Conclusie van de advocaat generaal
1. In deze zaak dient het Hof zich uit te spreken over de door de European Fertilizer Manufacturers Association (hierna: EFMA") ingestelde hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 17 december 1997 in de zaak EFMA/Raad. Met dit arrest verwierp het Gerecht het door EFMA ingestelde beroep tot nietigverklaring van artikel 1 van verordening (EG) nr. 477/95 van de Raad van 16 januari 1995 tot wijziging van de definitieve antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer in de Gemeenschap van ureum van oorsprong uit de voormalige USSR en tot beëindiging van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer in de Gemeenschap van ureum van oorsprong uit het voormalige Tsjechoslowakije (hierna: bestreden verordening").
Het feitelijk en juridisch kader van het beroep tot nietigverklaring dat rekwirante bij het Gerecht van eerste aanleg heeft ingesteld
2. De aan het beroep ten grondslag liggende feiten worden in het bestreden arrest als volgt weergegeven. EFMA is een beroepsorganisatie van meststoffenproducenten. In juli 1986 verzocht CMC-Engrais, lid van EFMA, de Commissie een antidumpingprocedure in te stellen betreffende de invoer in de Gemeenschap van ureum uit derde landen, in de zin van verordening (EEG) nr. 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap.
Verordening (EEG) nr. 3339/87 van de Raad van 4 november 1987 houdende instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van ureum van oorsprong uit Libië en Saoedi-Arabië, houdende aanvaarding van verbintenissen in verband met de invoer van ureum van oorsprong uit de Duitse Democratische Republiek, Joegoslavië, Koeweit, Trinidad en Tobago, Tsjechoslowakije en de Sovjetunie en houdende beëindiging van het betrokken onderzoek, is vastgesteld na een door de Commissie ingeleide procedure. De bij deze verordening aanvaarde verbintenissen zijn bevestigd bij besluit 89/143/EEG van de Commissie van 21 februari 1989.
3. Naar aanleiding van een verzoek van EFMA van 29 oktober 1992 heeft de Commissie een nieuw onderzoek ingesteld, aangezien de omstandigheden naar haar oordeel dermate waren gewijzigd dat een nieuw onderzoek naar de aanvaarde verbintenissen gerechtvaardigd was.
Bij brief van 10 mei 1994 heeft de Commissie alle betrokken partijen op de hoogte gebracht van haar bevindingen en van de belangrijkste elementen op grond waarvan zij voornemens was definitieve maatregelen aan te bevelen. Met name werd in deze brief uitsluitsel gegeven over de keuze van Slowakije als referentieland in plaats van Australië of Canada, de berekening van de normale waarde (in Slowakije), de vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijzen en tot slot de geschatte schade. Eveneens gaf de Commissie hierin aan, waarom het haar gepast leek om bij de berekening van het recht uit te gaan van een winstmarge van de communautaire producenten van 5 % en om op de prijs van Russisch ureum een aanpassing van 10 % toe te passen. Deze aanpassing werd gerechtvaardigd met twee overwegingen, namelijk dat de kwaliteit van het Russische ureum tijdens het transport gewoonlijk achteruitging en dat er geen aanvoerzekerheid kon worden geboden. Hierdoor was de prijs gedaald.
Hierop volgden een briefwisseling en verscheidene vergaderingen met vertegenwoordigers van EFMA en de Commissie, waarbij de aanpassing van 10 % en de vastgestelde winstmarge van 5 % werden besproken.
4. Op 16 januari 1995 stelde de Raad de bestreden verordening vast, tot wijziging van de definitieve antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer in de Gemeenschap van ureum van oorsprong uit de voormalige USSR en tot beëindiging van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer in de Gemeenschap van ureum van oorsprong uit het voormalige Tsjechoslowakije.
Omdat het percentage waarbij de schade werd opgeheven, lager lag dan de voor Rusland vastgestelde dumpingmarge, werd het definitieve antidumpingrecht overeenkomstig artikel 13, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2423/88 (hierna: basisverordening"), ingesteld op het niveau van het percentage waarbij de schade werd opgeheven.
Artikel 1 van de bestreden verordening luidt als volgt:
1. Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op de invoer van ureum ingedeeld onder de GN-codes 3102 10 10 en 3102 10 90, van oorsprong uit de Russische Federatie.
2. Het bedrag van het recht is gelijk aan het verschil tussen 115 ecu per ton en de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, niet ingeklaard, indien laatstgenoemde prijs lager ligt.
3. Tenzij anders bepaald zijn de voor douanerechten van kracht zijnde bepalingen op dit recht van toepassing."
Het arrest van het Gerecht
5. Op 17 april 1995 stelde EFMA bij het Gerecht beroep tot nietigverklaring van artikel 1 van de bestreden verordening in. Zij verzocht het Gerecht te gelasten, dat de bij deze verordening ingestelde antidumpingrechten gehandhaafd blijven totdat de bevoegde instellingen de strengere maatregelen hebben vastgesteld die de tenuitvoerlegging van het arrest met zich brengt".
Rekwirante voerde drie middelen aan. Met het eerste middel betwistte zij de keuze van Slowakije als referentieland, welke keuze volgens haar een schending van de basisverordening inhield. Het tweede middel klaagde over een andere schending van de basisverordening, doordat de normale waarde en de uitvoerprijzen in twee verschillende stadia waren vergeleken. Subsidiair stelde rekwirante, dat bij deze vergelijking een kennelijke beoordelingsfout was gemaakt. In dit verband klaagde zij tevens over een onvoldoende motivering van de bestreden verordening. Het derde middel, ten slotte, betrof de vaststelling van de schade. Rekwirante voerde in dit verband twee argumenten aan: in de eerste plaats, dat de aanpassing van de prijs van het in Rusland geproduceerde ureum - ter compensatie van bepaalde gestelde verschillen in kwaliteit - op een kennelijke beoordelingsfout berustte en dat de Raad daarbij tevens haar recht van verweer had geschonden. In de tweede plaats riep zij dezelfde schendingen in onder verwijzing naar de vastgestelde winstmarge van de communautaire producenten, die EFMA te klein achtte.
6. In zijn arrest van 17 december 1997, waartegen het onderhavige beroep is ingesteld, heeft het Gerecht dit beroep verworpen. In dat arrest wordt in de eerste plaats het derde middel onderzocht, betreffende de vaststelling van de schade. In dit verband heeft het Gerecht geoordeeld dat de instellingen, door uit te gaan van een aanpassing van 10 % wegens kwaliteitsverschillen tussen het Russische en het communautaire ureum, niet de beoordelingsmarge hadden overschreden waarover zij op dit punt beschikten. Wat vervolgens de gestelde schending van rekwirantes recht van verweer in de precontentieuze fase betreft, was het Gerecht van oordeel dat rekwirante tijdens deze fase in kennis is gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen waarop de instellingen hun conclusies hebben gebaseerd". Er is dan ook geen schending van het recht van verweer vastgesteld. Nog steeds in het kader van het derde middel verwierp het Gerecht vervolgens het argument dat rekwirante ontleende aan de naar haar mening te kleine winstmarge van 5 % van de communautaire producenten die was gehanteerd om de winstderving te bepalen. In dit verband heeft het Gerecht vastgesteld dat verzoekster geen bewijs heeft aangevoerd waaruit zou kunnen worden opgemaakt, dat de Commissie [door van die winstmarge uit te gaan] een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt". Het Gerecht heeft de door Z/Yen gemaakte studie, die rekwirante tot staving van haar argument had overgelegd, buiten beschouwing gelaten aangezien deze studie pas tijdens de contentieuze fase, na de vaststelling van de bestreden verordening, is ingediend. Het Gerecht verklaarde dat het recht van verweer van EFMA niet was geschonden, aangezien zij in de gelegenheid is gesteld haar standpunt inzake de juistheid van een marge van 5 % kenbaar te maken en aan te tonen, waarom een winst van 10 % (voor belasting) noodzakelijk was". Volgens de motivering van het arrest had rekwirante echter enkel in algemene termen gesteld, dat een winst van 10 % redelijker was, zonder nadere preciseringen te vragen met betrekking tot welke methode ter berekening van de winstmarge dan ook".
7. Aangezien het Gerecht het derde middel had verworpen, heeft het rekwirantes twee andere middelen niet nader onderzocht. Het oordeelde dat deze middelen falen", aangezien zij zelfs indien zij gegrond mochten zijn, hoe dan ook niet zouden leiden tot nietigverklaring van de bestreden verordening en tot vaststelling van een hoger recht dan in het onderhavige geval door de instellingen was vastgesteld.
8. EFMA heeft tegen dit arrest hogere voorziening ingesteld en voert in wezen zes middelen aan.
Het eerste middel
9. Met haar eerste middel stelt rekwirante dat het arrest onvoldoende is gemotiveerd: het Gerecht heeft niet aangegeven waarom het zich niet over de eerste twee middelen in eerste aanleg heeft uitgesproken en van oordeel was dat zij falen".
Dit middel is kennelijk ongegrond. Zoals in het arrest wordt verklaard, bepaalt artikel 13, lid 3, van de basisverordening dat indien het percentage waarbij de schade wordt opgeheven, lager is dan de vastgestelde dumpingmarge, het definitieve antidumpingrecht in ieder geval niet hoger mag zijn dan het genoemde percentage waarbij de schade wordt opgeheven. Zodra was aangetoond dat de instellingen de schade op correcte wijze hadden vastgesteld, was het op grond van de reeds aangehaalde bepaling van artikel 13, lid 3, hoe dan ook onmogelijk om van de instelling een recht te verkrijgen dat boven dit percentage uitging, zoals rekwirante niettemin eiste. Deze redenering is in de punten 115 tot en met 122 van het arrest uitvoerig uiteengezet en ik zie eerlijk gezegd niet, hoe op dit punt een gebrek aan motivatie kan worden aangevoerd.
Het tweede middel
10. Met haar tweede middel stelt rekwirante, dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat zij geen belang had bij een uitspraak over de eerste twee middelen die in eerste aanleg zijn aangevoerd. Dit levert volgens haar een schending van artikel 173 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230 EG) op.
Ook deze grief is kennelijk ongegrond. De rechtspraak die tot staving van haar argument door EFMA wordt aangehaald, betreft een problematiek die voor de onderhavige zaak volledig irrelevant is, namelijk het belang dat een rekwirant bij de nietigverklaring van een handeling heeft. In onderhavige zaak heeft het Gerecht rekwirante geenszins het recht ontzegd om beroep in te stellen; evenmin heeft het zich uitgesproken over het belang van laatstgenoemde bij een nietigverklaring van de verordening. In het arrest is slechts artikel 13, lid 3, van de basisverordening toegepast: aangezien is vastgesteld dat het antidumpingrecht moet worden ingesteld op het niveau van het percentage waarbij de schade wordt opgeheven en de instellingen hierbij op de juiste wijze te werk zijn gegaan, zou de mogelijkheid om een hoger antidumpingrecht te verkrijgen, zoals rekwirante eiste, in strijd zijn met de zojuist door mij aangehaalde materiële regel van de basisverordening. Aangezien het derde middel - dat juist de vaststelling van de schade betreft - is verworpen, maakte deze bepaling van de basisverordening de aanspraak van EFMA op een hoger antidumpingrecht onmogelijk. Een onderzoek van de eerste twee middelen zou dus nutteloos zijn: het zou immers in geen enkel geval mogelijk zijn geweest om een hoger recht in te stellen dan het percentage waarbij de schade wordt opgeheven. Het Gerecht heeft dan ook met recht geoordeeld dat de eerste twee middelen faalden. Dit is een logische toepassing van het beginsel van proceseconomie, waarvan de jurisprudentie tal van voorbeelden kent: het is gerechtvaardigd om te verklaren dat een middel faalt wanneer het, zelfs indien het gegrond zou zijn, hoe dan ook niet tot toewijzing van de eis van rekwirante zou kunnen leiden. In dat geval behoeft het Gerecht of het Hof het middel, dat in ieder geval niet op het dictum van het arrest van invloed zou zijn, niet te onderzoeken.
Het derde middel
11. Het derde middel wordt ontleend aan een gestelde materiële vergissing en aan een verdraaiing van de bewijzen door het Gerecht. In dit verband merkt rekwirante op, dat het Hof in een hogere voorziening slechts bevoegd is, zich uit te spreken over rechtsvragen en niet over feitelijke vragen. Zij voegt hier echter aan toe dat het Hof zelf in een uitzondering heeft voorzien voor het geval waarin het vaststaat dat het Gerecht de door hem te beoordelen bewijzen heeft verdraaid. Het bestreden arrest is volgens haar juist aangetast door een dergelijk gebrek, aangezien het in punt 77 verklaart, dat de communautaire producenten tijdens de administratieve procedure een aanpassing van 5 % hadden aanvaard, op grond van het kwaliteitsverschil tussen het Russische en het in de Gemeenschap vervaardigde ureum. De communautaire producenten hebben volgens haar in werkelijkheid nooit te kennen gegeven dat zij dit zouden aanvaarden.
Dit middel is volslagen ongegrond. In de eerste plaats is de verdraaiing van de bewijzen waartegen bij het Hof kan worden opgekomen, een zeer uitzonderlijke hypothese, aangezien het Hof in dat geval de beoordeling door het Gerecht van de omstandigheden in deze zaak zou moeten toetsen, met als enige bijzonderheid dat het een kennelijke en gemakkelijk verifieerbare vergissing zou zijn. Het is immers geen toeval dat het Hof, hoewel het het bestaan van deze mogelijkheid heeft erkend, deze nooit concreet heeft toegepast. Overigens is gemakkelijk vast te stellen dat het betrokken arrest niet wordt aangetast door het door rekwirante ingeroepen gebrek. Het Gerecht heeft namelijk nooit verklaard dat de communautaire producenten een aanpassing van 5 % hadden aanvaard. De door rekwirante ingeroepen passage uit het arrest verwijst eenvoudigweg naar een bewering van de Raad van die strekking. Deze bewering is dan ook in het arrest opgenomen als de mening van een partij, en niet als het oordeel van het rechtsprekend college zelf. De vraag naar de feitelijke juistheid van deze bewering, is vanzelfsprekend een feitelijke kwestie, die buiten de bevoegdheid van het Hof valt.
Het vierde middel
12. EFMA betoogt dat het Gerecht, door te oordelen dat voor zover verzoeksters argumenten betrekking hebben op de fysische en chemische samenstelling van het ureum bij het verlaten van de fabriek in Rusland, (...) zij (...) niet relevant [zijn]", de in haar bezit zijnde bewijzen heeft verdraaid. Het Gerecht zou zo de door de door de communautaire producenten uitgevoerde analyses hebben genegeerd.
Dit middel is niet-ontvankelijk. Rekwirante klaagt namelijk niet over een verkeerde rechtsopvatting in het arrest, maar betwist slechts de beoordeling van een feitelijke kwestie door het Gerecht. Het toezicht daarop valt echter buiten de bevoegdheid van het Hof als beroepsinstantie.
Het vijfde middel
13. Rekwirante beweert dat bepaalde wezenlijke gegevens over de aanpassing van de prijs haar tijdens de precontentieuze fase niet zijn meegedeeld, terwijl andere gegevens haar pas tijdens de procedure in eerste aanleg ter kennis zijn gebracht. Daarom zou het Gerecht ten onrechte hebben geoordeeld dat het recht van verweer niet is geschonden.
Ook dit middel kan niet worden aanvaard. In het arrest wordt namelijk verklaard dat verzoekster gedurende de antidumpingprocedure in kennis is gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen waarop de instellingen hun conclusies hebben gebaseerd. Het enige extra punt dat de Raad dienaangaande in het kader van de schriftelijke behandeling voor het Gerecht heeft aangevoerd, is [een] uitlating (...) [die] geen deel uitmaakt van de motivering van de bestreden verordening. [Niet kan] worden aangenomen, dat verzoekster haar recht van verweer niet kon uitoefenen doordat haar deze informatie is onthouden." Uitgaande van deze vooronderstelling - die het Hof niet kan toetsen - zie ik niet in, hoe kan worden gesteld dat het Gerecht van een verkeerde rechtsopvatting blijk heeft gegeven door te verklaren dat verzoeksters recht niet is geschonden". In het arrest is hier namelijk op juiste wijze het beginsel toegepast dat volgens de rechtspraak (...) aan het vereiste van eerbiediging van het recht van verweer [is] voldaan, wanneer de betrokken onderneming tijdens de administratieve procedure in de gelegenheid is gesteld haar standpunt met betrekking tot de juistheid en relevantie van de gestelde feiten en omstandigheden kenbaar te maken".
Het zesde middel
14. Rekwirante stelt, dat het Gerecht ten onrechte de Z/Yen-studie niet-ontvankelijk heeft verklaard, die zij in de procedure in eerste aanleg heeft overgelegd om aan te tonen dat de bestreden verordening was aangetast door een kennelijke beoordelingsfout, voor zover daarin de winstmarge van de communautaire producenten is vastgesteld. Het Gerecht heeft geoordeeld dat de studie buiten beschouwing diende te blijven, omdat EFMA er niet in de precontentieuze fase naar had verwezen, maar de studie pas na de invoering van de verordening heeft overgelegd. Volgens verzoekster vormt deze beoordeling een schending van artikel 173 van het Verdrag, met name van het recht op rechtsbescherming: het recht van een partij om argumenten te zijner verdediging aan te voeren, kan namelijk niet worden beperkt op grond van het enkele feit dat deze argumenten niet tijdens de precontentieuze fase zijn overgelegd. Tot staving van deze stelling verwijst EFMA naar twee arresten op het gebied van staatssteun, waarin deze mogelijkheid zou zijn erkend.
15. Ook dit middel kan niet worden aanvaard. De betrokken passage van het arrest is punt 108, waarin wordt verklaard: Het Gerecht dient evenwel te toetsen, of de instellingen zich hebben gebaseerd op feiten die materieel juist zijn, en of deze feiten niet kennelijk onjuist zijn beoordeeld, in de context van de situatie zoals deze zich ten tijde van de vaststelling van de bestreden verordening voordeed. In casu is zonder meer duidelijk, dat verzoekster gedurende de administratieve procedure geen enkel bewijs heeft geleverd voor haar bewering, dat van een hogere winstmarge moest worden uitgegaan. De instellingen konden dit element dus niet laten meewegen toen zij de bestreden verordening vaststelden. Het Gerecht is daarom van oordeel, dat de Z/Yen-studie in de onderhavige procedure buiten beschouwing dient te blijven." In wezen wordt in het arrest uitgegaan van de - naar mijn mening juiste - constatering, dat het in het onderhavige geval niet aan het Gerecht was om een nieuw onderzoek naar de feiten van de bestreden verordening in de stellen en hierbij alle gegevens in aanmerking te nemen die het noodzakelijk achtte, maar alleen om na te gaan of de instellingen, door de verordening vast te stellen, de gegevens waarover zij op het moment van de vaststelling van de verordening beschikten, kennelijk onjuist hadden beoordeeld. Het Gerecht kon dus geen rekening houden met de Z/Yen-studie om de eenvoudige reden dat deze van na de bestreden verordening dateerde.
Vervolgens denk ik niet dat de door rekwirante aangehaalde rechtspraak op het gebied van de staatssteun in dit geval van belang kan zijn. In de materie die hier aan de orde is - dumping - is de noodzaak voor instellingen om zich uitsluitend te baseren op de feiten zoals die zich in de precontentieuze fase voordoen, door de basisverordening zelf opgelegd. In dit verband hoeft slechts artikel 12, lid 1, te worden aangehaald, waarin wordt bepaald: Wanneer uit de definitieve vaststelling van de feiten blijkt dat in de periode van onderzoek dumping of subsidiëring, en daardoor veroorzaakte schade bestaan, (...) wordt een definitief antidumpingrecht of een definitief compenserend recht ingesteld door de Raad (...)." Volgens deze bepaling kan de Raad bij het invoeren van een recht enkel uitgaan van de situatie zoals die uit de definitieve vaststelling van de feiten blijkt. Daarom kan het Gerecht, dat in het kader van een rechterlijke toetsing van de door de Raad vastgestelde verordening moet nagaan of er een kennelijke beoordelingsfout is gemaakt, zich alleen baseren op gegevens die tijdens het onderzoek naar voren zijn gekomen en op het moment van de vaststelling van de verordening beschikbaar waren.
16. Ik voeg hieraan toe, dat bij de onderzoeksprocedure op het gebied van dumping, zoals geregeld bij artikel 7 van de basisverordening, de betrokken partijen in de gelegenheid worden gesteld om van alle gegevens die relevant zijn voor het verdedigen van hun belangen en die door de Commissie bij haar onderzoek zijn gebruikt, kennis te nemen en hierover opmerkingen in te dienen, met als enige uitzondering de vertrouwelijke gegevens in de zin van artikel 8. Dit fundamentele recht zou uiteraard worden geschonden indien de door rekwirante geopperde mogelijkheid werd erkend om de resultaten van het onderzoek ter discussie te stellen aan de hand van beoordelingscriteria die niet tijdens de precontentieuze fase waren aangevoerd en die voor de andere partijen niet toegankelijk waren.
Ik concludeer dan ook, dat het Gerecht niet blijk heeft gegeven van een verkeerde rechtsopvatting door de Z/Yen-studie, die rekwirante tijdens de gerechtelijke procedure, maar niet in de precontentieuze fase had ingediend, als irrelevant te beschouwen. In het arrest is juist een correcte uitvoering gegeven aan de beginselen van de basisverordening, volgens welke de vraag of bij de beoordeling van de feiten door de instellingen een kennelijke fout is gemaakt, moet worden beslist op basis van de gegevens die bij de goedkeuring van de verordening beschikbaar waren, zoals zij uit het antidumpingonderzoek blijken.
Conclusie
17. Gezien het een en ander, geef ik het Hof in overweging:
- de hogere voorziening af te wijzen;
- rekwirante in de kosten van de Raad te verwijzen.
Full & Egal Universal Law Academy