaat op grond waarvan de Gemeenschap een persoon tegen wie een onteigeningsmaatregel dan wel een maatregel ter beperking van de vrije uitoefening van zijn eigendomsrecht is genomen, schadeloos moet stellen, aangezien de Gemeenschap niet kan worden verplicht de schade te vergoeden die voortvloeit uit handelingen die haar niet zijn toe te rekenen. Daaruit volgt dat de Gemeenschap niet verplicht is de leden van deze beroepsgroep schadeloos te stellen.
( cf. punten 21-22, 35-37 )
Partijen
In zaak T-614/97,
Aduanas Pujol Rubio SA, gevestigd te Barcelona (Spanje), en de 115 verzoekers wier namen in de bijlage zijn vermeld,
vertegenwoordigd door S. Muñoz Machado, advocaat te Madrid, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. May, advocaat aldaar, Route d'Esch 398,
verzoekers,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M. C. Giorgi, G. Houttuin en G.-L. Ramos Ruano, juridisch adviseurs, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A. Morbilli, directeur-generaal van de directie juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
en
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. van Lier, juridisch adviseur, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerders,
betreffende een vordering tot vergoeding van de schade, bestaande in de kosten van herstructurering of vereffening van hun ondernemingen, die verzoekers zouden hebben geleden door de instelling, met ingang van 1 januari 1993, van de interne markt overeenkomstig de Europese Akte, waardoor de werkzaamheid van douane-expediteur in het intracommunautaire handelsverkeer die zij tot die datum uitoefenden, is verdwenen,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, J. Azizi en M. Jaeger, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
De aan het geschil ten grondslag liggende feiten en het rechtskader
1 Bij artikel 13 van de Europese Akte, die te Luxemburg is ondertekend op 17 februari 1986 en te 's-Gravenhage op 28 februari 1986 en in werking is getreden op 1 juli 1987, is het EEG-Verdrag aangevuld met een artikel 8 A, dat ingevolge artikel G, punt 9, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, artikel 7 A EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 14 EG) is geworden en bepaalt:
De Gemeenschap stelt de maatregelen vast die ertoe bestemd zijn de interne markt geleidelijk tot stand te brengen in de loop van een periode die eindigt op 31 december 1992, overeenkomstig de bepalingen van het onderhavige artikel (...)
De interne markt omvat een ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd volgens de bepalingen van dit Verdrag."
2 Waar de totstandbrenging van de interne markt inhield dat tussen de lidstaten van de EEG een ruimte zonder binnengrenzen" zou worden gecreëerd, bracht dit mee dat na het verstrijken van de in voormelde bepaling gestelde termijn, dus vanaf 1 januari 1993, de fiscale grenzen en de douanecontroles aan de binnengrenzen van de Gemeenschap dienden te verdwijnen.
3 Zulks had tot gevolg, dat de voortzetting in het gedrang kwam van de uitoefening van bepaalde economische activiteiten die rechtstreeks verband hielden met het bestaan van douane- en fiscale controles aan de binnengrenzen van de Gemeenschap.
4 Dit had vooral gevolgen voor de douane-agentschappen en douane-expediteurs, die voor rekening van anderen, tegen vergoeding, de douaneformaliteiten vervullen die nodig zijn om de goederen over de grens te brengen. De douane-agentschappen vervullen deze activiteiten voor rekening en in naam van anderen. De douane-expediteurs vervullen deze formaliteiten voor rekening van anderen, doch in eigen naam.
5 Verzoekers stellen dat zij ten gevolge van de totstandbrenging van de interne markt met ingang van 1 januari 1993, waardoor hun werkzaamheid als douane-expediteur in verband met de intracommunautaire handel verdween, kosten voor herstructurering of voor de vereffening van hun ondernemingen hebben gemaakt.
Procesverloop
6 In die omstandigheden hebben verzoekers bij op 31 december 1997 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift het onderhavige beroep tot schadevergoeding ingesteld.
7 Bij beschikking van de president van de Vijfde kamer van het Gerecht van 29 juni 1998 is de behandeling van zaak T-614/97 geschorst tot enerzijds de uitspraak van het Spaanse Tribunal Supremo in de voor hem door de verzoekers onder de nummers 372/95, 374/95, 375/95, 378/95 en 404/95 ingestelde beroepen, en anderzijds de eindbeslissing van het Hof in de verwante procedure, ingeleid door de hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van 29 januari 1998, Dubois et Fils/Raad en Commissie (T-113/96, Jurispr. blz. II-125). In dat arrest was een schadevordering afgewezen die krachtens de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EG-Verdrag (thans de artikelen 235 EG en 288, tweede alinea, EG) was ingesteld en strekte tot veroordeling van de Gemeenschap tot vergoeding van de schade die een Franse douane-expediteur stelde te hebben geleden wegens de instelling met ingang van 1 januari 1993 van de interne markt overeenkomstig de Europese Akte, waardoor de werkzaamheid van douane-expediteur in het intracommunautaire handelsverkeer verdween.
8 Bij beschikking van 8 juli 1999, Dubois et Fils/Raad en Commissie (C-95/98 P, Jurispr. blz. I-4835), heeft het Hof de hogere voorziening gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk kennelijk ongegrond verklaard.
9 Gelet op die beschikking, heeft het Gerecht partijen uitgenodigd hun opmerkingen over het verdere verloop van de procedure in te dienen.
10 In het kader van hun opmerkingen hebben verzoekers het Gerecht ervan in kennis gesteld dat het Tribunal Supremo hun beroepen had verworpen.
Conclusies van partijen
11 Verzoekers concluderen dat het het Gerecht behaagt:
- de procedure niettegenstaande de beschikking Dubois et Fils/Raad en Commissie, reeds aangehaald, voort te zetten;
- de Raad en de Commissie aansprakelijk te stellen in de zin van artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag voor de schade, bestaande in de kosten van herstructurering of vereffening van hun ondernemingen ten gevolge van het verdwijnen van hun werkzaamheden als douane-expediteur in het intracommunautaire handelsverkeer met ingang van 1 januari 1993, welke schade volgens de Spaanse rechter niet voor vergoeding door de Spaanse staat in aanmerking komt;
- de Commissie en de Raad te veroordelen om hun ter vergoeding van deze schade de in de bijlage vermelde bedragen te betalen;
- de Raad en de Commissie te verwijzen in de kosten.
12 De Raad concludeert dat het het Gerecht behaagt:
- te beslissen dat voortzetting van de procedure naar aanleiding van de beschikking Dubois et Fils/Raad en Commissie, reeds aangehaald, niet langer gerechtvaardigd is;
- het beroep af te doen zonder beslissing;
- verzoekers te verwijzen in de kosten.
13 De Commissie concludeert, dat het het Gerecht behaagt te beslissen dat voortzetting van de procedure naar aanleiding van de beschikking Dubois et Fils/Raad en Commissie, reeds aangehaald, niet langer gerechtvaardigd is.
In rechte
14 Volgens artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, wanneer een beroep kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, zonder de behandeling voort te zetten beslissen bij met redenen omklede beschikking. In het onderhavige geval acht het Gerecht zich voldoende voorgelicht door de processtukken om zonder voortzetting van de behandeling te beslissen.
15 Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak (zie, met name, arrest Hof van 15 september 1994, KYDEP/Raad en Commissie, C-146/91, Jurispr. blz. I-4199, punt 19) voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap in de zin van artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag een aantal voorwaarden moeten zijn vervuld: onrechtmatigheid van de aan de gemeenschapsinstellingen verweten gedraging, bestaan van schade en een oorzakelijk verband tussen die gedraging en de gestelde schade. Wanneer aan één van die voorwaarden niet is voldaan, moet het beroep in zijn geheel worden verworpen, zonder dat de overige voorwaarden voor die aansprakelijkheid behoeven te worden onderzocht (arresten Hof KYDEP/Raad en Commissie, reeds aangehaald, punt 81 en van 14 oktober 1999, Atlanta/Raad en Commissie, C-104/97 P, Jurispr. blz. I-6983, punt 65).
16 Verzoekers stellen, dat de schade waarvan zij vergoeding vorderen, bestaat in kosten van herstructurering of vereffening van hun ondernemingen als gevolg van het feit dat met ingang van 1 januari 1993 hun werkzaamheid als douane-expediteur in verband met de intracommunautaire handel is verdwenen. Zij menen, dat die schade drie verschillende oorzaken heeft: in de eerste plaats de vaststelling door verweerders van maatregelen van afgeleid recht welke de onverwachte verdwijning, met ingang van 1 januari 1993, van de douaneformaliteiten tussen de lidstaten tot gevolg hadden; in de tweede plaats het ontbreken van afdoende compenserende en begeleidende maatregelen, en in de derde plaats de onjuiste uitvoering van verordening (EEG) nr. 3904/92 van de Raad van 17 december 1992 betreffende aanpassingsmaatregelen ten behoeve van de douane-expediteurs met het oog op de totstandkoming van de interne markt (PB L 394, blz. 1).
17 Met betrekking tot de eerste twee gestelde oorzaken van de schade betogen verzoekers, dat verweerders in het kader van de uitvoering van de Europese Akte de douaneformaliteiten geleidelijk hadden moeten afschaffen, dan wel compenserende of begeleidende maatregelen hadden moeten vaststellen.
18 Zij menen dus in wezen, dat verweerders hadden moeten voorkomen dat de verdwijning van de werkzaamheid van intracommunautaire douane-expediteur die beroepsgroep ertoe verplichtte haar ondernemingen te herstructureren of te vereffenen of de kosten daarvoor te dragen.
19 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat het verdwijnen van de intracommunautaire werkzaamheid van douane-expediteur het gevolg is van de opheffing van de douane- en fiscale grenzen tussen lidstaten, waarvan de directe en beslissende oorzaak noch in de vaststelling van handelingen van afgeleid recht, noch in het ontbreken van afdoende compenserende en begeleidende maatregelen is gelegen, maar in artikel 13 van de Europese Akte waarbij in het EG-Verdrag een artikel 8 A, dat nadien artikel 7 A van het Verdrag is geworden, is ingevoegd, bepalende De interne markt omvat een ruimte zonder binnengrenzen". De Europese Akte is evenwel vastgesteld door de lidstaten. Die Akte kan dus niet aan verweerders worden toegerekend, zodat deze niet tot een niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap kan leiden (beschikking Dubois et Fils/Raad en Commissie, reeds aangehaald, punten 18-20).
20 Het voornaamste of uitsluitende doel van de door verzoekers op het moment van de totstandbrenging van de interne markt beheerde ondernemingen was de uitoefening van intracommunautaire werkzaamheden als douane-expediteur, zodat het verdwijnen van die beroepen, onder welke omstandigheden dit ook geschiedde, onvermijdelijk kosten van herstructurering of vereffening mee moest brengen die niet aan verweerders kunnen worden toegerekend.
21 Verder behoefden verweerders niet te voorkomen, dat het verdwijnen van de werkzaamheid van intracommunautaire douane-expediteur verzoekers ertoe zou verplichten hun ondernemingen te herstructureren of te vereffenen, of de kosten daarvan te dragen.
22 Enerzijds was het verdwijnen van de betrokken werkzaamheid immers niet aan verweerders toe te rekenen, waardoor op hen geen verplichting rustte tot vergoeding van de schade die daaruit zou kunnen voortvloeien. In het bijzonder behoeft niet te worden nagegaan, of er eventueel een algemeen rechtsbeginsel bestaat op grond waarvan de Gemeenschap een schadeloosstelling moet betalen aan een persoon tegen wie een onteigeningsmaatregel dan wel een maatregel ter beperking van de vrije uitoefening van zijn eigendomsrecht is genomen, en waarvan de schending aanleiding zou kunnen geven tot een beroep op basis van artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag. Een dergelijke verplichting tot schadeloosstelling ware immers enkel denkbaar ten aanzien van handelingen van de gemeenschapsinstellingen, aangezien de Gemeenschap niet verplicht kan worden de schade te vergoeden die voortvloeit uit handelingen die niet aan haar zijn toe te rekenen.
23 Anderzijds zijn de argumenten betreffende de onwettigheid van handelingen en verzuimen van verweerders kennelijk rechtens ongegrond.
24 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat indien de gestelde onwettigheid, zoals in casu, een normatieve handeling betreft, de Gemeenschap slechts aansprakelijk is indien wordt vastgesteld dat een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel is geschonden. Indien verder de instelling de normatieve handeling heeft vastgesteld in het kader van haar ruime discretionaire bevoegdheid, kan de Gemeenschap bovendien slechts aansprakelijk worden gesteld ingeval van een gekwalificeerde schending, dat wil zeggen een kennelijke en ernstige schending. Deze criteria gelden eveneens wanneer het gaat om een onrechtmatig verzuim (arrest Dubois et Fils/Raad en Commissie, reeds aangehaald, punten 59 en 60).
25 In de eerste plaats bestrijden verzoekers de wettigheid van de handelingen van afgeleid recht welke de afschaffing van de douaneformaliteiten binnen de Gemeenschap met ingang van 1 januari 1993 tot gevolg hadden.
26 Zij verklaren om te beginnen, dat verweerders deze douaneformaliteiten slechts geleidelijk hadden moeten opheffen gedurende de periode tussen het in werking treden van de Europese Akte en 31 december 1992, de uiterste datum voor de instelling van de interne markt. Dit argument is gebaseerd op artikel 13 van de Europese Akte, waarvan de eerste alinea bepaalt dat de Gemeenschap (...) de maatregelen vast[stelt] die ertoe bestemd zijn de interne markt geleidelijk tot stand te brengen in de loop van een periode die eindigt op 31 december 1992".
27 Zelfs indien de term geleidelijk" een bron voor een rechtsplicht van verweerders is en die plicht als een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel kan worden aangemerkt, slaat die term op de instelling van de interne markt in zijn geheel, waarvoor cumulatief belemmeringen voor het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal moeten worden afgeschaft, en niet op de uitvoering van elk van de vele daarmee verband houdende bijzondere maatregelen afzonderlijk. Vóór de opheffing van de douaneformaliteiten - slechts een van die maatregelen - moest bovendien noodzakelijkerwijs eerst het grootste gedeelte van de belemmeringen zijn opgeheven, zodat de opheffing pas in een laat stadium van de geleidelijke totstandbrenging van de interne markt mogelijk was.
28 Verzoekers betogen vervolgens dat verweerders, door handelingen van afgeleid recht vast te stellen die de opheffing van de douaneformaliteiten tot gevolg hadden, het evenredigheidsbeginsel hebben geschonden, omdat het offer dat door de beroepsgroep van douane-agenten en douane-expediteurs moest wordend gebracht, onevenredig groot was.
29 Dienaangaande zij eraan herinnerd, enerzijds dat het verdwijnen van de intracommunautaire werkzaamheden van douane-expediteur als zodanig niet aan verweerders kan worden toegerekend en zij niet gehouden zijn de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden. Anderzijds, wat de omstandigheden van dit verdwijnen betreft, is zojuist vastgesteld dat de Gemeenschap, daar vóór de afschaffing van de douaneformaliteiten eerst het grootste gedeelte van de belemmeringen met betrekking tot het vrije verkeer van goederen moest zijn opgeheven, geen andere mogelijkheid had dan de maatregelen die dat verdwijnen tot gevolg hadden, in een laat stadium van de totstandbrenging van de interne markt vast te stellen.
30 Het argument dat verweerders, door handelingen van afgeleid recht vast te stellen die de afschaffing van de douaneformaliteiten meebrachten, het evenredigheidsbeginsel zouden hebben geschonden, is dus kennelijk ongegrond.
31 Ten slotte stellen verzoekers schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen.
32 Het Gerecht herinnert eraan, dat het recht om aanspraak te maken op bescherming van het gewettigd vertrouwen geldt voor elke particulier die in een situatie verkeert waaruit blijkt, dat de gemeenschapsinstellingen bij hem gegronde verwachtingen hebben gewekt. Er kan evenwel geen schending van het vertrouwensbeginsel worden aangevoerd wanneer de administratie geen nauwkeurige toezeggingen heeft gedaan (arrest Dubois et Fils/Raad en Commissie, reeds aangehaald, punt 68).
33 Het Gerecht stelt vast, dat verzoekers in het onderhavige geval niets hebben aangevoerd waaruit blijkt of op basis waarvan kan worden verondersteld, dat de gemeenschapsinstellingen bij hen gegronde verwachtingen hebben gewekt dat zij gepaste compenserende of aanpassingsmaatregelen zouden treffen.
34 Het argument betreffende de schending van het vertrouwensbeginsel is dus kennelijk ongegrond.
35 In de tweede plaats verwijten verzoekers verweerders, dat zij geen schadeloosstellingen hebben vastgesteld. Voorzover dat verzuim tot gevolg heeft dat uitsluitend de douane-agentschappen en -expediteurs de lasten moeten dragen van de totstandbrenging van de interne markt die voor de andere marktdeelnemers een gunstig effect heeft, levert het volgens hen een schending van het billijkheids- en het evenredigheidsbeginsel op.
36 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat verzuimen van gemeenschapsinstellingen slechts tot aansprakelijkheid van de Gemeenschap kunnen leiden voorzover de instellingen een uit een gemeenschapsbepaling voortvloeiende wettelijke verplichting tot handelen niet zijn nagekomen (arrest KYDEP/Raad en Commissie, reeds aangehaald, punt 58).
37 Hierboven is echter vastgesteld, dat verweerders niet de schade behoefden te vergoeden die uit het verdwijnen van de intracommunautaire werkzaamheid van douane-expediteur kon voortvloeien.
38 Het argument is dus kennelijk ongegrond.
39 Bovendien stelt het Gerecht vast, dat blijkens een mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europese Parlement en het Economisch en Sociaal Comité betreffende aanpassingsmaatregelen ten behoeve van de douane-expediteurs met het oog op de totstandkoming van de interne markt [SEC (92) 887 def.; hierna: mededeling van de Commissie"], diverse begeleidende maatregelen zijn genomen om het hoofd te bieden aan de sociaal-economische gevolgen van de totstandbrenging van de interne markt voor deze bedrijfstak.
40 Zo heeft de Gemeenschap, nadat de Commissie in 1991 een door het Europees Sociaal Fonds gefinancierd onderzoek had laten verrichten (mededeling van de Commissie, blz. 6-11, punt II), drie categorieën van maatregelen vastgesteld.
41 In de eerste plaats heeft het Europees Sociaal Fonds de douane-expediteurs en hun personeel gelijkgesteld met langdurig werklozen, zodat zij in aanmerking komen voor opleidingsacties, hulp bij de tewerkstelling en specifieke acties, waaronder tussenkomsten ter vergemakkelijking van hun beroepskeuze, ten laste van het Fonds (mededeling van de Commissie, blz. 14-16, punt IV.1).
42 In de tweede plaats is in het kader van het Interreg-programma steun verleend voor de herstructurering van de betrokken ondernemingen, de opleiding en de reorganisatie van het personeel ervan, de omschakeling en wederinrichting van de zones voor de behandeling van goederen aan grensovergangen, alsmede het scheppen van vervangende arbeidsplaatsen (mededeling van de Commissie, blz. 16 en 17, punt IV.2).
43 In de derde plaats, en ter aanvulling van voormelde acties, die alle plaatsvinden in het kader van de structuurfondsen, zijn een aantal maatregelen voorgesteld en goedgekeurd buiten de context van de structuurfondsen. Op die basis heeft de Raad verordening nr. 3904/92 vastgesteld.
44 Daaruit volgt dat de gemeenschapsinstellingen, zonder daartoe gehouden te zijn, verschillende begeleidende maatregelen hebben vastgesteld ter aanvulling van de door de lidstaten ondernomen acties.
45 Wat de derde gestelde oorzaak van de schade betreft, te weten de onjuiste uitvoering van verordening nr. 3904/92, betogen verzoekers enerzijds, dat de krachtens die verordening toegekende steun in Spanje bijna uitsluitend aan overheidsinstanties is toegekend. Anderzijds zijn volgens hen de voorwaarden voor het indienen van projecten en de criteria ter beoordeling van deze projecten niet bekend gemaakt.
46 Dienaangaande zij vastgesteld dat verordening nr. 3904/92, die alleen tot doel had aanvullende communautaire maatregelen vast te stellen die bijdragen aan de door de lidstaten ondernomen acties (achtste overweging van de considerans van de verordening), enkel het algemene kader voor die maatregelen vaststelde en de uitvoering daarvan voor het wezenlijke aan de lidstaten opdroeg. Zo voorzag die verordening in artikel 2, lid 2, in de mogelijkheid van gemeenschapsmaatregelen die bestemd zijn om ondernemingen bij te staan wier belangrijkste activiteit bestond in het vervullen van intracommunautaire douaneformaliteiten. Voordat die bijstand kon worden verleend moesten met name de lidstaten de zones vaststellen die voor subsidie in aanmerking kwamen (artikel 3, eerste alinea, van de verordening) en moesten bijstandsaanvragen worden ingediend door de bevoegde instanties die door de lidstaten waren aangewezen (artikel 6 van de verordening). Daaruit volgt, dat de inventarisering van de eventueel voor steun in aanmerking komende projecten binnen elke lidstaat door die lidstaat moest geschieden en niet door de Raad of de Commissie. De grieven van verzoekers betreffende dit aspect van de uitvoering van verordening nr. 3904/92 in Spanje kunnen derhalve niet aan verweerders worden toegerekend.
47 Mitsdien moet het beroep kennelijk rechtens ongegrond worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
48 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd.
49 Aangezien verzoekers in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij overeenkomstig de vordering van de Raad, in hun eigen kosten alsmede in die van de Raad worden verwezen. De Commissie zal haar eigen kosten dragen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt kennelijk rechtens ongegrond verklaard.
2) Verzoekers dragen hun eigen kosten, alsmede die van de Raad.
3) De Commissie draagt haar eigen kosten.
Full & Egal Universal Law Academy