Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1 In deze zaak wordt het Hof om een uitspraak verzocht op de hogere voorziening die Azienda Agricola "Le Canne" Srl (hierna: "Le Canne") heeft ingesteld tegen het op 7 november 1997 door de Derde kamer van het Gerecht van eerste aanleg gewezen arrest (hierna: "bestreden arrest").(1)
2 Het Gerecht heeft hierin een beroep verworpen tot nietigverklaring van de vermindering, door de Commissie, van aanvankelijk toegekende communautaire financiële bijstand en een verzoek afgewezen tot vergoeding van de schade die Le Canne als gevolg van die vermindering zou hebben geleden.
II - Juridische context
3 Artikel 1, lid 1, sub b, van verordening (EEG) nr. 4028/86 van de Raad van 18 december 1986 inzake communautaire acties voor verbetering en aanpassing van de structuur van de visserij en de aquicultuur(2) bepaalt, dat de Commissie communautaire financiële bijstand kan verlenen voor acties op het gebied van de ontwikkeling van de aquicultuur en inrichting van beschermde mariene zones met het oog op een beter beheer van de strook waar de kustvisserij wordt uitgeoefend.(3)
4 Overeenkomstig artikel 12, dat verwijst naar bijlage III bij verordening nr. 4028/86, bedraagt de communautaire bijstand voor aquicultuur voor de Regione del Veneto 40 % van de in aanmerking komende uitgaven, en de bijdrage van Italië 10 tot 30 %.
5 Artikel 44 van verordening nr. 4028/86 bepaalt:
"1. Tijdens de volledige duur van de communautaire bijstand verstrekt de daartoe door de betrokken lidstaat aangewezen autoriteit of instantie de Commissie op haar verzoek alle bewijsstukken of bescheiden waarmee kan worden aangetoond dat met betrekking tot elk project aan de financiële of andere voorwaarden is voldaan. De Commissie kan volgens de procedure van artikel 47 besluiten de bijstand te schorsen, te verminderen of in te trekken, indien:
- het project niet zoals voorzien wordt uitgevoerd, of
- aan bepaalde voorwaarden niet wordt voldaan, of
- de begunstigde, anders dan de in zijn aanvraag vermelde en in de bijstandsbeschikking overgenomen gegevens, niet binnen een termijn van een jaar na de kennisgeving van die beschikking met de uitvoering van de werkzaamheden begint of vóór het verstrijken van deze termijn voor de uitvoering van het project onvoldoende waarborgen heeft gegeven, of
- de begunstigde de werkzaamheden niet binnen twee jaar na aanvang voltooit, behoudens in geval van overmacht.
De beschikking wordt ter kennis gebracht van de betrokken lidstaat en van de begunstigde.
De Commissie vordert de onverschuldigd betaalde bedragen terug.
2. De uitvoeringsbepalingen van dit artikel worden door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 47."(4)
6 Artikel 47 luidt:
"1. In de gevallen waarin naar de procedure van dit artikel wordt verwezen, wordt de zaak door de voorzitter, hetzij op diens eigen initiatief, hetzij op verzoek van de vertegenwoordiger van een lidstaat, aan het Permanent Comité voor de visserijstructuur voorgelegd.
2. De vertegenwoordiger van de Commissie legt een ontwerp van te treffen maatregelen voor. Het Comité brengt advies uit binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de voorgelegde vraagstukken. Het Comité spreekt zich uit met een meerderheid van 54 stemmen, waarbij de stemmen van de lidstaten worden gewogen overeenkomstig artikel 148, lid 2, van het Verdrag. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.
3. De Commissie stelt de maatregelen vast die onmiddellijk van toepassing zijn. Indien deze maatregelen echter niet in overeenstemming zijn met het door het Comité uitgebrachte advies, worden zij door de Commissie onverwijld ter kennis van de Raad gebracht; in dat geval kan de Commissie de toepassing van de maatregelen waartoe zij heeft besloten, tot ten hoogste één maand na deze kennisgeving uitstellen. De Raad kan binnen één maand met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen."
7 Bij verordening (EEG) nr. 1116/88 van 20 april 1988(5) stelde de Commissie de wijze van uitvoering vast van de bijstandsbeschikkingen voor projecten betreffende communautaire acties voor verbetering en aanpassing van de structuur van de visserij en de aquicultuur en voor de inrichting van de kustzone.
8 Artikel 3 van die verordening bepaalt:
"Aan het einde van de uitvoering van een project, of in de loop van deze uitvoering indien de beschikking van de Commissie in betaling in gedeelten voorziet (...), dient de autoriteit of instantie bij de Commissie een betalingsaanvraag in die het mogelijk maakt vast te stellen of de betalingsvoorwaarden zijn vervuld.
De betalingsaanvragen moeten een certificaat en een lijst van de bewijsstukken omvatten. Zij moeten in tweevoud worden ingediend en de in de bijlage vermelde gegevens en documenten bevatten."
9 Artikel 4 van verordening nr. 1116/88 bevat de volgende voorschriften:
"1. De gedeeltelijke betalingen voor een investering mogen het uitvoeringspercentage van deze investering niet te boven gaan. Dit percentage is gelijk aan de verhouding tussen het totaalbedrag van de werkelijk betaalde facturen of andere boekhoudbescheiden voor uitgaven die voor subsidiëring in aanmerking komen, en het totaalbedrag van de voor subsidiëring in aanmerking komende kosten zoals vastgesteld bij de beschikking tot vaststelling van de financiële bijstand.
a) (...) b) Aquicultuur, inrichting van de kustzone
In beginsel wordt de bijstand in niet meer dan drie gedeelten uitgekeerd.
Een (eerste) aanvraag om gedeeltelijke betaling kan pas worden gedaan wanneer:
- het uitvoeringspercentage ten opzichte van de voor subsidiëring in aanmerking komende kosten ten minste 30 % bedraagt en,
- uitsluitend voor wat de aquicultuur betreft, het voorlopige verslag over de uitvoering is opgesteld.
c) (...)
2. De laatste betalingen voor alle soorten van projecten worden slechts verricht indien is voldaan aan de in de bijstandsbeschikking vermelde voorwaarden, met name ten aanzien van de financiële bijdrage van de lidstaat en de indiening van de verlangde officiële bescheiden."
10 Volgens de zesde overweging van de considerans van verordening nr. 1116/88 "mag geen procedure tot schorsing, vermindering of intrekking van de bijstand worden ingeleid zonder vooraf de betrokken lidstaat te raadplegen, zodat deze zijn standpunt kan bepalen, en de begunstigden in staat te stellen hun opmerkingen te maken".
11 Artikel 7 van verordening nr. 1116/88 bepaalt:
"Alvorens de Commissie de in artikel 44, lid 1, van verordening (EEG) nr. 4028/86 bedoelde procedure tot schorsing, vermindering of intrekking van de bijstand inleidt:
- meldt zij dit aan de lidstaat op het grondgebied waarvan het project zou moeten worden uitgevoerd, zodat deze zijn standpunt daaromtrent kan bepalen;
- raadpleegt zij de met het verstrekken van de bewijsstukken belaste bevoegde autoriteit of instantie;
- verzoekt zij de begunstigde of begunstigden door tussenkomst van de autoriteit of instantie mede te delen om welke redenen niet aan de gestelde voorwaarden is voldaan."
III - De feiten
12 Volgens het bestreden arrest (punten 8-20) kunnen de feiten van het geding worden samengevat als volgt:
13 Bij beschikking C(90) 1923/99 van 30 oktober 1990 verleende de Commissie Le Canne financiële bijstand ten bedrage van 1 103 646 181 LIT, zijnde 40 % van de in aanmerking komende uitgaven van 2 759 115 453 LIT, uit hoofde van werkzaamheden voor de modernisering en verbouwing van visteeltinstallaties (project I/16/90). Een evenredige bijdrage van 30 % van de in aanmerking komende uitgaven, zijnde 827 734 635 LIT, kwam ten laste van de Italiaanse Staat.
14 Die beschikking preciseerde, dat "het bedrag van de bijstand die de Commissie daadwerkelijk voor het voltooide project zal betalen, ervan afhangt of de uitgevoerde werkzaamheden naar hun aard overeenkomen met die voorzien in het project". De beschikking specificeerde ook, dat "overeenkomstig het bepaalde in deel B van het door de begunstigde ingediende verzoek om bijstand, de voorgenomen werkzaamheden geen wijzigingen of veranderingen mogen ondergaan zonder voorafgaande toestemming van de nationale administratie en eventueel van de Commissie. Belangrijke wijzigingen die zonder toestemming van de Commissie worden aangebracht, kunnen tot vermindering of intrekking van de bijstand leiden, ingeval zij door de nationale administratie of de Commissie als onaanvaardbaar zouden worden beschouwd. In voorkomend geval zal de nationale administratie aan iedere begunstigde laten weten welke procedure moet worden gevolgd."
15 De Commissie betaalde Le Canne op 23 juni 1993 een eerste schijf van 343 117 600 LIT.
16 Na controle ter plaatse van de uiteindelijke stand van het project, liet het Ufficio del Genio Civile bij brief van 7 april 1994 aan Le Canne weten, dat het, behoudens bepaalde wijzigingen aan het project, wat het metselwerk en aanverwante werkzaamheden, en de graafwerken betreft, van mening was dat de uitvoering zowel op technisch als op economisch vlak kon worden geacht met het goedgekeurde project in overeenstemming te zijn.
17 Bij beschikking C(94) 1531/99 van 27 juli 1994 willigde de Commissie een tweede verzoek om bijstand van Le Canne in, betreffende de voltooiing van de werkzaamheden voor de modernisering van haar installaties (project I/100/94).
18 In haar brief van 12 december 1994 aan het Italiaanse Ministerie van Landbouw (hierna: "ministerie") en de Commissie merkte Le Canne op, dat zich sinds de verzending van het project aan het ministerie buiten haar toedoen omstandigheden hadden voorgedaan, waardoor het noodzakelijk was geworden, aan de in het kader van project I/16/90 voorgenomen werkzaamheden enkele wijzigingen aan te brengen, wat niet betekende dat project I/16/90, over het geheel genomen, hierdoor substantiële wijzigingen had ondergaan.(6) Le Canne preciseerde, dat haar overtuiging de beoogde doelstellingen in acht te hebben genomen en de juiste keuzen te hebben gemaakt, en het verlangen om snel de gewenste resultaten te bereiken haar ten onrechte uit het oog hadden doen verliezen, dat zij verplicht was het ministerie vooraf van de aangebrachte wijzigingen in kennis te stellen, wat een grote hinderpaal vormde voor de afhandeling van haar dossier. Hoewel Le Canne zich naar eigen verklaring pas sinds de beëindiging van de werkzaamheden ervan bewust was, dat zij de formaliteit van de voorafgaande mededeling van de wijzigingen niet had vervuld, verzocht zij het ministerie en zo nodig de Commissie zelf, een technisch onderzoek in te stellen naar de aangebrachte wijzigingen, teneinde de gegrondheid hiervan en de noodzaak en opportuniteit van de gemaakte keuzen vast te stellen. Zij voegde hieraan toe, dat al de genoemde wijzigingen waren aangemeld en aanvaard in het kader van de goedkeuring van het project voor de voltooiing van de installaties (I/100/94), waarvoor bij beschikking C(94) 1531/99 communautaire financiële bijstand was verleend.
19 Na controle van de uiteindelijke stand van de werkzaamheden deed het ministerie Le Canne op 3 juni 1995 het op 24 mei 1995 opgemaakte certificaat van verificatie van de uiteindelijke stand van de werkzaamheden (hierna: "certificaat") toekomen. Volgens het ministerie had Le Canne nog andere wijzigingen aangebracht dan die waarop het Ufficio del Genio Civile reeds had gewezen.(7) Het ministerie tekende hierbij aan, dat Le Canne krachtens de toepasselijke gemeenschapsbepalingen vooraf toestemming had moeten vragen om die wijzigingen aan te brengen. Het ministerie bracht daarom het bedrag van de in het laatste stadium van het project in aanmerking komende uitgaven terug tot 1 049 556 101 LIT. Het concludeerde dat, gelet op de reeds in het eerste stadium van de werkzaamheden goedgekeurde uitgaven ten belope van 857 794 000 LIT, het totale bedrag van de in aanmerking te nemen uitgaven gelijk was aan 1 907 350 101 LIT, of ongeveer 69,13 % van de in het kader van het aanvankelijk door de Commissie goedgekeurde project in aanmerking komende uitgaven.
20 Bij een laatste betalingsopdracht van 5 juli 1995 betaalde de Commissie Le Canne een saldo van 419 822 440 LIT, waardoor zij het totale bedrag van de communautaire bijstand, verschuldigd uit hoofde van de werkzaamheden die volgens de instelling, op grond van het certificaat, in overeenstemming waren met het aanvankelijk goedgekeurde project, terugbracht van 1 103 646 181 LIT tot 762 940 040 LIT.
21 Het ministerie en de Commissie ontvingen op 28 juli respectievelijk 3 augustus 1995 een reeks schriftelijke opmerkingen van Le Canne, waarin werd gewezen op de ongegrondheid van het certificaat en om heronderzoek ervan werd verzocht.
22 Op verzoek van de nationale autoriteiten deed de Commissie hun bij telexbericht nr. 12 497 van 27 oktober 1995 haar opmerkingen toekomen. De instelling overwoog dat, gezien de beschikbare inlichtingen, een herziening van de door het ministerie gevolgde procedure tot afhandeling van het dossier van project I/16/90 niet noodzakelijk leek. Zij voerde hiervoor in het bijzonder aan, dat: 1) aan het project belangrijke wijzigingen waren aangebracht, die niet vooraf aan de nationale administratie waren meegedeeld; de toekenning van bijstand voor het latere project I/100/94 niet neerkwam op een aanvaarding door de Commissie van de vroegere wijzigingen; 2) in het kader van project I/16/90 werkzaamheden waren uitgevoerd die deel uitmaakten van project I/100/94, en dus niet in het kader van project I/16/90 voor bijstand in aanmerking kwamen; 3) artikel 7 van verordening nr. 1116/88, waarnaar de raadsman van Le Canne verwees, niet van toepassing was in de door hem bedoelde context; 4) gelijk in de bestreden beslissing wordt opgemerkt, uit de door het ministerie verstrekte inlichtingen de onjuistheid bleek van de in de memorie van Le Cannes raadsman geformuleerde opmerkingen over uitgaven die, omdat zij op posten voor onvoorziene uitgaven waren geboekt, niet in aanmerking waren genomen.
23 Bij brief van 14 november 1995 ten slotte wees het ministerie het door Le Canne ingediende verzoek om heronderzoek af om dezelfde redenen als uiteengezet in telexbericht nr. 12 497 van de Commissie van 27 oktober 1995.
24 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 1 december 1995, stelde Le Canne beroep in tot nietigverklaring van telexbericht nr. 12 497 van de Commissie van 27 oktober 1995, en tot vergoeding van de schade die zij stelde te hebben geleden door de vaststelling van die handeling, met verwijzing van de Commissie in de kosten van het geding.
25 De Commissie concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep op grond van artikel 173 EG-Verdrag en subsidiair tot verwerping daarvan en tot verwerping van het op de artikelen 178 en 215 van het Verdrag gebaseerde beroep en in elk geval tot verwijzing van Le Canne in de kosten van het geding.
26 Ter ondersteuning van haar beroep voerde Le Canne voor het Gerecht vijf middelen aan: a) ontbreken van kennisgeving van de bestreden beschikking; b) schending van het collegialiteitsbeginsel dat het optreden van de Commissie dient te beheersen; c) schending van de procedureregels die in acht moeten worden genomen bij vermindering van eerder toegekende financiële bijstand door de Commissie; d) schending van de motiveringsplicht, en ten slotte e) misbruik van bevoegdheid.
27 Het Gerecht verwierp het beroep en verwees Le Canne in de kosten.
IV - Conclusies van partijen in hogere voorziening
28 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 16 januari 1998, heeft Le Canne (rekwirante) hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht. Zij vordert: vernietiging van het bestreden arrest van het Gerecht en toewijzing van de in eerste aanleg voorgedragen vorderingen; nietigverklaring van handeling nr. 12 497 van de Commissie van 27 oktober 1995; veroordeling van de Commissie tot vergoeding van de schade, zoals nader uiteengezet in het verzoekschrift in eerste aanleg; veroordeling van de Commissie in de kosten van beide instanties.
29 De Commissie concludeert tot 1) afwijzing van de hogere voorziening en 2) veroordeling van rekwirante in de kosten.
V - Middelen in hogere voorziening
30 Voor haar vordering tot vernietiging van het bestreden arrest voert Le Canne vier middelen aan: a) schending van het collegialiteitsbeginsel dat het optreden van de Commissie dient te beheersen; b) schending van het recht van hoor en wederhoor; c) schending en onjuiste toepassing door het Gerecht van de artikelen 44, lid 1, en 47 van verordening nr. 4028/86 en van artikel 7 van verordening nr. 1116/88; en d) ontoereikende motivering van het besluit van de Commissie in strijd met artikel 190 van het Verdrag en bijgevolg onjuiste en tegenstrijdige motivering van het Gerecht op dit punt.
31 Om systematische redenen behandel ik het derde middel na het eerste en voor het tweede. Het vierde middel behandel ik als laatste.
A - Schending van het collegialiteitsbeginsel
32 Het eerste middel in hogere voorziening kan worden opgesplitst in drie onderdelen. In de eerste plaats stelt Le Canne, dat het Gerecht in punt 37 van het arrest met een beroep op het Reglement van Orde van de Commissie(8) ten onrechte heeft overwogen, dat de Commissie haar ambtenaren de bevoegdheid kan verlenen om in haar naam en onder haar toezicht duidelijk omschreven maatregelen van beheer, zoals de litigieuze maatregel, te nemen. Volgens Le Canne is delegatie van bevoegdheid principieel in strijd met het collegialiteitsbeginsel dat het optreden van de Commissie moet beheersen. Voorts heeft het Gerecht haars inziens ten onrechte aanvaard, dat verlening van tekeningsbevoegdheid de normale manier is waarop de Commissie haar bevoegdheden uitoefent. En ten slotte voert zij aan, dat, indien het Gerecht heeft willen betogen dat er sprake was van een eenvoudige verlening van tekeningsbevoegdheid, het ten onrechte de bewijslast heeft omgekeerd door te overwegen (in punt 38), dat Le Canne had moeten aantonen, dat de administratie van de ter zake toepasselijke regels was afgeweken. Met een beroep op de rechtspraak van het Hof(9) stelt zij, dat in geval van betwisting het bewijs voor de inachtneming van het collegialiteitsbeginsel enkel door de Commissie kan worden geleverd.
33 Allereerst rijst de vraag of het Gerecht ten onrechte heeft beslist, dat het litigieuze telexbericht had kunnen worden opgesteld en zelfs verzonden door een ambtenaar die hiertoe door de Commissie bevoegd was verklaard en dus zonder dat vooraf het collegialiteitsbeginsel in acht was genomen, dat een fundamenteel beginsel is voor het optreden van de Commissie als collegiaal orgaan.(10)
34 Met betrekking tot delegatie moet onderscheid worden gemaakt tussen delegatie van macht of bevoegdheid die meebrengt dat de bevoegdheid op een ander orgaan overgaat, en de verlening van tekeningsbevoegdheid.(11) Concreet gezegd, kan een bevoegdheid die aan een bepaald administratief orgaan is opgedragen, behoudens uitdrukkelijke bepaling van het tegendeel, niet rechtsgeldig door een ander orgaan worden uitgeoefend. Een orgaan kan bijgevolg de regels die zijn bevoegdheid beheersen, niet wijzigen tenzij die regels een dergelijke wijziging expliciet toelaten of voorschrijven. In dat geval moeten deze regels eng worden uitgelegd.
35 De delegatie die een overdracht van bevoegdheid van een orgaan op een ander meebrengt, moet wel worden onderscheiden van de verlening van tekeningsbevoegdheid. In laatstgenoemd geval stelt een orgaan zelf een beschikking vast waarbij het aan een ander, gewoonlijk hiërarchisch lager, orgaan het recht verleent om namens hem en onder zijn gezag bepaalde stukken te tekenen. Hoewel deze stukken de handtekening van de gedelegeerde dragen, worden zij beschouwd als stukken van het orgaan dat de delegatie heeft verleend. De verlening van tekeningsbevoegdheid moet eveneens zijn toegestaan door de bepalingen die de bevoegdheid van het delegerende orgaan afbakenen.
36 Het Hof heeft herhaaldelijk beklemtoond(12), dat het optreden van de Commissie wordt beheerst door het collegialiteitsbeginsel, dat uit artikel 163 EG-Verdrag voortvloeit.(13) Het heeft hierbij gepreciseerd, dat het hierin verankerde collegialiteitsbeginsel berust op de gedachte dat de leden van de Commissie als gelijken aan de besluitvorming deelnemen en met name inhoudt, dat de besluiten in gemeen overleg worden genomen en dat alle leden van het college collectief politiek verantwoordelijk zijn voor alle genomen besluiten.
37 Desondanks is het gebruik van de procedure om organen te machtigen bepaalde beheers- of bestuursmaatregelen te treffen, blijkens vaste rechtspraak van het Hof in overeenstemming met het collegialiteitsbeginsel. Zoals het Hof onderstreept(14), is "een dergelijke machtigingsprocedure, die is beperkt tot bepaalde categorieën maatregelen van beheer en bestuur, hetgeen per definitie principebesluiten uitsluit, wegens de aanzienlijke stijging van het aantal te nemen beslissingen noodzakelijk indien de Commissie haar taak wil kunnen uitoefenen".
38 Ingevolge artikel 11, eerste alinea van het Reglement van Orde van de Commissie kan de Commissie, op voorwaarde dat het beginsel van haar collegiale verantwoordelijkheid ten volle wordt geëerbiedigd, een of meer van haar leden machtigen in haar naam en onder haar toezicht duidelijk omschreven maatregelen van beheer of bestuur te nemen. De vierde alinea van artikel 11 bepaalt onder meer, dat het bepaalde in de eerste alinea de regels voor de delegaties op financieel gebied onverlet laat. Volgens artikel 18, leden 1 tot en met 3 van het Financieel Reglement van de Commissie(15) voert de Commissie de begroting uit en kan zij in beginsel haar bevoegdheden onder de in haar Reglement van Orde bepaalde omstandigheden delegeren binnen de grenzen welke zij in de akte van overdracht vaststelt. De gedelegeerden kunnen slechts handelen binnen de grenzen van de hun uitdrukkelijk verleende bevoegdheden.(16)
39 Voor zover de bepalingen die het optreden van de Commissie regelen, de Commissie in het licht van de rechtspraak van het Hof toestaan om haar bevoegdheden voor bepaalde categorieën beheers- en bestuurshandelingen of voor de uitvoering van de begroting te delegeren, moet worden aangenomen, dat zij voor de vervulling van haar bestuurstaken haar ambtenaren met de vaststelling van dergelijke handelingen kan belasten, zonder dat daardoor het collegialiteitsbeginsel wordt aangetast, dat haar optreden hoort te beheersen. Evenmin kunnen dergelijke delegaties als een schending van het bepaalde in artikel 173 EG-Verdrag worden gezien, krachtens hetwelk aldus vastgestelde maatregelen aan de toetsing van de gemeenschapsrechter zijn onderworpen.
40 Het Gerecht heeft dan ook terecht in punt 37 van zijn arrest erop gewezen, dat blijkens het Reglement van Orde van de Commissie (artikel 11) aan ambtenaren van de instelling de bevoegdheid kan worden verleend om in haar naam en onder haar toezicht duidelijk omschreven maatregelen van beheer of bestuur, zoals de litigieuze maatregel, te nemen. Het betreft delegaties die niet tot gevolg hebben, dat de Commissie een bevoegdheid uit handen wordt genomen doordat aan de gemachtigde ambtenaren een eigen bevoegdheid wordt overgedragen.(17) Het Gerecht heeft eveneens terecht verklaard, dat de verlening van tekeningsbevoegdheid het normale middel is waardoor de Commissie haar bevoegdheden uitoefent. Het Hof heeft dit overigens ook herhaaldelijk erkend.(18)
41 Het Gerecht heeft terecht verklaard, dat de litigieuze maatregel, zonder dat het collegialiteitsbeginsel werd geschonden, kon worden vastgesteld op grond van de bepalingen inzake delegering van bevoegdheid.
42 Er zij bovendien op gewezen, dat, zoals de Commissie zegt, het waarnemend hoofd van de eenheid dat de bestreden beschikking heeft ondertekend, deel uitmaakt van het directoraat-generaal XIV, dat verantwoordelijk is voor de visserij(19), de sector waaraan de op grond van verordening nr. 4028/86 verleende communautaire bijstand ten goede komt. De Commissie merkt bovendien op, dat de bestreden handeling is vastgesteld in het kader van het beheer van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Oriëntatie, dat onder het directoraat-generaal Visserij (DG XIV) van de Commissie ressorteert.
43 Bovendien heeft het Gerecht mijns inziens de bewijslast zeer juist verdeeld waar het in punt 38 overwoog, dat Le Canne geen enkele aanwijzing had verstrekt, waaruit kon worden opgemaakt, dat de gemeenschapsadministratie van de terzake toepasselijke regels was afgeweken.(20) Le Canne had immers het bewijs moeten aandragen voor haar beweringen.(21) De argumenten van Le Canne voor de tegenovergestelde opvatting moeten daarom als ongegrond worden verworpen.
44 Bijgevolg moet het eerste middel in hogere voorziening worden verworpen.
B - Schending en onjuiste toepassing van de artikelen 44, lid 1, en 47 van verordening nr. 4028/86 en van artikel 7 van verordening nr. 1116/88
45 In haar derde middel stelt Le Canne, dat het Gerecht de artikelen 44, lid 1, en 47 van verordening nr. 4028/86 en artikel 7 van verordening nr. 1116/88 onjuist heeft toegepast, door te oordelen dat de procedure die de Commissie in casu heeft gevolgd, waarbij niet het Permanent Comité voor de Visserijstructuur is ingeschakeld, met deze artikelen strookte; meer in het bijzonder heeft het Gerecht haars inziens ten onrechte (in punt 56) geoordeeld, dat de artikelen 44, lid 1, en 47 van verordening nr. 4028/86 enkel van toepassing zijn in gevallen waarin het project in zijn geheel opnieuw wordt beoordeeld en niet wanneer "een deel van de uitgaven die verzoekster vergoed wil zien, geen verband houdt met het project zoals het aanvankelijk was aanvaard". Artikel 44 noemt immers als een van de situaties waarop het van toepassing is, de situatie waarin "het project niet zoals voorzien wordt uitgevoerd". Ter terechtzitting heeft Le Canne beklemtoond, dat het onderscheid tussen de kosten die in aanmerking komen en wijzigingen van het gesubsidieerde project die moeten worden aangemeld, haars inziens niet uit de bewoording van de regeling naar voren komt. Ten slotte stelt zij, dat vermindering of intrekking gerechtvaardigd is en niet voor iedere willekeurige wijziging van enige omvang, die niet is goedgekeurd, de bijdrage moet worden verminderd of ingetrokken, doch enkel voor een wijziging van het goedgekeurde project, die achteraf, nadat de procedure van artikel 47 is gevolgd, onaanvaardbaar wordt geacht.
46 Volgens de Commissie dient deze bijzondere procedure enkel te worden gevolgd en wanneer - in het kader van een herbeoordeling van het project in zijn geheel - het percentage van de gemeenschapsfinanciering opnieuw wordt beoordeeld en niet wanneer het enkel gaat om een eenvoudige aanpassing van de bedragen die werkelijk zijn uitgegeven voor uitgevoerde werken, welke uitgaven voor subsidiëring in aanmerking komen. In dat geval blijft het percentage van de gemeenschapsfinanciering immers hetzelfde.(22) De variatie in de voor subsidiëring in aanmerking komende uitgaven, die bij praktisch alle ingediende projecten voorkomt, is het resultaat van zuiver technische beoordelingen.
47 Artikel 44, uitgelegd in samenhang met artikel 47 van verordening nr. 4028/86 en met artikel 7 van verordening nr. 1116/88, bevat een wezenlijk vormvoorschrift, waarvan de niet-inachtneming de nietigheid van het genomen besluit meebrengt. Volgens het bepaalde in artikel 44 moet deze procedure telkens worden gevolgd, wanneer de communautaire bijstand om een van de in dat artikel genoemde redenen wordt geschorst, verminderd of ingetrokken.
48 Voordat kan worden gepreciseerd, welke bevoegdheden de Commissie op grond van dit artikel heeft, moet dus worden nagegaan, wat in artikel 44 wordt bedoeld met "bijstand" en "vermindering" van bijstand.
49 Op het terrein van de aquicultuur moet de term "bijstand", gelet op de andere bepalingen van verordening nr. 4028/86(23) en op bijlage III bij die verordening, aldus worden uitgelegd, dat hij betrekking heeft op het percentage van het voor de verwezenlijking van de materiële investering benodigde totaalbedrag dat als communautaire financiering voor de uitvoering van projecten(24) voor de bouw, inrichting, modernisering of uitbreiding van aquicultuurinstallaties is goedgekeurd. Dit percentage, dat een percentage is van het investeringsbedrag en dat bij de goedkeuring van het project wordt vastgesteld, vormt de communautaire bijstand.(25)
50 Blijkens de tekst van artikel 44 laat dit de Commissie een zekere vrijheid ("kan") bij haar besluit om de bijstand, dat wil zeggen het financieringspercentage dat aanvankelijk bij de goedkeuring van het project was vastgesteld, al dan niet te "schorsen", te "verminderen" of zelfs "in te trekken". De Commissie kan een van die maatregelen in de aldaar vermelde bijzondere gevallen nemen, mits de procedure van artikel 47 wordt gevolgd.
51 Artikel 44 verklaart in concreto dat schorsing, vermindering of intrekking van de bijdrage in vier gevallen kan plaatsvinden: a) indien het project niet zoals voorzien wordt uitgevoerd; b) indien aan bepaalde voorwaarden niet wordt voldaan; c) indien de begunstigde, anders dan de in zijn aanvraag vermelde en in de bijstandsbeschikking overgenomen gegevens, niet binnen een termijn van een jaar na de kennisgeving van die beschikking met de uitvoering van de werkzaamheden begint of vóór het verstrijken van deze termijn voor de uitvoering van het project voldoende waarborgen heeft gegeven, of d) indien de begunstigde de werkzaamheden niet binnen twee jaar na aanvang voltooit, behoudens in geval van overmacht.
52 Mijns inziens is theoretisch te verdedigen dat het begrip "vermindering" van de bijstand betrekking heeft op de betaling aan de begunstigde van een bedrag dat, om wat voor reden dan ook, lager is dan aanvankelijk voorzien. Zo is er bijvoorbeeld duidelijk een vermindering wanneer de Commissie het project om een of andere reden op het moment van de uitvoering in zijn geheel opnieuw evalueert en besluit om het percentage van de communautaire financiële bijstand te verlagen, dat aanvankelijk was goedgekeurd en dat zeker met een concreet bedrag overeenkomt. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn, wanneer het project gezien het ontwikkelingsstadium dat het heeft bereikt, waarschijnlijk niet het doel zal bereiken met het oog waarop de bijstand was goedgekeurd.
53 Volgens de tekst van artikel 44, lid 1, hebben mijns inziens echter enerzijds de vermindering, schorsing of intrekking betrekking op het percentage dat aanvankelijk, toen het gesubsidieerde project werd goedgekeurd, als communautaire financiële bijstand was vastgesteld, en ziet anderzijds het besluit om de bijstand te verminderen, schorsen of in te trekken op het toekomstige verloop van het project. Met andere woorden, van vermindering in de zin van de relevante bepalingen is slecht sprake wanneer er een lopend project is.
54 Zoals wij nog zullen zien, volgt ook uit artikel 44, lid 1, uitgelegd in samenhang met andere bepalingen van verordening nr. 4028/86 en verordening nr. 1116/88, dat de vermindering betrekking heeft op het bedrag dat aanvankelijk voor het betrokken project was voorzien en niet op het bedrag dat de Commissie daadwerkelijk betaalt voor een project dat voltooid is. De weigering van de Commissie om een bepaald bedrag uit te betalen in verband met de werkzaamheden die zijn uitgevoerd, is volgens mij geen vermindering in de zin van de verordening, want zij wijzigt niet het percentage van de aanvankelijk voorziene bijdrage, maar het bedrag dat werkelijk wordt betaald op grond van de uitgevoerde werkzaamheden en de desbetreffende uitgaven, voor zover deze voor subsidiëring in aanmerking komen.
55 Zoals de Commissie terecht stelt, kan er dan ook geen sprake zijn van vermindering in de zin van verordening nr. 4028/86, wanneer het project is voltooid en de vaststellingen van de bevoegde nationale instanties betreffende de definitieve stand van de werkzaamheden eenvoudig leiden tot een aanpassing van de bedragen die moeten worden betaald op basis van de uitgevoerde werkzaamheden die in het goedgekeurde en voltooide project waren voorzien. Immers, zelfs indien in dat geval het bedrag dat de rechthebbende als bijstand ontvangt, lager is dan dat wat aanvankelijk was goedgekeurd, vormt de weigering van de Commissie om het gehele saldo te betalen, geen vermindering in de zin van de betrokken bepalingen.
56 Overigens valt bij lezing van artikel 44 op, dat de wetgever in het eerste streepje de tegenwoordige tijd gebruikt en spreekt van een project dat "niet wordt uitgevoerd" zoals voorzien. Deze passage lijkt mij erop te duiden, dat de wetgever projecten die reeds zijn uitgevoerd, heeft willen uitsluiten. Uit de tijd van het werkwoord, waarvoor de wetgever in artikel 44 heeft gekozen, komt mijns inziens bovendien naar voren, dat hij tot de gevallen waarin de bijzondere procedure van artikel 47 moet worden gevolgd, niet de situatie heeft willen rekenen waarin het project is voltooid en waar het eenvoudig gaat om de aanpassing van bedragen die verschuldigd zijn uit hoofde van werkzaamheden die metterdaad zijn uitgevoerd. Aan de zinsnede "indien het project niet zoals voorzien wordt uitgevoerd" mag bijgevolg niet een zo ruime uitlegging worden gegeven, dat daaronder ook de situatie valt waarin de werkzaamheden al zijn verricht.
57 Hoe dit ook zij, de vaststelling van een bijzondere procedure vindt mijns inziens zijn rechtvaardiging in het feit dat "de beschikking waarbij de aanvankelijk toegekende bijstand wordt verminderd, ernstigere consequenties heeft"(26) voor de verwezenlijking van het gefinancierde project doordat zij de voorwaarden op grond waarvan de bijstand is goedgekeurd, wezenlijk wijzigt zonder voorbij te gaan aan het grote belang hiervan voor de bijstandsgerechtigde.
58 Erkend moet daarom worden, dat er voor toepassing van die procedure geen plaats is wanneer de betrokkene, in strijd met een uitdrukkelijke bepaling in het besluit van de Commissie tot toekenning van de financiële bijstand, niet om voorafgaande goedkeuring heeft verzocht voor de wijzigingen die in het project waren aangebracht en de werkzaamheden heeft voltooid zonder het oorspronkelijk goedgekeurde project of een deel daarvan uit te voeren of daarbij uitgaven heeft gedaan die niet voor subsidiëring in aanmerking kwamen. Wanneer de Commissie zich in dat geval, op grond van de haar door de nationale instanties verstrekte gegevens, in wezen beperkt tot de constatering, dat slechts een deel van de uitgaven waarvan de betrokkene betaling verlangt, verband houdt met het voltooide project zoals dit oorspronkelijk was goedgekeurd, kan zij een lager bedrag betalen, dat in een bepaalde verhouding staat tot de werkzaamheden die zijn verricht.
59 Maar er zijn mijns inziens ook nog andere bepalingen die enerzijds verlangen, dat wordt gedifferentieerd tussen het vastgestelde percentage van de gemeenschapsfinanciering en het bedrag dat werkelijk wordt betaald op basis van de voor subsidiëring in aanmerking komende uitgaven en de uitgevoerde werkzaamheden, en anderzijds een aanpassing mogelijk maken van de bedragen die werkelijk zijn betaald voor werkzaamheden die in het kader van het uitgevoerde project zijn verricht, welke aanpassing een reeks berekeningen en technische beoordelingen vereist.
60 Deze differentiëring vloeit mijns inziens voort uit artikel 4 van verordening nr. 1116/88. Dat artikel bepaalt, dat de gedeeltelijke betalingen voor een investering het uitvoeringspercentage van deze investering niet te boven mogen gaan. Dit percentage is gelijk aan de verhouding tussen het totaalbedrag van de werkelijk betaalde facturen of andere boekhoudbescheiden voor uitgaven die voor subsidiëring in aanmerking komen, en het totaalbedrag van de voor subsidiëring in aanmerking komende kosten zoals vastgesteld bij de beschikking tot vaststelling van de financiële bijstand.
61 Meer in het bijzonder met betrekking tot de aquicultuur, waar het in casu om gaat, bepaalt artikel 4, lid 1, sub b, van verordening nr. 1116/88, dat de bijstand in beginsel in niet meer dan drie gedeelten wordt uitgekeerd. Een (eerste) aanvraag om gedeeltelijke betaling kan pas worden gedaan wanneer het uitvoeringspercentage ten opzichte van de voor subsidiëring in aanmerking komende kosten ten minste 30 % bedraagt en, uitsluitend voor wat de aquicultuur betreft, het voorlopige verslag over de uitvoering is opgesteld.
62 Ik wijs erop, dat dit artikel 4 in lid 2 bepaalt, dat de laatste betalingen voor alle soorten van projecten slechts worden verricht indien is voldaan aan de in de bijstandsbeschikking vermelde voorwaarden, met name ten aanzien van de financiële bijdrage van de lidstaat en de indiening van de verlangde officiële bescheiden.
63 Overigens volgt volgens mij uit verordening nr. 970/87 van de Commissie, en in het bijzonder uit de bijlage daarbij betreffende projecten in de aquicultuursector, dat vermindering plaatsvindt na een herbeoordeling van het gefinancierde project. In het bijzonder blijkt de aanvraag om bijstand die de betrokkene indient, twee delen te omvatten (A en B). Deel B begint met een toelichting betreffende de beschrijving van het project, gevolgd door een waarschuwing aan de rechthebbende, dat "wanneer de werkzaamheden na die beschikking [de beschikking van de Commissie waarbij de bijstand wordt verleend] worden gewijzigd, moet het project opnieuw worden onderzocht en kan de bijstand eventueel worden ingetrokken, indien de in het project aangebrachte wijzigingen onaanvaardbaar worden geacht" (cursivering van mij). Vervolgens bevat deel B van het aanvraagformulier voor de bijstand een overzicht van de voorgenomen werkzaamheden. Doel van dit overzicht is, volgens een van de toelichtingen bij deze tabel, de verschillende uitgavenposten te groeperen. In elk geval moet bij het project worden gevoegd de kostenraming voor bouwkundige werkzaamheden en voor de levering door gespecialiseerde firma's van machines en divers materiaal, alsmede de plattegrond van de installaties. Met andere woorden, de rechthebbende weet welke uitgaven voor subsidiëring in aanmerking komen op het tijdstip dat de bijstand wordt goedgekeurd en hij weet ook, dat de uitvoering van andere dan de voorziene werkzaamheden na een nieuwe beoordeling van het project tot intrekking van de bijstand kan leiden.
64 Bovendien kan enkel voor lopende werkzaamheden in het kader van de procedure van de artikelen 44 en 47 van verordening nr. 4028/86, juncto artikel 7 van verordening nr. 1116/88, worden aangetoond, dat, ondanks de wijzigingen, het doel waarvoor de communautaire bijstand is toegekend, is of kan worden bereikt en dat het daarom niet nodig is het bedrag van de communautaire bijstand te verlagen. Maar aangezien hiervoor een zeer uitgebreide juridische en economische beoordeling vereist is van het verloop van de werkzaamheden in hun geheel en van de opportuniteit van die werkzaamheden, kan deze conclusie slechts worden getrokken met inachtneming van de in deze bepalingen neergelegde procedure.
65 Ik zie dan ook niet in waarom de Commissie deze bijzondere procedure ook zou moeten volgen in een geval waarin, blijkens de gegevens die de nationale instanties haar hebben verstrekt, de voor subsidie in aanmerking komende uitgaven van een voltooid project niet dezelfde zijn als die welke dat op grond van het besluit tot toekenning van de bijstand hadden moeten zijn. Wij hebben hier mijns inziens te maken met een situatie waarin het in artikel 47 bedoelde comité niet op grond van artikel 44 behoeft te worden ingeschakeld.
66 Deze conclusie vloeit niet alleen voort uit de letterlijke uitlegging van verordening nr. 4028/86, maar ook uit de teleologische en systematische uitlegging daarvan.
67 Volgens de zestiende overweging van de considerans van verordening nr. 4028/86 moeten "maatregelen worden genomen om onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen en om als gevolg van onregelmatigheden of nalatigheden verloren gegane bedragen terug te vorderen" en moet "tevens de mogelijkheid (...) worden geopend [om] de communautaire financiering te schorsen, te verminderen of in te trekken". Met andere woorden, de wetgever wil dat maatregelen worden getroffen om onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen die tijdens de uitvoering van het project zijn geconstateerd en als gevolg waarvan het doel van de financiering niet is bereikt. Dit is het doel van bijvoorbeeld de weigering om het saldo van de bijstand te betalen indien er afwijkingen zijn in de voor subsidiëring in aanmerking komende uitgaven, en van de in artikel 44 voorziene procedure tot schorsing, vermindering of intrekking van de communautaire bijstand. Uit het gebruik van het woord "tevens" in die overweging blijkt mijns inziens anderzijds, dat de vermindering, schorsing of de intrekking van de communautaire financiële bijstand niet de enige instrumenten zijn die de Commissie in geval van onregelmatigheden ter beschikking staan. Uit de tweede volzin van die overweging is op te maken, dat de daar bedoelde procedure moet verzekeren, dat het project zonder onregelmatigheden kan worden afgewikkeld.
68 Wanneer de begunstigde de werkzaamheden heeft voltooid en deze voltooiing door de nationale instanties is vastgesteld (of wanneer hij niet met de werkzaamheden is begonnen dan wel de uitvoeringswerkzaamheden niet binnen de gestelde termijn heeft voltooid), kan er geen sprake meer zijn van voorkoming van onregelmatigheden bij het verdere verloop van het project, noch van schorsing, vermindering of intrekking van de bijstand omdat de werkzaamheden volgens plan zijn uitgevoerd of niet, en het doel met het oog waarop de bijstand is toegekend is verwezenlijkt of niet. In dit stadium, vóór de laatste betaling, is de vraag eenvoudig, of de uitgaven op grond van de bewijsstukken en documenten die de nationale instanties aan de Commissie hebben toegestuurd, voor subsidiëring in aanmerking komen, en niet of het, gezien het verloop van het project en gelet op de kans dat het zijn doel zal bereiken, gerechtvaardigd is dat de bijzondere procedure wordt gevolgd, voorafgaande aan een vermindering, schorsing of intrekking van de bijstand. Met andere woorden, er is geen sprake van een nieuwe beoordeling van het project, dat geen lopend project meer is daar het voltooid is, maar van een eenvoudige aanpassing achteraf van het bedrag van de bijstand aan de werkzaamheden die werkelijk zijn verwezenlijkt.
69 Bovenstaande conclusies vinden overigens steun in de analyse van de taak die de gemeenschapswetgever aan het in artikel 47 genoemde Permanent Comité voor de visserijstructuur heeft toevertrouwd. Met een beroep op de ratio van artikel 44 stelt de Commissie terecht (in punt 25 van haar verweerschrift), dat de tussenkomst van het in artikel 47 bedoelde Permanent Comité niet kan worden verlangd voor simpele wijzigingen van technische aard in de voor subsidiëring in aanmerking komende uitgaven. Niet alleen staat dit immers in geen verhouding tot het nagestreefde doel - de voltooiing van het project - maar bovendien is het onzinnig, omdat wijziging van de voor subsidiëring in aanmerking komende uitgaven, die bij bijna alle projecten optreedt, resulteert uit zuiver technische beoordelingen.
70 Bovendien is het Permanent Comité, dat uit vertegenwoordigers van de lidstaten bestaat, geen technisch maar een juridisch-economisch orgaan, dat niet kan beoordelen of bepaalde uitgaven voor subsidie in aanmerking komen. Indien de procedure van artikel 47 altijd zou moeten worden gevolgd wanneer de voor subsidiëring in aanmerking komende uitgaven afweken van wat oorspronkelijk was voorzien, zelfs zonder wijziging van het percentage, dan zou dit, zo concludeert de Commissie, onmiddellijk ertoe leiden dat alle programma's die door de verordening worden beheerst, worden geblokkeerd.
71 Mijns inziens is de tussenkomst van het in artikel 47 bedoelde comité noodzakelijk wanneer er met betrekking tot het verloop van het lopende project een beoordelingsmarge is en het uit dien hoofde mogelijk is om een besluit te nemen tot vermindering, schorsing of intrekking van de bijstand. Wanneer het project nog niet geheel is verwezenlijkt en de termijn voor de voltooiing van de werkzaamheden nog niet is verstreken, moet het comité worden ingeschakeld om vast te stellen of het doel waarvoor het project is gefinancierd, kan worden bereikt. Zo niet, dan kan worden overwogen om tot vermindering, schorsing of intrekking van de bijstand over te gaan.
72 Dit standpunt vindt ook steun in andere bepalingen van verordening nr. 1116/88 van de Commissie. Die verordening geeft een nauwkeurige omschrijving van de verschillende stadia van de procedure die moet worden gevolgd in geval van vermindering, schorsing of intrekking van de bijstand. Luidens de zesde overweging van de considerans van die verordening mag "geen procedure tot schorsing, vermindering of intrekking van de bijstand (...) worden ingeleid zonder vooraf de betrokken lidstaat te raadplegen, zodat deze zijn standpunt kan bepalen, en de begunstigden in staat te stellen hun opmerkingen te maken". De gemeenschapswetgever heeft, met andere woorden, willekeurige acties van de Commissie willen uitsluiten die plaatsvinden zonder medeweten van de betrokken lidstaten en de bijstandsgerechtigden en zonder dat dezen van te voren om hun mening is gevraagd.
73 In concreto bepaalt artikel 7 van verordening nr. 1116/88, dat de Commissie, alvorens de procedure tot schorsing, vermindering of intrekking van de bijstand in te leiden, bepaalde stappen moet nemen die limitatief worden opgesomd: a) zij meldt dit aan de lidstaat op het grondgebied waarvan het project zou moeten worden uitgevoerd, zodat deze zijn standpunt daaromtrent kan bepalen; b) zij raadpleegt de met het verstrekken van de bewijsstukken belaste bevoegde autoriteit of instantie; c) zij verzoekt de begunstigde of begunstigden door tussenkomst van de autoriteit of instantie mede te delen om welke redenen niet aan de gestelde voorwaarden is voldaan.
74 Uit deze door artikel 7 van verordening nr. 1116/88 opgelegde voorwaarden blijkt dat dit artikel geen betrekking heeft op een voltooid project maar op een nog lopend project, terwijl de beschikking van de Commissie over de vermindering van de bijstand betrekking heeft op de uitvoering volgens plan van het project in zijn geheel.
75 Een voltooid project waarvoor de nationale instanties reeds een certificaat van de verificatie van de definitieve stand van de werkzaamheden hebben afgegeven, waarin zij het bedrag hebben verlaagd van de uitgaven die in de eindfase van het project voor subsidiëring in aanmerking komen, kan mijns inziens niet meer worden aangemerkt als een project dat nog moet worden uitgevoerd; ook is er geen goede reden voor de Commissie om de bevoegde nationale instantie te raadplegen, daar zij in wezen op grond van de vaststellingen en op advies van die instantie heeft gehandeld toen zij met inachtneming van de voor subsidie in aanmerking komende uitgaven weigerde om bepaalde bedragen te betalen.
76 Maar ook op basis van andere bepalingen van verordening nr. 4028/86, in het bijzonder artikel 39, kan worden opgemerkt, dat telkens wanneer de gemeenschapswetgever de Commissie - in het kader van projecten bedoeld in titel IV betreffende de ontwikkeling van de aquicultuur(27), zoals het project van Le Canne - in staat heeft willen stellen om haar beschikking tot toekenning van de bijstand in het kader van een controle van de resultaten van het project, in hoofdzaak de economische resultaten daarvan, geheel of gedeeltelijk te herzien, hij uitdrukkelijk heeft aangegeven, dat bij het nieuwe onderzoek de procedure van artikel 47 in acht moet worden genomen. In artikel 39, lid 2, spreekt de wetgever niet van een vermindering van de bijstand, omdat de bijstand reeds is uitgekeerd, maar van de mogelijkheid om enige tijd na "de laatste uitkering van de bijstand" (twee jaar in het geval van werkzaamheden voor de ontwikkeling van de aquicultuur) geheel of gedeeltelijk op de bijstandsbeschikking terug te komen. Omdat het hier gaat om een herbeoordeling van de resultaten van het hele project, bepaalt de wetgever uitdrukkelijk, dat de Commissie na afloop van de procedure van artikel 47 de uitgekeerde bedragen geheel of gedeeltelijk terugvordert.
77 Ook uit dit lid van artikel 39 kan dus worden afgeleid, dat met deze bijzondere procedure - die overigens ook in artikel 44 van verordening nr. 4028/86 wordt voorgeschreven - in het kader van de procedure voor het in artikel 47 bedoelde comité dient te worden nagegaan in hoeverre na voltooiing van het project uit controle van de resultaten blijkt, dat het doel waarvoor de bijstand was toegekend, globaal beoordeeld kan worden geacht te zijn bereikt.
78 Voor het standpunt van de Commissie kan mijns inziens ook steun worden gevonden in het arrest Cipeke/Commissie.(28) Die zaak betrof de geldigheid van een beschikking van de Commissie tot vermindering van een bijstand van het Europees Sociaal Fonds (hierna: "ESF") ten behoeve van een opleidingsproject. De regeling voor de toekenning van dat soort bijstand bevatte echter geen bepaling als artikel 44 van verordening nr. 4028/86, betreffende een bijzondere procedure, maar verleende de Commissie de mogelijkheid om de bijstand op te schorten, te verminderen of te doen vervallen, na aan de betrokken lidstaat gelegenheid te hebben geboden zijn opmerkingen te maken(29).
79 In genoemde zaak Cipeke/Commissie, waar het onderzoek in het bijzonder de kwestie betrof van de betaling van het saldo nadat het opleidingsproject was beëindigd, had de Commissie weliswaar vastgesteld, dat een bepaald bedrag betrekking had op kosten die niet voor subsidiëring in aanmerking kwamen, maar had zij de verminderingen niet uitgesplitst op basis van het precieze bedrag van de onregelmatige uitgaven. Het Hof overwoog(30), dat "de goedkeuring is gegeven voor een totaalbedrag en dat de aanvraag om betaling van het eindsaldo als totaal is ingediend voor het project in zijn geheel, zonder dat een gedetailleerd en specifiek goedkeuringsbesluit aan elk van de betrokken ondernemingen ter kennis is gebracht." En het vervolgde(31): "Verder blijkt, dat de Commissie de verminderingen (...) heeft verdeeld naar evenredigheid van (het) (...) aandeel (van elk der ondernemingen) in de betrokken posten en niet op basis van het precieze bedrag van de onregelmatige uitgaven." Omdat niet aan verzoekster was meegedeeld hoe de bijstand van het ESF was verminderd, heeft het Hof de weigeringsbeschikking van de Commissie daarom nietig verklaard met de overweging, dat de beschikking van de Commissie niet voldoende met redenen was omkleed in de zin van artikel 190 van het Verdrag. Hieruit volgt a contrario, dat de Commissie op het moment dat zij de aanvraag om betaling van het saldo onderzocht nadat het opleidingsproject was beëindigd, de verminderingen had kunnen uitsplitsen op basis van het precieze bedrag van de onregelmatige uitgaven en dat in dat geval de beschikking tot vermindering op dit punt geen enkel probleem had opgeleverd.
80 Concluderend komt uit het geheel van deze bepalingen naar voren, dat de gemeenschapswetgever heeft gewild dat de bijzondere procedure van de artikelen 44 en 47 in het bijzonder wordt gevolgd telkens wanneer voor een lopend, niet voltooid project moet worden vastgesteld, hoe waarschijnlijk het is dat het doel waarvoor de bijstand is toegekend, kan worden bereikt. Met andere woorden, hij wilde dat de veiligheidsmaatregel van artikel 47 wordt toegepast om te garanderen, dat het doel wordt nagestreefd waarvoor de bijstand is toegekend(32), met dien verstande, dat de Commissie de bijstand slechts kan verminderen, schorsen of intrekken, indien er geen garantie is dat dat doel wordt nagestreefd of indien het dreigt niet te worden bereikt; haar beschikking heeft werking voor de toekomst, dat wil zeggen geldt voor het verdere verloop van het project. Wanneer daarentegen betaling wordt geweigerd, heeft de beschikking van de Commissie betrekking op situaties en op de uitvoering van het project tot op het moment van die weigering. Zij heeft, met andere woorden, betrekking op het verleden, op het deel van het project dat al is uitgevoerd. Dit is een betrouwbaar criterium voor het onderscheid tussen de gevallen van vermindering, schorsing of intrekking van de bijstand voor de uitvoering van een lopend project en de weigering om een deel van de bijstand te betalen wanneer het project is voltooid.
81 Het bedrag van de aanvankelijk vastgestelde bijstand wordt dus niet gewijzigd, en in het bijzonder niet verminderd in de zin van artikel 44 van verordening nr. 4028/86, wanneer de Commissie op grond van gegevens van de nationale instanties beslist dat, aangezien enkel bepaalde werkzaamheden zijn uitgevoerd en enkel de daarmee verband houdende uitgaven voor subsidie in aanmerking komen, een deel van de voorziene bedragen moet worden betaald dat evenredig is aan die uitgaven, onverminderd de verplichting om het recht van verweer van de begunstigde te eerbiedigen.
82 Bovendien wordt volgens de Commissie (punt 24 van het verweerschrift) de beoordeling van de door de begunstigde uitgevoerde werkzaamheden aanzienlijk belemmerd wanneer het aanvankelijke project wordt gewijzigd zonder dat deze wijziging vooraf aan de nationale en communautaire instanties is meegedeeld. Dat is de reden waarom in de beschikking tot toekenning van bijstand uitdrukkelijk wordt bepaald, dat de voorgenomen werkzaamheden niet mogen worden gewijzigd of veranderd zonder voorafgaande toestemming van de nationale administratie en eventueel van de Commissie.
83 Wanneer men naast het hierna te behandelen recht van verweer verlangt dat de procedure van artikel 44 ook in gevallen als de onderhavige wordt toegepast, door de Commissie formeel tot een raadpleging te verplichten terwijl de toepasselijke gemeenschapsbepalingen bij juiste lezing deze instelling een dergelijke verplichting niet opleggen, dan worden in feite die bepalingen analoog toegepast op een geval dat niet in artikel 44, lid 1, wordt genoemd.
84 Bovendien zou met de eis dat de procedure van artikel 44 zelfs in gevallen als de onderhavige wordt toegepast, aan de Commissie een extreem formalistische verplichting worden opgelegd. Aldus zouden de procedures zonder goede gronden worden verlengd(33) en zou de letter en de geest van de geldende bepalingen worden geschonden. Het zou buitensporig zijn om te verlangen dat de Commissie, alvorens op basis van door de nationale instanties verstrekte gegevens en beoordelingen van technische aard het saldo te betalen van de bijstand die voor een bepaald voltooid werk was voorzien, de procedure van de artikelen 44 en 47 van verordening nr. 4028/86 en artikel 7 van verordening nr. 1116/88 volgt. Het doel van dit wezenlijke procedurevoorschrift, waarvan de inachtneming in het kader van de financiering van projecten door de Commissie noodzakelijk is om een zo groot mogelijke doorzichtigheid te verzekeren in deze belangrijke sector van gemeenschapsactiviteit, zou hiermee overigens in geen enkel opzicht worden gediend.
85 Het Gerecht heeft bijgevolg terecht geoordeeld, dat de bestreden beschikking van de Commissie geen beschikking was die, in de zin van artikel 44, lid 1, van verordening nr. 4028/86, de aan Le Canne aanvankelijk toegekende bijstand verminderde, maar zich in werkelijkheid beperkte tot de vaststelling, dat een deel van de uitgaven die Le Canne vergoed wil zien, geen verband houdt met het project zoals het aanvankelijk was aanvaard.
86 Het derde middel in hogere voorziening dient dus te worden verworpen.
C - Schending van het recht van hoor en wederhoor
87 Het tweede middel dat Le Canne in hogere voorziening voordraagt, valt uiteen in twee onderdelen. In de eerste plaats stelt zij, dat het Gerecht ten onrechte heeft overwogen (in de punten 49 en 51), dat zij met het verzoek dat zij op 28 juli 1995 aan het ministerie had gericht en op 3 augustus 1995 aan de Commissie, dus voordat de Commissie haar beschikking van 27 oktober 1995 definitief had vastgesteld(34), in staat was gesteld om uiteen te zetten waarom niet was voldaan aan de voorwaarden die in de beschikking tot toekenning van de bijstand waren neergelegd. Zij stelt, met andere woorden, schending van de in het algemene recht van hoor en wederhoor verankerde verplichting om de betrokkene te horen alvorens een voor hem bezwarend besluit wordt genomen.
88 In de tweede plaats stelt Le Canne, dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld (in punt 51), dat de Commissie in wezen de voorschriften van artikel 7 van verordening nr. 1116/88 heeft nageleefd. In tegenstelling tot wat het Gerecht overweegt, zou de Commissie het verzoek van Le Canne om de procedure van artikel 7 van verordening nr. 1116/86 te volgen, juist expliciet hebben afgewezen.
89 Hierboven heb ik reeds geconcludeerd, dat de bijzondere procedure van artikel 44 van verordening nr. 4028/86 junctis de artikelen 47 van die verordening en artikel 7 van verordening nr. 1116/88, niet behoefde te worden gevolgd, en dat de Commissie dat ook niet heeft gedaan. Afgezien van het feit dat een bijzondere procedure die een wezenlijk vormvoorschrift is, volgens mij niet in wezen kan worden nageleefd zonder dat zij ook formeel wordt nageleefd, dat wil zeggen zonder dat alle fases worden doorlopen die de wetgever zelf heeft vastgesteld, heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld, dat de Commissie die procedure in wezen had nageleefd door de betrokkene uit te nodigen om vóór de vaststelling van de litigieuze beschikking uiteen te zetten waarom zij niet aan de gestelde voorwaarden had voldaan.
90 Met betrekking tot de schending van het recht van hoor en wederhoor wil ik echter allereerst onderstrepen, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof(35) de eerbiediging van de rechten van de verdediging in iedere procedure die tot een bezwarend besluit kan leiden, is te beschouwen als een grondbeginsel van gemeenschapsrecht, dat zelfs bij ontbreken van iedere regeling inzake de betrokken procedure in acht moet worden genomen. Dit beginsel houdt in, dat de adressaten van besluiten die hun belangen aanmerkelijk beïnvloeden, in staat worden gesteld naar behoren hun standpunt kenbaar te maken.
91 Aangezien de in het telexbericht van 27 oktober 1995 vervatte weigering om het saldo te betalen voor Le Canne een ongunstig besluit was, hadden de haar door de gemeenschapsrechter toegekende rechten van de verdediging in acht moeten worden genomen.
92 Ondanks het feit dat de bijzondere procedure van de artikelen 44 en 47 van verordening nr. 4028/86 en van artikel 7 van verordening nr. 1116/88 niet is gevolgd, heeft het Gerecht bijgevolg terecht vastgesteld, dat is voldaan aan de eisen die de eerbiediging van de rechten van de verdediging en het grondrecht van hoor en wederhoor meebrengen, aangezien Le Canne de juistheid van het op 24 mei 1995 door het bevoegde ministerie afgegeven verificatiecertificaat betreffende de eindtoestand van de werkzaamheden in twijfel had getrokken en om een heronderzoek daarvan had verzocht(36) voordat de Commissie per telexbericht nr. 12 497 van 27 oktober 1995 haar beschikking definitief had vastgesteld.
93 Met de overweging dat de beschikking van de Commissie geen beschikking was die, in de zin van artikel 44, lid 1, de aanvankelijk aan Le Canne toegekende bijstand vermindert (punt 56), heeft het Gerecht die bepalingen dan ook juist toegepast, onafhankelijk van de motivering die in het beroepen arrest wordt aangevoerd. De tegenovergestelde stelling is bijgevolg ongegrond en moet dus worden verworpen evenals het desbetreffende middel in zijn geheel.
D - Onvoldoende motivering van de beschikking van de Commissie en verkeerde uitlegging van artikel 190 van het Verdrag
94 In haar vierde middel in hogere voorziening stelt Le Canne, dat het Gerecht ten onrechte het beroep tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie heeft verworpen en zich op het standpunt heeft gesteld dat de beschikking niet ontoereikend met redenen was omkleed, zodat artikel 190 van het Verdrag niet was geschonden. Zij richt haar kritiek in het bijzonder op punt 70 van het beroepen arrest, volgens hetwelk de motivering van de beschikking van de Commissie, die terugverwijst naar de van het bevoegde ministerie afkomstige uitleg in het certificaat betreffende de verificatie van de definitieve stand van de werkzaamheden, Le Canne "voldoende aanwijzingen heeft gegeven om de voornaamste gegevens feitelijk en rechtens te kennen, die aan de ontvouwde redenering ten grondslag liggen". In de schriftelijke opmerkingen die zij aan de nationale en communautaire instanties had gestuurd (op 28 juli respectievelijk 3 augustus 1995) had zij de conclusies van het certificaat van de nationale instanties in grote lijnen verworpen en verzocht om een heronderzoek door het in artikel 47 van verordening nr. 4028/86 genoemde comité, overeenkomstig de procedure van artikel 7 van verordening nr. 1116/88. De Commissie had volgens haar voor de motivering van haar beschikking niet met een verwijzing naar het certificaat van de nationale instanties kunnen volstaan, maar had zelf de technische details moeten toetsen. Hiervoor had zij de procedure van artikel 7 moeten volgen om een vergelijkende beoordeling op tegenspraak mogelijk te maken tussen het oorspronkelijke project en het uiteindelijke (dat wil zeggen in de staat waarin het zich bevond bij het einde van de werkzaamheden), en om Le Canne in staat te stellen, uiteen te zetten waarom het project niet was uitgevoerd zoals voorzien.
95 Los van wat ik heb gezegd met betrekking tot de vraag of de bijzondere procedure van de artikelen 44 en 47 van verordening nr. 4028/86 en artikel 7 van verordening nr. 1116/88 had moeten worden gevolgd, meen ik dat met betrekking tot de vraag of de beschikking voldoende met redenen is omkleed, kan worden volstaan met de opmerking, dat het Gerecht zich niet heeft vergist toen het (in punt 70) overwoog, dat de motivering volledig en voldoende was.
96 Volgens vaste rechtspraak moet de door artikel 190 van het Verdrag vereiste motivering beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling, en moet de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, daarin duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de gemeenschapsrechter zijn toezicht kan uitoefenen. Het is evenwel niet noodzakelijk, dat alle gegevens feitelijk of rechtens in de motivering van een handeling worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling toereikend is, niet alleen acht moet worden geslagen op de tekst ervan, doch ook op de context waarin zij is genomen, en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen.(37)
97 Het Hof stelt bijzonder hoge eisen aan de motivering van beschikkingen waarbij de aanvankelijk toegekende communautaire financiële bijstand wordt verlaagd. In de zaak Cipeke/Commissie(38) overwoog het Hof allereerst, dat "wanneer (...) de oorspronkelijke aanvraag eenmaal is goedgekeurd, de beschikking waarbij de aanvankelijk toegekende bijstand wordt verminderd, voor de aanvrager ernstigere consequenties heeft"(39), om vervolgens te concluderen, dat "uit een beschikking tot vermindering van bijstand duidelijk de redenen moeten blijken, die wettigen dat de bijstand wordt verminderd ten opzichte van de aanvankelijk goedgekeurde bijstand".(40) Uitgaande van deze overwegingen besliste het Hof(41), dat een beschikking die gebaseerd was op het feit dat bepaalde uitgaven niet waren goedgekeurd bij de beschikking tot toekenning van de bijstand, terwijl aan de betrokkenen geen gedetailleerd en specifiek goedkeuringsbesluit ter kennis was gebracht en de litigieuze beschikking geen enkele aanwijzing bevatte over de criteria voor de berekening van het verminderde bedrag dat aan de rechthebbende was meegedeeld, niet aan de eisen van artikel 190 van het Verdrag voldeed.
98 In het beroepen arrest (punt 66) verklaart het Gerecht, dat uit de voorgeschiedenis van de zaak, de briefwisseling van Le Canne met de nationale administratie en de Commissie, en de bestreden beschikking blijkt, dat de door de Commissie tot staving van die beschikking aangevoerde redenen voldoende duidelijk tot uitdrukking komen om Le Canne in staat te stellen haar rechten voor de gemeenschapsrechter te doen gelden, en deze laatste in staat te stellen, zijn toezicht op de wettigheid van de beschikking uit te oefenen.
99 Het Gerecht voegde hieraan toe, dat er drie specifieke redenen waren waarom de motivering toereikend was.
100 In de eerste plaats (punt 67), had Le Canne blijkens haar brief van 12 december 1994 aan het ministerie en de Commissie erkend, dat na de indiening van het project bepaalde voorwaarden aanzienlijk waren gewijzigd, waardoor aanpassingen noodzakelijk waren geworden, en had zij bovendien verklaard, zich ervan bewust te zijn, dat zij de formaliteit van de voorafgaande mededeling van wijzigingen achterwege had gelaten, wat naar zij zelf erkende, een grote hinderpaal vormde voor de afhandeling van haar dossier (zie ook punt 13 van het beroepen arrest).
101 In de tweede plaats blijkt volgens het Gerecht (punt 68 van het arrest) uit de gedetailleerde uitleg in het certificaat met betrekking tot de vaststelling dat de onder de betrokken posten vallende uitgaven niet in aanmerking komen, voldoende duidelijk welke redenen de bestreden beschikking dragen, zoals de rechtspraak terzake verlangt.(42)
102 In de derde plaats, aldus nog steeds het Gerecht (punt 69), geeft de bestreden beschikking een beknopte maar duidelijke uiteenzetting van de door de Commissie in aanmerking genomen redenen, waar daarin wordt geantwoord op bepaalde argumenten van Le Canne in haar op 3 augustus 1995 bij de Commissie ingekomen opmerkingen, en waar wordt verwezen naar de uitleg van het ministerie in het certificaat.
103 Het Gerecht heeft bijgevolg geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, toen het oordeelde dat gezien het stelsel van nauwe samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten waarop de toekenning van financiële bijstand berust, in de bestreden beschikking terecht ook naar die uitleg is verwezen.
104 Ik heb hiervoor reeds geconcludeerd, dat de beschikking van de Commissie geen besluit was tot vermindering van de bijstand in de zin van artikel 44 van verordening nr. 4028/86. Ik meen dan ook, dat het Gerecht terecht heeft geconcludeerd (in punt 70), dat de beschikking van de Commissie voldoende met redenen is omkleed(43) in de zin van artikel 190 van het Verdrag, nu zij de betrokkene voldoende aanwijzingen heeft gegeven om de voornaamste gegevens feitelijk en rechtens te kennen, die aan de redenering van de Commissie ten grondslag liggen.
105 Het vierde middel in hogere voorziening moet bijgevolg eveneens worden verworpen.
VI - Het verzoek om schadevergoeding
106 Omdat ik voorstel om alle middelen in hogere voorziening te verwerpen, komt de behandeling van het verzoek om schadevergoeding niet aan de orde. Mocht het Hof de hogere voorziening echter gegrond verklaren en het arrest van het Gerecht waartegen de hogere voorziening is gericht, vernietigen, dan moet de zaak overeenkomstig artikel 54 van 's Hofs Statuut-EG worden verwezen naar de rechter die over de feiten oordeelt, aangezien een diepgaand onderzoek van de feiten noodzakelijk is.
VII - Conclusie
107 Op grond van een en ander geef ik het Hof in overweging:
a) de hogere voorziening af te wijzen;
b) rekwirante in de kosten te verwijzen.
(1) - Le Canne/Commissie (T-218/95, Jurispr. blz. II-2055).
(2) - PB L 376, blz. 7.
(3) - Verordening (EEG) nr. 970/87 van de Commissie van 26 maart 1987 houdende overgangsmaatregelen en uitvoeringsbepalingen van verordening (EEG) nr. 4028/86 van de Raad voor wat de acties voor herstructurering en vernieuwing van de vissersvloot, ontwikkeling van de aquicultuur en inrichting van de kustzone betreft (PB L 96, blz. 1) stelt de gegevens en inlichtingen vast, welke in de aanvragen om communautaire financiële bijstand moeten voorkomen.
(4) - Artikel 45, lid 1, bepaalt:
"1. De lidstaten treffen (...) de nodige maatregelen om:
- zich ervan te vergewissen dat de in het kader van deze verordening gefinancierde maatregelen daadwerkelijk en met inachtneming van alle bepalingen zijn uitgevoerd,
- onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen,
- de als gevolg van onregelmatigheden of nalatigheden verloren gegane bedragen terug te vorderen.
(...)"
(5) - PB L 112, blz. 1.
(6) - Met uitzondering van een verschil in plaats en vorm van de intensieve-kweekbassins.
(7) - Het betrof de volgende wijzigingen: a) het verzuim om zestien bassins, een waterbehandelingsinstallatie en een thermische centrale te bouwen, en vervanging van dit alles door de aanleg van kweekbassins, die in het kader van het bij beschikking C(94) 1531/99 door de Commissie goedgekeurde aanvullend project zou plaatsvinden; b) verzuim om een reeks machines te kopen; c) verzuim om de nieuwe bergplaats en kweekbassins buiten de loods te bouwen.
(8) - Le Canne noemt in haar verzoekschrift artikel 27 van het Reglement van Orde van de Commissie. Dit is een kennelijke vergissing. De collegiale verantwoordelijkheid van de leden van de Commissie en de delegatie van bevoegdheid worden namelijk geregeld in artikel 11 van het Reglement van Orde (reglement 93/492/EURATOM, EGKS, EEG van 17 februari 1993, PB L 230, blz. 15). Volgens artikel 27 van het thans geldende reglement van orde moet dat reglement in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen worden gepubliceerd. Le Canne denkt waarschijnlijk aan artikel 27 van het voorlopig reglement van orde van de Commissie, zoals gewijzigd bij besluit van de Commissie van 23 juli 1975 (PB 1975, L 199, blz. 43).
(9) - Arrest van 15 juli 1994, Commissie/BASF e.a. (C-137/92 P, Jurispr. blz. I-2555). Het ging in die zaak om een beschikking van de Commissie gericht tegen ondernemingen, in het kader van een procedure tot vaststelling van een inbreuk op artikel 85 EG-Verdrag.
(10) - We behoeven niet lang stil te staan bij de bewering van de Commissie, dat het telexbericht van 27 oktober 1995 "een eenvoudige mededeling" was met betrekking waartoe het collegialiteitsbeginsel niet in acht behoefde te worden genomen. Ik verwijs naar het bestreden arrest waarin het Gerecht ter zake overwoog, dat "telexbericht nr. 12 497 van 27 oktober 1995, in samenhang met de door de Commissie op 5 juli 1995 gegeven opdracht tot betaling van het saldo van de communautaire bijstand, een vermindering teweegbracht van het bedrag van de aanvankelijk bij beschikking C(90) 1923/99 van de Commissie toegekende communautaire bijstand" (punt 28), om vervolgens in punt 29 te overwegen: "Voor zover het verzoekster een deel van de haar aanvankelijk toegekende bijstand ontneemt, zonder dat de betrokken lidstaat dienaangaande over een eigen beoordelingsbevoegdheid beschikt, is het betrokken telexbericht dus ten aanzien van verzoekster een individuele beschikking met bindende rechtsgevolgen die haar belangen raken, doordat haar rechtspositie aanzienlijk wordt gewijzigd". Zie arresten Hof van 11 november 1981, IBM/Commissie (60/81, Jurispr. blz. 2639, punt 9); 7 mei 1991, Interhotel/Commissie (C-291/89, Jurispr. blz. I-2257, punten 12 en 13) en Oliveira/Commissie (C-304/89, Jurispr. blz. I-2283, punten 12 en 13) en 4 juni 1992, Cipeke/Commissie (C-189/90, Jurispr. blz. I-3573, punten 11 en 12).
(11) - Zie met betrekking tot de specifieke inhoud van het begrip delegatie/overdracht van bevoegdheid en de afbakening van dat begrip ten opzichte van dat van de verlening van tekeningsbevoegdheid, onder meer Grohens, J.-C.: "La délégation administrative de compétence" kroniek in Receuil Dalloz, 1958 (blz. 197-204); de Laubadère, A., Vénézia, J.C. en Gaudemet, Y.: "Traité de droit administratif", Parijs, LEDJ, 1988, tiende druk, paragrafen 925 en 926, alsook Joliet, R.: "Le droit institutionnel des Communautés européennes", deel 2, getiteld Les institutions, les sources, les rapports entre ordres juridiques, Luik, Faculteit Rechtsgeleerdheid, Economie en Sociale wetenschappen van de Universiteit van Luik, 1983, blz. 33, en Dembour, J.: Droit administratif, derde druk, Luik, Faculteit Rechtsgeleerdheid, Economie en Sociale wetenschappen van de Universiteit van Luik, 1983, blz. 277. Opgemerkt zij dat een instantie via een delegatie van bevoegdheid bepaalde bevoegdheden kan overdragen om haar eigen administratieve taken te verlichten of om te bereiken dat de bevoegdheid, zij het nog steeds onder haar toezicht, wordt uitgeoefend door organen die beter in staat zijn om de beslissingen te nemen. Deze maatregel vindt zijn rechtvaardiging in het feit, dat een administratie niet zou kunnen functioneren indien de administratieve diensten absoluut alles zelf zouden moeten doen.
(12) - Zie de arresten van 23 september 1986, AKZO Chemie/Commissie (5/85, Jurispr. blz. 2585, punt 30) en Commissie/BASF e.a., aangehaald in voetnoot 9 (punt 62).
(13) - In werkelijkheid ligt artikel 17 van het Fusieverdrag (Verdrag van 8 april 1965 tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben) ten grondslag aan dit beginsel, maar die bepaling is thans vervangen door artikel 163 EG-Verdrag.
(14) - Arrest AKZO Chemie/Commissie, aangehaald in voetnoot 12 (punt 37).
(15) - Financieel Reglement van 21 december 1977 van toepassing op de algemene begroting der Europese Gemeenschappen (PB L 356, blz. 1).
(16) - De Commissie beklemtoont, dat deze delegaties voor elke afzonderlijke begrotingspost gedetailleerd worden omschreven bij een besluit dat zij jaarlijks vaststelt op grond van artikel 205 EG-Verdrag en het Financieel Reglement.
(17) - Zie punt 36 van het arrest AKZO Chemie/Commissie, aangehaald in voetnoot 12.
(18) - Zie bijvoorbeeld het arrest van 11 oktober 1990, FUNOC/Commissie (C-200/89, Jurispr. blz. I-3669, punten 13 en 14), dat ging over directoraat-generaal V van de Commissie, waarbij het beheer van de uitgaven van het Europees Sociaal Fonds berust. Zie ook de arresten van 14 juli 1972, ICI/Commissie (48/69, Jurispr. blz. 619, punten 12-14) en 17 oktober 1972, Vereeniging van Cementhandelaren/Commissie (8/72, Jurispr. blz. 977, punten 11-14), gewezen toen artikel 27 van het Voorlopig Reglement van Orde van de Commissie van kracht was.
(19) - Dit vloeit volgens de Commissie voort uit de interne voorschriften betreffende de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (titel B2-1, hoofdstuk B2-11, artikel B2-110).
(20) - Zie arrest FUNOC/Commissie, aangehaald in voetnoot 18 (punt 14).
(21) - Zie onder meer het arrest van 28 april 1966, ILFO/Hoge Autoriteit (51/65, Jurispr. blz. 126).
(22) - Dit betekent, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft opgemerkt, dat als een begunstigde bij de Commissie om betaling vraagt van kosten die in het goedgekeurde project en dus in het besluit van de Commissie niet zijn voorzien, de bijdrage niet wordt verlaagd omdat die kosten niet door die bijdrage worden gedekt. In dat geval vindt er, met andere woorden, geen vermindering van het financieringspercentage plaats.
(23) - Het betreft artikel 1, lid 1, sub b, de bepalingen van titel IV (de artikelen 11 en 12), betreffende de ontwikkeling van de aquicultuur en de ontwikkeling van de kustzone, en artikel 44 van verordening nr. 4028/86.
(24) - Artikel 11 van verordening nr. 4028/86 spreekt van projecten van overheids-, semi-overheids- en particuliere instanties.
(25) - Er zij aan herinnerd, dat de Commissie op grond van artikel 1, lid 1, sub b, van verordening nr. 4028/86 communautaire financiële bijstand kan verlenen voor acties op het gebied van de ontwikkeling van de aquicultuur en inrichting van de mariene zones met het oog op een beter beheer van de strook waar de kustvisserij wordt uitgeoefend.
(26) - Zie punt 16 van het in voetnoot 10 geciteerde arrest Cipeke/Commissie.
(27) - Titel IV gaat ook over de inrichting van de kuststrook.
(28) - Reeds aangehaald in voetnoot 10. Zie ook de analoge arresten van 4 juni 1992, Infortec/Commissie (C-157/90, Jurispr. blz. I-3525) en Consorgan/Commissie (C-181/90, Jurispr. blz. I-3557). Zie ook de conclusies van advocaat-generaal Darmon bij die arresten.
(29) - Artikel 6, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2950/83 van de Raad van 17 oktober 1983 houdende toepassing van besluit 83/516/EEG betreffende de taken van het Europees Sociaal Fonds (de verordening is gepubliceerd in PB L 289, blz. 1, en het besluit in PB L 289, blz. 38) bepaalt: "Indien van de bijstand van het Fonds geen gebruik wordt gemaakt op de wijze die in het besluit tot goedkeuring is vastgesteld, kan de Commissie deze bijstand opschorten, verminderen of doen vervallen, na aan de betrokken lidstaat gelegenheid te hebben geboden zijn opmerkingen te maken."
(30) - Arrest Cipeke/Commissie, aangehaald in voetnoot 10, punt 19.
(31) - Punt 20.
(32) - Het doel is ook, dat bepaalde aquicultuurwerkzaamheden worden uitgevoerd overeenkomstig het contract betreffende de verlening van financiële bijstand dat met elke betrokken ondernemer is gesloten.
(33) - Zie arrest van 15 mei 1975, Frubo/Commissie (71/74, Jurispr. blz. 563).
(34) - Het Gerecht wijst erop (in punt 50), dat Le Canne zelf in haar verzoekschrift had gepreciseerd, dat de Commissie bij telegram van 7 augustus 1995 had besloten, de procedure in te leiden tot betaling van de communautaire bijstand, berekend op basis van de ramingen in het certificaat.
(35) - Zie onder meer het arrest van 24 oktober 1996, Commissie/Lisrestal e.a. (C-32/95 P, Jurispr. blz. I-5373, punt 21).
(36) - Volgens het Gerecht had Le Canne dat gedaan in schriftelijke opmerkingen die op 28 juli 1995 waren binnengekomen bij het ministerie en op 3 augustus 1995 bij de Commissie.
(37) - Zie bijvoorbeeld het arrest van het Hof van 9 november 1995, Atlanta Fruchthandelsgesellschaft e.a. ( C-466/93, Jurispr. blz. I-3799, punt 16).
(38) - Aangehaald in voetnoot 10. Die zaak ging, zoals gezegd, over de geldigheid van een beschikking van de Commissie tot vermindering van een door het ESF toegekende bijstand ten behoeve van een opleidingsproject.
(39) - Punt 16.
(40) - Punt 18.
(41) - Punten 19-22.
(42) - Arrest Cipeke/Commissie, aangehaald in voetnoot 10 (punten 18-22).
(43) - Zie bijvoorbeeld de arresten van 20 maart 1957, Geitling/Hoge Autoriteit (2/56, Jurispr. blz. 11, inz. blz. 38), en van 8 februari 1966, Acciaierie Ferriere Pugliesi/Hoge Autoriteit (8/65, Jurispr. blz. 2).
Full & Egal Universal Law Academy