Conclusie van de advocaat generaal
1 In de onderhavige zaak verzoekt het Landgericht Heilbronn het Hof om uitlegging van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: "Executieverdrag").(1) Meer in het bijzonder wordt het Hof verzocht om afbakening van de werkingssfeer van artikel 16, punt 1, Executieverdrag, dat ten aanzien van zakelijke rechten op en huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen, voorziet in de uitsluitende bevoegdheid van de gerechten van de staat waar het onroerend goed is gelegen.
De feiten en de toepasselijke wetgeving
2 In 1995 boekte Götz, een in Duitsland wonend Duits onderdaan, bij de kapitaalvennootschap naar Deens recht Dansommer A/S (hierna: "Dansommer") een woning in Denemarken voor een vakantieperiode van vijftien dagen.
Niet Dansommer, maar een in Denemarken wonende particulier was eigenaar van de woning. Naar uit de verwijzingsbeschikking blijkt, trad Dansommer enkel als bemiddelaar op.
Volgens de algemene voorwaarden van de overeenkomst was in de door Götz betaalde som niet alleen de prijs voor de terbeschikkingstelling van de woning tijdens de overeengekomen periode begrepen, maar ook een in zijn voordeel gesloten annuleringsverzekering. Voorts bepaalden de algemene voorwaarden, dat Dansommer de reiskosten van de klant garandeerde. Dansommer diende geen andere prestaties te verrichten dan de twee hierboven genoemde.
3 Nadat Götz in de betrokken woning had verbleven, werd hij door Dansommer voor het Amtsgericht Heilbronn gedaagd. Volgens Dansommer had Götz de woning niet goed schoongemaakt en de vloerbekleding en het veiligheidsmechanisme van de oven beschadigd.
De verwijzende rechter preciseert, dat Dansommer in het hoofdgeding optreedt als gesubrogeerde in de rechten van de eigenaar van het onroerend goed.
4 Het Amtsgericht Heilbronn verwierp het beroep, waarop Dansommer hoger beroep instelde bij de verwijzende rechter, het Landgericht Heilbronn. Volgens dit laatste kan het geding niet worden beslecht zonder dat eerst een probleem wordt opgelost in verband met de bevoegdheid, zoals die in het Executieverdrag is geregeld. Dit Verdrag bevat immers bijzondere bepalingen voor de regeling van geschillen over zakelijke rechten op en huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen; voor dergelijke geschillen geldt de uitsluitende bevoegdheid van de rechter van de plaats waar het onroerend goed gelegen is. Meer in het bijzonder is de in casu relevante bepaling artikel 16, punt 1, dat luidt als volgt:
"Ongeacht de woonplaats zijn bij uitsluiting bevoegd:
1. a) ten aanzien van zakelijke rechten op en huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen: de gerechten van de verdragsluitende staat waar het onroerend goed gelegen is,
b) ten aanzien evenwel van huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen voor tijdelijk particulier gebruik voor ten hoogste zes opeenvolgende maanden: eveneens de gerechten van de verdragsluitende staat waar de verweerder woonplaats heeft, mits de eigenaar en de huurder of pachter natuurlijke personen zijn en zij woonplaats in dezelfde verdragsluitende staat hebben."
5 De verwijzende rechter merkt op, dat artikel 16, punt 1, sub b, in casu niet van toepassing is, daar Dansommer in Denemarken gevestigd is, terwijl Götz in Duitsland woont. Hij vraagt het Hof dan ook, of de feiten van het hoofdgeding binnen de werkingssfeer van artikel 16, punt 1, sub a, valt. Zo dat het geval is, is bij uitsluiting de Deense rechter bevoegd. Bijgevolg heeft de verwijzende rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vraag:
"Is artikel 16, punt 1, sub a, van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van toepassing op overeenkomsten betreffende de terbeschikkingstelling van vakantiewoningen, wanneer de contractuele verplichting van de reisorganisator beperkt is tot de terbeschikkingstelling van een vakantiewoning en waarbij automatisch in een annuleringsverzekering wordt voorzien, doch de eigenaar en de huurder van de woning hun woonplaats niet in dezelfde verdragsstaat hebben?"
Ten gronde
6 Een eerste punt is dat, gelijk de verwijzende rechter heeft opgemerkt, de onderhavige zaak moet worden onderzocht tegen de achtergrond van artikel 16, punt 1, sub a, en niet sub b. Laatstbedoelde bepaling verlangt immers, dat beide partijen natuurlijke personen zijn en dat zij in dezelfde verdragsluitende staat woonplaats hebben, aan welke voorwaarden in casu niet voldaan is, daar Dansommer een in Denemarken gevestigde kapitaalvennootschap is, en Götz een in Duitsland wonend natuurlijk persoon.
De door het Hof te beantwoorden vraag is dus, of artikel 16, punt 1, sub a, op het onderhavige geval van toepassing is. In verband daarmee worden twee stellingen aangevoerd, die kunnen worden samengevat als volgt.
De ene stelling is, dat de overeenkomst tussen Dansommer en Götz niet als huurovereenkomst in de zin van artikel 16 Executieverdrag kan worden gekwalificeerd.(2) Het zou daarentegen gaan om een gemengde overeenkomst krachtens welke een professionele reisorganisator, Dansommer, toeristische diensten verricht ten behoeve van een consument, Götz. Aangezien een en ander niets te maken heeft met huur en verhuur, is de in artikel 16 Executieverdrag neergelegde regel van de uitsluitende bevoegdheid van het forum rei sitae niet van toepassing.
Met de andere stelling wordt het omgekeerde verdedigd, namelijk dat de litigieuze rechtssituatie een huurverhouding betreft en artikel 16, punt 1, Executieverdrag dus van toepassing is.(3) De tussen partijen gesloten overeenkomst hield immers in, dat voor de overeengekomen periode een onroerend goed ter beschikking van Götz werd gesteld. De overige tussen partijen overeengekomen prestaties (annuleringsverzekering en reiskostengarantie) zijn bijkomstig en wijzigen de aard van de overeenkomst niet.
7 Meteen wil ik er op wijzen, dat er mijns inziens voor de niet-toepasselijkheid van artikel 16 Executieverdrag geen steun te vinden is in de ratio van die bepaling, noch in de rechtspraak van het Hof.
Met betrekking tot het eerste punt - dus het doel van de bepaling -, zij opgemerkt, dat artikel 16, punt 1, Executieverdrag de rechter van de plaats waar het onroerend goed is gelegen, een bijzondere uitsluitende bevoegdheid verleent, waarvan partijen niet kunnen afwijken.(4) Zoals advocaat-generaal Darmon in de zaak Webb schreef, berust de ratio legis van die bevoegdheidsverdeling op "het nabijheidsbeginsel", omdat dit gerecht "vanwege zijn nabijheid het best in staat is zich op de hoogte te stellen van de feitelijke situatie en de ter zake geldende voorschriften en gebruiken toe te passen, in de regel de voorschriften en gebruiken van de staat waar het onroerend goed is gelegen (...)."(5) Volgens het Hof verklaart die overweging - die is geïnspireerd op "het belang van een goede rechtsbedeling"(6) - "waarom ter zake van de huur van onroerende goederen in eigenlijke zin, dat wil zeggen met name bij geschillen tussen verhuurders en huurders over het bestaan of de uitlegging van huurcontracten of over het herstel van door de huurder veroorzaakte schade en over de ontruiming van het gehuurde, een uitsluitende bevoegdheid is toegekend aan de gerechten van het land waar het onroerend goed is gelegen".(7)
De zo-even aangehaalde passage uit die rechtsoverweging verschaft mijns inziens de sleutel voor de oplossing van de onderhavige zaak. Ofschoon volgens de rechtspraak artikel 16 "niet ruimer [mag] worden uitgelegd dan het oogmerk ervan verlangt"(8), betekent dat nog niet, dat aan die bepaling een buitensporig beperkte werkingssfeer moet worden verleend, op het gevaar af dat de eraan ten grondslag liggende ratio teloorgaat. In het hoofdgeding nu gaat het juist om het herstel van de door Götz aan het onroerend goed aangebrachte schade, en volgens de rechtspraak van het Hof is de noodzaak dit geding te laten beslechten door de rechter van de plaats waar het onroerend goed gelegen is - dus door de Deense rechter - juist gerechtvaardigd uit hoofde van het met artikel 16, punt 1, sub a, beoogde doel.
8 Die conclusie is overigens bevestigd in de rechtspraak van het Hof, waarin in detail is aangegeven welke rechtsvorderingen binnen de werkingssfeer van artikel 16, punt 1, Executieverdrag vallen. In het bijzonder wil ik verwijzen naar het arrest Rösler(9), dat twee belangrijke aanwijzingen voor de onderhavige zaak bevat.
De eerste is, dat de betrokken bepaling "van toepassing is op elke overeenkomst inzake huur en verhuur van onroerend goed, zelfs wanneer zij voor korte duur is gesloten en uitsluitend het gebruik van een vakantiewoning betreft".(10) Het enkele feit dat het onroerend goed voor een korte vakantieperiode ter beschikking wordt gesteld, wat in het hoofdgeding het geval is, staat dus niet in de weg aan de toepasselijkheid van artikel 16, punt 1.
De tweede relevante aanwijzing voor de beslechting van de onderhavige zaak is, dat het Hof in dat arrest een onderscheid heeft gemaakt tussen geschillen die rechtstreeks betrekking hebben op de huurovereenkomst - ten aanzien waarvan bij uitsluiting de rechter van de plaats bevoegd is - en geschillen die slechts een zijdelings verband houden met het gebruik van het onroerend goed, in welk geval de toepassing van artikel 16, punt 1, niet gerechtvaardigd is. Als geschillen die rechtstreeks verband houden met de huurovereenkomst noemt dat arrest nu juist de geschillen waarover het in het hoofdgeding gaat, namelijk die betreffende het correcte gebruik van het onroerend goed en "het herstel van door de huurder veroorzaakte schade".(11)
In de geest van die rechtspraak valt de voor de verwijzende rechter aanhangige zaak mijns inziens dus binnen de werkingssfeer van artikel 16, punt 1, sub a: in haar vordering verwijst verzoekster immers rechtstreeks naar het gebruik van het onroerend goed, in de zin van het arrest Rösler. Dat brengt mee, dat het geding moet worden beslecht door de rechter van de plaats waar het onroerend goed is gelegen.
9 Aan de oplossing die ik hierboven heb voorgesteld wordt mijns inziens geen afbreuk gedaan door het arrest van het Hof in de zaak Hacker.(12) In dat arrest oordeelde het Hof, dat artikel 16, punt 1, niet van toepassing was op een "gemengde overeenkomst", op grond waarvan "tegen een door de cliënt betaalde totaalprijs een pakket van diensten moet worden verricht"(13), en waarin de terbeschikkingstelling van een onroerend goed niet meer is dan een (niet doorslaggevend) element. Die prestaties - andere dan de loutere terbeschikkingstelling van het onroerend goed voor een korte vakantieperiode - bestonden in "het geven van informatie en advies, waarmee de reisorganisator de cliënt allerlei keuzemogelijkheden voor zijn vakantie aanbood, en voorts in de reservering van een accommodatie voor de door de cliënt gekozen periode, de reservering van vervoergelegenheid, de ontvangst ter plaatse en eventueel een annuleringsverzekering".(14)
Het onderhavige geval is echter verschillend. De contractuele verhouding tussen Dansommer en Götz betreft niet een geheel van heterogene prestaties van het type als beschreven in het arrest Hacker. De aan die verhouding ten grondslag liggende reden - of, beter gezegd, de "functie" van de overeenkomst - bestond er in hoofdzaak in, dat een onroerend goed ter beschikking van Götz werd gesteld, zij het voor een korte periode en voor vakantiedoeleinden. Naast die hoofdfunctie voorzag de overeenkomst niet in bijkomende prestaties van andere aard. De enige door de verwijzende rechter aangehaalde bepalingen die niet rechtstreeks verband hielden met het gebruik van het onroerend goed, betroffen de annuleringsverzekering en de reiskostengarantie. Uiteraard gaat het hierbij om bijkomstige clausules, die de aard van de overeenkomst waarvan ze deel uitmaken, niet wijzigen; zij kunnen in elke willekeurige overeenkomst worden opgenomen zonder de aard van deze laatste te beïnvloeden.
Anders dan in de zaak Hacker hebben wij in casu dus te maken met een overeenkomst waarin het niet gaat om een dienstenpakket, maar alleen om het gebruik, tegen betaling, van een onroerend goed, en dat is de typische functie van een huurovereenkomst in de zin van artikel 16, punt 1, sub a, Executieverdrag, zoals die bepaling in de rechtspraak van het Hof is uitgelegd.
10 Voorts moet de toepasselijkheid van artikel 16, punt 1, Executieverdrag mijns inziens niet worden uitgesloten, enkel en alleen omdat Dansommer geen eigenaar was van het betrokken onroerend goed. De verwijzende rechter wijst er immers op, dat Dansommer in het hoofdgeding is opgetreden in de hoedanigheid van gesubrogeerde in de rechten van de eigenaar: dat betekent, dat zij in de rechtspositie van de eigenaar van het zakelijk recht is getreden en dat zij dat recht juridisch uitoefent, als was zij eigenaar. Anders gezegd, de subrogatie wijzigt niet de aard van de litigieuze rechtsverhouding, die afgezien van de door de subrogatie teweeggebrachte vervanging van rechtssubject, ongewijzigd blijft.
Mijns inziens doet het arrest van het Hof in de zaak Shearson Lehman Hutton(15) niet af aan die conclusie. In die zaak ging het om de vraag, of een vennootschap die zelf geen consument is, doch die als cessionaris van de rechten van een consument optreedt, zich kan beroepen op de bijzondere regeling van de artikelen 13 en volgende Executieverdrag betreffende door consumenten gesloten overeenkomsten. Het Hof sloot die mogelijkheid terecht uit, op grond van de overweging dat het Executieverdrag "is ingegeven door het streven, de consument als de economisch zwakkere en juridisch minder ervaren contractpartij te beschermen".(16) Het Hof concludeerde daaruit, dat "uit de beschermende functie van deze bepalingen volgt, dat de ter zake in het Executieverdrag voorziene bijzondere bevoegdheidsregels niet mogen worden uitgebreid tot personen die deze bescherming niet nodig hebben".(17) Anders gezegd, "het Executieverdrag [beschermt] de consument slechts voor zover hij persoonlijk eiser of verweerder in een rechtsgeding is".(18)
In casu gaat die redenering echter niet op. De bijzondere bevoegdheid als voorzien in artikel 16 is immers niet geïnspireerd op een persoonlijke gunst ten voordele van de eigenaar van het zakelijk recht. Zij is veeleer ingegeven door een objectief vereiste, namelijk geschillen over zakelijke rechten op en huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen te laten beslechten door het gerecht dat vanwege zijn nabijheid het best in staat is daarover uitspraak te doen. Samengevat gaat het om een rationele bevoegdheidsverdeling, die in het belang van een "goede rechtsbedeling" de voorkeur verleent aan het forum rei sitae. Het ligt voor de hand, dat dit vereiste blijft bestaan, en dus dat eraan moet worden voldaan, ongeacht of de vordering rechtstreeks door de eigenaar van het recht is ingesteld dan wel door iemand die door subrogatie in diens rechten is getreden.
Conclusie
11 Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de door het Landgericht Heilbronn gestelde prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt:
"Artikel 16, punt 1, sub a, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd, dat het van toepassing is op de situatie waarin de eigenaar en de huurder van een onroerend goed niet in dezelfde verdragsluitende staat woonplaats hebben en de contractuele verplichting van de reisorganisator beperkt is tot de loutere terbeschikkingstelling van een vakantiewoning, afgezien van slechts bijkomstige clausules, zoals in verband met een annuleringsverzekering en een reiskostengarantie."
(1) - PB 1972, L 299, blz. 32. Dit Verdrag is gewijzigd bij de toetredingsverdragen van 9 oktober 1978 (PB L 304, blz. 1), 25 oktober 1982 (PB L 388, blz. 1) en 26 mei 1989 (PB L 285, blz. 1).
(2) - Die stelling wordt verdedigd door Götz, Dansommer en, zij het met een andere motivering, de Commissie. In haar schriftelijke opmerkingen had de regering van het Verenigd Koninkrijk zich bij die opvatting aangesloten, doch ter terechtzitting heeft zij haar standpunt gewijzigd en gesteld, dat artikel 16, punt 1, sub a, Executieverdrag in casu van toepassing is.
(3) - Die stelling wordt verdedigd door de Spaanse, de Italiaanse en de Franse regering.
(4) - Van de in artikel 16 verleende uitsluitende bevoegdheid kan niet worden afgeweken door een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter (artikel 17) noch door stilzwijgende uitbreiding van rechtsmacht (artikel 18). Bovendien bepaalt artikel 19, dat de rechter van een andere staat dan die wiens gerechten op grond van artikel 16 bij uitsluiting bevoegd zijn, zich ambtshalve onbevoegd moet verklaren. Ten slotte kan een in strijd met artikel 16 gegeven beslissing niet worden erkend (artikel 28) noch ten uitvoer gelegd (artikel 34).
(5) - Arrest van 17 mei 1994, (C-294/92, Jurispr. blz. I-1717, punt 18 van de conclusie).
(6) - Arrest van 14 december 1977, Sanders (73/77, Jurispr. blz. 2383, punt 17).
(7) - Arrest Sanders, reeds aangehaald, punt 15.
(8) - Arrest van 9 juni 1994, Lieber (C-292/93, Jurispr. blz. I-2535, punt 12). De rechtvaardiging daarvoor is, dat artikel 16, punt 1, sub a, "tot gevolg heeft dat partijen worden beroofd van de forumkeuze die hun anders zou toekomen, en in bepaalde gevallen worden gedaagd voor een rechter die ten aanzien van geen hunner de eigen rechter van de woonplaats is".
(9) - Arrest van 15 januari 1985, (241/83, Jurispr. blz. 99).
(10) - Arrest Rösler, reeds aangehaald, punt 25.
(11) - Punt 29. Cursivering van mij.
(12) - Arrest van 26 februari 1992 (C-280/90, Jurispr. blz. I-1111). Dat arrest wordt aangevoerd tot staving van de stelling, dat artikel 16, punt 1, sub a, Executieverdrag in casu niet van toepassing zou zijn.
(13) - Punt 15.
(14) - Punt 14.
(15) - Arrest van 19 januari 1993 (C-89/91, Jurispr. blz. I-139).
(16) - Punt 18. Cursivering van mij.
(17) - Punt 19. Cursivering van mij.
(18) - Punt 23. Cursivering van mij.
Full & Egal Universal Law Academy