Conclusie van de advocaat generaal
1. In deze zaak heeft het Finanzgericht Bremen een reeks vragen gesteld over de uitlegging van het communautair douanewetboek(1) en over de geldigheid en de uitlegging van de toepassingsverordening van dit wetboek.(2)
2. Voor ik verder inga op de feiten, het hoofdgeding en de toepasselijke wettelijke regeling, is het nuttig een overzicht te geven van de relevante communautaire douaneregelingen die bij het douanewetboek zijn ingevoerd.
Overzicht van de relevante douaneregelingen
3. Goederen die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen, moeten onverwijld naar een douanekantoor of een vrije zone worden gebracht(3); in het eerste geval moeten de goederen bij de douane worden aangebracht(4) en moet een "summiere aangifte"(5) worden gedaan waarin de goederen worden geïdentificeerd. De goederen moeten een voor die goederen toegestane douanebestemming krijgen(6), in afwachting waarvan zij de status van goederen in tijdelijke opslag hebben.(7) De formaliteiten om deze goederen een douanebestemming te geven moeten worden vervuld binnen twintig dagen te rekenen vanaf de datum van indiening van de summiere aangifte voor goederen die anders dan over zee zijn aangevoerd(8), hoewel de douaneautoriteiten, wanneer de omstandigheden zulks rechtvaardigen, een verlenging van die termijn kunnen toestaan, mits deze verlenging de door de omstandigheden gerechtvaardigde werkelijke behoefte niet overschrijdt.(9)
4. "Douanebestemming van goederen" kan onder meer de plaatsing van goederen onder een douaneregeling en de wederuitvoer van goederen uit het douanegebied van de Gemeenschap inhouden.(10) Een van de douaneregelingen is het in het vrije verkeer brengen.(11)
5. Een douaneschuld kan op verschillende specifieke manieren ontstaan, onder meer indien niet wordt voldaan aan een van de verplichtingen welke ten aanzien van aan rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit de tijdelijke opslag van deze goederen, tenzij vaststaat dat dit verzuim zonder werkelijke gevolgen is gebleven voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of de betrokken douaneregeling.(12)
6. De toepassingsverordening noemt een aantal vormen van verzuim die worden beschouwd als zijnde zonder werkelijke gevolgen voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of van de betrokken douaneregeling, mits zij inter alia geen duidelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende inhouden. Uit de bewoordingen van de regeling blijkt duidelijk, dat de lijst uitputtend is bedoeld.(13) Tot de genoemde vormen van verzuim behoort het overschrijden van de termijnen binnen welke de goederen een douanebestemming moeten hebben gevolgd, wanneer, op daartoe tijdig gedaan verzoek, de termijn zou zijn verlengd.(14)
7. Wanneer de wetgeving in vrijstelling van de douanerechten bij het in het vrije verkeer brengen of bij uitvoer voorziet, dan is deze vrijstelling eveneens van toepassing in de gevallen waarin wegens het niet-vervullen van de verplichtingen welke voortvloeien uit de tijdelijke opslag een douaneschuld ontstaat, indien het gedrag van de belanghebbende niet getuigt van frauduleus handelen of van manifeste nalatigheid en aan de overige voorwaarden voor vrijstelling is voldaan.(15)
8. Tot terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer of van de rechten bij uitvoer kan bovendien worden overgegaan in in de toepassingsverordening vast te stellen gevallen welke het gevolg zijn van omstandigheden die van de zijde van de belanghebbende geen frauduleuze handeling noch klaarblijkelijke nalatigheid inhouden.(16) Het gaat onder meer om gevallen waarin de douaneschuld op een andere wijze is ontstaan dan door het in het vrije verkeer brengen van goederen of het plaatsen van goederen onder de regeling tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van de rechten bij invoer, en de betrokkene een document kan overleggen waaruit blijkt dat de goederen, indien zij voor het vrije verkeer waren aangegeven, voor een communautaire behandeling of een preferentiële tariefbehandeling in aanmerking hadden kunnen komen.(17)
9. Onder de regeling passieve veredeling worden communautaire goederen tijdelijk uit het douanegebied van de Gemeenschap uitgevoerd teneinde deze aan veredelingshandelingen te onderwerpen: de uit die handelingen voortkomende producten mogen met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de rechten bij invoer in het vrije verkeer worden gebracht.(18)
De feiten en het hoofdgeding
10. Verzoekster is een vennootschap onder firma die in textiel handelt. Zij voert grote hoeveelheden goederen in onder de regeling passieve veredeling, en voert soms in het douanegebied van de Gemeenschap binnengebrachte niet-communautaire goederen opnieuw uit. Gedurende de in dit geval ter zake dienende periode zijn de voor verzoekster in het douanegebied van de Gemeenschap binnengebrachte goederen regelmatig bij het inklaringskantoor Hohe Tor van het Hauptzollambt Bremen-Ost (hoofddouanekantoor van Bremen-Oost; hierna: "douanekantoor") aangebracht en vervolgens aan verzoekster overgedragen voor tijdelijke opslag.
11. In augustus 1993 deelde verzoekster het douanekantoor schriftelijk mee, dat de informatisering van haar douanerekeningen, die een snelle inklaring mogelijk moest maken, nog niet was voltooid, zodat de voor inklaring voorgeschreven termijn van twintig dagen niet steeds kon worden nageleefd. Daarop wees het douanekantoor het inklaringskantoor Hohe Tor erop, dat de termijn van twintig dagen slechts uitzonderlijk en op verzoek kon worden verlengd. In januari 1994 liet het douanekantoor verzoekster weten, dat het inklaringskantoor in het verleden haar aandacht regelmatig had gevestigd op het verstrijken van de termijnen betreffende goederen die aanvankelijk bij haar waren opgeslagen, maar dat deze praktijk van kennisgeving wegens de inwerkingtreding van het douanewetboek op 1 januari 1994 niet kon worden voortgezet. Verzoekster zou derhalve aanzienlijk meer dan in het verleden aandacht moeten besteden aan de inachtneming van de termijnen. Tevens werd haar meegedeeld, dat een douaneschuld bij invoer was ontstaan ingevolge artikel 204, lid 1, sub a, juncto artikel 49 van het douanewetboek.
12. Van midden februari 1994 tot einde 1994 overschreed verzoekster regelmatig de opslagtermijnen voordat zij de goederen een douanebestemming gaf. In oktober 1994 wees het douanekantoor haar in een brief op de gevolgen hiervan inzake douaneschulden, en vroeg het waarom zij zich niet aan de termijnen hield. Verzoekster liet deze brief onbeantwoord. Naderhand verzocht verzoekster herhaaldelijk om verlenging van de termijn, onder verwijzing naar de onvoorzienbare aanzienlijke achterstand met het werk ten gevolge van de informatisering van haar boekhouding en het personeelstekort wegens ziekteverlof van bepaalde personeelsleden.
13. Tussen 20 oktober 1994 en 15 februari 1995 vestigde het douanekantoor op basis van artikel 204, lid 1, van het douanewetboek 125 aanslagen betreffende de inklaring van goederen tijdens de periode van februari tot december 1994. Verzoekster maakte tegen al deze aanslagen bezwaar, in wezen stellende dat geen enkele douaneschuld krachtens die bepaling was ontstaan, nu de haar verweten verzuimen geen werkelijke gevolgen hadden gehad voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of van de betrokken douaneregeling. Subsidiair verzocht zij met een beroep op artikel 239 van het douanewetboek, juncto artikel 900, lid 1, sub o, van de toepassingsverordening, om terugbetaling van de betaalde invoerrechten. Bij twee beschikkingen van 23 mei 1995 wees het douanekantoor verzoeksters bezwaren af en verwierp het haar verzoek om terugbetaling; bij beschikking van 12 mei 1997 wees het verzoeksters bezwaar tegen zijn weigering tot terugbetaling af.
14. In juni 1995 stelde verzoekster bij het Finanzgericht een beroep in, waarmee zij opkwam tegen de rechten zoals die waren vastgesteld in de beschikking van 23 mei 1995 waarbij haar bezwaar tegen de aanslagen was afgewezen. In juni 1997 stelde zij bij het Finanzgericht beroep in tegen de beschikking van 12 mei 1997 tot afwijzing van haar bezwaar tegen de beschikking tot weigering van de gevraagde terugbetaling. In december 1997 besloot het Finanzgericht de twee procedures te voegen, de behandeling van de zaak te schorsen, en het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken over de volgende vragen:
"1) Bevat artikel 859 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1993, L 253, blz. 1; hierna: $douanewetboek') een regelmatig tot stand gekomen en uitputtende regeling inzake de verzuimen in de zin van artikel 204, lid 1, sub a, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1992, L 302, blz. 1; hierna: $toepassingsbepalingen'), waarvan $vaststaat dat zij zonder werkelijke gevolgen zijn gebleven voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of de betrokken douaneregeling'?
2) Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord:
a) Is het voor de rechter onmogelijk zelfstandig te onderzoeken of, in geval van een tijdig verzoek, is voldaan aan de voorwaarden voor een verlenging van de termijn overeenkomstig artikel 859, punt 1, van vorenbedoelde toepassingsbepalingen, wanneer het verzoek om verlenging van de termijn door de douane bij definitief geworden beschikking is afgewezen?
b) Kan het verzoek om verlenging - in plaats van betrekking te hebben op specifiek te vermelden aangiften - ook in het algemeen worden gedaan voor alle aangiften in een bepaalde periode (in casu van verschillende maanden), waarbij ter rechtvaardiging wordt verwezen naar in de loop van die periode bestaande bijzondere problemen binnen de onderneming (bijvoorbeeld plotselinge ziekte van medewerkers of afwezigheid van medewerkers wegens vakantie, nog niet ingewerkte nieuwe medewerkers, problemen bij de informatisering van de gegevens betreffende douanezaken, extra werk verband houdend met eigenlijk door de douane uit te voeren verrekeningen in het kader van de regeling passieve veredeling), zonder dat sprake is van duidelijke nalatigheid in de zin van artikel 859, tweede streepje, van de toepassingsbepalingen?
3) Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord:
Is ervan uit te gaan, dat de overschrijding van de termijnen om de aangebrachte goederen een douanebestemming te geven, in een aantal gevallen is te beschouwen als verzuimen $waarvan vaststaat dat zij zonder werkelijke gevolgen zijn gebleven voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of de betrokken douaneregeling', wanneer de betrokken goederen na het verstrijken van de termijn een douanebestemming krijgen, zonder dat een verlenging van de termijn overeenkomstig artikel 49, lid 2, van het douanewetboek gerechtvaardigd ware geweest?
4) Indien vraag 2b of vraag 3 ontkennend wordt beantwoord:
Is artikel 900, lid 1, sub o, van de toepassingsbepalingen, ingevoegd bij artikel 1, punt 29, van verordening (EG) nr. 3254/94 van de Commissie van 19 december 1994 (PB L 346, blz. 1), niet alleen van toepassing op de toekenning van een preferentieel tarief of een communautaire behandeling, doch maakt het ook in andere gevallen een gunstige behandeling mogelijk?
5) Indien vraag 4 ontkennend wordt beantwoord:
Moeten de douane en de rechterlijke instanties in geval van een verzoek om terugbetaling ambtshalve alle mogelijke gronden voor terugbetaling onderzoeken, ook wanneer de aanvrager zijn verzoek uitdrukkelijk baseert op één enkele in de wet voorziene grond, in welk geval in casu ook zou moeten worden onderzocht of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 239, lid 1, tweede streepje, van het douanewetboek, in samenhang met artikel 905, lid 1, eerste zin, van de toepassingsbepalingen, met betrekking tot de aangiften voor het vrije verkeer, in verband waarmee geldige certificaten EUR.1 inzake goederenverkeer, respectievelijk certificaten van oorsprong formulier A voorhanden waren, in welk geval de volledige of gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten mogelijk is voor na passieve veredeling opnieuw ingevoerde goederen (differentiële heffing) of voor na herstelling terugkerende goederen?
6) Indien aan de in artikel 900, lid 1, sub o, van de toepassingsbepalingen bedoelde voorwaarden voor terugbetaling is voldaan, dient er dan in principe van te worden uitgegaan, dat de belanghebbende geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid kan worden verweten?
7) Indien vraag 6 en/of vraag 4 ontkennend worden beantwoord:
Moet het begrip $klaarblijkelijke nalatigheid' in artikel 239, lid 1, tweede streepje, van het douanewetboek volgens objectieve dan wel (ook) volgens subjectieve criteria worden geïnterpreteerd, en heeft het dezelfde inhoud als het begrip $duidelijke nalatigheid' in artikel 859, tweede streepje, van de toepassingsbepalingen, en het begrip $manifeste nalatigheid' in artikel 212 bis van het douanewetboek, en kan worden gesteld dat geen sprake is van $klaarblijkelijke nalatigheid' in de zin van artikel 239 van het douanewetboek wanneer douaneschulden bij invoer in de zin van artikel 204, lid 1, sub a, zijn ontstaan doordat over een periode van verschillende maanden wegens de in vraag 2b bij wege van voorbeeld opgesomde omstandigheden de termijn van artikel 49, lid 1, van het douanewetboek niet is nageleefd en ook geen gronden voor verlenging van de termijn aanwezig waren, zodat ook sprake was van een duidelijke nalatigheid in de zin van artikel 859, tweede streepje, van de toepassingsbepalingen?"
15. De partijen in het hoofdgeding, de Duitse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. De partijen, de Duitse regering en de Commissie waren ter terechtzitting vertegenwoordigd.
Het toepasselijke gemeenschapsrecht
16. Artikel 49 van het douanewetboek bepaalt:
"1. Indien voor de goederen een summiere aangifte is gedaan, dienen de formaliteiten te worden vervuld om deze goederen een douanebestemming te geven binnen de volgende termijnen:
(...)
b) twintig dagen te rekenen vanaf de datum van indiening van de summiere aangifte voor goederen die anders dan over zee zijn aangevoerd.
2. Wanneer de omstandigheden zulks rechtvaardigen, kunnen de douaneautoriteiten een kortere termijn vaststellen of een verlenging van de in lid 1 genoemde termijnen toestaan. Deze verlenging mag evenwel de door de omstandigheden gerechtvaardigde werkelijke behoefte niet overschrijden."
17. Artikel 204, lid 1, luidt als volgt:
"Een douaneschuld bij invoer ontstaat:
a) indien niet wordt voldaan aan een van de verplichtingen welke ten aanzien van aan rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit de tijdelijke opslag van deze goederen of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder zij zijn geplaatst,
of
b) (...),
in andere gevallen dan die bedoeld in artikel 203, tenzij vaststaat dat dit verzuim zonder werkelijke gevolgen is gebleven voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of de betrokken douaneregeling."
Artikel 203 van het douanewetboek betreft het geval waarin aan rechten bij invoer onderworpen goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken.
18. Artikel 212 bis(19) bepaalt:
"Wanneer de douanewetgeving in vrijstelling van de in- of uitvoerrechten krachtens de artikelen 184 tot en met 187 voorziet, dan is deze vrijstelling eveneens van toepassing in de gevallen waarin uit hoofde van de artikelen 202 tot en met 205, 210 of 211 een douaneschuld ontstaat, indien het gedrag van de belanghebbende niet getuigt van frauduleus handelen of van manifeste nalatigheid en deze laatste aantoont dat aan de overige voorwaarden voor de toekenning van de volledige of gedeeltelijke vrijstelling is voldaan."(20)
19. In artikel 239 heet het:
"1. Tot terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer of van de rechten bij uitvoer kan ook worden overgegaan in de gevallen andere dan bedoeld in de artikelen 236, 237 en 238
- welke volgens de procedure van het Comité worden vastgesteld;
- welke het gevolg zijn van omstandigheden die van de zijde van de belanghebbende geen frauduleuze handeling noch klaarblijkelijke nalatigheid inhouden. De gevallen waarin op deze bepaling een beroep kan worden gedaan en de te dien einde toe te passen procedures, worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité. Aan de terugbetaling of de kwijtschelding kunnen bijzondere voorwaarden worden verbonden.
2. Terugbetaling of kwijtschelding van de rechten om de in lid 1 genoemde redenen wordt toegestaan indien bij het betrokken douanekantoor vóór het verstrijken van een termijn van twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop genoemde rechten aan de schuldenaar zijn medegedeeld, een daartoe strekkend verzoek wordt ingediend.
De douaneautoriteiten kunnen evenwel in naar behoren aangetoonde uitzonderingsgevallen toestaan dat deze termijn wordt overschreden."
De artikelen 236, 237 en 238 van het douanewetboek betreffen respectievelijk de gevallen waarin de rechten niet waren verschuldigd, de douaneaangifte ongeldig wordt gemaakt, en de goederen door de importeur worden geweigerd omdat zij gebreken vertonen of niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van het contract.
20. Artikel 249 luidt als volgt:
"1. De bepalingen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van dit wetboek, inclusief de toepassing van de in artikel 184 bedoelde verordening, met uitzondering van titel VIII en onder voorbehoud van de artikelen 9 en 10 van verordening (EEG) nr. 2658/87(21) alsmede van lid 4, worden vastgesteld volgens de in de leden 2 en 3 omschreven procedure, met inachtneming van de door de Gemeenschap aangegane internationale verplichtingen.
2. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het comité brengt advies uit over dit ontwerp binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie. Het comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij de stemming in het comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de lidstaten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.
3. a) De Commissie stelt de beoogde maatregelen vast wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het comité.
b) Wanneer de beoogde bepalingen niet in overeenstemming zijn met het advies van het comité of indien geen advies is uitgebracht, dient de Commissie onverwijld bij de Raad een voorstel in betreffende de te nemen maatregelen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.
c) Indien de Raad na verloop van een termijn van drie maanden na de indiening van het voorstel bij de Raad geen besluit heeft genomen, worden de voorgestelde maatregelen door de Commissie vastgesteld.
4. De bepalingen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van de artikelen 11, 12 en 21 worden vastgesteld volgens de procedure die in artikel 10 van verordening (EEG) nr. 2658/87 is omschreven."
21. Artikel 859 van de toepassingsverordening(22) luidt:
"De volgende vormen van verzuim worden beschouwd als zijnde zonder werkelijke gevolgen voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of van de betrokken douaneregeling in de zin van artikel 204, lid 1, van het wetboek, voor zover:
- zij geen poging tot onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht inhouden,
- zij geen duidelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende inhouden, en
- alle formaliteiten voor het regulariseren van de situatie van de goederen alsnog worden vervuld:
1) het overschrijden van de termijnen binnen welke de goederen een van de douanebestemmingen die voorzien zijn in het kader van de tijdelijke opslag of van de betrokken douaneregeling moeten hebben gevolgd, wanneer, op daartoe tijdig gedaan verzoek, de termijn zou zijn verlengd;
2) het overschrijden van de termijn voor het aanbieden van onder een regeling voor douanevervoer geplaatste goederen bij het kantoor van bestemming, wanneer deze aanbieding achteraf alsnog plaatsvindt;
3) de behandeling van goederen in tijdelijke opslag of van onder het stelsel van douane-entrepots geplaatste goederen zonder voorafgaande toestemming van de douaneautoriteiten, indien, op daartoe gedaan verzoek, toestemming voor deze behandelingen zou zijn verleend;
4) het gebruik van onder de regeling tijdelijke invoer geplaatste goederen in andere omstandigheden dan in de vergunning vermeld, voor zover, op daartoe gedaan verzoek, voor dit gebruik onder dezelfde regeling toestemming zou zijn verleend;
5) het zonder toestemming wegvoeren van goederen in tijdelijke opslag of goederen die onder een douaneregeling zijn geplaatst, indien deze goederen desgevraagd bij de douaneautoriteiten kunnen worden aangeboden;
6) het verlaten van het douanegebied van de Gemeenschap van goederen in tijdelijke opslag of goederen die onder een douaneregeling zijn geplaatst, dan wel het binnenbrengen van deze goederen in een vrije zone of een vrij entrepot, zonder dat de vereiste formaliteiten zijn vervuld;
7) de overdracht zonder kennisgeving aan de douanedienst van goederen die in verband met hun bijzondere bestemming een gunstige tariefbehandeling hebben gekregen, wanneer deze goederen de betrokken bestemming nog niet hebben gevolgd, op voorwaarde dat:
a) de voorraadadministratie van de overdrager melding maakt van deze overdracht;
b) de cessionaris houder is van een vergunning met betrekking tot de goederen in kwestie;
8) het bestaan van één van de situaties bedoeld in artikel 204, lid 1, onder a of b, van het wetboek ten aanzien van goederen die bij het in het vrije verkeer brengen voor de in artikel 145 van het wetboek bedoelde gehele of gedeeltelijke vrijstelling van rechten bij invoer in aanmerking komen en die zich, voordat zij voor het vrije verkeer werden aangegeven, in tijdelijke opslag of onder een andere douaneregeling bevonden;
9) het niet aanvragen van een vernieuwing van de vergunning voor doorlopend verrichte actieve veredelingswerkzaamheden, indien aan de voorwaarden voor de afgifte daarvan was voldaan."
22. Artikel 860 van de toepassingsverordening bepaalt:
"De douaneautoriteiten achten een douaneschuld als te zijn ontstaan in de zin van artikel 204, lid 1, van het wetboek, tenzij de persoon die mogelijkerwijze de schuldenaar is, aantoont dat de in artikel 859 bedoelde voorwaarden zijn vervuld."
23. Artikel 899 van de toepassingsverordening schrijft voor, dat "wanneer de beschikkende douaneautoriteit na ontvangst van het in artikel 239, lid 2, van het wetboek bedoelde verzoek om terugbetaling of kwijtschelding vaststelt:
- dat de tot staving van dit verzoek aangevoerde argumenten beantwoorden aan één van de omstandigheden bedoeld in de artikelen 900 tot en met 903 en deze geen manipulatie noch kennelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende inhouden, zij de teruggave of de kwijtschelding van het bedrag van de rechten bij invoer toestaat.
Als $belanghebbende' geldt de in artikel 878, lid 1, bedoelde persoon of personen alsmede, in voorkomend geval, iedere andere die een rol heeft gespeeld bij het vervullen van de douaneformaliteiten inzake de betrokken goederen of die de voor het vervullen van deze formaliteiten noodzakelijke opdrachten heeft gegeven,
- dat de tot staving van dit verzoek aangevoerde argumenten beantwoorden aan één van de omstandigheden bedoeld in artikel 904, zij de teruggave of de kwijtschelding van het bedrag van de rechten bij invoer niet toestaat."
24. Artikel 900 van de toepassingsverordening (23), voor zover relevant, bepaalt:
"1. Tot terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer wordt overgegaan wanneer:
(...)
o) de douaneschuld op een andere wijze is ontstaan dan op basis van artikel 201 van het wetboek en de betrokkene een certificaat van oorsprong, een certificaat inzake goederenverkeer, een document inzake intern communautair douanevervoer, dan wel enig ander passend document kan overleggen, waaruit blijkt dat de ingevoerde goederen, indien zij voor het vrije verkeer waren aangegeven, voor een communautaire behandeling of een preferentiële tariefbehandeling in aanmerking hadden kunnen komen, mits aan de andere voorwaarden bedoeld in artikel 890 is voldaan."
25. Artikel 905, lid 1, van de toepassingsverordening luidt:
"Wanneer de beschikkende douaneautoriteit, die een verzoek om terugbetaling of kwijtschelding uit hoofde van artikel 239, lid 2, van het wetboek ontvangt, niet in staat is om op grond van artikel 899 te beslissen en indien de aanvraag vergezeld is van bewijsstukken waarmee het bestaan kan worden aangetoond van een bijzondere situatie die het gevolg is van omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende inhouden, legt de lidstaat waaronder deze autoriteit ressorteert het geval voor aan de Commissie ter behandeling overeenkomstig de procedure bedoeld in de artikelen 906 tot en met 909.
De uitdrukking $belanghebbende' dient te worden opgevat in dezelfde betekenis als in artikel 899.
In alle andere gevallen wijst de beschikkende douaneautoriteit het verzoek af."
De eerste vraag
26. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 859 van de toepassingsverordening op geldige wijze een uitputtende regeling tot stand heeft gebracht inzake de verzuimen in de zin van artikel 204, lid 1, sub a, van het douanewetboek, die "zonder werkelijke gevolgen zijn gebleven voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of de betrokken douaneregeling".
27. Blijkens de verwijzingsbeschikking heeft de nationale rechterlijke instantie deze vraag gesteld wegens de bedenkingen in de Duitse rechtleer inzake de geldigheid van het uitputtend karakter dat artikel 860 aan artikel 859 verleent. Deze bedenkingen vloeien voort uit de opvatting, dat het douanewetboek geen bevoegdheid verleent om uitputtende regels vast te stellen betreffende de omstandigheden waarin de verzuimen worden geacht zonder werkelijke gevolgen te zijn gebleven voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of de betrokken douaneregeling. De nationale rechterlijke instantie, verzoekster en de Duitse regering delen die twijfels, en voeren een aantal argumenten aan tot staving van hun zienswijze.
28. Deze argumenten zijn in wezen gebaseerd op de opvatting, dat artikel 859 de grenzen van de in artikel 204 neergelegde afwijking wijzigt: terwijl artikel 204 enkel bepaalt dat een douaneschuld in de in lid 1, sub a, omschreven omstandigheden(24) niet ontstaat indien de verzuimen zonder werkelijke gevolgen zijn gebleven voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of de betrokken douaneregeling, bevat artikel 859 drie cumulatieve voorwaarden voor toepassing van de afwijking (met name dat de verzuimen geen poging tot onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht en geen duidelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende inhouden, en dat alle formaliteiten voor het regulariseren van de situatie van de goederen alsnog worden vervuld), en geeft het een uitputtende opsomming (zie artikel 860) van negen specifieke vormen van verzuim die worden beschouwd als zijnde zonder werkelijke gevolgen in de zin van artikel 204, lid 1. Gesteld wordt, dat artikel 859 derhalve verder gaat dan nodig en rechtmatig was voor de toepassing van artikel 204, lid 1, aangezien de draagwijdte van een afwijking die aanvankelijk in algemene bewoordingen was gesteld, tot specifieke omstandigheden wordt beperkt.
29. Verzoekster stelt bovendien, dat artikel 249 van het douanewetboek enkel de procedure voor de vaststelling van toepassingsbepalingen regelt, maar daartoe geen bevoegdheid verleent. De Duitse regering voegt daaraan toe, dat indien de Raad artikel 249 had bedoeld als grondslag voor de bevoegdheid voor het vaststellen van toepassingsbepalingen, verschillende specifieke bepalingen in het douanewetboek waarbij aan de Commissie de bevoegdheid voor de vaststelling van toepassingsbepalingen wordt verleend (bijvoorbeeld de artikelen 19, 30, lid 3, 34, 35, lid 3, 36, lid 2, 76, lid 1, en 94, leden 2 en 3), overbodig zouden zijn.
30. De nationale rechter en verzoekster concluderen, dat alleen de Raad een bepaling als artikel 859 had kunnen vaststellen, en dat die bepaling in het douanewetboek had moeten staan. De Duitse regering is van mening, dat de Raad, indien hij de Commissie de bevoegdheid had willen verlenen om regels vast te stellen zoals die van artikel 859, de Commissie in een uitdrukkelijke bepaling de bevoegdheid zou hebben verleend om de afwijkingen van artikel 204, lid 1, op uitputtende wijze vast te stellen.
31. Deze argumenten zijn interessant, maar moeten worden bekeken tegen de achtergrond van een aantal andere overwegingen.
32. In de eerste plaats is artikel 249 zeer algemeen geformuleerd. Volgens de bewoordingen van dit artikel beoogt het de Commissie de bevoegdheid te verlenen om "de bepalingen die noodzakelijk zijn voor de toepassing" van het douanewetboek (met uitzondering van titel VIII betreffende beroepen) volgens de voorgeschreven procedure vast te stellen, in nauwe samenwerking met het bij artikel 247 opgerichte Comité douanewetboek. Dat het de bedoeling was ruime uitvoerende bevoegdheden te verlenen, wordt bevestigd door de considerans van het douanewetboek, waarin is overwogen:
"dat het van belang is een eenvormige toepassing van dit wetboek te waarborgen; dat te dien einde moet worden voorzien in een communautaire procedure die het mogelijk maakt te zijner tijd de toepassingsbepalingen van dit wetboek vast te stellen; dat het nodig is een Comité douanewetboek in te stellen teneinde op dit gebied een nauwe en doeltreffende samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie mogelijk te maken".(25)
33. In die overweging wordt het streven naar een grote eenvormigheid bij de toepassing van het douanewetboek onderstreept. Die eenvormigheid kan als bijzonder belangrijk worden aangemerkt op het gebied van het douanerecht, dat een van de hoekstenen van de Gemeenschap is en een administratief optreden van de nationale douaneautoriteiten en grote zorgvuldigheid bij deze procedures tot toepassing vereist. Het is uiteraard absoluut noodzakelijk dat de wettelijke regeling inzake de douanestatus van goederen die het douanegebied van de Gemeenschap aan eender welke grens binnenkomen, op eenvormige wijze in alle lidstaten wordt toegepast.
34. Bovendien heeft het Hof de uitvoerende bevoegdheden van de Commissie in soortgelijke zaken ruim opgevat. In de zaak Zuckerfabrik Franken(26) bijvoorbeeld, die betrekking had op de bevoegdheid van de Commissie om toepassingsbepalingen vast te stellen die een niet in de basisverordening voorkomende definitie van een wezenlijk proces bevatten, verklaarde het Hof, dat een regeling volgens welke de Raad de algemene voorschriften voor de toepassing dient vast te stellen, terwijl de Commissie volgens een comité-procedure de uitvoeringsbepalingen vaststelt "aldus [moet] worden opgevat, dat de Commissie bevoegd is om alle maatregelen te treffen die nodig of doelmatig zijn voor de uitvoering van de basisverordening, voor zover zij niet in strijd zijn met de basisverordening of de toepassingsvoorschriften van de Raad".(27)
Het Hof heeft dit beginsel bevestigd in de arresten Nederland/Commissie(28) en België en Duitsland/Commissie.(29) Hoewel deze drie zaken betrekking hadden op verordeningen op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, is het daarin neergelegde beginsel mijns inziens ook van toepassing op het gebied van het douanerecht.
35. Zoals de Commissie opmerkt, hield de Raad in artikel 204 van het douanewetboek niet de bevoegdheid aan zich om op uitputtende wijze de verschillende soorten verzuim vast te stellen, maar liet zij het aan de Commissie over om uit te maken of, en zo ja, in hoeverre, het redelijk en noodzakelijk was om andere bepalingen vast te stellen. Uit het enkele feit dat de "tenzij-regel" van artikel 204 in algemene bewoordingen is gesteld, kan niet worden afgeleid dat de Commissie geen specifiekere voorschriften kon vaststellen. Integendeel, wegens de behoefte aan rechtszekerheid en eenvormige uitlegging is mijns inziens het tegenovergestelde waar, en de algemene bewoordingen van de bepaling moeten worden opgevat als een mogelijkheid voor de Commissie om in die zin te handelen.(30) Ik ben het derhalve met de Commissie eens, dat het niet alleen redelijk, maar zelfs noodzakelijk was om de nationale douaneautoriteiten een eenvormig communautair kader te bieden door de uitwerking van een uitputtend stelsel.
36. Deze zienswijze wordt bovendien bevestigd door de considerans van het douanewetboek. Naast de zevende overweging, reeds aangehaald, heet het daarin, "dat bij het vaststellen van de uitvoeringsmaatregelen van dit wetboek zoveel mogelijk moet worden gelet op de voorkoming van fraude en onregelmatigheden die nadelig kunnen zijn voor de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen".(31) Ik deel de zienswijze van de Commissie, dat dit streven de vaststelling vereist van een uitputtende communautaire regeling inzake de uitzonderingen, zodat de douaneautoriteiten in douanekantoren overal in de Gemeenschap duidelijke instructies kunnen geven.
37. Het argument dat de verschillende specifieke uitvoeringsbevoegdheden die her en der in het douanewetboek verspreid zijn, overbodig zouden zijn indien artikel 249 wordt geacht een algemene uitvoerende bevoegdheid toe te kennen, moet logischerwijze tot de conclusie leiden dat geen van de 253 artikelen van het douanewetboek, met uitzondering van de enkele specifieke bepalingen die door de Duitse regering worden genoemd, op rechtmatige wijze ten uitvoer kan worden gelegd, zodat de grote meerderheid van de 915 artikelen van de toepassingsverordening onwettig is. Deze stelling is kennelijk onhoudbaar. Niets in het douanewetboek wijst erop, dat enkel wanneer een bepaling uitdrukkelijk in de vaststelling van uitvoeringsbepalingen voorziet, gedelegeerde wetgeving kon worden vastgesteld via de comité-procedure van artikel 249. Deze bepalingen betroffen eerder gevallen waarin dergelijke wetgeving bijzonder wenselijk, of in sommige gevallen, noodzakelijk werd geacht. Daaruit volgt uiteraard niet, dat toepassingsbepalingen in alle andere gevallen uitgesloten waren.
38. Bovendien wijst niets in artikel 249 erop, dat de draagwijdte van dit artikel beperkt is in de door verzoekster voorgestane zin. Dit artikel bevat niet enkel de procedure die moet worden gevolgd wanneer elders in het douanewetboek in specifieke uitvoerende bevoegdheden is voorzien, maar verwijst in het algemeen naar "de bepalingen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van dit wetboek" en zet de procedure uiteen die voor al die bepalingen moet worden gevolgd.
39. Met betrekking tot de eerste vraag wil ik ten slotte nog wijzen op een opmerking die de Commissie zowel schriftelijk als ter terechtzitting heeft gemaakt, aangaande het belang van het vereiste dat toepassingsbepalingen door de Commissie moeten worden vastgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 249, leden 2 en 3. Die procedure vereist een nauwe samenwerking met het Comité douanewetboek, dat is opgericht bij artikel 247, bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten en wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie. Volgens artikel 249 moet de Commissie het comité een ontwerp voorleggen van de te nemen maatregelen. Het Comité moet over dit ontwerp een advies uitbrengen dat wordt uitgesproken met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen in de zin van artikel 148, lid 2, EG-Verdrag; de voorzitter neemt niet aan de stemming deel. De Commissie kan de maatregelen dan enkel vaststellen wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het comité; zoniet dient de Commissie een voorstel in te dienen bij de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen dient te beslissen. Zoals de Commissie opmerkt, betekent dit dat de lidstaten een aantal keuzemogelijkheden hadden bij de voorbereiding van de toepassingsverordening: zij hadden de voorgestelde verordening kunnen blokkeren en, met dezelfde (gekwalificeerde) meerderheid binnen de Raad, deze verordening door een andere verordening kunnen vervangen of in het douanewetboek een uitputtende lijst van uitzonderingen kunnen opnemen, die thans in de artikelen 859 en 860 is neergelegd. Hoewel het vereiste dat toepassingsbepalingen door de Commissie moeten worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 249, leden 2 en 3, uiteraard niet onmiddellijk relevant is voor het probleem van de bevoegdheidsverdeling tussen de Raad en de Commissie, draagt de procedure er in belangrijke mate toe bij, dat de bescherming van de belangen van de lidstaten wordt verzekerd.
40. Mijns inziens dient het antwoord op de eerste vraag van de nationale rechter dus te luiden, dat artikel 859 van de toepassingsverordening een regelmatig tot stand gekomen uitputtende regeling behelst inzake de verzuimen in de zin van artikel 204, lid 1, van het douanewetboek, die "zonder werkelijke gevolgen zijn gebleven voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of de betrokken douaneregeling".
De tweede vraag
41. De tweede vraag van de nationale rechterlijke instantie rijst indien de eerste vraag - zoals ik heb voorgesteld - bevestigend wordt beantwoord, met name indien wordt uitgegaan van de geldigheid van artikel 859. De tweede vraag bestaat uit twee onderdelen.
Vraag 2, sub a
42. Het eerste onderdeel betreft de vraag of, wanneer tijdig is verzocht om een verlenging van de termijn overeenkomstig artikel 859, punt 1, en dit verzoek door de douane bij definitief geworden beschikking is afgewezen, de nationale rechter zelfstandig de criteria voor de toekenning van zulk een verlenging mag onderzoeken.
43. Artikel 859, punt 1, bepaalt, dat mits aan drie voorwaarden is voldaan(32), het overschrijden van de termijnen binnen welke de goederen een douanebestemming moeten hebben gevolgd, wordt beschouwd als zijnde zonder werkelijke gevolgen voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of van de betrokken douaneregeling in de zin van artikel 204, lid 1, van het douanewetboek, wanneer de termijn zou zijn verlengd indien tijdig daarom was verzocht.
44. Mijns inziens blijkt duidelijk uit de bewoordingen van artikel 859, punt 1, dat deze bepaling moet worden toegepast wanneer geen verzoek om verlenging van de termijn krachtens artikel 49 van het douanewetboek is ingediend, maar de nationale rechter ervan overtuigd is dat de termijn zou zijn verlengd indien om verlenging was verzocht. Zoals het Verenigd Koninkrijk opmerkt, dringt deze uitlegging zich bovendien op wegens de beginselen van rechtszekerheid en goede rechtsbedeling, omdat de marktdeelnemers anders, in het kader van de betwisting van een douaneschuld, zouden kunnen opkomen tegen de weigering om de termijn krachtens artikel 49 van het douanewetboek te verlengen, zelfs indien tegen de weigering zelf niet langer beroep openstaat. Daardoor zouden alle door de douaneautoriteiten genomen beschikkingen tot weigering van verlenging van de termijn overeenkomstig artikel 49, onzeker worden.
45. Mijn conclusie luidt derhalve, dat indien tijdig om verlenging van de termijn overeenkomstig artikel 859, punt 1, is verzocht en dit verzoek door de douane bij definitief geworden beschikking is afgewezen, de nationale rechter niet zelfstandig mag onderzoeken of is voldaan aan de voorwaarden voor verlenging.
Vraag 2, sub b
46. Met het tweede onderdeel van de tweede vraag, dat eveneens enkel rijst indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord (en artikel 859 geldig wordt geacht), vraagt de nationale rechter of het verzoek om verlenging van de termijn niet alleen specifiek te vermelden aangiften behoeft te betreffen, maar ook in het algemeen kan worden gedaan voor alle aangiften in een bepaalde periode (in casu van verschillende maanden), waarbij ter rechtvaardiging wordt verwezen naar in de loop van die periode bestaande bijzondere problemen binnen de onderneming (bijvoorbeeld ziekte of afwezigheid van medewerkers, nog niet ingewerkte nieuwe medewerkers, problemen bij de informatisering van gegevens), zonder dat sprake is van duidelijke nalatigheid in de zin van artikel 859, tweede streepje, van de toepassingsverordening.
47. De vraag heeft dus betrekking op de uitlegging van artikel 49 van het douanewetboek, en inzonderheid het soort omstandigheden die een verlenging kunnen rechtvaardigen van de termijn voor het vervullen van de formaliteiten om goederen waarvoor een summiere aangifte is gedaan, een douanebestemming te geven. De douaneautoriteiten kunnen uit hoofde van artikel 49, lid 2, de termijn van twintig dagen vanaf de datum van indiening van de summiere aangifte verlengen wanneer de omstandigheden zulks rechtvaardigen, mits de verlenging de "door de omstandigheden gerechtvaardigde werkelijke behoefte niet overschrijdt".(33) Bovendien wenst de nationale rechterlijke instantie te vernemen, of voor elke aangifte afzonderlijk een verzoek moet worden gedaan, dan wel of het volstaat om voor verschillende summiere aangiften één verzoek om verlenging in te dienen.
48. Zoals de nationale rechter en de Commissie hebben opgemerkt, is artikel 49, lid 2, in de plaats gekomen van artikel 7 van richtlijn 68/312/EEG van de Raad van 30 juli 1968 inzake de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen met betrekking tot: 1. het aanbrengen bij de douane van goederen die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen, 2. de voorlopige opslag van deze goederen.(34) Volgens die bepaling kon de overeenstemmende termijn worden verlengd "wanneer bijzondere omstandigheden zulks rechtvaardigen". Het woord "bijzondere" is weggelaten toen richtlijn 68/312 is vervangen door verordening (EEG) nr. 4151/88 van de Raad van 21 december 1988 tot vaststelling van de bepalingen die van toepassing zijn op goederen die het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht.(35) Dit wijst erop, dat de rechtvaardiging voor een verlenging van de termijn niet langer beperkt is tot bijzondere omstandigheden alleen.
49. Doch zoals ook de nationale rechter en de Commissie hebben opgemerkt, doen de strekking en het doel van de wettelijke regeling alsmede de plaats ervan in het stelsel van de douanerechten vermoeden, dat meer dan gewone omstandigheden nodig zijn ter rechtvaardiging van een verlenging van de termijn. De bedoeling van de communautaire wetgever met de invoering van het stelsel van de tijdelijke opslag was, voor niet-communautaire goederen die bij de douane worden aangebracht en waarvoor een summiere aangifte wordt gedaan, een beperkte overgangsperiode in het leven te roepen tot die goederen binnen een strikte tijdslimiet een douanebestemming krijgen. De bepalingen betreffende termijnverlengingen beogen niet de mogelijkheid te scheppen om de tijdelijke opslag stelselmatig te verlengen en aldus in de praktijk om te vormen tot een douane-entrepot. Het douane-entrepot is zelf een specifieke en afzonderlijke douaneregeling waarvoor de goedkeuring en het toezicht van de douaneautoriteiten vereist is.
50. Mijn conclusie luidt derhalve, dat de termijn van artikel 49, lid 1, enkel kan worden verlengd wanneer er specifieke en bijzondere omstandigheden zijn die op zichzelf de verlenging en de duur ervan rechtvaardigen. Ik gebruik het woord "bijzondere" in dit kader in zijn letterlijke betekenis van "buitengewoon". Hoewel omstandigheden die eigen zijn aan een onderneming een verlenging kunnen rechtvaardigen, indien zij bijzonder zijn in die zin, is er in casu geen sprake van dergelijke omstandigheden. Met het soort omstandigheden als in de prejudiciële vraag genoemd, worden ondernemers dagelijks geconfronteerd, zij maken deel uit van het dagelijkse reilen en zeilen en het is aan hen om daar een ad hoc oplossing voor te vinden.
51. De nationale rechter vraagt voorts, of een verzoek om verlenging van de termijn een reeks aangiften mag betreffen, dan wel of voor elke aangifte een afzonderlijk verzoek moet worden ingediend. Gesteld dat de ter rechtvaardiging van een verlenging aangevoerde omstandigheden gelden voor alle betrokken aangiften, zodat voor elke aangifte redelijkerwijze kan worden verzocht om verlenging van de termijn, kan mijns inziens één verzoek worden ingediend voor verschillende aangiften. Dit kan het geval zijn indien bij voorbeeld binnen een korte periode verschillende aangiften zijn gedaan - of moeten worden gedaan - en de voor het verzoek aangevoerde redenen op die periode betrekking hebben. Ik wil evenwel benadrukken, dat de specifieke en bijzondere omstandigheden op grond waarvan om verlenging wordt verzocht, in elk verzoek om verlenging moeten worden uiteengezet. Zoals verweerder opmerkt, kunnen de douaneautoriteiten zonder een gemotiveerd verzoek om verlenging van de termijn niet bepalen welke "de door de omstandigheden gerechtvaardigde werkelijke behoefte" is. Ook de bewoordingen van artikel 859, punt 1, wijzen duidelijk in de richting van een verzoek om verlenging, evenals punt 15 van bijlage A.2 bij de Internationale Overeenkomst inzake de vereenvoudiging en de harmonisatie van douaneprocedures(36), waarbij de Gemeenschap partij is en die zij in acht dient te nemen. Het staat aan de nationale rechter om te bepalen welke omstandigheden een verlenging kunnen rechtvaardigen en hoe het bewijs van deze omstandigheden kan worden geleverd.
52. De bijkomende vraag of er in casu sprake is van duidelijke nalatigheid is derhalve niet langer relevant, aangezien er mijns inziens in dit geval geen bijzondere omstandigheden waren die een verlenging van de termijn konden rechtvaardigen. Ik zal op het probleem van de nalatigheid verder ingaan in het kader van de laatste vraag van de nationale rechter.(37)
53. Op het tweede deel van de tweede vraag van de nationale rechter moet mijns inziens dus worden geantwoord, dat (i) de in artikel 49, lid 1, bedoelde termijn enkel kan worden verlengd wanneer er specifieke en bijzondere omstandigheden zijn die op zichzelf de verlenging en de duur daarvan rechtvaardigen, en (ii) een verzoek om verlenging van de termijn verschillende aangiften binnen een bepaalde periode mag betreffen, mits de aangevoerde specifieke en bijzondere omstandigheden voor alle betrokken aangiften gelden.
De derde vraag
54. Met de derde vraag, die enkel rijst indien de eerste vraag - anders dan ik voorstel - ontkennend wordt beantwoord (en artikel 859 als ongeldig wordt aangemerkt), wenst de nationale rechter te vernemen, of de herhaalde verzuimen om de goederen binnen twintig dagen een douanebestemming te geven, moeten worden aangemerkt als verzuimen "waarvan vaststaat dat zij zonder werkelijke gevolgen zijn gebleven voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of de betrokken douaneregeling", wanneer de betrokken goederen na het verstrijken van de termijn van twintig dagen een douanebestemming hebben gekregen en een verlenging van de termijn overeenkomstig artikel 49, lid 2, niet gerechtvaardigd was geweest. Blijkens de verwijzingsbeschikking meent de nationale rechter, dat zelfs indien afzonderlijke gevallen van dit soort verzuim zonder werkelijke gevolgen in de zin van artikel 204, lid 1, zouden worden aangemerkt, de in die bepaling neergelegde uitzondering niet kan gelden indien de termijnen in de loop van een jaar in een groot aantal gevallen zijn overschreden.
55. Aangezien deze vraag niet rijst indien de eerste vraag, zoals ik voorstel, bevestigend wordt beantwoord, zal ik slechts kort daarop ingaan.
56. Duidelijk is, dat frequente verzuimen om aan goederen in tijdelijke opslag een douanebestemming te geven, werkelijke gevolgen zullen hebben voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of de betrokken douaneregeling. Zoals hierboven reeds gezegd, heeft dit tot gevolg dat de tijdelijke opslag als een alternatief voor het douane-entrepot wordt gebruikt, zonder de goedkeuring of het toezicht die volgens de wetgeving voor dat gebruik vereist zijn. Volgens artikel 204, lid 1, ontstaat in dergelijke omstandigheden een douaneschuld. De "tenzij-regel" strekt ertoe, een aldus ontstane schuld kwijt te schelden in geval van een formele overtreding die kan worden rechtgezet. Een geval als het onderhavige, waarin geen verlenging zou zijn verleend, staat evenwel los van een formele overtreding die kan worden rechtgezet.
De vierde vraag
57. De vierde vraag rijst indien vraag 2b of vraag 3 ontkennend wordt beantwoord. Ik heb voorgesteld, vraag 3 en een deel van vraag 2b ontkennend te beantwoorden. De nationale rechter wenst te vernemen, of artikel 900, lid 1, sub o, van de toepassingsverordening, betreffende de terugbetaling van rechten indien de goederen voor een communautaire behandeling of een preferentiële tariefbehandeling in aanmerking hadden kunnen komen, ook van toepassing is indien de goederen voor andere vormen van preferentiële tariefbehandeling in aanmerking hadden kunnen komen.
58. Deze vraag betreft verzoeksters subsidiaire vordering krachtens artikel 239 van het douanewetboek tot terugbetaling van de geïnde rechten. Volgens artikel 239 kunnen rechten worden terugbetaald of kwijtgescholden in gevallen welke het gevolg zijn van "omstandigheden die van de zijde van de belanghebbende geen frauduleuze handeling noch klaarblijkelijke nalatigheid inhouden". De gevallen waarin artikel 239 van toepassing is, moeten overeenkomstig de comité-procedure en derhalve volgens de toepassingsverordening worden bepaald. Artikel 900 van die verordening noemt een reeks gevallen waarin tot terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer wordt overgegaan, onder meer, in lid 1, sub o, wanneer de douaneschuld op een andere wijze is ontstaan dan op basis van artikel 201 van het douanewetboek en de betrokkene een certificaat van oorsprong, een certificaat inzake goederenverkeer, een document inzake intern communautair douanevervoer, dan wel enig ander passend document kan overleggen, waaruit blijkt dat de ingevoerde goederen, indien zij voor het vrije verkeer waren aangegeven, voor een communautaire behandeling of een preferentiële tariefbehandeling in aanmerking hadden kunnen komen, mits aan de andere voorwaarden van artikel 890 was voldaan.
59. Volgens artikel 201 van het douanewetboek ontstaat een douaneschuld bij invoer wanneer goederen in het vrije verkeer worden gebracht of onder de regeling tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van de rechten bij invoer worden geplaatst. De regeling tijdelijke invoer verschilt van de tijdelijke opslag: het gaat hier om een douaneregeling. Artikel 890 van de toepassingsverordening stelt de volgende voorwaarden: het overgelegde document heeft uitsluitend betrekking op de desbetreffende goederen, alle voorwaarden voor de aanvaarding van dit document zijn vervuld, en aan alle overige voorwaarden voor het verlenen van de preferentiële tariefbehandeling is voldaan.
60. Blijkens de verwijzingsbeschikking heeft de nationale rechter deze vraag voorgelegd omdat verzoekster had aangevoerd dat artikel 900, lid 1, sub o, ook geldt voor goederen die voor andere vormen van preferentiële tariefbehandeling in aanmerking komen, zoals volledige of gedeeltelijke vrijstelling van rechten bij invoer voor na passieve veredeling opnieuw ingevoerde goederen of voor na herstelling terugkerende goederen.
61. Artikel 900, lid 1, sub o, is in de toepassingsverordening ingevoegd bij verordening nr. 3254/94.(38) In de considerans van die verordening is overwogen:
"dat artikel 890 van verordening (EEG) nr. 2454/93 voorziet in de terugbetaling of de kwijtschelding van de rechten bij de invoer van goederen die voor een communautaire behandeling of een preferentiële tariefbehandeling in aanmerking kunnen komen ingeval de douaneschuld door het in het vrije verkeer brengen is ontstaan;
(...) dat er eveneens gevallen bestaan waarin een douaneschuld op een andere wijze dan door het in het vrije verkeer brengen ontstaat en waarvoor de importeur een document kan overleggen op grond waarvan hij voor een dergelijke preferentiële behandeling in aanmerking zou kunnen komen; dat, wanneer er geen sprake is van duidelijke nalatigheid of manipulatie, de verplichting om in deze gevallen de douanerechten te betalen niet evenredig lijkt met de beschermingsfunctie die door het gemeenschappelijk douanetarief is ingesteld".(39)
62. Uit de bewoordingen van de regeling blijkt duidelijk, dat artikel 900, lid 1, sub o, enkel van toepassing is wanneer kan worden aangetoond, dat de goederen, indien zij in het vrije verkeer waren gebracht, voor een communautaire behandeling of een preferentiële tariefbehandeling in aanmerking hadden kunnen komen. Dat de goederen bij het in het vrije verkeer brengen andere verminderingen of vrijstellingen van rechten hadden kunnen genieten, zoals de door verzoekster bedoelde, betekent niet dat dit geval onder de werkingssfeer van artikel 900, lid 1, sub o, valt. Verzoeksters argument kan bijgevolg niet slagen.
63. Ik ben derhalve van mening, dat artikel 900, lid 1, sub o, van de toepassingsverordening niet van toepassing is wanneer de goederen voor andere dan de uitdrukkelijk in die bepaling vermelde vormen van preferentiële tariefbehandeling in aanmerking hadden kunnen komen.
De vijfde vraag
64. De vijfde vraag van de nationale rechter is gesteld voor het geval dat de vierde vraag, zoals ik heb voorgesteld, ontkennend wordt beantwoord, en artikel 900, lid 1, sub o - de enige basis voor verzoeksters vordering tot terugbetaling -, dus niet op verzoeksters geval van toepassing is. De nationale rechter wenst in wezen te vernemen, of de douaneautoriteiten en de rechterlijke instanties in dergelijke omstandigheden ambtshalve dienen te onderzoeken of er andere gronden voor terugbetaling bestaan.
65. Zoals de Commissie opmerkt, blijkt duidelijk uit het arrest SEIM(40) van het Hof - betreffende de bepaling die voorafging aan artikel 239, lid 1, [artikel 13 van verordening (EEG) nr. 1430/79(41)], dat de communautaire bepalingen de douaneautoriteiten - en, bij uitbreiding, de nationale rechterlijke instanties - niet beletten om zich in alle gevallen ervan te vergewissen dat de in een verzoek om kwijtschelding of terugbetaling uiteengezette omstandigheden niet onder een andere bepaling vallen, maar zij evenmin een verplichting in die zin behelzen.(42) Het bestaan en de draagwijdte van een verplichting om na te gaan of er andere dan de uitdrukkelijk aangevoerde gronden voor terugbetaling bestaan, zijn een zaak van nationaal recht.
66. Ik ben derhalve van mening, dat de douaneautoriteiten en de rechterlijke instanties in geval van een verzoek om terugbetaling niet ambtshalve alle mogelijke gronden voor terugbetaling dienen te onderzoeken.
De zesde vraag
67. Met de zesde vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of, indien aan de in artikel 900, lid 1, sub o, van de toepassingsverordening bedoelde voorwaarden voor terugbetaling is voldaan, in beginsel ervan kan worden uitgegaan, dat de belanghebbende geen manipulatie of kennelijke nalatigheid kan worden verweten.
68. Artikel 899 van de toepassingsverordening schrijft voor, dat "wanneer de beschikkende douaneautoriteit na ontvangst van het in artikel 239, lid 2, van het douanewetboek bedoelde verzoek om terugbetaling (...) vaststelt, dat de tot staving van dit verzoek aangevoerde argumenten beantwoorden aan één van de omstandigheden bedoeld in de artikelen 900 tot en met 903 en deze geen manipulatie noch kennelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende inhouden, zij de teruggave (...) van het bedrag van de rechten bij invoer toestaat". Volgens verzoekster is aan de voorwaarde inzake afwezigheid van manipulatie of kennelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende in beginsel voldaan in gevallen die onder artikel 900 vallen, met inbegrip van de gevallen die onder artikel 900, lid 1, sub o, vallen, hetgeen (haars inziens) in casu het geval is.
69. Zoals de Commissie en verweerder evenwel opmerken, is een dergelijke uitlegging klaarblijkelijk in strijd met de bewoordingen van de wettelijke regeling. Uit de bewoordingen van artikel 899 blijkt duidelijk, en dit wordt bevestigd door de considerans van verordening nr. 3254/94(43) waarbij artikel 900, lid 1, sub o, in de toepassingsverordening is ingevoegd(44), dat er twee cumulatieve voorwaarden zijn voor terugbetaling of kwijtschelding krachtens artikel 239 van het douanewetboek: er moet sprake zijn van één van de omstandigheden bedoeld in de artikelen 900 tot en met 903, en deze omstandigheden mogen niet te wijten zijn aan manipulatie of kennelijke nalatigheid van de belanghebbende. Ik wil hieraan toevoegen, dat deze uitlegging op ondubbelzinnige wijze wordt bevestigd door de Franse en de Duitse versie van artikel 899.
70. Ik concludeer derhalve, dat indien aan de in artikel 900, lid 1, sub o, van de toepassingsverordening bedoelde voorwaarden voor terugbetaling is voldaan, niet ervan kan worden uitgegaan, dat de belanghebbende geen manipulatie of kennelijke nalatigheid kan worden verweten.
De zevende vraag
71. De zevende vraag van de nationale rechter is gesteld voor het geval dat de zesde en/of de vierde vraag ontkennend worden beantwoord, zoals ik voor beide vragen voorstel. De nationale rechter verzoekt om uitlegging van het begrip "klaarblijkelijke nalatigheid" in artikel 239, lid 1, van het douanewetboek. Hij wenst met name te vernemen, of kan worden gesteld dat geen sprake is van "klaarblijkelijke nalatigheid" wanneer douaneschulden bij invoer in de zin van artikel 204, lid 1, sub a, zijn ontstaan doordat over een periode van verschillende maanden wegens de in het tweede deel van de tweede vraag bij wege van voorbeeld opgesomde omstandigheden, de termijn van artikel 49, lid 1, van het douanewetboek niet is nageleefd en ook geen gronden voor verlenging van de termijn aanwezig waren, zodat ook sprake was van een duidelijke nalatigheid in de zin van artikel 859, tweede streepje, van de toepassingsverordening.
72. Blijkens de verwijzingsbeschikking heeft de nationale rechter deze vraag gesteld wegens kleine terminologische variaties in het begrip nalatigheid in de bepalingen betreffende terugbetaling en kwijtschelding van douanerechten (artikel 239 van het douanewetboek en artikelen 899 en 905 van de toepassingsverordening). In de Engelse en de Franse versie van het douanewetboek en de toepassingsverordening worden in al die bepalingen steeds dezelfde termen gebruikt, met name "obvious negligence" en "négligence manifeste", maar in de Duitse versie worden enigszins verschillende termen gebruikt: in de artikelen 239, 899 en 905 is sprake van "offensichtliche Fahrlässigkeit" (klaarblijkelijke/kennelijke nalatigheid), terwijl artikel 859 het heeft over "große Fahrlässigkeit" (ernstige nalatigheid). In artikel 212 bis, dat de omstandigheden waarin vrijstelling van douanerechten mogelijk is, uitbreidt door te bepalen dat de vrijstelling van toepassing is wanneer er, onder meer, geen sprake is van "frauduleus handelen of van manifeste nalatigheid", wordt in het Engels "fraudulent dealing nor manifest negligence" gebruikt, in het Frans opnieuw "négligence manifeste", en in het Duits weer een andere term, "offenkundige Fahrlässigkeit" (manifeste nalatigheid). Deze verschillen tussen de Engelse en de Duitse terminologie deden bij de nationale rechter de vraag rijzen, of een douaneschuld die ontstaat wegens duidelijke nalatigheid in de zin van artikel 859, niettemin voor terugbetaling of kwijtschelding in aanmerking komt.
73. In haar schriftelijke opmerkingen heeft de Commissie een exhaustief overzicht gegeven van alle taalversies van de wettelijke regeling, waaruit als belangrijkste conclusie kan worden getrokken, dat de terminologie niet coherent is. Zoals ik hierboven heb gezegd, wordt in het Frans dezelfde term gebruikt in de vijf betrokken bepalingen; dit geldt ook voor de Deense, de Italiaanse, de Portugese en de Spaanse versie. In de Engelse versie worden twee termen gebruikt, in de Finse en de Griekse drie (maar niet op dezelfde plaatsen), terwijl de Nederlandse en de Zweedse versie alle records breken met vier termen (evenmin op dezelfde plaatsen). De enige redelijke conclusie is mijns inziens dan ook, dat de wetgever met de verschillende termen geen verschil in betekenis wilde uitdrukken. De verschillende termen op een verschillende manier uitleggen zou wegens het willekeurige gebruik van de termen in de verschillende taalversies, ernstig afbreuk doen aan de eenvormige toepassing van de wettelijke regeling.
74. Hieraan zij evenwel toegevoegd, dat zoals de Commissie stelt, de wetgever met de gebruikte term(en) iets anders bedoelde dan "ernstige nalatigheid", "serious negligence" of "néglicence grave", de term die in wettelijke regelingen van eerdere datum is gebruikt (en gedefinieerd): deze term is gebruikt in de artikelen 4 bis, 6 bis en 11 bis van verordening nr. 1430/79(45), en is gedefinieerd in artikel 2 van verordening (EEG) nr. 3799/86.(46) Hoewel in de Duitse versie van artikel 859 van de toepassingsverordening "grobe Fahrlässigkeit" is gebruikt, is in alle toenmalige officiële taalversies van verordening nr. 3799/86 (Deens, Nederlands, Grieks, Italiaans, Portugees en Spaans) een andere - en kennelijk sterkere - term gebruikt dan in de op dat ogenblik geldende wettelijke regeling.
75. Artikel 2, sub b, van verordening nr. 3799/86 luidde als volgt:
"aangenomen wordt, dat er sprake is van $ernstige nalatigheid van de zijde van de betrokkene' wanneer deze niet de procedurevoorschriften in acht heeft genomen welke in beginsel moeten worden nageleefd om de toekenning van de terugbetaling of de kwijtschelding te verkrijgen, hoewel hij van hun bestaan niet onkundig kon zijn.
Er is met name sprake van een $ernstige nalatigheid van de zijde van de betrokkene':
- wanneer iemand die niet het beroep van douane-expediteur uitoefent niet de procedurevoorschriften in acht heeft genomen welke in principe moeten worden nageleefd om de toekenning van de terugbetaling of van de kwijtschelding te verkrijgen, terwijl hij zich reeds eerder in een soortgelijke situatie heeft bevonden en hij bijgevolg op de hoogte was van de voor het verkrijgen van deze terugbetaling of kwijtschelding in aanmerking te nemen voorgeschreven stappen;
- wanneer iemand die het beroep van douane-expediteur uitoefent, en die de persoon vertegenwoordigt namens wie om terugbetaling of kwijtschelding wordt verzocht, de hem door deze persoon gegeven opdracht om bij de douaneautoriteiten de ter zake voorgeschreven stappen te ondernemen teneinde deze terugbetaling of kwijtschelding te verkrijgen, niet heeft uitgevoerd."
76. Het vroegere criterium voor ernstige nalatigheid hield derhalve in, dat de betrokkene "niet onkundig kon zijn van het bestaan" van de procedurevoorschriften die in beginsel moesten worden nageleefd om de toekenning van de terugbetaling of de kwijtschelding te verkrijgen. In het Engels, het Frans en het Duits heette het respectievelijk "must have been aware of", "ne pouvait ignorer", en "Kenntnis haben mußte". Bij gebreke van een specifieke definitie van het huidige criterium "klaarblijkelijke nalatigheid" in het kader van het douanewetboek, meen ik dat aan dat criterium is voldaan indien de betrokkene niet onkundig kon zijn van die voorschriften, in die zin dat een redelijk persoon in zijn bedrijfsactiviteit en in dezelfde omstandigheden daarvan op de hoogte zou zijn geweest. Het staat in beginsel aan de nationale rechterlijke instantie om uit te maken of een bepaalde handelwijze onder dit begrip valt, maar ik wil hieraan toevoegen dat ik mij aansluit bij de zienswijze van de Commissie, dat de in de verwijzingsbeschikking beschreven handelwijze duidelijk een klaarblijkelijke nalatigheid vormt.
Conclusie
77. Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de vragen van het Finanzgericht Bremen te beantwoorden als volgt:
"1) Artikel 859 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad ($toepassingsverordening') behelst een regelmatig tot stand gekomen uitputtende regeling inzake de verzuimen in de zin van artikel 204, lid 1, sub a, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, die $zonder werkelijke gevolgen zijn gebleven voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of de betrokken douaneregeling'.
2) Indien tijdig om verlenging van de termijn overeenkomstig artikel 859, punt 1, van de toepassingsverordening is verzocht en dit verzoek door de douane bij definitief geworden beschikking is afgewezen, mag de nationale rechter niet zelfstandig onderzoeken of is voldaan aan de voorwaarden voor verlenging.
3) i) De in artikel 49, lid 1, van het douanewetboek bedoelde termijn kan enkel worden verlengd wanneer er specifieke en bijzondere omstandigheden zijn die op zichzelf de verlenging en de duur daarvan rechtvaardigen.
ii) Een verzoek om verlenging van de termijn mag verschillende aangiften binnen een bepaalde periode betreffen, mits de aangevoerde specifieke en bijzondere omstandigheden voor alle betrokken aangiften gelden.
4) Artikel 900, lid 1, sub o, van de toepassingsverordening is niet van toepassing wanneer de goederen voor andere dan de uitdrukkelijk in die bepaling vermelde vormen van preferentiële tariefbehandeling in aanmerking hadden kunnen komen.
5) Indien overeenkomstig artikel 239, lid 1, van het douanewetboek een verzoek om terugbetaling of kwijtschelding van douanerechten is ingediend, dienen de douaneautoriteiten en de rechterlijke instanties niet ambtshalve alle mogelijke gronden voor terugbetaling te onderzoeken.
6) Indien aan de in artikel 900, lid 1, sub o, van de toepassingsverordening bedoelde voorwaarden voor terugbetaling is voldaan, kan niet ervan worden uitgegaan, dat de belanghebbende geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid kan worden verweten.
7) Er is sprake van $klaarblijkelijke nalatigheid' in de zin van artikel 239, lid 1, tweede streepje, van het douanewetboek, indien de betrokkene niet onkundig kon zijn van het bestaan van de procedurevoorschriften die in beginsel moesten worden nageleefd om de toekenning van de terugbetaling of de kwijtschelding te verkrijgen, in die zin dat een redelijk persoon in zijn bedrijfsactiviteit en in dezelfde omstandigheden daarvan op de hoogte zou zijn geweest."
(1) - Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1).
(2) - Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 (PB L 253, blz. 1).
(3) - Artikel 38, lid 1, van het douanewetboek.
(4) - Artikel 40 van het douanewetboek.
(5) - Artikel 43 van het douanewetboek.
(6) - Artikel 48 van het douanewetboek.
(7) - Artikel 50 van het douanewetboek.
(8) - Artikel 49, lid 1, van het douanewetboek.
(9) - Artikel 49, lid 2, van het douanewetboek.
(10) - Artikel 4, punt 15, van het douanewetboek.
(11) - Artikel 4, punt 16, van het douanewetboek.
(12) - Artikel 204, lid 1, van het douanewetboek.
(13) - Artikel 860 van de toepassingsverordening.
(14) - Artikel 859 van de toepassingsverordening.
(15) - Artikel 212 bis van het douanewetboek, ingevoegd bij verordening (EG) nr. 82/97 van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2913/92 (PB 1997, L 17, blz. 1).
(16) - Artikel 239, lid 1, van het douanewetboek.
(17) - Artikel 900, lid 1, sub o, van de toepassingsverordening, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 3254/94 van de Commissie van 19 december 1994 (PB L 346, blz. 1).
(18) - Artikel 145 van het douanewetboek.
(19) - Ingevoegd bij verordening nr. 82/97, aangehaald in voetnoot 15.
(20) - Deze voetnoot is enkel van belang voor de Engelse versie van deze conclusie.
(21) - Verordening van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256, blz. 1).
(22) - Zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1427/97 van de Commissie van 23 juli 1997 (PB L 196, blz. 31), waarbij de punten 8 en 9 zijn toegevoegd.
(23) - Zoals ingevoegd bij verordening nr. 3254/94, aangehaald in voetnoot 17.
(24) - Het niet voldoen aan een van de verplichtingen welke voortvloeien uit de tijdelijke opslag van goederen of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder zij zijn geplaatst.
(25) - Zevende overweging van de considerans.
(26) - Arrest van 15 mei 1984 (121/83, Jurispr. blz. 2039).
(27) - Punt 13 van het arrest.
(28) - Arrest van 17 oktober 1995 (C-478/93, Jurispr. blz. I-3081, punt 30).
(29) - Arrest van 4 februari 1997 (C-9/95, C-23/95 en C-156/95, Jurispr. blz. I-645, punt 37).
(30) - Zie bij voorbeeld, arrest van 27 oktober 1992, Duitsland/Commissie (C-240/90, Jurispr. blz. I-5383, inzonderheid punten 42 en 43 van mijn conclusie en punten 36 en 37 van het arrest).
(31) - Achtste overweging van de considerans.
(32) - Zie punt 21 hierboven.
(33) - Door Professor Ben Terra in Community Customs Law (1995) "een van de aardigste uitdrukkingen in het douanewetboek" genoemd, deel I, blz. 333.
(34) - PB L 194, blz. 13.
(35) - PB L 367, blz. 1. Zie artikel 15, lid 2.
(36) - De overeenkomst is gevoegd bij besluit 75/199/EEG van de Raad van 18 maart 1975 houdende sluiting van de internationale overeenkomst inzake de vereenvoudiging en de harmonisatie van douaneprocedures en aanvaarding van de bijlage ervan betreffende de douane-entrepots (PB L 100, blz. 1). Bijlage A.2 is gevoegd bij besluit 78/528/EEG van de Raad van 6 juni 1978 houdende aanvaarding namens de Gemeenschap van drie bijlagen bij de Internationale Overeenkomst inzake de vereenvoudiging en de harmonisatie van douaneprocedures (PB L 160, blz. 13).
(37) - Zie punten 71-76.
(38) - Aangehaald in voetnoot 17.
(39) - Veertiende en vijftiende overweging van de considerans.
(40) - Arrest van 18 januari 1996 (C-446/93, Jurispr. blz. I-73).
(41) - Verordening van de Raad van 2 juli 1979 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten (PB L 175, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3069/86 van de Raad van 7 oktober 1986 (PB L 286, blz. 1).
(42) - Zie punten 52-54 van het arrest.
(43) - Aangehaald in voetnoot 17.
(44) - Zie de vijftiende overweging van de considerans, aangehaald in punt 61.
(45) - Aangehaald in voetnoot 41.
(46) - Verordening van de Commissie van 12 december 1986 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van de artikelen 4 bis, 6 bis, 11 bis en 13 van verordening nr. 1430/79 (PB L 352, blz. 19). Verordening nr. 3799/86 is ingetrokken bij artikel 913 van de toepassingsverordening.
Full & Egal Universal Law Academy