Conclusie van de advocaat generaal
A - Inleiding
1 In deze zaak moet uitspraak worden gedaan op een hogere voorziening die een (gewezen) ambtenaar van het Europees Parlement (hierna: "rekwirant"(1)) heeft ingesteld tegen een arrest van het Gerecht van eerste aanleg(2) van 5 november 1997, waarbij zijn verzoek tot herziening van een in 1991 door het Gerecht gewezen arrest(3) niet-ontvankelijk is verklaard wegens het ontbreken van nieuwe feiten. Bij laatstgenoemd arrest was zijn beroep tegen de tuchtmaatregel van terugzetting van de rang A 3 in de rang A 7 verworpen.
B - Feiten
2 Al deze zaken zijn terug te voeren op tuchtprocedures tegen H. de Compte, een inmiddels gepensioneerde gewezen ambtenaar van het Europees Parlement. Deze procedures - waarvan de laatste in 1987 werd ingeleid - betroffen zijn werkzaamheden als rekenplichtige van het Europees Parlement. Hem werden diverse onregelmatigheden verweten, die hij in het kader van deze werkzaamheden zou hebben begaan.(4) Tegen de door het Europees Parlement in het tuchtbesluit gelaste terugzetting in rang stelde rekwirant in 1988 beroep in, dat in oktober 1991 door het Gerecht werd verworpen.(5)
3 De tegen dit arrest ingestelde hogere voorziening werd bij arrest van het Hof van 2 juni 1994 afgewezen. Met betrekking tot de door het Parlement tegen rekwirant ingebrachte beschuldigingen merkte het Hof op(6):
"Blijkens het bestreden arrest heeft het Gerecht de volgende, door het tot aanstelling bevoegde gezag tegen rekwirant (...) ingebrachte beschuldigingen gegrond bevonden:
a) verantwoordelijkheid voor het feit dat (...) op 21 juli 1980 een rentedragende zichtrekening hebben geopend bij de Midland Bank te Londen en op deze rekening 400 000 UKL hebben uitgezet tegen een rente van 16 % per jaar, zonder voorafgaande toestemming, zonder registratie van deze verrichtingen in de boekhouding en zonder inschrijving van de rente in de boeken van het Parlement in 1980 en 1981;
b) inning, op 4 september 1981 en 11 november 1981, zonder duidelijke en geldige motivering, van twee cheques getrokken op de Midland Bank ten bedrage van 17 189,15 UKL respectievelijk 35 176,98 UKL, die door de bank Sogenal te Luxemburg in BFR, DM en FF zijn uitbetaald; niet-inschrijving van deze verrichtingen in de boeken van het Parlement in het begrotingsjaar 1981; inschrijving in de boekhouding met zes maanden vertraging (28 februari 1982) van een totaal bedrag van 4 136 125 BFR, dat echter in verschillende valuta was uitgekeerd;
c) niet-nakoming van de verplichting van de rekenplichtige om slechts uitgaven te verrichten tegen overlegging van deugdelijke bewijsstukken en te waken over het behoud van de middelen van het Parlement (ontbreken van bewijsstukken voor een bedrag van 4 100 000 BFR, dat in de kas van het Parlement ontbrak)."
Aan de rekenplichtige werd dus niet een verlies van middelen, maar het ontbreken van deugdelijke bewijsstukken verweten, zoals ook het Gerecht in zijn arrest van 1997 nog eens in herinnering heeft gebracht.(7)
4 De conclusies van het Gerecht werden door het Hof geciteerd als volgt(8):
"195 Het Gerecht stelt vast, dat de argumenten van partijen met betrekking tot de onderhavige grief in hoofdzaak draaien om twee vragen: in de eerste plaats, of rechtens naar genoegen is aangetoond dat het tekort van 4,1 miljoen BFR, dat is vastgesteld in de kas voor de afgevaardigden en waarvoor bewijsstukken ontbreken, te wijten is aan de boeking van de inning van de twee op de Midland Bank getrokken cheques voor een totaal bedrag in Belgische franken; (...)
196 Met betrekking tot de eerste vraag moet worden opgemerkt, dat het tot aanstelling bevoegde gezag de conclusie waartoe het in zijn tuchtrechtelijk besluit is gekomen, met de volgende vaststellingen heeft gemotiveerd. Het saldo van de rekening $kas BFR' aan het einde van het begrotingsjaar 1981 stemde overeen met het saldo dat op de rekening $kas BFR' was geboekt op het moment van de controle door de Rekenkamer op 18 maart 1982. Volgens de boeken van het Parlement is op 28 februari 1982 een boeking verricht van 4 136 125 BFR, zijnde het totale bedrag in BFR van de twee op de Midland Bank getrokken cheques. De Rekenkamer betwist, dat deze boeking op 28 februari 1982 heeft kunnen plaatsvinden, daar zij bij haar controle van de kas voor de afgevaardigden in maart 1982 ontbrak. Deze boeking doet een gebrek aan evenwicht ontstaan tussen de rekeningen $boekingen-Midland Bank' en $kas BFR' enerzijds, en het kasboek voor de geldvoorraad in de kluis anderzijds. Dit gebrek aan evenwicht levert een dienovereenkomstig kastekort op (namelijk 4 136 125 BFR), waarvan het bestaan door de Rekenkamer, de interne controles van het Parlement en het besluit van het Parlement van 11 juli 1986 inzake het verlenen van kwijting voor het begrotingsjaar 1982 is bevestigd. In zijn brief van 30 maart 1982 aan de voorzitter van het Parlement heeft verzoeker erkend, dat een bedrag van 4 121 573 BFR niet als uitgaven in de boekhouding was opgenomen. Verzoeker, die als rekenplichtige elke kasverrichting moest rechtvaardigen, heeft geen enkel bewijsstuk overgelegd voor de betaling van een bedrag gelijk aan het kastekort en heeft evenmin de oorsprong van dit tekort verklaard.
(...)
200 Uit (...) leidt het Gerecht af, dat het tot aanstelling bevoegde gezag in het betwiste besluit ervan is uitgegaan, dat er een verband bestond tussen het ontstaan van een tekort van 4,1 miljoen BFR in de kas voor de afgevaardigden en de inning van de twee litigieuze, op de Midland Bank getrokken cheques, met de overweging dat deze verrichting niet op zondag 28 februari 1982 is geboekt, maar na 18 maart 1982, op welke datum de Rekenkamer een controle heeft verricht. Het tot aanstelling bevoegde gezag heeft het bewezen geacht, dat de laattijdige boeking van de inning van de twee cheques een tekort van 4 136 125 BFR aan het licht heeft gebracht, overeenstemmend met het bedrag van voornoemde cheques. Het Gerecht is van oordeel, dat de uitlegging die het tot aanstelling bevoegde gezag aldus aan de hem voorgelegde feiten heeft gegeven, steun vindt in de opeenvolgende adviezen van de Rekenkamer en van de tuchtraad, die grondige onderzoeken hebben ingesteld teneinde de omstandigheden die aan het tekort ten grondslag liggen, op te helderen.
201 Onder die omstandigheden (...) moet derhalve worden vastgesteld, dat het tot aanstelling bevoegde gezag het in het bestreden besluit bewezen mocht achten, dat het ontbreken van bewijsstukken in casu verband houdt met de inning van de twee op de Midland Bank getrokken cheques. Hieruit volgt, dat verzoeker niet heeft aangetoond dat het betwiste besluit een motiveringsgebrek vertoont of gebrekkig is wegens kennelijke dwaling ten aanzien van de feiten of het recht of wegens misbruik van bevoegdheid, aan welke begrippen de rechter bij wie een beroep tot nietigverklaring is ingesteld, de wettigheid van een administratief besluit mag toetsen."(9)
C - Aanleiding voor het verzoek tot herziening
5 Op 28 juni 1995 - dus na het arrest van het Hof van 2 juni 1994, waarbij het arrest van het Gerecht van oktober 1991 werd bevestigd - stelde de rapporteur van de begrotingscommissie van het Parlement, de afgevaardigde J.-C. Pasty, een ontwerprapport op waarin kwijting werd verleend voor de uitvoering van de begroting van het Parlement voor het begrotingsjaar 1993. In dat ontwerprapport bracht de heer Pasty de zaak van de kas voor de afgevaardigden ter sprake. Tijdens haar vergadering van september 1995 hechtte de begrotingscommissie haar goedkeuring aan het ontwerprapport van de heer Pasty, met uitzondering evenwel van het hoofdstuk over de zaak van de kas voor de afgevaardigden, dat door de rapporteur werd ingetrokken.
6 In een meer dan 30 bladzijden beslaande (en uit 283 punten bestaande) brief van februari 1996 aan de directeur-generaal Personeel, Begroting en Financiën van het Parlement ging de heer Pasty uitvoerig in op de tegen rekwirant ingebrachte beschuldigingen. Hij kwam daarbij tot de conclusie, dat die beschuldigingen ongegrond waren, onder meer omdat de controles door de Rekenkamer niet zorgvuldig waren verricht, bewijsstukken voor het bestaan van een tekort van het aangegeven bedrag ontbraken en een dergelijk tekort ook andere oorzaken kon hebben.
7 Naar aanleiding van deze brief diende rekwirant in juni 1996 een verzoek tot herziening in, dat door het Gerecht niet-ontvankelijk werd verklaard.(10) Naar het oordeel van het Gerecht waren de voorwaarden voor herziening - het bestaan van feiten die van beslissende invloed kunnen zijn en die vóór de uitspraak van het arrest onbekend waren aan het Gerecht en aan de partij die de herziening verzoekt - niet vervuld. Bij de door verzoeker tot herziening aangevoerde feiten ging het volgens het Gerecht om loutere beweringen, veronderstellingen en persoonlijke beoordelingen van de heer Pasty. Het Gerecht voerde ook aan, dat de aangevoerde feitelijke omstandigheden hem niet tot een andere oplossing van het geschil konden brengen. Voor een deel zou het ook gaan hetzij om feiten die verzoeker tot herziening reeds tijdens de eerdere procedures bekend waren geweest, hetzij om feiten waarvoor hij niet, zoals het Reglement voor de procesvoering voorschrijft, middelen strekkende tot bewijs had aangevoerd, hetzij om feiten die niet voldoende duidelijk en nauwkeurig waren omschreven om verweerder in staat te stellen, zijn verweer voor te bereiden, en het Gerecht om uitspraak te doen op het verzoek tot herziening.(11)
8 Tegen dit arrest heeft rekwirant op 7 januari 1998 hogere voorziening ingesteld, in het kader waarvan hij concludeert dat het het Hof behage:
- de hogere voorziening ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- het arrest van het Gerecht van 5 november 1997 te vernietigen;
- de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht, teneinde het verzoek tot herziening ontvankelijk te doen verklaren;
- het Parlement te verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure en van die voor het Gerecht.
9 Het Parlement heeft geconcludeerd dat het het Hof behage:
- de hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren;
- subsidiair, de hogere voorziening ongegrond te verklaren;
- te beslissen omtrent de kosten overeenkomstig artikel 69, lid 3, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
D - Relevante bepalingen van gemeenschapsrecht
10 Met betrekking tot de mogelijkheid van hogere voorziening bij het Hof bepaalt artikel 168 A, lid 1, EG-Verdrag, dat tegen de uitspraken van het Gerecht een tot rechtsvragen beperkte hogere voorziening kan worden ingesteld. Artikel 51 van 's Hofs Statuut-EG (hierna: "Statuut-EG") is in dit verband gedetailleerder. Daar heet het:
"Hogere voorziening bij het Hof kan alleen rechtsvragen betreffen. Zij moet gebaseerd zijn op middelen ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht, waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan, dan wel schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht.
(...)"
11 De herziening is geregeld in artikel 41 van het Statuut-EG, dat deel uitmaakt van titel III ("Procedure"), die ingevolge artikel 46, eerste alinea, van het Statuut-EG ook van toepassing is op de procedure voor het Gerecht. Artikel 41 luidt:
"Herziening van een arrest kan aan het Hof slechts worden verzocht op grond van de ontdekking van een feit, dat van beslissende invloed kan zijn en dat, vóór de uitspraak van het arrest, onbekend was aan het Hof en aan de partij, die de herziening verzoekt.
De herzieningsprocedure begint met een arrest, waarbij het Hof, uitdrukkelijk het bestaan van een nieuw feit vaststellende en oordelende dat het grond tot herziening oplevert, uit dien hoofde het verzoek ontvankelijk verklaart.
(...)"
12 Volgens artikel 126, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet het verzoek tot herziening bevatten:
"(...)
c) de omschrijving van het feit waarop het verzoek berust;
d) een vermelding van de middelen strekkende tot het bewijs dat de herziening gerechtvaardigd is en dat de in het voorgaande artikel bedoelde termijnen in acht zijn genomen".
E - Argumenten van partijen
13 Rekwirant maakt eerst enige algemene opmerkingen over het arrest van het Gerecht en komt vervolgens met een persoonlijke en puntsgewijze analyse van het door hem aangevochten arrest.
14 Hij gaat in het bijzonder in op de brief van de heer Pasty, waarop zijn verzoek tot herziening vooral gebaseerd was. Hij wijst op de competentie en de functie van de schrijver van de brief, die onder meer rapporteur van de begrotingscommissie van het Parlement is. Het gaat dus om iemand die vrije toegang heeft gehad tot alle boekhoudkundige stukken van de administratie. Deze is op grond van een gedetailleerd onderzoek in zijn brief tot de conclusie gekomen, dat de tegen de heer de Compte ingebrachte beschuldigingen ongegrond waren. Die brief is volgens rekwirant dan ook een nieuw feit, dat van beslissende invloed kan zijn.
15 Het Gerecht had aan dit document, dat nooit op enigerlei wijze is bestreden, in de herzieningsprocedure evenveel bewijskracht moeten toekennen als het in de eerdere procedure heeft toegekend aan de verklaringen van de ambtenaren van het Parlement en de Rekenkamer, waarop het zijn uitspraak heeft gebaseerd en die het als onweerlegbare bewijzen heeft beschouwd. Het Gerecht heeft volgens rekwirant niet voldaan aan zijn verplichting om hem in de gelegenheid te stellen, zijn bewijzen - juist zoals de tegenpartij - aan te voeren.
16 Het Gerecht is volgens rekwirant uitgegaan van een verkeerde (rechts)opvatting door de door de heer Pasty behandelde problematiek niet als een nieuw feit te beschouwen, ofschoon de elementen die de heer Pasty naar voren heeft gebracht om de stellingen van het Parlement onderuit te halen, nieuw zijn. Zijn beweringen zijn op schrift gesteld en hebben dezelfde waarde als de door ambtenaren gedane beweringen die ten grondslag lagen aan de beschuldigingen waarop het Gerecht zijn arrest van oktober 1991 heeft gebaseerd.
17 De brief van de heer Pasty moet volgens rekwirant in zijn totaliteit worden onderzocht. Het Gerecht is dan ook ten onrechte niet op de essentiële conclusie ingegaan. Deze conclusie levert zeker een nieuw feit op, namelijk - zoals hij stelt - de ongegrondheid van de tegen hem ingebrachte beschuldigingen.
18 Wanneer reeds op voorhand aan deze beweringen iedere betekenis wordt ontzegd, is dit volgens rekwirant in wezen hetzelfde als wanneer wordt geweigerd een getuige te horen die bereid is de onschuld aan te tonen van iemand die wegens een strafbaar feit - rekwirant heeft het over moord - is veroordeeld.
19 Rekwirant wijst tot slot op verscheidene arresten en beschikkingen van Hof en Gerecht(12) en merkt op, dat het begrip "feit" volgens de rechtspraak van het Hof ruim moet worden uitgelegd. Bovendien lijkt het Hof onder dit begrip niet alleen de feiten in eigenlijke zin te verstaan, maar ook de bewijsmiddelen waarmee het bestaan van deze feiten kan worden aangetoond of ontkend.
20 Het Parlement gaat allereerst in op de vraag, of een hogere voorziening tegen een arrest van het Gerecht waarbij een verzoek tot herziening niet-ontvankelijk is verklaard, ontvankelijk is. Zijns inziens moet een dergelijke hogere voorziening als kennelijk niet-ontvankelijk worden afgewezen. Het voert daartoe twee redenen aan.
21 In de eerste plaats verwijst het naar artikel 168 A van het Verdrag en artikel 51 van het Statuut-EG, volgens welke hogere voorziening beperkt is tot rechtsvragen. Artikel 41 van het Statuut-EG stelt als voorwaarde voor herziening, dat er sprake is van een (nieuw) feit. Daar bovendien volgens artikel 127, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht eerst over de ontvankelijkheid van het verzoek tot herziening moet worden beslist, zonder dat de grond van de zaak wordt geprejudicieerd, beperkt het Gerecht zich hierbij - aldus het Parlement - tot een onderzoek van de feiten, zonder op rechtsvragen in te gaan.
22 Het Parlement verwijst voorts naar de vaste rechtspraak van het Hof, volgens welke het Gerecht als enige bevoegd is de feiten vast te stellen en te beoordelen. Daarom moet een hogere voorziening waarmee enkel een hernieuwd onderzoek van reeds aan het Gerecht voorgelegde feiten wordt beoogd, niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent volgens het Parlement, dat ook een hogere voorziening tegen een arrest waarbij een verzoek tot herziening niet-ontvankelijk is verklaard, die gericht is tegen de beoordeling van de gestelde nieuwe feiten door het Gerecht en enkel een hernieuwd onderzoek van het herzieningsverzoek beoogt, niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
23 In casu heeft het Gerecht met zijn arrest van 5 november 1997 beslist, dat met het verzoek tot herziening in werkelijkheid enkel een hernieuwde beoordeling van reeds bekende feiten, en dus van de gegrondheid van het arrest van 1991, dat inmiddels in kracht van gewijsde was gegaan, werd beoogd. Met zijn hogere voorziening wil rekwirant gedaan krijgen, dat het Hof de aan het Gerecht voorgelegde feiten opnieuw beoordeelt. Daar de hogere voorziening dus feiten en geen rechtsvragen betreft, moet zij volgens het Parlement niet-ontvankelijk worden verklaard.
24 Het Parlement wijst er bovendien op, dat in artikel 51 van het Statuut-EG de grenzen van de ontvankelijkheid van een hogere voorziening zijn bepaald. Verder bepaalt artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat het verzoekschrift in hogere voorziening de aangevoerde middelen en argumenten rechtens moet bevatten. In casu wordt echter door rekwirant geen schending van een rechtsregel gesteld. Hij voert geen juridische argumenten aan, maar uit enkel kritiek op de wijze waarop het Gerecht de aan het verzoek tot herziening ten grondslag liggende feiten heeft beoordeeld. Weliswaar onderwerpt hij het arrest aan een analyse, maar hij voert geen precieze juridische argumenten aan om de hogere voorziening te staven. Met name voert hij geen van de in artikel 51 van het Statuut-EG genoemde middelen aan en preciseert hij niet, waarin de schending van rechtsregels door het Gerecht zou bestaan. Hij beperkt zich integendeel tot een opsomming van fouten die het Gerecht zou hebben gemaakt, voor zover het heeft geweigerd de door de heer Pasty gedane beweringen als nieuwe feiten aan te merken. De hogere voorziening heeft derhalve uitsluitend ten doel, het Hof te verplichten tot een hernieuwd onderzoek van de brief die reeds door het Gerecht is onderzocht. Daarom is het Parlement van mening, dat de hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
25 In verband met de betekenis van de brief van de heer Pasty wijst het Parlement op de gevolgen van de kracht van gewijsde van een arrest. Meningen, beweringen, beoordelingen, verklaringen, uitleggingen, enzovoort betreffende een afgesloten zaak die in kracht van gewijsde is gegaan, mogen niet meer in aanmerking worden genomen. Loutere beweringen, die niet door bewijzen zijn gestaafd, leveren niet een nieuw feit op, dat de bijzondere herzieningsprocedure zou kunnen rechtvaardigen. Indien elke afgesloten zaak op grond van persoonlijke meningen kon worden heropend, zou het rechtszekerheidsbeginsel worden uitgehold. Het Parlement verwijst in dit verband ook naar artikel 126, sub d, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, volgens hetwelk het verzoek tot herziening een vermelding moet bevatten van de middelen die strekken tot het bewijs dat de herziening gerechtvaardigd is.
26 Tegen de bewering van rekwirant, dat hij zijn bewijzen niet op dezelfde voet als de tegenpartij heeft kunnen aanvoeren, brengt het Parlement in, dat rekwirant ook toegang tot alle stukken heeft gehad en dat hem alle middelen ter beschikking hebben gestaan om zich te verdedigen.
27 Tot slot wijst het Parlement erop, dat het op de zaak voor de afgevaardigden betrekking hebbende hoofdstuk van het rapport van de heer Pasty geen officieel document is - daar de rapporteur het heeft ingetrokken en er dus niet over is gestemd -, zodat het ook niet nodig was, het te becommentariëren. De latere brief van de heer Pasty aan de directeur-generaal weerspiegelt - zoals ook het Gerecht heeft verklaard - enkel de persoonlijke mening van de schrijver, zodat er voor het Parlement geen reden was zich daarover uit te laten.
F - Beoordeling
De ontvankelijkheid van de hogere voorziening
28 Wat de ontvankelijkheidsvraag betreft, kan ook in het geval van een hogere voorziening tegen de afwijzing van een verzoek tot herziening wegens het ontbreken van nieuwe feiten niet op voorhand worden uitgesloten, dat door het Hof niet ook rechtsvragen moeten worden onderzocht. Het gaat hierbij niet om de beoordeling van een door het Gerecht afgewezen feit als zodanig, waartoe het Gerecht als enige bevoegd is(13), maar om de toepassing en uitlegging van artikel 41 van het Statuut-EG door het Gerecht. Meer bepaald is dus de vraag, of het Gerecht overeenkomstig artikel 41 van het Statuut-EG op juiste wijze heeft beoordeeld, of de door rekwirant aangevoerde feiten nieuw waren en of zij onbekend waren en van beslissende invloed konden zijn.
29 Wanneer door rekwirant wordt betoogd, dat het Gerecht de te beoordelen begrippen verkeerd heeft uitgelegd, dan moeten zeker ook rechtsvragen worden onderzocht. Het gaat dan bijvoorbeeld niet slechts om de vraag, of een feit dat als nieuw feit is aangevoerd, door het Gerecht terecht niet als zodanig is aangemerkt; in voorkomend geval moet worden onderzocht, of het Gerecht het begrip "nieuw feit" in de zin van artikel 41 van het Statuut-EG niet van meet af aan te eng heeft uitgelegd. Dit is een onderzoek van een rechtsvraag. Ook in het kader van de uitlegging van het begrip "beslissend" kan een juridische toetsing door het Hof noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld wanneer het Gerecht wordt verweten, dat het een bepaling verkeerd heeft toegepast. Daarom kan niet worden aangenomen, dat een hogere voorziening tegen een arrest van het Gerecht waarbij een verzoek tot herziening wegens het ontbreken van nieuwe feiten niet-ontvankelijk is verklaard, zelf per definitie niet-ontvankelijk is.
30 In casu komt rekwirant niet op tegen de feitelijke beoordeling door het Gerecht, volgens welke de aangevoerde feiten op zichzelf geen nieuwe feiten opleveren. Hij is evenwel van mening, dat de brief van de heer Pasty in zijn totaliteit - inclusief de met de conclusies van het Parlement in tegenspraak zijnde slotconclusie - als nieuw feit in de zin van artikel 41 moet worden beschouwd. Tot staving van zijn betoog verwijst hij naar de rechtspraak van het Hof, waaruit hij afleidt dat niet alleen het nieuwe feit op zichzelf, maar ook het desbetreffende bewijsmiddel als nieuw feit in de zin van artikel 41 van het Statuut-EG wordt beschouwd. Wanneer hij bovendien aanvoert, dat het begrip "feit" volgens de rechtspraak ruim moet worden uitgelegd, dan moet daaruit, evenals uit het voorgaande, worden geconcludeerd, dat hij kritiek heeft op de uitlegging van artikel 41 van het Statuut-EG door het Gerecht, en niet alleen op de beoordeling van de feiten door deze rechterlijke instantie. Of dit geldt voor alle punten die hij in het kader van zijn gedetailleerde analyse van het arrest van het Gerecht naar voren brengt, zal ik hierna voor elk argument afzonderlijk moeten onderzoeken. Hoe dan ook is er geen reden om de hogere voorziening op voorhand als kennelijk niet-ontvankelijk af te wijzen; zij moet integendeel ontvankelijk worden geacht.
De gegrondheid van de hogere voorziening
31 Zoals ook uit de rechtspraak van het Hof blijkt, is herziening geen vorm van hoger beroep, maar een buitengewoon rechtsmiddel, "dat het mogelijk maakt, het gezag van gewijsde van een eindarrest in geding te brengen op grond van de feiten waarop de rechterlijke instantie zich heeft gebaseerd. Herziening vooronderstelt de ontdekking van aan de uitspraak van het arrest voorafgaande feiten die de rechter die het arrest heeft gewezen, en de verzoeker tot herziening tot dan toe onbekend waren, en die de rechter, indien hij ze in aanmerking had kunnen nemen, tot een andere oplossing hadden kunnen brengen dan die welke aan het geschil is gegeven."(14)
32 Wanneer rekwirant in casu wijst op de bijzonderheden van het document, te weten de bijzondere positie en functie van de opsteller ervan, en op de gedetailleerde analyse en de daarop gebaseerde conclusie, levert dit nog geen rechtvaardiging op om de kracht van gewijsde van het in deze zaak gewezen arrest aan te tasten. Dat de inhoud van de brief tot dusver niet is betwist, volstaat daartoe evenmin.
33 Rekwirant merkt zelf op, dat de in de brief behandelde materie op zichzelf niet nieuw is. De elementen die hij aanvoert om de conclusies van het Parlement te ontkrachten en om de ongegrondheid van de beschuldigingen aan te tonen, zijn - zoals hij zelf heeft toegegeven - beweringen. Dit is echter op zichzelf niet voldoende om de kracht van gewijsde van een bestaand arrest aan te tasten. Deze beweringen moeten integendeel worden gestaafd.
34 Om deze reden kan rekwirant niet volstaan met op te merken, dat de andere betrokkenen, het Parlement en de Rekenkamer, ook enkel beweringen hadden gedaan en dat het Gerecht op basis daarvan heeft beslist. Bovendien is het arrest niet uitsluitend op grond van de beweringen van het Parlement en de Rekenkamer gewezen. Tijdens het proces is ook rekwirant in de gelegenheid geweest, zich over de tegen hem ingebrachte beschuldigingen uit te spreken. Naar het oordeel van het Gerecht vertoonde de bestreden maatregel geen motiveringsgebrek en was hij ook niet gebrekkig wegens kennelijke dwaling ten aanzien van de feiten of het recht of wegens misbruik van bevoegdheid, aan welke begrippen de rechter bij wie een beroep tot nietigverklaring is ingesteld, de wettigheid van een administratief besluit mag toetsen.(15)
35 Uit het wezen van de herziening blijkt dus, dat een loutere bewering nooit een nieuw feit in de zin van artikel 41 van het Statuut-EG kan zijn. Dit blijkt ook uit artikel 126, lid 1, sub d, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, volgens hetwelk het verzoek tot herziening een vermelding moet bevatten van de middelen die strekken tot het bewijs dat de herziening gerechtvaardigd is.
36 Ook een onderzoek van de door rekwirant aangehaalde rechtspraak leidt niet tot een andere conclusie. Of daarin ook het bewijsmiddel op zichzelf als nieuw feit wordt beschouwd, is niet volstrekt duidelijk, maar dat is hier ook niet van beslissende betekenis. Feit is evenwel, dat in de aangehaalde zaken de gestelde nieuwe feiten steeds ook door bewijsmiddelen werden gestaafd, dan wel zelf documenten waren.(16) Zo werd de indeling van een bepaalde werkzaamheid bevestigd door een kennisgeving van vacature, waarin een overeenkomstig besluit van de secretaris-generaal besloten lag.(17) Een bepaalde praktijk van de Commissie werd bevestigd door verklaringen van haar gemachtigden tijdens een terechtzitting, welke verklaringen op hun beurt werden bewezen door de bandopname die ervan was gemaakt.(18) Als bewijs van wijzigingen die zichtbaar in een tekst waren aangebracht, werd de tekst zelf overgelegd.(19) Er kan daarom van worden uitgegaan, dat - ongeacht of zij als nieuwe feiten dan wel als een bewijs van die feiten werden beschouwd - telkens officiële documenten of verklaringen werden overgelegd om het bestaan van de gestelde nieuwe feiten aan te tonen.
37 In dit verband heeft het Hof beslist, dat een arrest dat een juridische beoordeling bevat van feiten die ten tijde van de uitspraak van een eerder arrest in een andere procedure onbekend waren, "in geen geval zelf een nieuw feit [kan] zijn".(20) Ter bepaling van de termijn voor herziening van het eerdere arrest baseerde het Hof zich op de datum waarop het feit zelf bekend was geworden (het ging onder meer om een medisch rapport), en niet op het latere arrest. Ook de juridische beoordeling van verklaringen in een arrest is door het Hof niet als nieuw feit aangemerkt.(21)
38 In casu wordt niet een officieel document overgelegd, maar een persoonlijke brief, die de persoonlijke mening van de heer Pasty weergeeft. Zijn beoordeling van de feiten is ook niet vergelijkbaar met een officieel deskundigenrapport. Daar ook - zoals gezegd - de juridische beoordeling van feiten door het Hof niet als een nieuw feit wordt beschouwd, geldt dit a fortiori voor de persoonlijke beoordeling door de heer Pasty, die hij niet in zijn hoedanigheid van rapporteur, maar op persoonlijke titel kenbaar heeft gemaakt.
39 Rest mij nog toe te voegen, dat de overlegging van deze brief niet vergelijkbaar is met de aanwijzing van een getuige in een strafrechtelijke procedure. De getuige zelf is immers juist het bewijs van nieuwe feiten, bijvoorbeeld van een alibi voor de veroordeelde. In casu worden echter geen nieuwe feiten gesteld, maar worden reeds bekende feiten anders beoordeeld. Dit alleen kan niet zonder meer en zonder enig bewijs een herziening rechtvaardigen.
40 Vastgesteld moet dus worden, dat de brief, waarin de persoonlijke beoordeling van de feiten door de heer Pasty wordt weergegeven, op zichzelf niet kan worden beschouwd als een nieuw feit dat herziening van het arrest zou rechtvaardigen. Dit zou anders kunnen zijn indien de in de brief gedane beweringen ook op enigerlei wijze werden gestaafd. Of dit het geval is, moet worden nagegaan in het kader van het onderzoek van rekwirants analyse van het arrest van 5 november 1997.
G - De analyse van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg
Punt 1 van rekwirants analyse
Feiten en argumenten van partijen
41 Aan de hand van bepaalde passages van het arrest van november 1997 voert rekwirant aan, dat het Gerecht zijn beweringen ten onrechte niet als nieuw heeft aangemerkt. In dit verband noemt hij in de eerste plaats de bewering, dat men hem - rekwirant - niet in de gelegenheid zou hebben gesteld, de rekeningen in orde te brengen. Als belanghebbende had het hem moeten zijn toegestaan, controles en verificaties te verrichten. Het nieuwe feit bestaat hierin, dat nooit een verklaring in deze zin - zoals thans in de brief van de heer Pasty - is afgelegd. Voorts heeft het Gerecht de verwijten die de heer Pasty het Parlement in zijn brief heeft gemaakt, ten onrechte als loutere veronderstellingen aangemerkt. Volgens deze verwijten zou het Parlement rekwirant pas na enige tijd toegang tot de boekhouding hebben verschaft, wat het Parlement in staat zou hebben gesteld tevoren nieuwe stukken op te stellen of registers aan te leggen, die betrekking hadden op het beheer door de vroegere rekenplichtige, die van zijn post is verdreven. Het gaat hierbij om een feit dat van beslissende invloed is.
Beoordeling
Wanneer rekwirant aanvoert, dat in de brief van de heer Pasty voor het eerst schriftelijk wordt verklaard, dat hij de rekeningen niet in orde heeft kunnen brengen, is dit geen nieuw feit. De omstandigheid op zich is al niet nieuw. Niet alleen aan rekwirant, maar ook aan het Gerecht was bekend, vanaf welk tijdstip hij was overgeplaatst en dat hij nadien geen controles of verificaties meer had kunnen verrichten. Dit feit is bovendien niet van beslissende invloed. Dat het nu door de heer Pasty in diens persoonlijke brief schriftelijk is vastgelegd, maakt het nog niet tot een nieuw feit dat herziening van het arrest zou rechtvaardigen.
42 Wat de aan de administratie verweten opstelling van nieuwe stukken betreft: dit zijn beweringen die niet worden gestaafd en dus geen voldoende grond voor herziening opleveren.
Punt 2 van rekwirants analyse
Feiten en argumenten van partijen
43 Het tweede punt van de analyse heeft betrekking op de weigering van het Gerecht om rekwirant te volgen in zijn betoog, dat de bevoegde autoriteiten van de rekening bij de Midland Bank op de hoogte waren. Rekwirant baseert deze bewering op de brief van de heer Pasty, volgens welke de directeur Financiën van het Parlement in februari 1982 een ontvangstopdracht (ordonnance de recette) voor een bedrag van 19 000 UKL zou hebben ondertekend, die op de litigieuze rekening betrekking had.
44 Het Gerecht stelde echter vast, dat uit de betrokken ontvangstopdracht enkel bleek, dat zij door de opsteller ervan was gedateerd mei 1982 en door de directeur Financiën in dezelfde maand was ondertekend, dat wil zeggen pas nadat de Midland Bank het Parlement van het bestaan van de rekening in kennis had gesteld. Het Gerecht leidde daaruit af, dat het gestelde nieuwe feit hem in geen geval tot een andere oplossing kon brengen dan die waartoe het in het arrest van oktober 1991 was gekomen.
45 In hogere voorziening betoogt rekwirant thans, dat het Gerecht ten onrechte eraan is voorbijgegaan, dat de ontvangstopdracht betrekking had op rente van de Midland Bank op 24 februari 1982, dat wil zeggen op een datum vóór april 1982 en dus vóór het moment waarop de Midland Bank het bestaan van een desbetreffende rekening kenbaar maakte. Bovendien stelt de heer Pasty in punt 34 van zijn brief, dat de documenten betreffende de opening van de rekening zich in de archieven bevinden en dat dus niet kan worden gezegd, dat het om een geheime of zwarte rekening ging.
Beoordeling
46 Wanneer het Gerecht in zijn arrest van 1997(22) overweegt, dat de ontvangstopdracht in mei 1982 is ondertekend, gaat het hier om een feitelijke vaststelling die niet vatbaar is voor toetsing door het Hof. Wanneer rekwirant nu stelt, dat de opdracht betrekking heeft op rente van februari 1982, volgt hieruit nog niet, dat de directeur Financiën, die deze opdracht in mei 1982 heeft ondertekend, reeds vóór die tijd van het bestaan van de rekening op de hoogte was. Zoals ook het Parlement betoogt, kan dit dus niet als bewijs dienen, dat de rekening bekend moest zijn.
Punt 3 van rekwirants analyse
Feiten en argumenten van partijen
47 Rekwirant verwijt het Gerecht voorts, dat het geen rekening heeft gehouden met de verklaring van de heer Pasty, dat hij geen enkel boekhoudkundig document had aangetroffen waaruit een kasoverschot van 14 552 BFR - het door de Rekenkamer genoemde bedrag - bleek, doch enkel een document waarin een overschot van 11 772 BFR werd vastgesteld. Het Gerecht heeft verklaard, dat verzoeker tot herziening, dat wil zeggen rekwirant in de onderhavige procedure, dit document niet overeenkomstig artikel 126, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering tot staving van zijn verzoek had overgelegd. Rekwirant verwijt het Gerecht, dat het dezelfde eisen op het gebied van de overlegging van documenten niet ook heeft gesteld jegens de Rekenkamer, die heeft beweerd dat er sprake was van een overschot van 14 552 BFR, een bedrag dat volgens de heer Pasty door geen enkel document wordt bevestigd. Ook dit levert volgens rekwirant een voor de procedure zeer belangrijk nieuw feit op.
48 Het Parlement betoogt in dit verband, dat het Gerecht het bestaan van een nieuw feit niet enkel heeft ontkend wegens gebrek aan bewijs, maar ook omdat de kwestie inzake een beweerd kasoverschot van 11 772 BFR door verzoeker tot herziening reeds aan de orde was gesteld in het kader van de procedure die aan de tuchtmaatregel was voorafgegaan. Het Gerecht heeft bovendien vastgesteld, dat verzoeker tot herziening destijds al de mogelijkheid had gehad, de gegevens van de Rekenkamer te betwisten.
Beoordeling
49 Het Parlement heeft het bij het rechte eind. Herziening moest dus niet alleen wegens gebrek aan bewijs, maar ook reeds wegens het ontbreken van een nieuw feit worden geweigerd.(23) Wat het werkelijke bedrag van het kasoverschot betreft, is het bovendien nog maar de vraag, of dit van beslissende invloed kan zijn.
Punt 4 van rekwirants analyse
Feiten en argumenten van partijen
50 Rekwirant betoogt hier, dat het Gerecht niet alleen de inning van de twee cheques, maar ook de omstandigheid dat het hierbij naar het oordeel van de heer Pasty om een regelmatige verrichting ging, in aanmerking had moeten nemen en, wat het laatste betreft, als nieuw feit had moeten erkennen. Ter verduidelijking komt hij wederom met het voorbeeld van de getuige in een strafzaak.
51 Volgens het Parlement miskent rekwirant, dat het Gerecht de kern van de bewering van de heer Pasty helemaal niet heeft kunnen onderzoeken, daar het hier om loutere beweringen ging, die niet door bewijzen waren gestaafd. Bovendien, zo vervolgt het Parlement, heeft het Gerecht gedetailleerd uiteengezet, waarom die beweringen geen nieuwe feiten opleverden.
Beoordeling
52 De bewering van rekwirant, dat de inning van de cheques op regelmatige wijze is geschied, kan op zichzelf, zonder dat zij door bewijsmiddelen wordt gestaafd, geen grond voor herziening opleveren. Bij de door rekwirant bedoelde gegevens in de brief van de heer Pasty gaat het om verklaringen volgens welke er bewijzen zouden bestaan voor het feit, dat rekwirant de tegenwaarde van de cheques in de kluis van het Parlement heeft gedeponeerd.(24) Rekwirant refereert aan deze verklaringen van de heer Pasty, zonder de in de brief genoemde bewijzen over te leggen. Dit geldt ook voor de vraag, wanneer de inning van de cheques door rekwirant werd geboekt. De heer Pasty gaat er in zijn brief van uit, dat deze boeking in werkelijkheid in februari plaatsvond. Daaruit leidt hij af, dat het onderzoek door de Rekenkamer, waarbij geen boeking werd vastgesteld, niet volledig en zorgvuldig is geweest. Hij verwijst daarbij naar een door een particulier bedrijf verrichte controle, waarbij de boeking van de tegenwaarde van de twee cheques zou zijn vastgesteld.(25) Hij is echter zeer vaag over de datum waarop het betrokken rapport werd afgegeven en vermeldt niet, op welk tijdstip de controle werd verricht. De brief bevat dus enkel loutere beweringen. Daar rekwirant zich uitsluitend op deze brief beroept, zonder daarnaast andere documenten over te leggen, is er geen grond voor herziening. De boeking zelf - dus zonder een bepaalde datum - levert, zoals ook het Gerecht heeft verklaard, geen nieuw feit op, daar zij reeds tijdens de procedure ter sprake was gebracht.(26) Ook op dit punt kan het arrest van het Gerecht dus niet worden aangevochten.
Punt 5 van rekwirants analyse
Feiten en argumenten van partijen
53 Rekwirant betoogt in dit verband, dat het Gerecht, door erop te wijzen dat de gestelde nieuwe feiten niet duidelijk en precies waren aangegeven, zijn betoog betreffende de conclusies van het arrest van 1991(27) niet op dezelfde wijze heeft beoordeeld als de vroegere beweringen van de ambtenaren van het Parlement en de Rekenkamer. De door hem aangevoerde beweringen in de brief van de heer Pasty zijn naar zijn oordeel echter duidelijk en precies, en bovendien - in tegenstelling tot de loutere beweringen van het Parlement en de Rekenkamer - tot dusver door niemand bestreden. Op die laatste beweringen heeft het Gerecht zijn arrest gebaseerd, terwijl het het betoog van rekwirant als onvoldoende duidelijk en precies van de hand heeft gewezen.
Beoordeling
54 De overwegingen van het Gerecht in het arrest van 1997(28) geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het Gerecht heeft verklaard, dat rekwirant niet had voldaan aan de in artikel 126, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering geformuleerde verplichting, voor zover hij geen omschrijving had gegeven van de feiten waarop zijn herzieningsverzoek berustte. Onder verwijzing naar de rechtspraak heeft het Gerecht vervolgens gepreciseerd, dat de gestelde nieuwe feiten voldoende duidelijk en nauwkeurig moeten worden omschreven, (onder meer) om de tegenpartij in staat te stellen, haar verdediging voor te bereiden, en het Gerecht om op het verzoek te beslissen.(29)
55 Dat de heer Pasty aan de gegeven feiten andere conclusies verbindt, levert - zoals reeds gezegd - op zichzelf nog geen nieuw feit op. Rekwirant dient dan ook nauwkeuriger aan te geven, waarop hij het bestaan van nieuwe feiten baseert, en hoe hij die feiten bewijst. Dit heeft hij niet gedaan.
56 Overigens heeft het Gerecht dit ook aangetoond. Het heeft dus niet slechts het betoog van rekwirant als onvoldoende nauwkeurig van de hand gewezen, maar heeft integendeel verklaard, dat de door hem genoemde punten van de brief van de heer Pasty enkel een persoonlijke beoordeling van de feiten bevatten. Ook hiertegen kan geen bezwaar worden gemaakt.
57 In de door rekwirant genoemde punten 170 tot en met 180 van de brief zet de heer Pasty nog eens uiteen, dat de Rekenkamer zich op verkeerde gegevens baseert. Daar rekwirant een en ander echter niet met nadere documenten staaft, betreft het ook hier enkel loutere beweringen.
58 In zijn brief verklaart de heer Pasty bovendien, dat er boekhoudkundig gezien geen enkele reden is om aan te nemen, dat de twee cheques de oorzaak van het in de boekhouding vastgestelde verschil zijn, daar een dergelijk verschil ook andere oorzaken kan hebben.
59 Indien het hier ging om tot dusver niet in overweging genomen mogelijkheden, zou dit onder omstandigheden een nieuw feit kunnen opleveren. Dit is echter niet het geval. Reeds in het arrest van 17 oktober 1991 wees het Gerecht erop, dat de tuchtraad had verklaard dat hij tijdens zijn beraadslagingen met twee tegenstrijdige stellingen was geconfronteerd, waarvan de ene een verband tussen het in de boekhouding vastgestelde verschil en de inning van de twee cheques uitsloot.(30) Het Gerecht verklaarde bovendien: "Onder die omstandigheden, en ook al heeft de vertegenwoordiger van de Rekenkamer voor de tuchtraad verklaard, dat zelfs bij volledige overeenstemming tussen het in de boekhouding vastgestelde verschil en het bedrag van de twee cheques niet met absolute zekerheid kan worden geconcludeerd, dat het desbetreffende tekort voortvloeit uit de inning van deze cheques, moet derhalve worden vastgesteld, dat het tot aanstelling bevoegde gezag het in het bestreden besluit bewezen mocht achten, dat het ontbreken van bewijsstukken in casu verband houdt met de inning van de twee op de Midland Bank getrokken cheques."(31) Het staat derhalve vast, dat ook in het oorspronkelijke arrest andere mogelijke oorzaken van het in de boekhouding vastgestelde verschil werden genoemd en onderzocht. Ook hier is het bestaan van nieuwe feiten dus niet aangetoond.
Punt 6 van rekwirants analyse Feiten en argumenten van partijen
60 Rekwirant maakt voorts bezwaar tegen het feit dat er geen proces-verbaal bestaat waarin de boekhoudkundige situatie ten tijde van de overdracht van bevoegdheden op de nieuwe rekenplichtige wordt vastgesteld. Hij betwist niet, dat het Gerecht geheel terecht heeft opgemerkt, dat hij dit punt meerdere malen aan de orde had gesteld en dat hij zich tot het Parlement had gewend om dit proces-verbaal te verkrijgen, en dat er dus in zoverre geen sprake is van een nieuw feit.
61 Het nieuwe feit zit hem zijns inziens echter in hetgeen het Parlement voor het eerst in zijn memorie van 25 juli 1996 heeft verklaard, namelijk dat de vaststelling van het verlies niet in een proces-verbaal was opgenomen. Dit ontbreken van een proces-verbaal is volgens rekwirant een wezenlijk element dat van beslissende invloed is op de gehele tuchtprocedure. Nu er geen proces-verbaal bestaat, zijn de beschuldigingen gebaseerd op loutere vermoedens of beweringen, die niet de waarde hebben van een echte juridische expertise, maar, zoals uit de brief van de heer Pasty blijkt, worden betwist.
62 Zo het feit dat het Parlement het ontbreken van een proces-verbaal heeft toegegeven, niet als een nieuw feit werd aangemerkt, zou dit in feite hetzelfde zijn als wanneer in een strafrechtelijke procedure een verzoek tot herziening werd afgewezen, terwijl inmiddels zelfs de aanklager de onschuld van de dader heeft vastgesteld.
63 Met betrekking tot de bewijswaarde van de verklaringen van de ambtenaren van het Parlement merkt rekwirant tot slot op, dat het Gerecht verwijst naar de mondelinge en schriftelijke verklaringen van twee ambtenaren van het Parlement. Dezen hebben echter in de procedure die het Parlement voor het Tribunal de commerce de Luxembourg aanhangig heeft gemaakt tegen de verzekeringsmaatschappij Royale Belge, schriftelijke verklaringen afgelegd die volledig in tegenspraak zijn met hun eerdere uitlatingen. Rekwirant heeft hen dan ook beschuldigd van het afleggen van valse verklaringen.(32)
64 Het Parlement merkt in dit verband op, dat de twee ambtenaren voor de Luxemburgse rechter dezelfde situatie hebben beschreven als die welke door de Rekenkamer, het Parlement en het Gerecht is vastgesteld, en dat zij op basis daarvan hebben geconcludeerd, dat het Parlement een economisch verlies heeft geleden. De door rekwirant jegens hen geuite beschuldigingen zijn volgens het Parlement dan ook kennelijk ongegrond.
65 Met betrekking tot het ontbreken van een proces-verbaal merkt het Parlement op, dat rekwirant zelf erkent, dat dit geen nieuw feit oplevert. Bovendien wijst het erop, dat het betoog betreffende het ontbreken van een proces-verbaal door het Gerecht ook als tardief is aangemerkt.
66 Wanneer - zo vervolgt het Parlement - rekwirant in een opmerking in de memories van het Parlement een nieuw feit ziet, dan haalt hij daarmee de rollen in de herzieningsprocedure door elkaar. Het is niet het Europees Parlement dat met nieuwe feiten komt (en moet komen). Het Parlement preciseert, dat het enkel de aan het arrest van 1991 ten grondslag liggende feiten heeft herhaald. Het verwijst bovendien naar het met redenen omkleed advies van de tuchtraad van november 1987, waaruit blijkt dat deze kwestie reeds in het kader van de tuchtprocedure aan de orde was gesteld en dat een vertegenwoordiger van de Rekenkamer had verklaard, dat een dergelijke procedure van rekening en verantwoording bij de gemeenschapsinstellingen niet gebruikelijk is, gelet op de frequentie en de regelmatigheid van de verrichte controles.
Beoordeling
67 Wat het ontbreken van een proces-verbaal betreft, is mij niet geheel duidelijk, waarin het nieuwe en beslissende feit zou bestaan. Het staat buiten kijf, dat dit ontbreken van een proces-verbaal al eerder aan de orde is gesteld. Dat thans het Parlement zelf hiervan melding maakt, zou hooguit een nieuw feit kunnen opleveren indien dit punt zeer omstreden en voor de beslissing van grote betekenis was geweest. Dit blijkt echter nergens uit.
68 In verband met de beschuldiging aan het adres van de twee ambtenaren zij erop gewezen, dat in het uiterste geval een veroordeling wegens het afleggen van valse verklaringen een nieuw feit zou kunnen opleveren, en dan nog alleen indien het Gerecht zich in zijn arrest van 1991 in overwegende mate op de verklaringen van deze twee ambtenaren had gebaseerd. Dit is echter niet het geval. Zo is dat arrest bijvoorbeeld ook gebaseerd op de onderzoeken en adviezen van de Rekenkamer en de tuchtraad.(33)
Punt 7 van rekwirants analyse
Feiten en argumenten van partijen
69 Tot slot gaat rekwirant in op het oordeel van het Gerecht, dat hij, door enkel bepaalde punten van de brief van de heer Pasty weer te geven, de aan zijn herzieningsverzoek ten grondslag liggende feiten onvoldoende duidelijk en nauwkeurig heeft omschreven, alsmede dat het niet de taak van het Gerecht is om in de memories op zoek te gaan naar de gestelde nieuwe feiten.
70 Rekwirant citeert nogmaals de betrokken punten en besluit zijn betoog met de vaststelling, dat de duidelijkheid van deze beweringen nader onderzoek overbodig maakt.
Beoordeling
71 Het Gerecht heeft er in zijn arrest op gewezen, dat ingevolge artikel 126, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering de nieuwe feiten voldoende duidelijk en nauwkeurig moesten worden omschreven. Daarvóór was het echter gedetailleerd ingegaan op de door rekwirant genoemde punten van de brief van de heer Pasty. Deze overwegingen van het Gerecht zijn door rekwirant reeds in de voorgaande punten van zijn analyse - zonder succes - bekritiseerd. Het is daarom niet nodig, (nog eens) verder op het betoog van rekwirant in te gaan, daar dit in zoverre louter een herhaling vormt.
H - Samenvattende beoordeling
72 Uit alles wat rekwirant naar voren heeft gebracht, blijkt dus niet, dat het Gerecht bij zijn onderzoek een mogelijk beslissend nieuw feit verkeerd heeft beoordeeld. Het Gerecht is bij zijn beoordeling dan ook niet van een verkeerde rechtsopvatting uitgegaan.
I - Kosten
Kosten van de procedure in eerste aanleg
73 Rekwirant komt ook op tegen het feit dat het Gerecht hem in de kosten heeft verwezen.
74 Daar in casu alle overige middelen moeten worden afgewezen, blijft uiteindelijk alleen nog het middel betreffende de kosten over. Aangezien volgens artikel 51, tweede alinea, van het Statuut-EG, hogere voorziening niet uitsluitend betrekking kan hebben op de veroordeling in of het bedrag van de proceskosten moet dit middel niet-ontvankelijk worden verklaard.(34)
Kosten van de onderhavige procedure
75 Ingevolge artikel 122 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof ten aanzien van de proceskosten, wanneer de hogere voorziening ongegrond is. Ingevolge de tweede alinea is in de geschillen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden artikel 70 slechts van toepassing indien de hogere voorziening door een instelling is ingesteld. Dit is in casu niet het geval, zodat artikel 70, volgens hetwelk in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de instellingen hun eigen kosten dragen, hier niet van toepassing is.
76 Met betrekking tot de geschillen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden bepaalt artikel 122 echter bovendien, dat het Hof, in afwijking van artikel 69, lid 2, in geval van hogere voorziening ingesteld door een ambtenaar of ander personeelslid van een instelling, de kosten over de partijen kan verdelen indien de billijkheid dit vergt.
77 Het Parlement heeft gevorderd, dat over de kosten wordt beslist overeenkomstig artikel 69, lid 3, tweede alinea. Volgens deze bepaling kan het Hof een partij, ook wanneer zij in het gelijk wordt gesteld, veroordelen tot vergoeding van de door haar toedoen aan de wederpartij opgekomen kosten die naar 's Hofs oordeel nodeloos of vexatoir zijn veroorzaakt. Daar het Parlement echter in de tekst van zijn memorie heeft aangegeven, dat rekwirant in de kosten moet worden verwezen, kan hieruit worden afgeleid, dat het heeft gevorderd, dat rekwirant hoe dan ook - dus zeker ook ingeval hij in het gelijk werd gesteld - in de kosten wordt verwezen. Daar rekwirant evenwel in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig artikel 69, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering in de kosten te worden verwezen.
J - Conclusie
78 Ik geef het Hof derhalve in overweging, uitspraak te doen als volgt:
"1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst rekwirant in de kosten."
(1) - Met de hierna synoniem gebruikte begrippen "verzoeker" en "verzoeker tot herziening" wordt eveneens rekwirant bedoeld, zij het in andere procedures. Hetzelfde geldt voor de verwerende partij, het Europees Parlement, dat - naar gelang van de procedure - ook als "tot aanstelling bevoegd gezag" of "verweerder" is of wordt aangeduid.
(2) - Arrest De Compte/Parlement [T-26/89 (125), JurAmbt. blz. I-A-305 en II-847].
(3) - Arrest van 17 oktober 1991, De Compte/Parlement (T-26/89, Jurispr. blz. II-781).
(4) - Arrest van 17 oktober 1991, De Compte/Parlement (aangehaald in voetnoot 3, punt 11).
(5) - Arrest van 17 oktober 1991, De Compte/Parlement (aangehaald in voetnoot 3).
(6) - Arrest De Compte/Parlement (C-326/91 P, Jurispr. blz. I-2091, punt 2).
(7) - Arrest van 5 november 1997, De Compte/Parlement (aangehaald in voetnoot 2, punt 49).
(8) - Het Hof geeft de punten 195, 196 en 200-205 van het arrest van het Gerecht van 17 oktober 1991 (aangehaald in voetnoot 3) integraal weer.
(9) - Arrest van 2 juni 1994, De Compte/Parlement (aangehaald in voetnoot 6, punt 76).
(10) - Arrest van 5 november 1997, De Compte/Parlement (aangehaald in voetnoot 2).
(11) - Punten 18-50 van het arrest (aangehaald in voetnoot 2).
(12) - Arresten van 10 mei 1960, Acciaieria Ferriera di Roma/Hoge Autoriteit (1/60, Jurispr. blz. 361), en 22 juni 1967, Müller/Raad (28/64 Rev., Jurispr. blz. 176); beschikkingen van 26 maart 1992, BASF/Commissie (T-4/89 Rev., Jurispr. blz. II-1591), en 4 november 1992, DSM/Commissie (T-8/89 Rev., Jurispr. blz. II-2399), en arrest van 19 maart 1991, Ferrandi/Commissie (C-403/85 Rev., Jurispr. blz. I-1215).
(13) - Arresten van 15 februari 1996, Buralux e.a./Raad (C-209/94 P, Jurispr. blz. I-615, punt 21), en 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a. (C-136/92 P, Jurispr. blz. I-1981, punten 47 e.v.).
(14) - Beschikking van 25 februari 1992, Gill/Commissie (C-185/90 P-Rev., Jurispr. blz. I-993, punt 12).
(15) - Arrest van 17 oktober 1991, De Compte/Parlement (aangehaald in voetnoot 3, punt 201).
(16) - Arrest Acciaieria Ferriera di Roma/Hoge Autoriteit (aangehaald in voetnoot 12).
(17) - Arrest Müller/Raad (aangehaald in voetnoot 12).
(18) - Beschikking BASF/Commissie (aangehaald in voetnoot 12).
(19) - Beschikking DSM/Commissie (aangehaald in voetnoot 12).
(20) - Arrest Ferrandi/Commissie (aangehaald in voetnoot 12, punt 13).
(21) - Beschikking BASF/Commissie (aangehaald in voetnoot 12, punt 12).
(22) - Arrest van 5 november 1997, De Compte/Parlement (aangehaald in voetnoot 2, punt 21).
(23) - Arrest van 5 november 1997, De Compte/Parlement (aangehaald in voetnoot 2, punt 23).
(24) - Punt 41 van de brief.
(25) - Punt 71 van de brief.
(26) - Arrest van 5 november 1997, De Compte/Parlement (aangehaald in voetnoot 2, punten 35 e.v.).
(27) - Arrest van 17 oktober 1991, De Compte/Parlement (aangehaald in voetnoot 3, punten 200 en 201).
(28) - Arrest van 5 november 1997, De Compte/Parlement (aangehaald in voetnoot 2, punten 38 e.v.).
(29) - Zie punt 39 van het arrest (aangehaald in voetnoot 2, met nadere verwijzingen).
(30) - Arrest van 17 oktober 1991, De Compte/Parlement (aangehaald in voetnoot 3, punt 197).
(31) - Ibidem, punt 201.
(32) - Hiermee lijkt rekwirant de geloofwaardigheid van de getuigen in geding te willen brengen.
(33) - Arrest van 17 oktober 1991, De Compte/Parlement (aangehaald in voetnoot 3, punt 200).
(34) - Arrest van 14 september 1995, Henrichs/Commissie (C-396/93 P, Jurispr. blz. I-2611, punten 65 e.v.), en beschikking van 16 oktober 1997, Dimitriadis/Rekenkamer (C-140/96 P, Jurispr. blz. I-5635, punt 56).
Full & Egal Universal Law Academy