Conclusie van de advocaat generaal
A - Inleiding
1. In deze zaak stelt de Corte d'appello di Torino het Hof enkele vragen over de uitlegging van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Executieverdrag"), en van de artikelen 30 en 36 EG-Verdrag (thans, na wijziging, de artikelen 28 EG en 30 EG) en artikel 86 EG-Verdrag (thans artikel 82 EG). De verwijzende rechter vraagt zich af, of een in Frankrijk gewezen arrest dat zijns inziens in strijd is met de beginselen van het vrije verkeer van goederen en van de vrije mededinging, op grond van het Executieverdrag in Italië ten uitvoer moet worden gelegd.
2. Over het hoofdgeding merkt de verwijzende rechter enkel op, dat de Franse vennootschap Régie nationale des usines Renault (thans Renault SA; hierna: verzoekster") de vennootschap Maxicar en O. Formento (hierna: verweerders") voor het gerecht heeft gedaagd en heeft gevorderd, dat een door de Cour d'appel de Dijon in 1990 gewezen arrest overeenkomstig artikel 31 Executieverdrag uitvoerbaar wordt verklaard door verlening van het verlof tot tenuitvoerlegging. Bij dat arrest is Formento veroordeeld tot betaling van een geldboete van 20 000 FRF wegens namaak, en zijn verweerders met een andere onderneming hoofdelijk veroordeeld tot betaling van 100 000 FRF schadevergoeding. Zoals uit de opmerkingen van onder meer de Commissie blijkt, zijn verweerders veroordeeld omdat zij niet-originele vervangingsonderdelen voor auto's van het merk Renault zonder toestemming van verzoekster, die houder is van het desbetreffende recht van industriële eigendom, in Italië hebben vervaardigd en in Frankrijk hebben ingevoerd.
3. De Corte d'appello di Torino heeft - volgens de Commissie op 25 februari 1997 - het verzoek om uitvoerbaarverklaring van genoemd arrest, dat door de Franse cassatierechter is bekrachtigd, afgewezen, tegen welke afwijzing verzoekster - volgens verweerders op 28 maart 1997 - bij dezelfde rechterlijke instantie beroep heeft ingesteld. In het kader van deze beroepsprocedure verzoekt de Corte d'appello di Torino het Hof om een prejudiciële beslissing.
4. Volgens de verwijzende rechter hebben verweerders het door verzoekster ingestelde beroep betwist met het betoog, dat de Franse beslissing niet in Italië uitvoerbaar kan worden verklaard, daar zij in strijd is met de economische openbare orde en onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen in Italië gegeven soortgelijke beslissing. Blijkens de verwijzingsbeschikking hebben verweerders in dit verband aangevoerd, dat zij door de Cour d'appel de Dijon zijn veroordeeld op grond dat de industriële vormgeving in de auto-industrie een bijzonder strenge bescherming behoeft, daar zij doorslaggevend is voor het succes van een model bij de klant en tegelijkertijd bijdraagt aan het prestige van de onderneming. De Cour d'appel de Dijon zou voorts hebben overwogen, dat in elk onderdeel van de carrosserie een deel van de ideeën van de ontwerper van de gehele carrosserie tot uitdrukking komt, en dat de wettelijke bescherming die voor het geheel geldt, ook van toepassing is op elk van de wezenlijke bestanddelen daarvan, omdat anders die bescherming maar schijn zou zijn. Het zou niet mogelijk zijn, ten gunste van de onafhankelijke producenten van vervangingsonderdelen te stellen, dat bedoelde activiteit in Italië rechtmatig is. Volgens verweerders zijn deze overwegingen van de Franse rechter, waarmee aan de vormgeving van een auto juridische relevantie wordt toegekend en de bescherming van het geheel wordt uitgebreid tot de verschillende onderdelen, onaanvaardbaar en in strijd met de Italiaanse economische openbare orde in de zin van artikel 27, punt 1, Executieverdrag. Erkenning van de uitspraak van de Cour d'appel de Dijon betekent, aldus nog steeds verweerders, dat die uitspraak in het buitenland uitvoerbaar wordt en zo de gevolgen van de schending van het beginsel van het vrije goederenverkeer nog versterkt.
5. De overwegingen van de Franse rechter zijn volgens verweerders bovendien duidelijk in tegenspraak met een in mei 1995 door het tribunale di Milano tussen Maxicar en Renault gewezen vonnis, waarin het ging om de rechtmatigheid van het namaken van body-panels door zelfstandige producenten van vervangingsonderdelen. Die beslissing is onherroepelijk geworden en tussen dezelfde partijen gegeven in de zin van artikel 27, punt 3, Executieverdrag.
6. Naar het oordeel van de verwijzende rechter lijkt het Hof in zijn rechtspraak de exploitatie van de intellectuele en industriële eigendom steeds nauwkeuriger in te perken uit een oogpunt van het vrije verkeer van goederen en de vrije mededinging. Er zouden derhalve twijfels omtrent de werkelijke draagwijdte van deze beginselen bestaan, die overigens als beginselen van openbare orde in de zin van het Executieverdrag zouden moeten worden beschouwd. Aangezien de verwijzende rechter bovendien van mening is, dat hij ingevolge het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: protocol") gerechtigd is zich tot het Hof te wenden, stelt hij de volgende prejudiciële vragen:
1) Moeten de artikelen 30 tot en met 36 EG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat zij zich ertegen verzetten, dat de houder van een recht van industriële of intellectuele eigendom in een lidstaat krachtens het daaraan verbonden uitsluitende recht derden kan verbieden, losse onderdelen die tezamen de carrosserie van een reeds op de markt gebrachte auto vormen, en met name losse onderdelen die bestemd zijn om als vervangingsonderdelen voor die auto te worden verkocht, te fabriceren, te verkopen, alsmede naar een andere lidstaat uit te voeren?
2) Is het verbod van artikel 86 EG-Verdrag van toepassing op misbruik van de machtspositie die elke automobielconstructeur op de markt van vervangingsonderdelen voor door hem gefabriceerde auto's inneemt, hierin bestaande dat door de uitoefening van de rechten van industriële en intellectuele eigendom en de handhaving in rechte daarvan ernaar wordt gestreefd, de mededinging van onafhankelijke zelfstandige producenten van vervangingsonderdelen geheel uit te schakelen?
3) Moet derhalve in strijd worden geacht met de openbare orde als bedoeld in artikel 27 Executieverdrag een beslissing van een rechter van een lidstaat, waarbij het bestaan wordt erkend van een recht van industriële of intellectuele eigendom op de genoemde losse onderdelen die tezamen de carrosserie van een auto vormen, en de houder van dat pretense uitsluitende recht bescherming wordt verleend in de vorm van een verbod aan derden, te weten marktdeelnemers uit een andere lidstaat, om de losse onderdelen die tezamen de carrosserie van een reeds op de markt gebrachte auto vormen, in die lidstaat te fabriceren, te verkopen, door te voeren, in te voeren of daarnaar uit te voeren, een en ander onder bedreiging?"
B - Relevante bepalingen van het Executieverdrag en van het protocol
7. Volgens artikel 26, eerste alinea, Executieverdrag worden de in een verdragsluitende staat gegeven beslissingen in de overige verdragsluitende staten erkend zonder vorm van proces.
8. In artikel 27 staan uitzonderingen op dit beginsel. Zo wordt een beslissing niet erkend:
1. indien de erkenning strijdig is met de openbare orde van de aangezochte staat;
(...)
3. indien de beslissing onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen in de aangezochte staat gegeven beslissing;
(...)"
9. De tenuitvoerlegging van beslissingen is geregeld in artikel 31, dat bepaalt dat de beslissingen welke in een verdragsluitende staat zijn gegeven en aldaar uitvoerbaar zijn, in een andere verdragsluitende staat ten uitvoer kunnen worden gelegd nadat zij aldaar, ten verzoeke van iedere belanghebbende partij, van het verlof tot tenuitvoerlegging zijn voorzien. Ingevolge artikel 32 moet dit verzoek in Italië tot de Corte d'appello worden gericht.
10. Indien de tenuitvoerlegging wordt toegestaan, kan de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, ingevolge artikel 36 daartegen verzet doen. Volgens artikel 37 moet dit verzet in Italië voor de Corte d'appello worden gebracht. Artikel 40 bepaalt, dat indien het verzoek wordt afgewezen, de verzoeker daartegen beroep kan instellen, in Italië bij de Corte d'appello.
11. Volgens artikel 1 van het protocol is het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bevoegd uitspraak te doen over de uitlegging van het Verdrag (...) en van het (...) protocol". Niet alle rechterlijke instanties kunnen het Hof echter om een prejudiciële beslissing verzoeken. Artikel 2, punt 1, van het protocol noemt in de eerste plaats voor de afzonderlijke verdragsluitende staten bepaalde rechterlijke instanties die daartoe bevoegd zijn. Voor Italië is dit de Corte Suprema di Cassazione. Volgens artikel 2, punten 2 en 3, mogen ook prejudiciële vragen worden gesteld door:
2. de rechterlijke instanties van de verdragsluitende staten, wanneer zij recht spreken in hoger beroep;
3. in de gevallen, bedoeld in artikel 37 van het Verdrag, de in dat artikel genoemde rechterlijke instanties."
Ik merk hier al meteen op, dat artikel 40 - beroep tegen de afwijzing van het verzoek om uitvoerbaarverklaring - niet met zoveel woorden in artikel 2 van het protocol wordt genoemd.
C - Het arrest CICRA en Maxicar van 5 oktober 1988
12. In deze zaak waren het Hof vragen voorgelegd die betrekking hadden op dezelfde problematiek als de eerste twee vragen in de onderhavige zaak en ook op dezelfde wijze waren geformuleerd. Verzoeksters waren CICRA, een beroepsorganisatie van Italiaanse ondernemingen die losse carrosserieonderdelen voor auto's vervaardigen en in de handel brengen, en Maxicar, een bij deze organisatie aangesloten vennootschap. In zoverre lopen beide zaken dus ook parallel. Aangezien het arrest van grote betekenis is voor de beantwoording van de eerste twee vragen in de onderhavige zaak, wil ik aan het begin van deze conclusie reeds uitvoerig op deze uitspraak ingegaan.
13. Het Hof heeft om te beginnen vastgesteld, dat bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht, zolang het recht binnen de Gemeenschap niet eenvormig is gemaakt of de nationale wettelijke regelingen niet zijn geharmoniseerd, de voorwaarden waaronder en de wijze waarop tekeningen en modellen worden beschermd, door de nationale rechtsregels worden bepaald. Het staat derhalve aan de nationale wetgever om vast te stellen, welke producten deze bescherming genieten, zelfs wanneer zij deel uitmaken van een geheel dat als zodanig reeds beschermd is."
14. Het Hof vervolgt:
Vervolgens moet erop worden gewezen, dat de mogelijkheid voor de houder van een siermodel om zich ertegen te verzetten dat een derde met het oog op verkoop op de binnenlandse of op de exportmarkt producten fabriceert waarin het model is verwerkt, of om de invoer van dergelijke producten die zonder zijn toestemming in andere lidstaten zijn vervaardigd, te beletten, de essentie vormt van zijn uitsluitend recht. Door onder die omstandigheden de toepassing van de nationale wettelijke regeling uit te sluiten, zou men derhalve het bestaan van dat recht ter discussie stellen.
Ten slotte moet er nog aan worden herinnerd dat ingevolge artikel 36 beperkingen van invoer of uitvoer, die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom, toelaatbaar zijn voor zover zij geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten vormen. Dienaangaande kan worden volstaan met vast te stellen, dat blijkens het dossier (...) die regeling er niet toe strekt, nationale producten gunstiger te behandelen dan die van oorsprong uit andere lidstaten."
15. Met betrekking tot artikel 86 heeft het Hof opgemerkt, dat de loutere verkrijging van een door de wet toegekend uitsluitend recht, dat inhoudt dat de rechthebbende zich kan verzetten tegen de productie en de verkoop van de beschermde producten door onbevoegde derden, niet kan worden beschouwd als een onrechtmatige uitschakeling van de mededinging.
16. Ten aanzien van het prijsverschil tussen de door de constructeur en de door de onafhankelijke fabrikant verkochte onderdelen wijst het Hof erop, dat ingevolge 's Hofs rechtspraak (...) het feit dat de verkoopprijs van de constructeur die van de zelfstandige fabrikant overtreft, niet noodzakelijkerwijs misbruik oplevert, aangezien de houder van het modelrecht rechtmatige aanspraken heeft op beloning voor de uitgaven die hij heeft moeten doen voor de ontwikkeling van het beschermde model."
17. Het Hof heeft de aan hem voorgelegde vragen daarom als volgt beantwoord:
1) De voorschriften inzake het vrije goederenverkeer verzetten zich niet tegen de toepassing van een nationale regeling ingevolge welke een automobielconstructeur die houder is van het siermodelrecht voor vervangingsonderdelen van door hem vervaardigde auto's, gerechtigd is aan derden de vervaardiging van de beschermde onderdelen met het oog op binnenlandse verkoop of uitvoer te verbieden, of de invoer uit andere lidstaten tegen te gaan van vervangingsonderdelen die daar zonder zijn toestemming zijn vervaardigd.
2) De loutere verkrijging van siermodelrechten voor carrosserieonderdelen van auto's vormt geen misbruik van machtspositie in de zin van artikel 86 EEG-Verdrag; de uitoefening van de aan de houders van die siermodellen toegekende uitsluitende rechten kan op grond van artikel 86 verboden zijn, indien zij de onderneming met de machtspositie brengt tot gedragingen die misbruik opleveren, zoals de willekeurige weigering om vervangingsonderdelen te leveren aan onafhankelijke reparateurs, de vaststelling van onbillijke prijzen voor vervangingsonderdelen of de beslissing om geen vervangingsonderdelen voor een bepaald automodel meer te vervaardigen, terwijl er nog vele auto's van dat model in omloop zijn, een en ander wanneer die gedragingen de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden."
D - De derde vraag
18. In de onderhavige zaak moet - zoals de verwijzende rechter zelf bevestigt - primair worden bepaald, of het begrip openbare orde in artikel 27, punt 1, Executieverdrag mede het gemeenschapsrecht omvat. Bij een ontkennende beantwoording van deze vraag kunnen de eerste twee uitleggingsvragen verder buiten beschouwing blijven. Het lijkt dan ook zinvol eerst de derde vraag te behandelen, zoals overigens ook is gedaan door de meeste partijen die in deze zaak opmerkingen hebben ingediend, althans tijdens de mondelinge behandeling.
Ontvankelijkheid
19. In het kader van de derde prejudiciële vraag moet allereerst worden uitgemaakt, of de verwijzende rechter wel bevoegd is het Hof een vraag van uitlegging van het Executieverdrag voor te leggen.
Argumenten van partijen
20. Verzoekster betwist die bevoegdheid onder verwijzing naar artikel 2 van het protocol. Aangezien de verwijzende rechter in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan en de zaak voor hem is gebracht op grond van artikel 40 Executieverdrag en niet op grond van artikel 37, is hij ingevolge artikel 2 van het protocol niet bevoegd het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken. Voor haar standpunt verwijst verzoekster naar de rechtspraak van het Hof. In de zaak Von Gallera verklaarde het Hof een prejudiciële vraag van een rechterlijke instantie die om een exequatur was verzocht, niet-ontvankelijk. Volgens verzoekster moet deze regel strikt worden uitgelegd en kan hij niet worden opgerekt naar analogie van artikel 37, dat in zoverre een uitzondering vormt.
21. Verweerders, de Franse regering en de Commissie zijn daarentegen van mening, dat de prejudiciële vraag wel ontvankelijk is. Volgens verweerders spreekt de verwijzende rechter in casu recht in hoger beroep in de zin van artikel 2, punten 2 en 3, van het protocol. Tegen zijn beslissing op het beroep kan ingevolge artikel 41 enkel nog een cassatieberoep worden ingesteld. Ook uit het rapport Jenard blijkt, dat de verwijzende rechter als appèlrechter moet worden beschouwd. De door verzoekster aangehaalde beschikking is in casu irrelevant, aangezien het daar ging om een prejudiciële vraag van een rechterlijke instantie die in eerste aanleg uitspraak deed.
22. De Franse regering is bovendien de mening toegedaan, dat de verwijzende rechter uitspraak doet op grond van artikel 40, dus in het kader van een procedure in hoger beroep, zoals ook uit 's Hofs rechtspraak blijkt.
23. De Commissie merkt om te beginnen op, dat de procedure van artikel 40 in verscheidene taalversies van het Executieverdrag als beroepsprocedure wordt aangemerkt. Aangezien ook het rapport Jenard zonder meer daarvan uitgaat, concludeert de Commissie, dat de verwijzende rechter op grond van artikel 2, punt 2, van het protocol bevoegd is zich tot het Hof te wenden. Zij wijst bovendien op de overeenkomsten tussen de procedure van artikel 37 en die van artikel 40 Executieverdrag, zoals bijvoorbeeld het feit dat het in beide gevallen om een procedure op tegenspraak gaat. Volgens de Commissie kan dan ook niet worden uitgesloten, dat artikel 2, punt 3, van het protocol impliciet ook het in artikel 40 bedoelde geval omvat. Ondanks dat de mogelijkheden om het Hof om uitlegging van het Executieverdrag te verzoeken, beperkt zijn, acht de Commissie een dergelijke uitbreiding toelaatbaar in het belang van het procedurele evenwicht van het Executieverdrag en teneinde te verzekeren, dat partijen in het kader van artikel 40 dezelfde behandeling genieten als in het kader van artikel 37.
Standpunt
24. Bij bestudering van de tekst van het Executieverdrag en van het protocol blijkt, dat de procedures van de artikelen 37 en 40 in de verschillende taalversies verschillend worden beschreven en aangeduid. Zo wordt in de Duitse versie van deze artikelen het woord Rechtsbehelf" gebruikt en verlangt het in de Duitse taal gestelde artikel 2, punt 2, van het protocol, dat de rechterlijke instantie als Rechtsmittelinstanz" rechtspreekt.
25. De Franse versie gebruikt voor de in de artikelen 37 en 40 bedoelde procedures het woord recours" en stelt in artikel 2, punt 2, van het protocol als voorwaarde, dat de rechterlijke instanties statuent en appel".
26. De Engelse versie daarentegen spreekt in de artikelen 37 en 40 van appeal" en verlangt ook in artikel 2, punt 2, van het protocol, dat de rechterlijke instanties are sitting in an appellate capacity".
27. Uit de tekst valt dus niet zonder meer af te leiden, of de verwijzende rechter in het kader van artikel 40 Executieverdrag in de hoedanigheid van appèlrechter beslist. Gezien de opzet van artikel 2 van het protocol zou men kunnen menen, dat zulks niet het geval is. Het feit dat in punt 2 wordt gesproken van de rechterlijke instanties die rechtspreken in hoger beroep, terwijl punt 3 vervolgens uitdrukkelijk verwijst naar artikel 37, zou tot de conclusie kunnen leiden, dat de in dit artikel bedoelde rechterlijke instanties juist niet als appèlrechter worden beschouwd. Aangezien nu - zoals de Commissie terecht opmerkt - de procedure van artikel 37 en die van artikel 40 zeer sterk op elkaar lijken - in beide gevallen wordt bovendien opgekomen tegen de beslissing van de rechter die om een exequatur is verzocht - en in de verschillende onderzochte taalversies ook op dezelfde wijze zijn beschreven, zou dit kunnen betekenen, dat de in het kader van artikel 40 aangezochte rechter evenmin als appèlrechter kan worden beschouwd.
28. Deze opvatting is echter niet terug te vinden in de rechtspraak van het Hof. In de zaak Firma P., waarnaar ook de Franse regering verwijst, had een rechterlijke instantie waarbij een beroep in de zin van artikel 40 Executieverdrag was ingesteld, een vraag over de uitlegging van dit artikel gesteld. In plaats van die vraag niet-ontvankelijk te verklaren, legde het Hof artikel 40 uit en gaf het daarmee antwoord op de vraag. Daarbij merkte het op: Het Executieverdrag verlangt echter nadrukkelijk, dat de procedure in beroep een contradictoir karakter heeft, zonder daarbij onderscheid te maken naar gelang van de draagwijdte van de beslissing in eerste aanleg." Hieruit blijkt, dat de verwijzende rechter in tweede aanleg beslist. Een rechterlijke instantie die zich uitspreekt in het kader van artikel 40 Executieverdrag, is derhalve bevoegd het Hof een vraag van uitlegging van dit verdrag te stellen. Deze conclusie wordt niet tegengesproken door de beschikking in de zaak Gallera, waarop verzoekster zich beroept. In die zaak ging het namelijk om een vraag van een rechterlijke instantie die om een exequatur was verzocht en die dus in eerste aanleg besliste. Die vraag werd door het Hof niet-ontvankelijk verklaard.
29. Rest mij nog op te merken, dat - zoals de Commissie heeft aangevoerd - niets een verschil in behandeling tussen de procedure van artikel 37 en die van artikel 40 Executieverdrag lijkt te rechtvaardigen. In beide gevallen wordt opgekomen tegen de beslissing van de rechter om het gevraagde exequatur te verlenen c.q. te weigeren. Alleen de betrokken partij is een andere. Het valt dan ook niet in te zien, waarom het Hof slechts in het kader van één van die procedures om een prejudiciële beslissing zou kunnen worden verzocht. Voor het geval het Hof zou menen, dat de verwijzende rechter niet kan worden beschouwd als een rechterlijke instantie die rechtspreekt in hoger beroep in de zin van artikel 2, punt 2, van het protocol, moeten de prejudiciële vragen naar mijn mening dan ook niettemin ontvankelijk worden geacht op grond van artikel 2, punt 3, van het protocol, een en ander naar analogie van de procedure van artikel 37 Executieverdrag.
De inhoud van de derde vraag
Het begrip openbare orde
Argumenten van partijen
30. Volgens verzoekster gaat het er bij deze derde vraag om, of een uitleggingsfout in een vreemde beslissing als een schending van de internationale openbare orde kan worden beschouwd. Voor het begrip openbare orde" verwijst verzoekster in de eerste plaats naar het rapport Jenard, waaruit haars inziens blijkt, dat de openbare-ordeclausule slechts in uitzonderlijke gevallen mag worden toegepast en dat het verlof tot tenuitvoerlegging van een vreemde beslissing enkel mag worden geweigerd indien de erkenning van die beslissing, dat wil zeggen de werking die zij in de aangezochte staat kan hebben, strijdig is met de openbare orde.
31. Ook het Hof heeft uitgemaakt, dat het begrip openbare orde" slechts in uitzonderlijke gevallen in verband met het gemeenschapsrecht kan worden toegepast.
32. Onder verwijzing naar de conclusie in de zaak Van den Boogaard merkt verzoekster op, dat het begrip openbare orde" slechts toepassing kan vinden in situaties die een zeer sterke impact kunnen hebben op de collectieve gevoeligheden van een lidstaat. In casu wordt echter enkel gevraagd, of een uitleggingsfout schending van de openbare orde kan opleveren. Hiervan kan volgens verzoekster geen sprake zijn.
33. Bij een dergelijke verruiming van het begrip openbare orde" zou de rechter in staat worden gesteld, de juistheid van de in den vreemde gegeven beslissing te onderzoeken onder het voorwendsel dat de buitenlandse rechter een uitleggingsfout heeft gemaakt, en dit terwijl het Executieverdrag een dergelijk onderzoek op twee plaatsen verbiedt, namelijk in artikel 29 en in artikel 34, zoals ook uit het rapport Jenard blijkt.
34. Indien die mogelijkheid toch werd geboden, zou het met het Executieverdrag beoogde doel, een vlotte tenuitvoerlegging van beslissingen in andere lidstaten te verzekeren, volledig worden miskend en zou daarenboven een extra beroepsweg worden ingevoerd.
35. Bovendien, zo vervolgt verzoekster, is volgens 's Hofs vaste rechtspraak de bescherming van modellen een zaak van nationaal recht en kan deze bescherming niet worden bepaald door de rechterlijke instanties van een andere lidstaat. Met zijn weigering een Franse beslissing waarbij op het Franse grondgebied gepleegde inbreuken worden bestraft, te erkennen, zou de Italiaanse rechter de Franse soevereiniteit schenden.
36. Volgens verweerders is een onderzoek van de juistheid van de vreemde beslissing in casu niet aan de orde, maar wordt - integendeel - van het Hof een precisering verwacht van het begrip economische openbare orde", een van de grenzen die het Executieverdrag aan de uitvoerbaarverklaring van een beslissing stelt. Dit begrip moet worden opgevat als internationale openbare orde, die ook de communautaire openbare orde en daarmee de beginselen van het vrije goederenverkeer en van de vrije mededinging omvat.
37. Volgens verweerders is de in artikel 27, punt 1, opgenomen clausule een veiligheidsclausule, die de bij het Executieverdrag aangesloten staten de mogelijkheid biedt de tenuitvoerlegging van beslissingen te beletten wanneer fundamentele beginselen die de openbare orde raken, in geding zijn. Dat deze clausule slechts in uitzonderlijke gevallen mag worden toegepast, betekent niet, dat hij in casu niet kan worden ingeroepen.
38. Bij het begrip openbare orde" gaat het volgens verweerders niet enkel om vragen van moraal en religie. Ook zij beroepen zich in dit verband op de conclusie in de zaak Van den Boogaard, waarin advocaat-generaal Jacobs verklaarde, dat zelfs economische vragen de fundamentele belangen van de openbare orde kunnen raken.
39. Erkenning van de Franse beslissing, en daarmee van de Franse regeling op het gebied van vervangingsonderdelen, zou er volgens verweerders op neerkomen, dat de vrije mededinging werd opgeofferd aan het vrije verkeer van vonnissen binnen de Gemeenschap. Het gaat hier niet alleen om twee met elkaar strijdige beslissingen, maar om een systematische tegenstelling tussen twee stelsels van rechtspraak.
40. Het staat volgens verweerders bovendien buiten kijf, dat de maatschappelijke orde van een lidstaat zou worden ondermijnd, indien een partij zich kon beroepen op twee met elkaar strijdige beslissingen. Verweerders verwijzen in dit verband naar het arrest Hoffmann.
41. Verweerders stellen zich dan ook op het standpunt, dat voor het geval de Franse beslissing niet als strijdig met het gemeenschapsrecht zou worden aangemerkt op grond dat de bescherming van vervangingsonderdelen een zaak van de lidstaten is, de verlening van het verlof tot tenuitvoerlegging in elk geval onmogelijk zou moeten worden geacht om redenen verband houdend met de economische openbare orde.
42. Verweerders concluderen derhalve, dat de erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing die onverenigbaar is met fundamentele beginselen op het gebied van het vrije goederenverkeer, in een andere bij het Executieverdrag aangesloten staat om redenen van openbare orde kan worden geweigerd. Dit geldt huns inziens ook voor een beslissing waarin uitdrukking wordt gegeven aan een rechtsopvatting die op gespannen voet staat met de vaste rechtspraak in de aangezochte staat.
43. Aangezien artikel 27, punt 1, spreekt van de openbare orde van de aangezochte staat", werpt de Franse regering om te beginnen de vraag op, of het Hof wel bevoegd is zich over de inhoud van dit begrip uit te spreken, dan wel of niet de nationale rechter daartoe bij uitsluiting bevoegd is. Zij stelt voorts, dat ook indien het begrip openbare orde" geen communautair begrip is, het bij het onderzoek naar de verenigbaarheid met de openbare orde in de zin van het Executieverdrag niet eenvoudig erom gaat of het in de staat van herkomst toegepaste recht afwijkt van het recht dat geldt in de staat waar de beslissing ten uitvoer moet worden gelegd. Anders zouden maar weinig beslissingen van een exequatur kunnen worden voorzien en zou de verwezenlijking van de doelstellingen van het Executieverdrag onmogelijk worden gemaakt. Artikel 27, punt 1, verwijst naar de internationale openbare orde van de betrokken staat. Wat de erkenning van vreemde vonnissen betreft, heeft dit begrip slechts een afgezwakte werking: het gaat er enkel om, of de erkenning van de uitspraak in strijd is met de openbare orde; de juistheid van de beslissing zelf mag niet meer worden onderzocht.
44. Ook het met het Executieverdrag beoogde doel, te verzekeren dat rechterlijke beslissingen overal in de Gemeenschap ten uitvoer kunnen worden gelegd, pleit volgens de Franse regering voor een restrictieve uitlegging van artikel 27, punt 1. Volgens het rapport Jenard moet het begrip openbare orde" in overeenstemming met de meest recente verdragen worden uitgelegd. De Franse regering verwijst in dit verband naar het Verdrag van 's-Gravenhage van 1 februari 1971, waarin onder meer is bepaald, dat de erkenning van een beslissing kan worden geweigerd wanneer zij kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. Ook uit het gebruik van het woord kennelijk" blijkt, dat de erkenning van een beslissing slechts bij hoge uitzondering wegens schending van de openbare orde mag worden geweigerd.
45. Met betrekking tot de inhoud van het begrip openbare orde" merkt de Franse regering nog op, dat de uitvoerbaarheid van rechterlijke beslissingen in de gehele Gemeenschap enkel kan worden beperkt indien ethische, religieuze of morele waarden in het geding zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor de bescherming van de fysieke integriteit van personen, maar zeker niet voor begrippen van communautair economisch recht.
46. Volgens de Nederlandse regering is het begrip openbare orde" niet een begrip dat door elk van de staten afzonderlijk moet worden gedefinieerd, maar een autonoom begrip dat in alle bij het Executieverdrag aangesloten staten op gelijke wijze moet worden uitgelegd. Hierdoor wordt zowel de rechtsbescherming van het individu vergroot als een uniforme toepassing van het Executieverdrag gewaarborgd.
47. Met betrekking tot het begrip zelf merkt de Nederlandse regering onder verwijzing naar het rapport Jenard en het arrest Hoffmann op, dat voor een beroep op de openbare orde enkel ruimte is indien fundamentele beginselen in het geding zijn. Dit kunnen haars inziens ook fundamentele beginselen van de communautaire rechtsorde zijn.
48. Ten aanzien van de vraag, of het Hof wel bevoegd is zich uit te spreken over het begrip openbare orde", merkt de Commissie op, dat het op een gebied als dat van het Executieverdrag niet mogelijk is, de uitlegging van de draagwijdte van een begrip dat aanzienlijke gevolgen kan hebben voor de verwezenlijking van het primaire doel van dit verdrag, aan de nationale autoriteiten alleen over te laten. Juist om te vermijden dat het Executieverdrag in de verschillende aangesloten staten verschillend wordt uitgelegd, is het protocol vastgesteld, waarin is bepaald dat het Hof via het mechanisme van de prejudiciële vraag de eenvormige toepassing van dit verdrag dient te verzekeren. Zo heeft het Hof beslist, dat de regels van het Executieverdrag en de desbetreffende rechtspraak in alle verdragsluitende staten op gelijke wijze moeten worden toegepast.
49. Ter beantwoording van de vraag zelf stelt de Commissie allereerst in het algemeen vast, dat in casu de vraag aan de orde is, of een rechterlijke beslissing waaraan mogelijk een uitleggingsfout kleeft, in strijd met de openbare orde kan zijn. Zij verwijst hierbij naar de fundamentele doelstelling van het Executieverdrag, namelijk verzekeren dat rechterlijke beslissingen overal in de Gemeenschap ten uitvoer kunnen worden gelegd. Om dit te bereiken, hanteert het Executieverdrag als uitgangspunt, dat de verdragsluitende staten over en weer vertrouwen dienen te hebben in elkaars stelsels van rechtspraak. Daarom is het ook verboden, de juistheid van een vreemde beslissing te onderzoeken. Dit blijkt zowel uit de artikelen 29 en 34 Executieverdrag als uit het rapport Jenard.
50. Aangezien artikel 27 een uitzondering op dit beginsel vormt, moet het volgens de Commissie restrictief worden uitgelegd. Ten opzichte van de overige in artikel 27 genoemde mogelijkheden heeft de in punt 1 opgenomen clausule bovendien een subsidiair karakter en is dus van de verschillende uitzonderingen de meest restrictieve optie. De Commissie verwijst in dit verband naar de rechtspraak van het Hof. Een andere beperking volgt uit het feit dat niet de beslissing zelf, doch de erkenning ervan schending van de openbare orde moet opleveren.
51. Met betrekking tot de inhoud van het begrip openbare orde" merkt de Commissie op, dat de enkele omstandigheid dat de vreemde beslissing gebaseerd is op een wet die in de andere staat niet of niet in dezelfde vorm bestaat, als zodanig voor de rechter van die staat geen grond mag zijn om de beslissing wegens schending van de openbare orde niet te erkennen. In een dergelijk geval mag erkenning van de vreemde beslissing enkel worden geweigerd indien de verschillen tussen de twee regelingen zo fundamenteel zijn, dat bij tenuitvoerlegging van de beslissing fundamentele beginselen, waaraan niet voorbij kan worden gegaan, en de aan de regelingen ten grondslag liggende waarden ernstig zouden worden bedreigd. Een rechter dient echter ook beslissingen die hij op basis van zijn eigen rechtsorde niet had kunnen geven, uitvoerbaar te verklaren. In de verhouding tussen - bijvoorbeeld - verschillende rechterlijke instanties binnen Italië is dit niet anders: ook hier moet een beslissing die kracht van gewijsde heeft, worden erkend. Dit geldt ook wanneer de beslissing in een andere lidstaat is gegeven.
52. Het is volgens de Commissie moeilijk een positieve definitie te geven van het begrip openbare orde". Onder verwijzing naar de conclusie in de zaak Van den Boogaard noemt zij in dit verband de in elke verdragsluitende staat heersende morele en religieuze opvattingen. De in artikel 27, punt 1, bedoelde openbare orde bestaat in de fundamentele en centrale kern van de rechtsbeginselen die de interne openbare orde van een staat vormen. Het gaat hier om een dynamisch begrip.
53. Aangezien de Commissie het noodzakelijk noch zinvol acht, de vraag in abstracto te beantwoorden, beperkt zij zich tot het onderhavige geval. In casu bestaat de buitengewone omstandigheid die bij de rechter van de aangezochte staat de vraag heeft opgeroepen of er sprake is van strijd met de openbare orde, in een vermeende fout bij de uitlegging van sommige bepalingen van het gemeenschapsrecht. Het probleem is dus niet, dat de vreemde beslissing gebaseerd is op beginselen die de gevoeligheden en fundamentele beginselen van de aangezochte staat zouden kunnen raken. Een (vermeende) uitleggingsfout mag volgens de Commissie geen reden zijn om de erkenning en tenuitvoerlegging van de vreemde beslissing te weigeren.
54. Zou de rechter van de staat van herkomst werkelijk een fout hebben gemaakt, dan is het - zo vervolgt de Commissie - altijd mogelijk, de in die staat bestaande rechtsmiddelen aan te wenden. Artikel 27, punt 1, kan niet als zo een middel worden beschouwd. Bovendien zou de rechter anders in het kader van het Executieverdrag de juistheid van de vreemde beslissing kunnen onderzoeken en daarmee het fundamentele doel van dit verdrag doorkruisen.
55. De Commissie vraagt zich vervolgens af, of de conclusie anders komt te luiden indien - zoals in casu - de eventuele vergissing bepalingen van het gemeenschapsrecht betreft. Volgens haar is dit niet het geval, aangezien het gemeenschapsrecht op dit punt over één kam moet worden geschoren met het nationale recht: volgens 's Hofs vaste rechtspraak dient de nationale rechter immers de uit de nationale rechtsorde voortvloeiende rechten en de door de communautaire rechtsorde verleende rechten even doeltreffend te beschermen. Eventuele uitleggingsfouten kunnen in beide gevallen worden aangevochten door een beroep op de hogere rechter.
56. Ter terechtzitting heeft de Commissie zelfs de vraag opgeworpen, of met de economische orde verband houdende overwegingen wel onder het begrip openbare orde" kunnen worden gebracht. Zij heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Het gemeenschapsrecht beheerst, beïnvloedt en dringt door tot alle facetten van het economisch leven van de lidstaten. De aan de nationale wettelijke regelingen ten grondslag liggende beginselen, die in feite de Europese economische constitutie vormen, kunnen niet anders dan aan alle lidstaten gemeen zijn. Het is volgens de Commissie dan ook niet mogelijk, een verschil in de waarden en beginselen van de lidstaten aan te voeren als grond om aan een beslissing de erkenning te onthouden.
Standpunt
57. Voor de beantwoording van de derde prejudiciële vraag moet allereerst worden nagegaan, of het Hof in casu bevoegd is het begrip openbare orde" van artikel 27, punt 1, Executieverdrag uit te leggen. De tekst van artikel 27, punt 1, waarin wordt gesproken van de openbare orde van de aangezochte staat", zou op dit punt twijfel kunnen doen rijzen. Er zou dus sprake kunnen zijn van een zuiver intern begrip, waarvan de uitlegging is overgelaten aan de betrokken nationale rechter.
58. Artikel 1 van het protocol bepaalt evenwel, dat het Hof bevoegd is uitspraak te doen over de uitlegging van het Executieverdrag. Deze uitleggingsbevoegdheid strekt zich dus uit tot het gehele verdrag, daar geen enkele bepaling daarvan met zoveel woorden is uitgesloten. Met deze uitlegging door het Hof moeten verschillen in de uitlegging van het Executieverdrag worden voorkomen. Het Hof dient derhalve ook bevoegd te zijn het begrip openbare orde" in artikel 27, punt 1, uit te leggen. Indien enkel de nationale rechterlijke instanties daartoe bevoegd waren, zou dit niet alleen verschillen bij de toepassing van het Executieverdrag tot gevolg kunnen hebben; een al te ruime uitlegging van dit begrip zou zelfs het hele doel van het verdrag kunnen doorkruisen. Daarom moet het Hof in casu bevoegd worden geacht het begrip openbare orde uit te leggen, te meer daar in dit begrip ook gemeenschapsrechtelijke beginselen besloten liggen.
59. Met betrekking tot de vraag zelf merk ik op, dat de verwijzende rechter te weten wil komen, of de door hem genoemde beslissing strijdig is met de openbare orde. Hij wenst met andere woorden te vernemen, hoe het begrip openbare orde" in dit verband moet worden uitgelegd. Artikel 27 noemt in het algemeen de gronden waarop de erkenning van een beslissing mag worden geweigerd. Wij hebben hier te maken met een uitzonderingsbepaling, aangezien het Executieverdrag blijkens zijn preambule ten doel heeft, de erkenning van beslissingen te vergemakkelijken en, ter verzekering van de tenuitvoerlegging hiervan, een vlotte rechtsgang in te voeren. De wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen moet dus worden verzekerd en de rechtsbescherming van de in de Gemeenschap gevestigde personen moet worden versterkt.
60. Daarom bepaalt artikel 29 Executieverdrag, dat in geen geval mag worden overgegaan tot een onderzoek van de juistheid van de in den vreemde gegeven beslissing. Deze regel wordt nog eens herhaald in artikel 34, derde alinea, wat het belang ervan onderstreept. Volgens het rapport Jenard betekent dit, dat de rechter voor wie de erkenning van een buitenlands vonnis wordt ingeroepen, noch zijn inzicht in de plaats mag stellen van dat van de buitenlandse rechter, noch de erkenning mag weigeren indien hij van mening is, dat met betrekking tot de feiten of tot het recht over enig punt onjuist is geoordeeld. Alleen wanneer de erkenning zelf strijdig zou zijn met de openbare orde, mag de tenuitvoerlegging worden geweigerd.
61. Het Executieverdrag heeft dus voor de erkenning van vreemde vonnissen een systeem ingevoerd dat gebaseerd is op het wederzijdse vertrouwen van de lidstaten in hun respectieve rechtsstelsels, teneinde het vrij verkeer van vonnissen te verzekeren. Dit betekent, dat slechts in uitzonderlijke gevallen aan een vreemd vonnis de erkenning kan worden onthouden. Bijgevolg kan ook het begrip openbare orde" slechts in uitzonderlijke gevallen worden gehanteerd. Hiermee moet bij de uitlegging van het begrip rekening worden gehouden. Indien al het recht van een staat tot de openbare orde van die staat werd gerekend, zou de uitvoerbaarheid van rechterlijke beslissingen in de gehele Gemeenschap in feite tot een dode letter worden. Aan elke beslissing waarvan de tenuitvoerlegging in strijd zou zijn met een van de wettelijke regelingen van de andere staat, zou de erkenning kunnen worden onthouden. Het begrip openbare orde" dient derhalve beperkt te blijven tot fundamentele beginselen. Het feit dat de beslissing is gegeven op basis van een andere, afwijkende rechtsorde, is als zodanig niet voldoende om schending van de openbare orde op te leveren.
62. Zoals wij hebben gezien, is ook een verkeerde uitlegging van het recht door de rechter van de staat van herkomst op zichzelf onvoldoende grond om de erkenning te weigeren. Dit geldt ook voor een verkeerde uitlegging van het gemeenschapsrecht, want, zoals de Commissie terecht opmerkt, bekleedt het gemeenschapsrecht in dit opzicht geen uitzonderingspositie. Volgens vaste rechtspraak dienen de nationale rechterlijke instanties de rechtsbescherming te verzekeren die voor de justitiabelen voortvloeit uit de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht.
63. Samenvattend kan worden gesteld, dat het enkele feit dat een vreemde beslissing is gegeven op basis van een andere, afwijkende rechtsorde, of dat in die beslissing het recht verkeerd is uitgelegd, de beslissing nog niet in strijd met de openbare orde maakt. Al deze aan een beslissing klevende fouten" moeten worden geaccepteerd en de tenuitvoerlegging moet worden toegestaan. Het begrip openbare orde" moet dus fundamentele beginselen omvatten, en de erkenning van een vreemde beslissing kan alleen dan wegens strijd met de openbare orde worden geweigerd, indien de tenuitvoerlegging van de beslissing volstrekt onverenigbaar is met die beginselen.
64. De Commissie merkt in dit verband op, dat naar het oordeel van de verwijzende rechter de Franse rechter een fout heeft gemaakt bij de uitlegging van het gemeenschapsrecht, dat in de twee staten gelijkelijk van toepassing is. Volgens de Commissie is dit geen uitzonderlijk geval, dat wil zeggen een geval waarin fundamentele belangen van de nationale gemeenschap ernstig worden bedreigd. De beslissing kan dan altijd worden aangevochten in de staat waarin zij is gegeven, aldus de Commissie.
65. De Commissie heeft gelijk waar zij stelt, dat de niet-inaanmerkingneming van een vreemde beslissing wegens een uitleggingsfout niet kan worden aangemerkt als een typisch geval van niet-erkenning van een beslissing wegens schending van de openbare orde. Daarvan zou wel sprake zijn indien een op basis van buitenlands recht gegeven beslissing in de aangezochte staat onmogelijk ten uitvoer kon worden gelegd wegens onoverkomelijke verschillen van inzicht over fundamentele vraagstukken. In casu hebben wij echter enkel te maken met een vermeende rechterlijke vergissing. Tegen een dergelijke beslissing kan in de staat van herkomst worden opgekomen, wat echter niet altijd tot vernietiging van de uitspraak hoeft te leiden. Zo werd ook in het onderhavige geval de Franse beslissing door de Franse cassatierechter bekrachtigd. Beslissingen die door een hogere rechter worden bekrachtigd of waartegen geen rechtsmiddel wordt ingesteld, krijgen kracht van gewijsde en moeten ondanks eventuele fouten" worden erkend. De kracht van gewijsde van een uitspraak kan slechts met de grootste moeite ongedaan worden gemaakt. De weigering een dergelijke uitspraak ten uitvoer te leggen wegens strijd met de openbare orde van de aangezochte staat, zou echter in feite op hetzelfde neerkomen.
66. Verkeerde beslissingen kunnen ook in de aangezochte staat worden gegeven en aldaar kracht van gewijsde krijgen. Dergelijke beslissingen moeten in deze staat dus ook worden erkend ondanks hun fouten. De erkenning van soortgelijke buitenlandse beslissingen kan derhalve op zichzelf nog geen schending van de openbare orde van de aangezochte staat opleveren.
67. Een en ander geldt te meer daar wij hier van doen hebben met een vermeende verkeerde uitlegging van het gemeenschapsrecht. Dit recht is in beide staten van toepassing, waar het voorrang heeft op eventuele strijdige bepalingen van nationaal recht. Van fundamenteel verschillende rechtsopvattingen kan in zoverre geen sprake zijn. Toch kan niet helemaal worden uitgesloten, dat de tenuitvoerlegging van de beslissing wegens die verkeerde uitlegging schending van fundamentele beginselen - beginselen van gemeenschapsrecht daaronder begrepen - oplevert. Dit is in de hier beschreven situatie echter slechts in een zeer klein aantal uitzonderingsgevallen denkbaar. Er zou sprake moeten zijn van een duidelijke schending van fundamentele beginselen. In casu is het al twijfelachtig, of de vrije mededinging en het vrije goederenverkeer als zodanig zijn aan te merken. Zo kent ook het gemeenschapsrecht zelf beperkingen van het vrije goederenverkeer; deze beperkingen zijn gebaseerd op de interne openbare orde, die ruimer is dan de openbare orde in de zin van het Executieverdrag. Er kan in casu ook geen sprake zijn van een al te flagrante schending, aangezien verweerders zelf hebben aangevoerd, dat de rechtssituatie in Italië is gewijzigd. In de zaak CICRA en Maxicar zou de verwijzende Italiaanse rechter in zijn verwijzingsbeschikking nog hebben verklaard, dat het bestaan van een recht van industriële eigendom op carrosserieonderdelen van auto's als verenigbaar met het Italiaanse recht moet worden beschouwd. Het beginsel dat carrosserieonderdelen van auto's door middel van rechten van industriële en intellectuele eigendom moeten worden beschermd, zou destijds ook door alle betrokken lidstaten en door de Commissie zijn bevestigd. Dit betekent dat de thans in Italië heersende rechtsopvatting, die aan de tenuitvoerlegging van de Franse beslissing in de weg zou staan, niet altijd heeft bestaan. De Italiaanse opvatting was vroeger juist vergelijkbaar met de Franse, zodat niet kan worden gezegd dat de in Frankrijk heersende rechtsopvatting zozeer in strijd is met die in Italië, dat de tenuitvoerlegging van de betrokken uitspraak inbreuk zou maken op fundamentele beginselen. Strijd met de openbare orde moet in casu dan ook worden uitgesloten.
Artikel 27, punt 3, Executieverdrag
Argumenten van partijen
68. De Franse regering merkt - subsidiair - op, dat in de verwijzingsbeschikking kort melding wordt gemaakt van een uitspraak van het Tribunale di Milano, die mogelijk ingevolge artikel 27, punt 3, aan de tenuitvoerlegging in de weg zou staan. Zij is evenwel van mening, dat waar de verwijzende rechter hierover geen vragen heeft gesteld, het Hof dit punt verder buiten beschouwing kan laten.
Standpunt
69. Volgens 's Hofs rechtspraak is een beroep op de openbare-ordeclausule uitgesloten, wanneer in de aangezochte staat reeds een beslissing is gegeven die in de zin van artikel 27, punt 3, onverenigbaar is met de beslissing om de erkenning waarvan wordt verzocht. Alsdan kan de erkenning van de beslissing ook worden geweigerd, zij het op basis van artikel 27, punt 3, en niet met een beroep op de openbare-ordeclausule van artikel 27, punt 1. Dit blijkt ook uit het arrest Hoffmann, waarin het Hof besliste, dat een beroep op de openbare-ordeclausule in het systeem van het Executieverdrag in ieder geval is uitgesloten wanneer het gaat om de verenigbaarheid van een buitenlandse beslissing met een binnenlandse beslissing.
70. De verwijzende rechter maakt in zijn beschikking melding van een met de Franse beslissing strijdige Italiaanse uitspraak en verwijst daarmee naar artikel 27, punt 3. Aangezien zijn vragen echter uitdrukkelijk betrekking hebben op artikel 27, punt 1, hoeft hier enkel op deze bepaling te worden ingegaan. Hierbij zij evenwel aangetekend, dat in geval van onverenigbaarheid met een Italiaanse beslissing in de zin van artikel 27, punt 3, de openbare-orde-exceptie van artikel 27, punt 1, niet van toepassing zou zijn.
71. Met artikel 27, punt 3, kennen de verdragsluitende staten in de tenuitvoerleggingsprocedure aan de beslissingen van hun eigen rechterlijke instanties meer gezag toe dan aan de vreemde beslissing waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevraagd. Wat de uitvoerbaarheid van een vreemde beslissing betreft, weegt een conflict met één nationale beslissing in de zin van artikel 27, punt 3, dus zwaarder dan een conflict met nationale rechtsregels, dat als zodanig niet onder artikel 27, punt 1, valt. Dit is een consequentie van het feit dat het bij de tenuitvoerleggingsprocedure draait om de verkrijging van een bepaalde executoriale titel. De toepassing van het materiële recht blijft voorbehouden aan de procedure in de hoofdzaak en kan in het kader van de tenuitvoerlegging enkel worden getoetst op schending van de nationale openbare orde. De gevolgen van het bestaan van tegenstrijdige beslissingen houden daarentegen verband met de tenuitvoerlegging en moeten dan ook in het kader van de tenuitvoerleggingsprocedure worden onderzocht.
72. De verwijzingsbeschikking bevat evenwel onvoldoende informatie om te kunnen beslissen, of artikel 27, punt 3, Executieverdrag in casu werkelijk van toepassing is.
E - De eerste en de tweede vraag
73. Gelet op het antwoord op de derde vraag, hoeven de eerste twee vragen slechts subsidiair te worden besproken.
Ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
74. Volgens verzoekster is de verwijzende rechter niet gerechtigd overeenkomstig artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) prejudiciële vragen te stellen aan het Hof. Volgens vaste rechtspraak dient de oplossing van de aan het Hof voorgelegde uitleggingsproblemen de verwijzende rechter in staat te stellen, een beslissing te geven in de bij hem aangebrachte zaak. In casu werd de nationale rechter echter enkel om een exequatur verzocht en diende hij dus uitsluitend na te gaan, of aan de voorwaarden van artikel 27, punt 1, Executieverdrag was voldaan. Hij kon in geen geval de juistheid van de beslissing onderzoeken. In deze context zijn beginselen van gemeenschapsrecht irrelevant.
75. Subsidiair wijst verzoekster erop, dat het Hof de prejudiciële vragen reeds heeft beantwoord in het arrest CICRA en Maxicar. In een dergelijk geval mag niet opnieuw om een prejudiciële beslissing worden verzocht. Wanneer er geen twijfels meer bestaan over de uitlegging, is ook de hoogste rechter niet verwijzingsplichtig.
76. Volgens verweerders zijn de eerste twee vragen wel ontvankelijk. Huns inziens kan een vreemde beslissing die in strijd is met rechten die ingevolge het gemeenschapsrecht bescherming verdienen, niet worden erkend. Dit betekent dat het Hof, wanneer het in het kader van artikel 177 uitlegging geeft aan artikel 27 Executieverdrag, tevens de relevante bepalingen van het Verdrag - in casu de artikelen 30 tot en met 36 (thans, na wijziging, artikelen 28, 29 en 30 EG; de artikelen 31-33 en 35 EG-Verdrag zijn bij het Verdrag van Amsterdam ingetrokken) en artikel 86 - dient uit te leggen.
77. Bovendien zijn er volgens verweerders voor het Hof genoeg redenen om zich opnieuw over het probleem te buigen. Zo zijn de huidige vragen in een heel andere context gesteld dan die waarom het in het oorspronkelijke arrest ging. Die eerdere vragen waren namelijk gerezen in een puur Italiaans geschil, terwijl het in casu gaat om een uitvoerbaarverklaring, die internationale kenmerken heeft en de intracommunautaire handel rechtstreeks beïnvloedt.
78. Voorts erkende ten tijde van de eerste prejudiciële procedure het Italiaanse recht evenals het Franse recht industriële-eigendomsrechten op vervangingsonderdelen voor auto's. Aan deze beschermingsmogelijkheid werd een einde gemaakt door een uitspraak van de Corte Suprema di Cassazione van 1996, waarmee werd aangesloten bij de Engelse, de Spaanse en de Duitse rechtsopvatting. Verder gaat het in deze zaak, behalve om de bescherming van tekeningen en modellen, ook om auteursrechten.
79. Daar komt volgens verweerders nog bij, dat ten tijde van het wijzen van het oorspronkelijke arrest algemeen werd aangenomen, dat harmonisatie van de nationale wettelijke regelingen niet lang meer op zich zou laten wachten.
80. Een andere belangrijke reden voor een hernieuwd onderzoek van het probleem is volgens verweerders de recente rechtspraak van het Hof, waarin niet langer onderscheid wordt gemaakt tussen het bestaan en de uitoefening van een uitsluitend recht, of in elk geval het begrip uitoefening flink wordt verruimd.
81. De Franse regering stelt met een beroep op de bewoordingen van het protocol, dat de eerste twee vragen niet-ontvankelijk zijn. Er moet haars inziens een onderscheid worden gemaakt tussen het toepassingsgebied van het Executieverdrag en dat van de bepalingen van het Verdrag. Bovendien volgt uit artikel 4 van het protocol, dat de prejudiciële procedure van het Executieverdrag een lex specialis" is. Artikel 5 brengt wel mee, dat ter bepaling van de grenzen en de modaliteiten van de uitoefening door het Hof van zijn prejudiciële bevoegdheid in het kader van het Executieverdrag, een beroep kan worden gedaan op artikel 177 en op de desbetreffende rechtspraak, maar volgens de rechtspraak inzake artikel 177 geeft het Hof geen antwoord op vragen die niet noodzakelijk zijn voor de beslechting van het bij de nationale rechter aanhangige geding.
82. Aangezien de verwijzende rechter in casu enkel is verzocht om tenuitvoerlegging van een beslissing in het kader van het Executieverdrag, kan hij het Hof uitsluitend vragen over de uitlegging van dit verdrag voorleggen.
83. Volgens de Franse regering zijn de prejudiciële vragen ook niet-ontvankelijk omdat zij in het arrest CICRA en Maxicar al door het Hof zijn beantwoord.
84. De Commissie merkt - evenals de Nederlandse regering - bovendien op, dat de verwijzingsbeschikking slechts een summiere weergave van de Franse beslissing en het daaraan ten grondslag liggende geschil bevat. Zo wordt er niets gezegd over de vraag, of op de uitsluitende rechten ook een beroep kan worden gedaan tegenover Franse bedrijven die in Frankrijk vervangingsonderdelen vervaardigen. Evenmin wordt aangegeven, of Renault weigert vervangingsonderdelen te leveren aan bepaalde distributeurs dan wel onbillijke prijzen hanteert. De Commissie vraagt zich dan ook af, of beantwoording van de prejudiciële vragen überhaupt mogelijk is.
85. Daarenboven stelt zij vast, dat de eerste twee vragen betrekking hebben op de artikelen 30 tot en met 36 en 86 van het Verdrag en dus aan het Hof hadden moeten worden voorgelegd op basis van artikel 177 EG-Verdrag en niet, zoals is gebeurd, op basis van artikel 2 van het protocol. De vragen om deze reden niet-ontvankelijk verklaren zou echter van een te groot formalisme getuigen en op gespannen voet staan met de geest van samenwerking die tussen de nationale rechter en het Hof dient te heersen. 's Hofs uitleggingsrol is in beide procedures - artikel 177 van het Verdrag en artikel 2 van het protocol - vergelijkbaar. Ook om redenen van proceseconomie is het volgens de Commissie wenselijk dat het Hof de vragen beantwoordt, aangezien de bevoegde rechter zich anders opnieuw tot het Hof zal wenden, maar dan op basis van artikel 177, waardoor de procedure wordt vertraagd en het doel van het Executieverdrag wordt doorkruist.
Standpunt
86. Ingevolge artikel 2 van het protocol is de rechter bevoegd het Hof vragen van uitlegging van het Executieverdrag voor te leggen. In deze zaak gaat het om de uitlegging van het begrip openbare orde" in artikel 27, punt 1, Executieverdrag. Zoals wij hebben gezien, kan dit begrip ook fundamentele beginselen van gemeenschapsrecht omvatten. De bevoegde rechter kan het Hof dus in elk geval vragen betreffende de gemeenschapsrechtelijke draagwijdte van het begrip openbare orde" voorleggen. Hij kan met andere woorden vragen, welke fundamentele beginselen van gemeenschapsrecht tot de openbare orde van een staat behoren. Dit betekent echter niet noodzakelijkerwijs, dat hij ook opheldering kan verlangen over de uitlegging van de desbetreffende communautaire beginselen en van de bepalingen van het EG-Verdrag.
87. Doel en strekking van de prejudiciële procedure - de verwijzende rechter in staat stellen het aan hem voorgelegde geschil te beslechten - brengen evenwel mee, dat in dit verband ook een uitlegging van de relevante bepalingen van het EG-Verdrag noodzakelijk kan zijn. Wanneer het begrip openbare orde" ook gemeenschapsrechtelijke beginselen omvat, kan de rechter in het kader van het Executieverdrag verplicht zijn na te gaan, of de erkenning van een buitenlandse beslissing met deze beginselen in strijd is. Daarbij kan het nodig zijn, dat het Hof hem duidelijkheid verschaft over de wijze waarop de toepasselijke bepalingen van het EG-Verdrag moeten worden uitgelegd. Bovendien zou het - zoals ook de Commissie zegt - al te formalistisch zijn, de onderhavige prejudiciële vragen niet-ontvankelijk te verklaren enkel op grond dat zij niet op basis van artikel 177 EG-Verdrag zijn gesteld. Dit zou ook uit een oogpunt van proceseconomie onwenselijk zijn.
88. Ik wijs er hier nogmaals op, dat het onderhavige betoog enkel geldt voor het geval het Hof de derde vraag anders zou beantwoorden.
Beantwoording van de eerste vraag
Argumenten van partijen
89. Verzoekster verwijst in dit verband naar het arrest CICRA en Maxicar van 1988, waarin het Hof vaststelde dat de bescherming van tekeningen en modellen, zolang het recht binnen de Gemeenschap niet eenvormig is gemaakt, een zaak van nationaal recht is. Het Hof kwam destijds tot de conclusie, dat de voorschriften inzake het vrije goederenverkeer zich niet verzetten tegen de toepassing van een nationale regeling die een automobielconstructeur die houder is van het siermodelrecht voor vervangingsonderdelen van door hem vervaardigde auto's, het recht verleent om derden de vervaardiging van de beschermde onderdelen te verbieden.
90. Aangezien de vragen in deze zaak in vergelijkbare bewoordingen zijn geformuleerd en de partijen en de problematiek hier dezelfde zijn als in het arrest CICRA en Maxicar van 1988, dient het Hof volgens verzoekster ook de vragen op dezelfde wijze te beantwoorden als in dat arrest. De rechtssituatie is niet gewijzigd, aangezien de regeling van de voorwaarden waaronder tekeningen en modellen worden beschermd, ook na de totstandkoming van richtlijn 98/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 inzake de rechtsbescherming van modellen, een zaak van de lidstaten is gebleven. Verzoekster verwijst in dit verband naar artikel 14 van de richtlijn, dat de in de afzonderlijke lidstaten geldende regelingen gedurende een periode van ten minste drie jaar laat voortbestaan. Ook de twintigste overweging van de considerans van de richtlijn, volgens welke de bepaling in artikel 14 in geen geval zodanig mag worden uitgelegd dat zij een belemmering vormt voor het vrije goederenverkeer, leidt volgens verzoekster niet tot een andere conclusie. Daarin wordt enkel herinnerd aan de artikelen 30 en 36 van het Verdrag, die nog altijd van toepassing zijn.
91. Verzoekster merkt bovendien op, dat de aan het geding ten grondslag liggende feiten teruggaan tot het jaar 1985. De door de verwijzende rechter genoemde arresten kunnen dus evenmin aanleiding zijn voor een andere conclusie.
92. Verweerders stellen in de eerste plaats, dat het met het doel en de strekking van de bescherming van tekeningen en modellen in strijd zou zijn, indien ook losse carrosserieonderdelen werden beschermd. In hun ogen gaat het erom, dat een nieuw idee of een nieuw ontwerp als geheel wordt beschermd en zo de mededinging wordt aangemoedigd. In geval van bescherming van onderdelen zoals vervangingsonderdelen voor auto's, die een exacte kopie van de originele onderdelen moeten zijn, is juist geen concurrentie meer mogelijk. De rechthebbende zou daarmee een dubbel monopolie en meer dan een loutere compensatie voor zijn investeringskosten verkrijgen. Daarbij zouden bovendien de belangen van de consument worden geschaad.
93. De bescherming van losse carrosserieonderdelen moet volgens verweerders als een maatregel van gelijke werking in de zin van artikel 30 van het Verdrag worden beschouwd. Deze maatregel kan ook niet worden gerechtvaardigd met een beroep op artikel 36, daar hij een verkapte beperking van de handel oplevert. Hiertoe voeren verweerders aan, dat er sprake is van misbruik van een dergelijke bescherming wanneer deze wordt verleend voor een zaak die daarvoor eigenlijk niet in aanmerking komt. Dit geldt te meer waar de Franse rechter niet heeft onderzocht, of in het concrete geval aan de voorwaarden voor verlening van een dergelijke bescherming was voldaan.
94. Ook al is het volgens het arrest CICRA en Maxicar aan de nationale wetgever om te bepalen, welke onderdelen kunnen worden beschermd, deze vrijheid gaat volgens verweerders niet zo ver, dat de bescherming ook geldt voor producten die, gelet op het doel en de strekking van de bescherming van tekeningen en modellen en van auteursrechten, een dergelijke bescherming niet verdienen.
95. Wat richtlijn 98/71 betreft, verwijzen verweerders naar het doel en de strekking van deze regeling, namelijk het bevorderen van marktliberalisering. Aangezien ook deze richtlijn geen harmonisatie op het hier aan de orde zijnde gebied van vervangingsonderdelen voor auto's tot stand heeft gebracht, verlangen verweerders van het Hof, dat het de vragen in een voor hen gunstige zin beantwoordt en daarmee een einde maakt aan de op dit terrein bestaande misstand.
96. De Nederlandse regering verwijst om te beginnen naar het arrest CICRA en Maxicar en onderzoekt vervolgens, of de in de verwijzingsbeschikking genoemde recentere uitspraken van het Hof iets aan de conclusie van dat arrest kunnen veranderen. Zij komt tot de slotsom, dat dit niet het geval is, aangezien uit de door de verwijzende rechter verstrekte informatie niet blijkt, dat de Franse regeling op het gebied van de industriële en intellectuele eigendom discriminerend is.
97. De Commissie maakt eerst enkele algemene opmerkingen over de artikelen 30 en 36 en stelt vervolgens onder verwijzing naar het arrest CICRA en Maxicar vast, dat het Hof reeds heeft beslist dat van een verkapte beperking van de handel geen sprake is. Er zijn nadien ook geen wijzigingen opgetreden in rechtspraak of wetgeving, die aan de conclusie van genoemd arrest zouden kunnen afdoen. De in dit verband in de verwijzingsbeschikking genoemde rechtspraak is in casu irrelevant.
98. Richtlijn 98/71 bevestigt volgens de Commissie alleen maar de bestaande situatie, waarbij de toekenning van uitsluitende rechten een zaak van de lidstaten is.
Standpunt
99. Aangezien de eerste vraag in de zaak CICRA en Maxicar nagenoeg identiek is met die in de onderhavige zaak, heeft het Hof de eerste vraag van de verwijzende rechter al beantwoord in het in die zaak gewezen arrest, waarin het concludeerde dat van onverenigbaarheid met het gemeenschapsrecht geen sprake was. Thans wordt betoogd, dat uit recentere uitspraken van het Hof een andere tendens valt af te leiden. In de verwijzingsbeschikking wordt in dit verband verwezen naar zaak C-30/90. De verwijzende rechter baseert zich vooral op 's Hofs overweging, dat de bepalingen van het EG-Verdrag, inzonderheid artikel 222, volgens hetwelk het Verdrag de regeling van het eigendomsrecht in de lidstaten onverlet laat, (...) niet aldus [kunnen] worden uitgelegd, dat zij op het gebied van de industriële en commerciële eigendom de nationale wetgever de bevoegdheid laten, maatregelen te nemen die op gespannen voet staan met het (...) beginsel van het vrij verkeer van goederen binnen de gemeenschappelijke markt".
100. Hieruit kan echter niet worden afgeleid, dat de bescherming van de industriële eigendom is ingeperkt. Het Hof vervolgt integendeel, dat de invoerverboden en -beperkingen die hun rechtvaardiging vinden in bescherming van de industriële en commerciële eigendom, volgens artikel 36 EG-Verdrag enkel geoorloofd zijn onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat zij geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten vormen. Juist dit punt had het Hof echter reeds in het arrest CICRA en Maxicar onderzocht, waarin het vaststelde dat blijkens het dossier het uitsluitende recht op carrosserieonderdelen er niet toe strekte, nationale producten te bevoordelen. In zoverre gaat het arrest van 1992 niet verder dan het arrest CICRA en Maxicar van 1988.
101. Overigens wijs ik erop, dat in de zaak Commissie/Verenigd Koninkrijk de bezwaren vooral gericht waren tegen het feit dat de nationale bepalingen onderscheid maakten tussen de vervaardiging van een product op het nationale grondgebied en de invoer van het product uit een andere lidstaat, en tegen het feit dat de invoer ongunstiger werd behandeld. Deze discriminatie bracht het Hof tot de conclusie, dat het Verenigd Koninkrijk de krachtens artikel 30 EG-Verdrag op hem rustende verplichtingen had verzaakt. Uit de door de verwijzende rechter verstrekte informatie - die, het moet gezegd, niet erg uitvoerig is - blijkt evenwel niet, dat in casu buitenlandse fabrikanten van vervangingsonderdelen op zodanige wijze worden gediscrimineerd.
102. Ook wordt verwezen naar het arrest Spanje/Raad. Daar ging het om de vraag, of de Raad een verordening betreffende de invoering van een aanvullend beschermingscertificaat voor geneesmiddelen kon vaststellen, ofschoon volgens een arrest uit 1992 - het arrest in de zaak Commissie/Verenigd Koninkrijk - regeling van de voorwaarden waaronder en de wijze waarop octrooibescherming werd verleend, een taak van de nationale wetgever was. Het Hof stelde vast, dat artikel 222 noch artikel 36 van het Verdrag de bevoegdheid om het materiële octrooirecht te regelen, voorbehoudt aan de nationale wetgever, met uitsluiting van ieder communautair optreden op dat gebied".
103. In casu gaat het echter niet om de vraag, of de gemeenschapswetgever een bepaalde harmonisatiemaatregel mocht vaststellen. Het probleem is veeleer, dat ook met richtlijn 98/71 geen harmonisatie op het gebied van vervangingsonderdelen is bereikt. Het arrest Spanje/Raad duidt dus evenmin op een wijziging van de rechtspraak ten opzichte van het arrest CICRA en Maxicar uit 1988.
104. Ook wat de wetgeving betreft, is de situatie sinds 1988 niet gewijzigd, aangezien - zoals ik al zei - artikel 14 van richtlijn 98/71 het gebied waarom het in deze zaak draait, met zoveel woorden van de harmonisatie uitsluit. De bestaande situatie wordt dus bevestigd.
105. Volgens verweerders is een ander verschil met de uitgangssituatie in de zaak CICRA en Maxicar, dat het in casu ook om de verlening van auteursrechten gaat. In dit verband moet echter worden gewezen op het arrest GEMA van 20 januari 1981, waarin het Hof overwoog: Artikel 36 EEG-Verdrag bepaalt echter dat de bepalingen van de artikelen 30 tot en met 34 geen beletsel vormen voor verboden of beperkingen van invoer welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom. Deze laatste uitdrukking omvat mede de door het auteursrecht geboden bescherming (...)."
106. Er dient dus op het gebied van de artikelen 30 en 36 geen onderscheid te worden gemaakt tussen de bescherming van de industriële en commerciële eigendom en de auteursrechten. Ik zie dan ook noch in rechtspraak of wetgeving, noch in de feiten van deze zaak enig verschil dat een afwijking van de beslissing in de zaak CICRA en Maxicar zou rechtvaardigen.
Beantwoording van de tweede vraag
Argumenten van partijen
107. Verzoekster verwijst ook in dit verband naar het arrest CICRA en Maxicar van 1988. Voor zover het Hof daarin zou hebben beslist, dat een machtspositie kan voortvloeien uit de loutere verkrijging van siermodelrechten voor carrosserieonderdelen, merkt verzoekster op, dat dit niet het geval is. Hiertoe betoogt zij, dat de automobielmarkt en de markt van vervangingsonderdelen één geheel vormen. Ofschoon op deze markt een felle concurrentie heerst, leidt het bezit van een siermodelrecht voor losse carrosserieonderdelen niet automatisch tot een machtspositie. Wanneer er geen machtspositie bestaat, moet ook misbruik van machtspositie worden uitgesloten.
108. In het arrest CICRA en Maxicar - zo vervolgt verzoekster - maakte het Hof onderscheid tussen enerzijds het bezit en anderzijds de uitoefening van een recht, en gaf het een aantal voorbeelden van gedragingen die als misbruik van een machtspositie moesten worden beschouwd. Blijkens het arrest had verzoekster zich aan geen van die gedragingen schuldig gemaakt. Zo had zij haar recht van industriële en intellectuele eigendom nooit gebruikt om te discrimineren of de mededinging te vervalsen. De haar verleende bescherming was slechts een compensatie voor de hoge investeringskosten, waarmee verweerders niet te maken hadden. Het door verweerders genoemde voordeel voor de consument bestaat in de praktijk niet voor de consument, maar hooguit voor de garagehouder, die de onderdelen koopt en later inbouwt, zonder evenwel de lagere prijzen door te berekenen aan de consument.
109. Het door de verwijzende rechter aangevoerde arrest Magill bevestigt volgens verzoekster de beginselen van het arrest CICRA en Maxicar van 1988 en verwijst zelfs uitdrukkelijk naar dit arrest, evenals naar het arrest Volvo. In het arrest Magill stelde het Hof vast, dat de uitoefening van het alleenrecht door de rechthebbende in uitzonderlijke omstandigheden misbruik kan opleveren. In dit verband moet worden gedacht aan de introductie op de markt van een nieuw product waarnaar een grote potentiële vraag bestaat, aan de ongemotiveerde weigering licenties te verlenen, en, ten slotte, aan de vorming van een afgeleide markt waarop elke mededinging is uitgesloten. De normale uitoefening van uitsluitende rechten door de houder van een siermodelrecht, inhoudende dat aan derden de vervaardiging van de beschermde onderdelen wordt verboden, kan volgens verzoekster in geen geval als een uitzonderlijke omstandigheid als bedoeld in het arrest Magill worden beschouwd.
110. Verweerders verwijzen in het kader van de tweede vraag niet naar de gedragingen die in het arrest CICRA en Maxicar als misbruik zijn aangemerkt. Huns inziens gaat het er in casu veeleer om, te bepalen of de systematische toekenning van siermodelrechten voor vervangingsonderdelen, dan wel het stelselmatig voeren van juridische procedures tegen onafhankelijke producenten van dergelijke onderdelen, niet als misbruik van machtspositie zou kunnen worden aangemerkt. In de tweede plaats dient men zich af te vragen, of de producenten - zelfs indien hun rechten worden erkend - niet verplicht zijn, licenties voor de vervaardiging van vervangingsonderdelen te verlenen. Een onderneming die een machtspositie inneemt, heeft een speciale verantwoordelijkheid; het is hem daarom verboden, de mededinging op welke wijze dan ook te beperken.
111. Een siermodelrecht dat niet aan de noodzakelijke voorwaarden voldoet en via misbruik is verkregen, kan volgens verweerders niet dezelfde functie vervullen als de door het Hof in het arrest CICRA en Maxicar genoemde rechten. Dit geldt te meer daar het in casu niet om één siermodel gaat, maar om een wijdverbreide praktijk. De rechten werden bovendien via misbruik in Frankrijk verkregen, zonder dat werd nagegaan of aan de voorwaarden was voldaan, en vervolgens uitgebreid tot andere lidstaten.
112. Verweerders gaan vervolgens uitvoerig in op het arrest Magill en komen tot de slotsom, dat de feiten in de zaak Magill en die in de onderhavige zaak zo veel gelijkenis vertonen, dat elk verder commentaar overbodig is. Zij zijn dan ook van mening, dat in casu wel degelijk sprake is van misbruik van machtspositie.
113. Ook de Belgische en de Nederlandse regering besteden in dit verband aandacht aan de arresten Volvo en Magill. België komt daarbij tot de conclusie, dat er geen reden is voor heroverweging van de in het arrest CICRA en Maxicar gegeven antwoorden.
114. De Nederlandse regering wijst erop, dat de verwijzingsbeschikking slechts weinig informatie bevat. Zij acht het echter niet waarschijnlijk, dat in casu de introductie van een nieuw product wordt belemmerd als gevolg van de weigering een licentie te verlenen. Bovendien vergen onderzoek en ontwikkeling aanzienlijke investeringen, zodat de rechthebbende een gerechtvaardigd belang kan hebben bij het terugverdienen van deze kosten. Het ontbreken van deze mogelijkheid zou waarschijnlijk forse prijsverhogingen tot gevolg hebben. Met betrekking tot de vraag, of de fabrikanten zich een afgeleide markt voorbehouden door daarop elke mededinging uit te sluiten, moet volgens de Nederlandse regering onderscheid worden gemaakt tussen de markt voor productie, de markt voor afzet en de markt voor gebruik van vervangingsonderdelen. De productie wordt beschermd door het uitsluitende siermodelrecht. Wat de afzet betreft, wijst de Nederlandse regering ook op verordening (EG) nr. 1475/95. Of een machtspositie op rechtmatige wijze wordt geëxploiteerd, hangt volgens de Nederlandse regering af van de vraag, of de vrijheid van de (erkende) dealers en van andere aanbieders gewaarborgd is.
115. Ten slotte - zo vervolgt de Nederlandse regering - lijken de automobielfabrikanten zich de markt voor gebruik van vervangingsonderdelen voor te behouden. Deze onderdelen dienen echter ook beschikbaar te zijn voor onafhankelijke reparateurs. Het is volgens de Nederlandse regering uiteindelijk aan de nationale rechter om te beoordelen, of de feiten aanleiding geven voor de conclusie, dat in het onderhavige geval sprake is van misbruik van machtspositie.
116. De Commissie ten slotte verwijst ter beantwoording van de tweede vraag naar het arrest CICRA en Maxicar van 1988 en naar het in hetzelfde jaar gewezen arrest Volvo. Haars inziens moet op basis van de summiere informatie in de verwijzingsbeschikking worden geconcludeerd, dat geen van de gedragingen die in genoemde arresten als misbruik zijn aangemerkt, verzoekster kan worden aangewreven. Bovendien hebben de prejudiciële vragen in de onderhavige zaak een veel beperktere draagwijdte dan in de zaak Volvo. Op de tweede vraag moet volgens de Commissie dan ook worden geantwoord, dat in casu geen sprake is van misbruik van machtspositie.
Standpunt
117. Ook deze tweede vraag is nagenoeg in dezelfde bewoordingen gesteld als de tweede vraag in de zaak CICRA en Maxicar. Daarom moet ook hier in de eerste plaats worden verwezen naar dat arrest, waarin het Hof concludeerde dat de loutere verkrijging van siermodelrechten voor carrosserieonderdelen van auto's geen misbruik van machtspositie in de zin van artikel 86 van het Verdrag vormt. Wel kan de uitoefening van het uitsluitende recht leiden tot gedragingen die misbruik opleveren, zoals - aldus het Hof in het arrest CICRA en Maxicar - de willekeurige weigering om vervangingsonderdelen te leveren aan onafhankelijke reparateurs, de vaststelling van onbillijke prijzen voor vervangingsonderdelen of de beslissing om geen vervangingsonderdelen voor een bepaald automodel meer te vervaardigen, terwijl er nog vele auto's van dat model in omloop zijn, een en ander wanneer die gedragingen de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden. Dergelijke gedragingen kunnen ook in het onderhavige geval niet worden vastgesteld, althans niet op basis van het summiere feitenrelaas in de verwijzingsbeschikking. De tweede vraag in deze prejudiciële procedure moet derhalve op dezelfde wijze worden beantwoord als in het arrest van 1988.
118. Verweerders beschouwen echter ook als misbruik van machtspositie de toekenning van uitsluitende rechten voor vervangingsonderdelen die als zodanig geen zelfstandige esthetische waarde hebben. Zoals al verscheidene malen is gezegd, is de vaststelling van de voorwaarden waaronder tekeningen en modellen worden beschermd, een zaak van de lidstaten. Wanneer nu een fabrikant overeenkomstig de regeling van een lidstaat uitsluitende rechten op carrosserieonderdelen verkrijgt, vormt dit geen misbruik, ook al zijn verweerders van mening, dat deze onderdelen geen bescherming verdienen. Ook richtlijn 98/71 heeft in deze situatie geen wijziging gebracht, want volgens artikel 14 daarvan handhaven de lidstaten hun bestaande wettelijke bepalingen inzake het gebruik van het model van een onderdeel voor het repareren van een samengesteld voortbrengsel met de bedoeling het zijn oorspronkelijke vorm terug te geven", zolang de richtlijn niet op voorstel van de Commissie is gewijzigd.
119. Wat de door verweerders genoemde verlening van dwanglicenties betreft, heeft het Hof eveneens in 1988 in de zaak Volvo beslist, dat de mogelijkheid voor de houder van een model om derden te beletten, producten waarin het model is verwerkt zonder zijn toestemming te vervaardigen en te verkopen of in te voeren, de essentie vormt van zijn uitsluitend recht. Daaruit volgt dat, wanneer de houder van een beschermd model wordt verplicht om derden, zelfs tegen billijke royalty's, een licentie te verlenen voor de levering van producten waarin het model is verwerkt, hem de essentie van zijn uitsluitend recht wordt ontzegd, en dat de weigering om zulk een licentie te verlenen op zich geen misbruik van machtspositie kan opleveren." Dit zou betekenen, dat verzoekster in de onderhavige zaak evenmin verplicht is dwanglicenties te verlenen.
120. Volgens verweerders kan evenwel uit het arrest Magill worden afgeleid, dat er in casu wel degelijk sprake is van misbruik van machtspositie. Aan dat arrest lagen de volgende feiten ten grondslag: drie televisiemaatschappijen, waarvan de programma's door de meeste gezinnen in Ierland en door 30 à 40 % van de gezinnen in Noord-Ierland konden worden ontvangen, maakten enkel hun eigen programma's bekend en maakten op grond van de nationale wetgeving aanspraak op auteursrechtelijke bescherming van hun wekelijkse programmaoverzichten, teneinde publicatie ervan door derden te verhinderen. Zij publiceerden hun wekelijkse tv-gids hetzij zelf, hetzij via een daartoe opgerichte vennootschap. Op het ogenblik van de feiten was op de Ierse en Noordierse markt dus geen enkele wekelijks verschijnende alomvattende tv-gids verkrijgbaar.
121. Het Gerecht van eerste aanleg had zich op het standpunt gesteld, dat de uitoefening van het alleenrecht van verveelvoudiging van een beschermd werk weliswaar op zich geen misbruik vormt, doch dat dit anders ligt, wanneer uit de bijzonderheden van het concrete geval blijkt, dat dit recht wordt uitgeoefend op zodanige wijze en onder zodanige omstandigheden, dat in feite een doel wordt nagestreefd dat kennelijk in strijd is met de doelstellingen van artikel 86. In zo een geval wordt het auteursrecht niet meer uitgeoefend op een wijze die in overeenstemming is met de wezenlijke functie ervan in de zin van artikel 36 van het Verdrag, welke functie erin bestaat, de morele rechten op het werk te beschermen en de beloning van de creatieve inspanning te verzekeren met inachtneming van de doelstellingen van, in het bijzonder, artikel 86. Het Gerecht concludeerde daaruit, dat in dat geval het gemeenschapsrecht, in het bijzonder wanneer het gaat om zo fundamentele beginselen als het vrije verkeer van goederen en de vrije mededinging, voorrang heeft op elke andere, met die beginselen strijdige nationale regeling inzake intellectuele eigendom.
122. Het Gerecht achtte een dergelijk misbruik aanwezig, aangezien de tv-stations, door zich het uitsluitend recht op publicatie van hun wekelijkse programmaoverzichten voor te behouden, de introductie op de markt beletten van een nieuw product, namelijk een alomvattende tv-gids, die waarschijnlijk met hun eigen tijdschrift zou gaan concurreren. Aldus gebruikten zij hun auteursrecht op de programmaoverzichten om zich een monopolie op de afgeleide markt van wekelijks verschijnende tv-gidsen in Ierland en Noord-Ierland te verschaffen. Deze uitspraak werd door het Hof bekrachtigd.
123. Ook al wordt het onderscheid tussen het bestaan en de uitoefening van een recht van industriële eigendom in zoverre niet meer gemaakt, dat beperkingen van het vrije goederenverkeer gerechtvaardigd worden geacht uit hoofde van de functie van het merkrecht, in het arrest Magill heeft het Hof onder verwijzing naar het arrest Volvo nogmaals bevestigd, dat zolang de nationale wettelijke regelingen niet zijn geünificeerd, de voorwaarden waaronder een recht van intellectuele eigendom wordt beschermd, door de nationale rechtsregels worden bepaald en dat het alleenrecht van verveelvoudiging deel uitmaakt van de prerogatieven van de auteur, zodat een weigering om een licentie te verlenen, ook al gaat zij uit van een onderneming met een machtspositie, op zichzelf geen misbruik van die machtspositie kan opleveren. Het Hof vervolgt dan - wederom onder verwijzing naar het arrest Volvo - dat de uitoefening van het alleenrecht door de rechthebbende in uitzonderlijke omstandigheden misbruik kan opleveren. Het Hof heeft in het arrest Magill dus niet anders geoordeeld dan in het arrest Volvo. Daar had het reeds beslist, dat de weigering om een dergelijke licentie te verlenen, in het geval van vervangingsonderdelen voor auto's geen misbruik van machtspositie vormt.
124. De bijzondere omstandigheden van de zaak Magill waren voor het Hof echter aanleiding om te oordelen, dat in dat geval wel sprake was van misbruik. Daarbij beklemtoonde het in het bijzonder, dat er volgens de vaststellingen van het Gerecht geen daadwerkelijk of potentieel substituut bestond voor een wekelijks verschijnende tv-gids, die de kijkers de mogelijkheid bood vooraf te beslissen welke programma's zij wilden zien, en aan de hand daarvan plannen te maken voor de besteding van hun vrije tijd in de komende week. Ook wees het Hof erop, dat het Gerecht had vastgesteld dat er een constante en regelmatige potentiële vraag van de zijde van de consumenten bestond.
125. In de onderhavige zaak is het probleem echter niet, dat de uitoefening van het alleenrecht de introductie van een volledig nieuw product belemmert. Vervangingsonderdelen voor auto's kunnen niet zo een nieuw product zijn, daar zij juist identiek moeten zijn aan de originele onderdelen. Daarom kan ook uit het arrest Magill niet worden afgeleid, dat de tweede vraag anders zou moeten worden beantwoord dan in de arresten CICRA en Maxicar en Volvo uit 1988.
126. Wat de eerste twee vragen betreft, kan dan ook worden geconcludeerd, dat de artikelen 30 tot en met 36 van het Verdrag aldus moeten worden uitgelegd, dat zij zich niet ertegen verzetten, dat de houder van een recht van industriële of intellectuele eigendom in een lidstaat krachtens het daaraan verbonden uitsluitende recht derden kan verbieden, losse onderdelen die tezamen de carrosserie van een reeds op de markt gebrachte auto vormen, dat wil zeggen losse onderdelen die bestemd zijn om als vervangingsonderdelen voor die auto te worden verkocht, te fabriceren, te verkopen, alsmede naar een andere lidstaat uit te voeren, voor zover hierbij niet wordt gediscrimineerd.
127. Ook vormt de loutere verkrijging van siermodelrechten voor carrosserieonderdelen van auto's geen misbruik van machtspositie in de zin van artikel 86 van het Verdrag. Hetzelfde geldt voor de uitoefening van het aan deze rechten verbonden uitsluitende recht, voor zover deze uitoefening niet leidt tot gedragingen die misbruik opleveren, zoals de vaststelling van onbillijke prijzen voor vervangingsonderdelen of de willekeurige weigering om vervangingsonderdelen te leveren aan onafhankelijke reparateurs.
128. Zoals gezegd, heeft ook richtlijn 98/71 inzake de rechtsbescherming van modellen de rechtssituatie op het gebied van vervangingsonderdelen voor auto's niet gewijzigd, aangezien voor die onderdelen uitdrukkelijk is voorzien in een overgangsperiode gedurende welke de lidstaten hun bestaande wettelijke bepalingen handhaven. Dit is een zogeheten standstill-bepaling, op grond waarvan - zolang de richtlijn niet is gewijzigd - een wijziging van de nationale bepalingen enkel is toegestaan, voor zover daardoor de handel wordt geliberaliseerd.
129. In het kader van de voorgenomen wijziging van de richtlijn zal de wetgever moeten nagaan, of de verlening van dwanglicenties niet toch zou moeten worden overwogen. Dit lijkt vooral zinvol omdat niet alle vervangingsonderdelen bepalend zijn voor het uiterlijk van een auto, en omdat ook de intellectuele inspanning die bij het ontwerpen van de verschillende onderdelen komt kijken, niet altijd even groot is en soms dus niet van dien aard is, dat een beperking van het vrije handelsverkeer gerechtvaardigd is. Zolang echter een desbetreffende Europese regeling ontbreekt, moet van de hiervoor weergegeven conclusie worden uitgegaan. Op basis van het summiere feitenrelaas kan dan ook niet worden gezegd, dat de Franse rechter de artikelen 30 tot en met 36 en 86 van het Verdrag verkeerd heeft uitgelegd; en ook al was dit wel het geval, dan nog zou die uitleggingsfout niet een zo ernstige inbreuk op algemene en fundamentele rechtsbeginselen opleveren, dat kon worden gesproken van strijd met de openbare orde.
F - Conclusie
130. Gelet op een en ander geef ik in overweging, de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
Een beslissing van een rechter van een lidstaat kan in een andere lidstaat niet met de openbare orde in de zin van artikel 27, punt 1, Executieverdrag in strijd worden geacht op de enkele grond, dat daarbij het bestaan wordt erkend van een recht van industriële of intellectuele eigendom op losse onderdelen die tezamen de carrosserie van een auto vormen, en de houder van dat uitsluitende recht bescherming wordt verleend in de vorm van een verbod aan derden, te weten marktdeelnemers uit een andere lidstaat, om die losse onderdelen in de lidstaat waar de beslissing werd gegeven, te fabriceren, te verkopen, in te voeren of daaruit uit te voeren, een en ander onder bedreiging. Dit geldt ook wanneer die mogelijkheid in de rechtsorde van de andere lidstaat - de aangezochte staat - niet bestaat, of wanneer in de beslissing waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, het gemeenschapsrecht verkeerd is uitgelegd, aangezien slechts in uitzonderlijke gevallen sprake is van strijd met de openbare orde, namelijk alleen wanneer fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden."
Full & Egal Universal Law Academy