Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1 In deze zaak moet het Hof beslissen over een prejudiciële vraag van het Tribunale ordinario di Milano over de uitlegging van artikel 10 van richtlijn 93/98/EEG van de Raad van 29 oktober 1993.(1) Het probleem betreft de verworven rechten van derden, wanneer zich als gevolg van de omzetting van die richtlijn in de nationale rechtsordes een herleving voordoet van een naburig recht op een muziekopname die voordien in het "publiek domein" was gevallen.
II - De feiten
2 De vraag is gerezen in het kader van een geschil tussen de vennootschappen Butterfly Srl (hierna: "Butterfly") en Carosello Srl (hierna: "Carosello") over de exploitatie van bepaalde opnamen van de Italiaanse zangeres Mina. Butterfly heeft in 1992 een compactdisc in de handel gebracht onder de titel "Briciole di baci" met 16 liedjes van Mina, die in de jaren 1958-1962 voor het eerst waren opgenomen. Zij had voor de exploitatie van die opnamen toestemming gekregen van Carosello, die destijds de rechten op die werken bezat. Volgens de toen geldende wetgeving bedroeg de beschermingstermijn van de rechten van producenten en van uitvoerende kunstenaars 30 jaar. Vervolgens heeft de gemeenschapswetgever bij richtlijn 93/98 de beschermingstermijn van de betrokken rechten op 50 jaar vastgesteld. Na het verstrijken van de voor de omzetting van de richtlijn gestelde termijn, te weten 30 juni 1995, hebben de bevoegde Italiaanse autoriteiten een reeks wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen genomen waarbij wordt bepaald, dat de rechten van producenten van fonogrammen 50 jaar na hun ontstaan vervallen en de rechten van vertolkende of uitvoerende kunstenaars 50 jaar na de datum van de vertolking of de uitvoering.
3 Op basis van die wetswijziging gelastte Carosello in een aanmaningsbrief Butterfly zich te onthouden van elk verder gebruik van de in de toestemming van 1992 bedoelde opnamen. Zij beriep zich daarvoor op de herleving van de naburige rechten op die opnamen, die volgens haar het gevolg is van de wijziging van het nationale recht en de tenuitvoerlegging van richtlijn 93/98.
4 Butterfly stelde voor het Tribunale ordinario di Milano beroep in en vorderde in de eerste plaats vast te stellen, dat de aanmaning van Carosello onwettig is, en in de tweede plaats, dat zij het recht heeft de exploitatie van de omstreden opnamen en de fonografische verveelvoudiging van de compactdisc "Briciole di baci" voort te zetten. Carosello concludeerde tot verwerping van het beroep en vorderde in reconventie, dat het Butterfly wordt verboden in de toekomst de muziekwerken te exploiteren, waarvan moest worden aangenomen, dat de bescherming na de genoemde wijziging van de regeling van de auteursrechten en de naburige rechten was herleefd. Het standpunt van Carosello werd gesteund door interveniënte, de Federazione Industria Musicale Italiana (hierna: "FIMI").
5 De verwijzende rechter is van mening, dat uit de bepalingen van artikel 10, lid 3, van richtlijn 93/98 duidelijk voortvloeit, dat de rechten die na afloop van de oorspronkelijk in de Italiaanse wet vastgestelde periode van 30 jaar waren vervallen, herleven als gevolg van het feit dat de richtlijn de beschermingstermijn heeft verlengd. Niettemin betwijfelt hij, of de nationale regeling verenigbaar is met de bepalingen van de richtlijn inzake de bescherming van de rechten van derden, die noodzakelijk bleek nadat de beschermingstermijn van 30 jaar op 50 jaar was gebracht.
III - De prejudiciële vraag
6 Om die reden heeft de verwijzende rechter het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
"Kan artikel 10 van richtlijn 93/98/EEG van 29 oktober 1993, met name waar het bepaalt dat de lidstaten $de nodige maatregelen [nemen] om met name de verworven rechten van derden te beschermen', aldus worden uitgelegd, dat artikel 17, lid 4, van wet nr. 52 van 6 februari 1996, zoals gewijzigd bij wet nr. 650 van 23 december 1996, daarmee verenigbaar is?"
IV - De betrokken gemeenschapswetgeving
7 Het doel van richtlijn 93/98 is harmonisatie van de nationale wettelijke bepalingen betreffende de beschermingstermijnen van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten.
Artikel 3 van de richtlijn luidt:
"1. De rechten van uitvoerende kunstenaars vervallen 50 jaar na de datum van de uitvoering. Indien echter binnen deze termijn een vastlegging van de uitvoering op geoorloofde wijze is gepubliceerd of op geoorloofde wijze aan het publiek meegedeeld is, vervallen de rechten 50 jaar na de datum van die eerste publicatie of, ingeval deze eerder valt, die eerste mededeling aan het publiek.
2. De rechten van producenten van fonogrammen vervallen 50 jaar na de vastlegging. Indien het fonogram echter binnen deze termijn op geoorloofde wijze gepubliceerd is of op geoorloofde wijze aan het publiek meegedeeld is, vervallen de rechten 50 jaar na de datum van die eerste publicatie of, ingeval deze eerder valt, die eerste mededeling aan het publiek."
8 Verder wordt in de zesentwintigste overweging van de considerans van de richtlijn over de bescherming van door derden verworven rechten gezegd
"dat het de lidstaten vrij moet staan bepalingen aan te nemen inzake de uitlegging, aanpassing en verdere uitvoering van contracten betreffende de exploitatie van beschermde werken en andere voorwerpen, die vóór de verlenging van de beschermingsduur ingevolge deze richtlijn zijn gesloten".
In de zevenentwingtigste overweging van de considerans van de richtlijn wordt bepaald
"dat de eerbiediging van verworven rechten en legitieme verwachtingen deel uitmaakt van de communautaire rechtsorde; dat de lidstaten met name moeten kunnen bepalen dat de uit hoofde van deze richtlijn vernieuwde auteursrechten en naburige rechten onder bepaalde omstandigheden geen aanleiding hoeven te geven tot betalingen door personen die de werken te goeder trouw zijn gaan exploiteren op het tijdstip dat die werken gemeengoed waren".
In het licht van het voorgaande bepaalt artikel 10 van de richtlijn, waarin de geldigheid in de tijd van de betrokken rechten wordt geregeld:
"1. Een beschermingstermijn die op de in artikel 13, lid 1, genoemde datum in een lidstaat al loopt en die langer is dan de overeenkomstige termijn die bij deze richtlijn wordt vastgesteld, kan in die lidstaat door deze richtlijn niet worden verkort.
2. De beschermingstermijnen waarin deze richtlijn voorziet, gelden voor alle werken en voorwerpen die op de in artikel 13, lid 1, genoemde datum in ten minste één lidstaat beschermd worden door de nationale wetgeving op het gebied van het auteursrecht of de naburige rechten, of die op die datum aan de beschermingscriteria van richtlijn 92/100/EEG voldoen.
3. Deze richtlijn laat alle vóór de in artikel 13, lid 1, genoemde datum verrichte exploitatiehandelingen onverlet. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om met name de verworven rechten van derden te beschermen."(2)
9 Volgens artikel 13, lid 1, van de richtlijn ten slotte, zijn de lidstaten verplicht de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden die noodzakelijk zijn om uiterlijk op 1 juli 1995 aan de artikelen 1 tot en met 11 van de richtlijn te voldoen.
V - De betrokken nationale bepalingen
10 Wet nr. 633 van 22 april 1941(3), de oorspronkelijke regeling van de auteursrechten, is recentelijk gewijzigd, met name bij "communautaire wet" nr. 52 van 6 februari 1996.(4) Wet nr. 52/96 is op zijn beurt gewijzigd bij wet nr. 650 van 23 december 1996.(5)
11 Krachtens artikel 17, lid 1, van wet nr. 52/96 is de termijn van bescherming van de rechten van producenten van grammofoonplaten en van vertolkende en uitvoerende kunstenaars van 30 jaar verlengd tot 50 jaar.
12 In lid 2 van hetzelfde artikel, zoals gewijzigd bij wet nr. 650/96, wordt uitdrukkelijk bepaald, dat een beschermingstermijn van 50 jaar eveneens geldt voor werken of rechten die krachtens de oude wetgeving niet meer zijn beschermd, maar volgens de nieuwe wetgeving vanaf 29 juni 1995 wel weer worden beschermd.
13 Krachtens lid 4 van hetzelfde artikel worden de handelingen en overeenkomsten van vóór 29 juni 1995 en de op grond daarvan door derden wettelijk verworven en uitgeoefende rechten niet aangetast door de toepassing van de bepalingen betreffende herleving van de bescherming van de betrokken rechten. Wel maakt de Italiaanse wetgever onderscheid tussen de bescherming van verworven rechten naargelang de aard van het werk waarvoor het probleem van herleving van het betrokken recht zich voordoet. Dat artikellid is geformuleerd als volgt:
"4. Volledig behouden en ongewijzigd blijven de handelingen en overeenkomsten van vóór 29 juni 1995 en, in afwijking van artikel 119, lid 3, van wet nr. 633 van 22 april 1941, de overeenkomsten die na 30 juni 1990 zijn gesloten alsmede de daaruit voortvloeiende rechten die door derden rechtmatig zijn verworven en uitgeoefend.
In het bijzonder blijven onaangetast:
a) de distributie en de verveelvoudiging van uitgaven van werken die krachtens de oude regeling gemeengoed zijn geworden, binnen de grenzen van de grafische vormgeving en de editoriale presentatie waarin de publicatie plaatsvond, verricht door degenen die de werken vóór de inwerkingtreding van de onderhavige wet zijn gaan distribueren en verveelvoudigen. De aanpassingen die door de aard van de werken noodzakelijk zijn geworden, kunnen eveneens zonder vergoeding worden gedistribueerd en verveelvoudigd;
b) de distributie, binnen de periode van drie maanden volgend op de datum van inwerkingtreding van deze wet, van grammofoonplaten en soortgelijke geluidsdragers waarvan de gebruiksrechten krachtens de oude regeling zijn vervallen, verricht door degenen die bovengenoemde geluidsdragers vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet hebben verveelvoudigd en in de handel hebben gebracht."
VI - De formulering van de prejudiciële vraag
14 Om te beginnen moet erop worden gewezen dat, zoals de Commissie in haar opmerkingen terecht verklaart, de prejudiciële vraag opnieuw moet worden geformuleerd. De krachtens artikel 177 EG-Verdrag aan het Hof verleende bevoegdheden staan niet toe de vraag te beantwoorden in de door de verwijzende rechter gewenste omvang. De vraag werpt namelijk rechtstreeks het probleem op, of een bepaling van nationaal recht verenigbaar is met het dienovereenkomstige gemeenschapsrecht, welk probleem zich niet voor een prejudiciële verwijzing leent. Daarom is het mijns inziens beter de vraag opnieuw te formuleren en dus te onderzoeken, of de bepalingen van richtlijn 93/98, en in het algemeen het gemeenschapsrecht met betrekking tot de bescherming van door derden verworven rechten en van het gewettigd vertrouwen van rechtssubjecten, zich verzetten tegen een nationale regel die derden ter bescherming van de door hen verworven rechten tegen de herleving van aan het auteursrecht naburige rechten op muziekwerken, enkel de mogelijkheid verleent hun voorraden binnen een periode van drie maanden vanaf de inwerkingtreding van de betrokken bepaling te verkopen.
VII - De ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag
15 Carosello betwist de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag en betoogt, dat de beantwoording ervan geen enkel belang voor de beslechting van het geschil in het hoofdgeding heeft. Dat standpunt steunt op de volgende argumenten: in de eerste plaats is Carosello van mening, dat het in het hoofdgeding gaat om de uitlegging van een overeenkomst die op 16 juli 1990 tussen Butterfly en haar was gesloten, en dat de uitlegging van de bepalingen van richtlijn 93/98 daarvoor niet noodzakelijk is. In de tweede plaats blijkt uit de verwijzingsbeschikking, dat Butterfly reeds vóór eind 1995 haar volledige voorraad van de compactdisc "Briciole di baci" had verkocht, zodat de prejudiciële vraag over de bepalingen van de Italiaanse regeling die derden de mogelijkheid geeft hun voorraden binnen een bepaalde termijn te verkopen, puur hypothetisch is. In de derde plaats heeft de vordering van Butterfly in het hoofdgeding, die strekt tot erkenning van haar recht op heruitgave van de betwiste compactdisc ondanks de weigering van Carosello, geen enkele zin, want Butterfly heeft de Società Italiana Autori Editori (hierna: "SIAE") niet om de voor de heruitgave onontbeerlijke vergunning verzocht, en kon daarvoor ook geen vergunning krijgen, zodat het voorwerp van de procedure in het hoofdgeding in feite irrelevant is.
16 Naar mijn mening kan het argument van de niet-ontvankelijkheid niet slagen. Om te beginnen moet erop worden gewezen, dat de beoordelingsmarge voor de weigering om een prejudiciële vraag wegens niet-ontvankelijkheid te onderzoeken, bijzonder gering is. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is "het uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid voor de te geven rechterlijke beslissing draagt, om, gelet op de bijzonderheden van het concrete geval, de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis alsmede de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen".(6) Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het gemeenschapsrecht, "is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden".(7) Het Hof heeft echter eveneens geoordeeld, dat het in uitzonderlijke omstandigheden zijn taak is om, ter toetsing van zijn eigen bevoegdheid, een onderzoek in te stellen naar de omstandigheden waaronder het door de nationale rechter is geadieerd.(8) In elk geval kan "een vraag van een nationale rechter slechts worden afgewezen, wanneer duidelijk blijkt, dat de gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is en het Hof niet beschikt over gegevens, feitelijk en rechtens, die voor hem noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen".(9)
17 Het duidelijke karakter(10) van de redenen op grond waarvan de gemeenschapsrechter kan weigeren een prejudiciële vraag te beantwoorden, bestaat in de onderhavige zaak mijns inziens niet. Bovendien heeft het Hof niet het recht het hoofdgeding ten gronde te onderzoeken, en dan te beslissen over de vraag of het zonder voorwerp is geraakt alleen omdat Butterfly voor de betrokken muziekwerken geen vergunning van de SIAE bezit, alsook over de vraag of het gemeenschapsrecht van geen enkel belang is voor de uitlegging van de tussen Carosello en Butterfly gesloten overeenkomst. Wanneer uiteindelijk echter zou worden aangenomen, dat de bescherming van de door derden verworven rechten, die enkel bestaat in de mogelijkheid bestaande voorraden te verkopen, bezien vanuit het gemeenschapsrecht onvoldoende is, dan rijst de vraag of de vordering in het hoofdgeding van Butterfly, inzake de verdere exploitatie van de fonogrammen waarvan de compactdisc "Briciole di baci" is gemaakt, zonder dat Carosello zich op het bestaan van desbetreffende naburige rechten kan beroepen, op het gemeenschapsrecht berust, zoals Butterfly in het hoofdgeding stelt. Bijgevolg moet het Hof de prejudiciële vraag beantwoorden.
VIII - Het antwoord op de prejudiciële vraag
18 In haar opmerkingen verdedigt Butterfly, wat de uitlegging van de bepalingen van artikel 10, lid 3, van richtlijn 93/98 betreft, de zienswijze dat, in de eerste plaats, die bepalingen een ruime en onbeperkte bescherming verlenen aan de houders van verworven rechten ten aanzien van werken waarvan het auteursrecht of de naburige rechten zijn herleefd, in de tweede plaats, dat genoemde bepalingen voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk zijn om rechtstreekse werking in de nationale rechtsorde te hebben, en in de derde plaats, dat nationale beperkingen van verworven rechten, zoals die in de bestreden Italiaanse regeling, in strijd zijn met genoemde bepalingen van de richtlijn en dus niet door de nationale rechter mogen worden toegepast. Volgens Butterfly is die zienswijze de enige die in overeenstemming is met de grondbeginselen van het gemeenschapsrecht betreffende de bescherming van verworven rechten en van het gewettigd vertrouwen van rechtssubjecten.
19 Bepaalde punten van de redenering van Butterfly en de conclusies die zij trekt, worden door Carosello, FIMI, de Italiaanse regering en de Commissie betwist.
20 Aan de hand van de betrokken bepalingen van richtlijn 93/98 zal ik hierna in de eerste plaats onderzoeken, hoe ver de daarin geboden bescherming van verworven rechten reikt, en in de tweede plaats, hoe zwaar de beoordelingsbevoegdheid weegt die de lidstaten in die bepalingen wordt toegekend met het oog op de verwezenlijking van die bescherming. Vervolgens zal ik nagaan, of richtlijn 93/98 voor de handhaving van de verworven rechten, gelet op de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht en meer in het bijzonder op de beginselen die gelden voor de bescherming van verworven rechten en van het gewettigd vertrouwen van rechtssubjecten, voldoende zijn. Ten slotte - en enkel wanneer dat na de behandeling van de eerdere stadia noodzakelijk blijkt - zal ik het probleem van de rechtstreekse werking van artikel 10, lid 3, tweede zin, van de richtlijn aansnijden.
21 Richtlijn 93/98 moet worden geplaatst in het kader van de inspanningen van de gemeenschapswetgever om te komen tot harmonisatie van de regels tot bescherming van het auteursrecht en van naburige rechten.(11) Die inspanningen begonnen begin jaren negentig en duren tot op heden voort.(12) De centrale gedachte daarachter is het versterken van de bescherming van de betrokken rechten, zoals overigens ook de in het kader van de Uruguay-ronde van het GATT ondertekende TRIPS-overeenkomst vereist.(13) De noodzaak van een sterkere bescherming wordt in richtlijn 93/98 uitdrukkelijk erkend. In de tiende overweging van de considerans van die richtlijn wordt gewezen op "de behoefte aan harmonisatie van het auteursrecht en naburige rechten met een hoge graad van bescherming (...) omdat deze rechten fundamenteel zijn voor een schepping van de geest".
22 De plaats en het gewicht die aan de betrokken rechten zijn toegekend, zijn veelbetekenend voor de uitlegging van de bepalingen van richtlijn 93/98. Hieruit bespeurt men de wil van de gemeenschapswetgever om het auteursrecht en de naburige rechten zo ruim mogelijk te beschermen. Bepalingen die bestemd zijn om die rechten te waarborgen, moeten dus zo ruim mogelijk worden uitgelegd, terwijl die welke voorzien in uitzonderingen op de bescherming, juist restrictief moeten worden uitgelegd.
23 Die conclusie wordt ook bevestigd door de wijze waarop de procedure tot vaststelling van de omstreden richtlijn is verlopen. Het oorspronkelijke ontwerp bevatte enkel de clausule, dat de toepassing van de bepalingen van richtlijn 93/98 niet mocht leiden tot verkorting van de eventueel langere beschermingstermijn in de wetgeving van bepaalde lidstaten. Met andere woorden, de richtlijn mocht niet leiden tot beperking van het auteursrecht en naburige rechten die reeds krachtens de geldende nationale bepalingen waren verworven. Het oorspronkelijke ontwerp voorzag echter niet uitdrukkelijk in de mogelijkheid van een herleving van rechten die naar nationaal recht reeds vóór de inwerkingtreding van richtlijn 93/98 waren vervallen. Het Europees Parlement verzocht om wijzigingen, in de eerste plaats met betrekking tot het probleem van de herleving van rechten waarvan de bescherming naar nationaal recht reeds was geëindigd, en in de tweede plaats met betrekking tot het waarborgen van de door derden verworven rechten.
24 Meer in het bijzonder met betrekking tot de bescherming van de door derden verworven rechten verzocht het Europees Parlement de Commissie om aan de tekst van richtlijn 93/98 bepalingen toe te voegen, inhoudende dat de nieuwe gemeenschapsregels betreffende de bescherming van auteursrechten en naburige rechten van toepassing zijn zonder dat zij de vóór een bepaalde datum wettig verrichte handelingen ter exploitatie van werken aantasten, inhoudende voorts dat de houders van het auteursrecht en naburige rechten zich niet kunnen verzetten tegen voortzetting van de exploitatie van werken die rechtstreeks verband houden met investeringen die vóór de inwerkingtreding van de gemeenschapsregels te goeder trouw zijn gedaan, en, ten slotte, dat de lidstaten moeten zorgen voor een passende schadevergoeding aan de houders van het auteursrecht en naburige rechten voor exploitatiehandelingen die na de inwerkingtreding van de gemeenschapsregels voortduren.
25 Bij vergelijking van de voorstellen van het Parlement met de definitieve tekst van richtlijn 93/98 komt men tot de volgende slotsom:
In de eerste plaats bevestigt richtlijn 93/98 het beginsel van de herleving van het auteursrecht en naburige rechten die waren vervallen krachtens de nationale wetgeving die vóór de inwerkingtreding van de gemeenschapsrichtlijn gold.(14) Opgemerkt zij, dat die oplossing verenigbaar is met het algemene beginsel dat rechtsregels ex nunc van toepassing zijn. Om precies te zijn, wanneer een bepaling voorziet in het verval van een recht na afloop van 50 of 70 jaar te rekenen vanaf de gebeurtenis die het begin van de wettelijke bescherming ervan markeert, en wanneer die termijn op het moment van de inwerkingtreding van die bepaling nog niet is verstreken, moet in beginsel worden aangenomen, dat het betrokken recht bestaat. De herleving van het auteursrecht en naburige rechten krachtens richtlijn 93/98 houdt niet in, dat de richtlijn een zodanige terugwerkende kracht krijgt, dat er wat de temporele werkingssfeer ervan betreft, twijfel over de verenigbaarheid met de algemene rechtsbeginselen zou kunnen ontstaan.(15)
In de tweede plaats voorziet richtlijn 93/98, eveneens met toepassing van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, in bescherming van de door derden verworven rechten, doch niet op precies dezelfde wijze als het Parlement had voorgesteld. Wat de werkingssfeer van richtlijn 93/98 betreft, is een uitdrukkelijk voorbehoud toegevoegd voor de exploitatiehandelingen die plaatsvonden vóór 1 juli 1995 - zoals reeds gezegd, de datum waarop de voor omzetting van die richtlijn noodzakelijke nationale maatregelen moesten worden genomen -, maar de richtlijn voorziet niet in (en dwingt ook niet tot) een bepaalde methode voor de bescherming van de rechten van derden, wanneer de exploitatie na de genoemde datum plaatsvond. Slechts op algemene en onbepaalde wijze wordt vereist, dat "de lidstaten de nodige maatregelen [nemen] om met name de verworven rechten van derden te beschermen", een verplichting waaruit door uitlegging valt af te leiden, dat die categorie van rechtssubjecten na omzetting van de richtlijn in de nationale rechtsordes niet onbeschermd behoort te blijven. In het kader van de noodzaak verworven rechten en het gewettigd vertrouwen van derden te eerbiedigen, noemt de zevenentwintigste overweging van de considerans enkel de mogelijkheid en niet de verplichting voor de lidstaten om te bepalen "dat de uit hoofde van deze richtlijn vernieuwde auteursrechten en naburige rechten onder bepaalde omstandigheden(16) geen aanleiding hoeven te geven tot betalingen door personen die de werken te goeder trouw zijn gaan exploiteren op het tijdstip dat die werken gemeengoed waren". Er blijkt dus voor derden te goeder trouw geen enkel specifiek recht te bestaan op grond waarvan zij, ook niet tegen betaling van een passende vergoeding (en nog minder zonder vergoeding), de vóór 1 juli 1995 en na die datum begonnen exploitatie van een werk mogen voortzetten.
26 Uit dat alles blijkt mijns inziens duidelijk, dat de gemeenschapswetgever de verworven rechten wilde beschermen, maar de bevoegde nationale autoriteiten daarvoor een ruime beoordelingsmarge heeft toegekend. Zij zijn immers door hun aard en positie degenen die het meest geschikt zijn om de tegengestelde belangen van de auteur, de producent of de vertolker enerzijds en van derden te goeder trouw anderzijds op rechtvaardige wijze met elkaar te verzoenen. Bovendien lijkt er geen grond te bestaan voor de stelling van Butterfly, dat uit de bepalingen van artikel 10 van richtlijn 93/98 rechtstreeks kan worden afgeleid, dat zij als derde te goeder trouw het recht heeft de exploitatie van de liedjes van Mina ook na 1 juli 1995 voort te zetten. Regeling van de situaties die door de herleving van naburige rechten krachtens de richtlijn vanaf 1 juli 1995 zijn ontstaan, en de aan derden te geven bescherming vallen in beginsel onder de bevoegdheid van de lidstaten. Alleen ingeval men de bij de nationale maatregelen aan derden gegeven bescherming onvoldoende acht, omdat de lidstaat daarbij zijn beoordelingsmarge heeft overschreden, zou eventueel kunnen worden onderzocht, of artikel 10, lid 3, van de richtlijn rechtstreekse werking heeft en kan worden ingeroepen door rechtssubjecten als Butterfly, die de exploitatie willen voortzetten van werken die vóór 1 juli 1995 in het publiek domein waren gevallen.
27 Wat betreft de toetsing van de beoordelingsbevoegdheid die de lidstaten ter zake van de regeling van de bescherming van door derden verworven rechten hebben, is van belang te beklemtonen, dat die bevoegdheid bijzonder ruim is, zoals uit het volgende blijkt: in de eerste plaats zijn de bewoordingen van artikel 10, lid 2, van richtlijn 93/98 zo algemeen mogelijk. In de tweede plaats is aan een dergelijke algemene formulering de voorkeur gegeven boven het genoemde voorstel van het Parlement, dat, zij het slechts gedeeltelijk, concrete vormen van bescherming van derden inhield. In de derde plaats is het enkele feit dat de hier in het geding zijnde nationale bepalingen zijn vastgesteld ter omzetting van een gemeenschapsregeling in de vorm van een richtlijn, voldoende om aan te tonen, dat de bevoegde nationale autoriteiten over een grote vrijheid beschikken. Op grond van artikel 189 EG-Verdrag zijn zij verplicht de richtlijn ten uitvoer te leggen, doch zij behouden de mogelijkheid om de specifieke middelen ter verwezenlijking daarvan zelf te kiezen.
28 Uiteraard betekent dat niet, dat de wetgevende activiteit van de lidstaten in het kader van artikel 10, lid 3, van richtlijn 93/98 zonder enige controle kan plaatsvinden. Verder kunnen, zoals het Hof reeds vóór de vaststelling van de in geding zijnde gemeenschapswetgeving had verklaard, "de aan de eigendom van werken van letterkunde en kunst ontleende uitsluitende rechten het verkeer van goederen en diensten en de concurrentieverhoudingen binnen de Gemeenschap beïnvloeden. Daarom zijn die rechten (...), hoewel zij door het nationale recht worden beheerst, aan de vereisten van het Verdrag onderworpen en vallen zij bijgevolg binnen de werkingssfeer hiervan."(17) Bijgevolg kan de aan auteursrechten en naburige rechten gegeven nationale bescherming niet van dien aard zijn, dat andere rechten en belangen die volgens het gemeenschapsrecht bescherming verdienen, zoals in casu de door derden verworven rechten, daardoor worden aangetast.
29 Hoe het ook zij, een nationale regeling die derden enkel de mogelijkheid biedt om de voorraden, voortkomend uit de exploitatie van een werk dat vóór 1 juli 1995 in het publiek domein was gevallen, enkel voor een beperkte periode op de markt te brengen, lijkt, zoals ook de Commissie terecht opmerkt, in het licht van de richtlijn voldoende, wat ik hierna zal bewijzen.
30 Wat het onderhavige geschil betreft, moet allereerst worden opgemerkt, dat de termijn waarbinnen de voorraden volgens de bestreden Italiaanse regeling moeten worden verkocht, drie maanden bedraagt, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van die regeling. Die termijn was dus drie maanden na 25 februari 1996 verstreken, namelijk op 26 mei 1996. Deze opmerking is interessant, omdat de herleving van het auteursrecht en naburige rechten als gevolg van de omzetting van richtlijn 93/98 in diverse nationale rechtsordes reeds plaatsvond op 29 juni 1995. Op grond van de bestreden Italiaanse regeling blijken de houders van verworven rechten dus de mogelijkheid te hebben gehad hun voorraden op de markt te brengen gedurende een periode van iets meer dan elf maanden na de herleving van het auteursrecht en naburige rechten op werken die vóór 1 juli 1995 reeds werden geëxploiteerd.(18) Daardoor verkregen de marktdeelnemers die werken hadden geëxploiteerd die vóór 1 juli 1995 in het publiek domein waren gevallen, de mogelijkheid om gedurende een voldoende lange periode die exploitatie voort te zetten en hun voorraden af te zetten zonder verplicht te zijn tot betaling van een schadevergoeding aan de houders van rechten die krachtens de betrokken gemeenschapsrichtlijn waren herleefd.
31 De in de Italiaanse regeling gestelde termijn van drie maanden, die in werkelijkheid vanaf de datum waarop het auteursrecht en naburige rechten krachtens richtlijn 93/98 herleven, elf maanden bedraagt, lijkt in beginsel voldoende om de economische belangen van derden te goeder trouw te waarborgen.(19) Hoe het ook zij, die termijn is niet kennelijk onvoldoende en ook niet zo beperkt, dat daardoor schade wordt toegebracht aan die derden, die trouwens moeten worden geacht vanaf 29 november 1993, de datum van de bekendmaking van richtlijn 93/98 in het Publicatieblad, te weten dat de naburige rechten uiterlijk 1 juli 1995 zouden herleven. Bovendien behoort het Hof zich niet in de plaats van de nationale wetgever te stellen door te streven naar totstandkoming van het meest geëigende stelsel van evenwicht tussen tegengestelde belangen, waarin ook nog rekening wordt gehouden met andere parameters, zoals de omvang van de investering van de derde te goeder trouw, de specifieke omstandigheden, de duur van de exploitatie van het werk gedurende de periode dat het tot het publiek domein behoorde, en de specifieke aard van het geëxploiteerde werk. Aangezien het volgens de gemeenschapswetgever de voorkeur verdiende de lidstaten ter zake een beoordelingsbevoegdheid toe te kennen, is de vrijheid van het Hof tot uitlegging van artikel 10, lid 3, van richtlijn 93/98 bijzonder beperkt.
32 De omstandigheid dat de Italiaanse wetgever blijkens de vergelijkende studie waarop Butterfly zich beroept, ten opzichte van derden-producenten een strengere houding aanneemt dan de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten, betekent overigens uiteraard niet, dat de Italiaanse wetgever de hem bij artikel 10, lid 3, van richtlijn 93/98 verleende bevoegdheden heeft overschreden.
33 Het argument van Butterfly, dat de Italiaanse wetgever de houders van verworven rechten op fonografische werken minder gunstig behandelt dan degenen die literaire werken exploiteren, draagt evenmin bij aan de oplossing van het onderhavige uitleggingsgeschil. De bestreden nationale regeling is voor derden die een literair werk zijn gaan exploiteren dat vóór de omzetting van de richtlijn in het publiek domein was gevallen en waarvan de auteursrechten zijn herleefd, inderdaad duidelijk gunstiger. Derden kunnen de exploitatie van dat werk (distributie, heruitgave en, indien noodzakelijk, aanpassing zonder enige tijdslimiet) vrijelijk voortzetten. Doch het feit dat literaire werken op die manier worden behandeld, betekent uiteraard niet, dat de nationale autoriteiten dezelfde behandeling moeten geven aan muziekwerken en de daarop door derden te goeder trouw verworven rechten. Wanneer hun behandeling, hoewel duidelijk ongunstiger dan de behandeling van derden die de exploitatie van literaire werken voortzetten, de grenzen van de beoordelingsbevoegdheid waarover de nationale autoriteiten op grond van de richtlijn beschikken, niet overschrijdt, kan er geen sprake zijn van schending van het gemeenschapsrecht.(20)
34 Subsidiair kan nog worden opgemerkt, dat het niet evident is, zoals Butterfly ten onrechte beweert, dat de Italiaanse regeling juist met betrekking tot door derden verworven rechten op literaire werken in geval van herleving van het auteursrecht in overeenstemming is met de geest van richtlijn 93/98. Dat probleem is niet rechtstreeks door de verwijzende rechter opgeworpen en ook in de door partijen ingediende opmerkingen niet nauwkeurig onderzocht. Om die reden verdient het mijns inziens de voorkeur, dat het Hof dat probleem niet onderzoekt, omdat het voor de beantwoording van de prejudiciële vraag niet noodzakelijk is. Mocht het Hof daar anders over denken, dan acht ik het gepast te stellen, dat een zo ruime - in wezen onbeperkte - bescherming van de belangen van derden het auteursrecht en de naburige rechten die de gemeenschapswetgever wil beschermen, inhoudloos maakt en dus in strijd met de bepalingen van richtlijn 93/98 is. Om die reden kan Butterfly niet verlangen op dezelfde voet te worden behandeld, want dat zou in strijd zijn met het gemeenschapsrecht.
35 Tot slot moet worden opgemerkt, dat - en daarbij gaat het om het belangrijkste argument ten gunste van de standpunten van Carosello, FIMI, de Italiaanse regering en de Commissie - de bij de bestreden bepaling van richtlijn 93/98 aan de lidstaten toegekende bevoegdheid de vaststelling betreft van een overgangsbepaling die naar haar aard slechts zo weinig mogelijk invloed op de regeling kan hebben, omdat het gaat om de invoering van uitzonderingen op het algemene stelsel van de bij de richtlijn geboden bescherming van naburige rechten. Anders gezegd, de nationale autoriteiten moeten zich bij de tenuitvoerlegging van artikel 10, lid 3, van de richtlijn betreffende de bescherming van door derden verworven rechten realiseren, dat die bescherming van uitzonderlijke aard is. Zij dienen de werkingssfeer van de bescherming van het auteursrecht en naburige rechten, het voornaamste doel en nagestreefde resultaat van richtlijn 93/98, zo min mogelijk te beperken.
36 De conclusies van dit onderzoek betreffende de uitlegging van richtlijn 93/98 kunnen dus niet worden betwist op grond van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, in het bijzonder die betreffende de bescherming van door derden verworven rechten en het gewettigd vertrouwen. Dat verworven rechten door het gemeenschapsrecht worden beschermd, is door het Hof weliswaar erkend(21), maar het heeft nooit verklaard - en kon dat ook niet - dat het waarborgen van die rechten door middel van de invoering van overgangsmaatregelen in een communautaire regeling tot aantasting van het gehele bij die regeling tot stand gekomen stelsel kan leiden en elke werking kan ontnemen aan de rechten en de wettige belangen die de betrokken regeling juist wilde beschermen. Dienaangaande mag volgens vaste rechtspraak van het Hof aan het vertrouwensbeginsel "niet een dusdanig ruime draagwijdte worden gegeven, dat een nieuwe regeling in het algemeen nooit van toepassing zou kunnen zijn op de toekomstige gevolgen van situaties die onder de oude regeling zijn ontstaan".(22) Dezelfde gedachtegang bracht het Hof tot zijn oordeel, dat "de marktdeelnemers niet mogen vertrouwen op de handhaving van een bestaande situatie die door de gemeenschapsinstellingen, handelend krachtens hun discretionaire bevoegdheid, kan worden gewijzigd".(23)
37 Bijgevolg is er mijns inziens in het gemeenschapsrecht geen basis te vinden op grond waarvan marktdeelnemers die zich in dezelfde situatie als Butterfly bevinden - dat wil zeggen, zij die een werk zijn gaan exploiteren waarvan de naburige rechten waren vervallen en die deze exploitatie willen voortzetten na de herleving van die rechten als gevolg van de omzetting van richtlijn 93/98 in nationaal recht -, zich kunnen beroepen op een ruimere bescherming dan die waarin de in geding zijnde Italiaanse regeling voorziet.(24) Na die vaststelling behoeft niet meer te worden onderzocht, of en in welke mate de specifieke bepalingen van artikel 10, lid 3, van richtlijn 93/98 de noodzakelijke juridische kenmerken vertonen om rechtstreekse werking in de nationale rechtsorde te kunnen hebben.
IX - Conclusie
38 Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt:
"Artikel 10, lid 3, van richtlijn 93/98/EEG van de Raad van 29 oktober 1993 betreffende de harmonisatie van de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten, noch het gemeenschapsrecht in het algemeen, verzetten zich tegen een nationale bepaling, waarbij ter bescherming van de door derden verworven rechten in verband met de door de richtlijn vastgestelde herleving van naburige rechten van het auteursrecht op muziekwerken, die derden enkel de mogelijkheid wordt geboden om hun voorraden op de markt te brengen binnen een periode die niet meer bedraagt dan drie maanden vanaf de inwerkingtreding van de betrokken bepaling."
(1) - Betreffende de harmonisatie van de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten (PB L 290, blz. 9).
(2) - Cursivering van mij.
(3) - GURI nr. 166 van 16 juli 1941.
(4) - GURI nr. 34 van 10 februari 1996, supplemento ordinario nr. 24.
(5) - GURI nr. 300 van 23 december 1996.
(6) - Arrest van 5 juni 1997, Celestini (C-105/94, Jurispr. blz. I-2971, punt 21). Zie voorts onder meer arrest van 14 december 1995, Banchero (C-387/93, Jurispr. blz. I-4663, punt 15).
(7) - Zie arrest Celestini (aangehaald in voetnoot 6, punt 21) en arrest van 15 december 1995, Bosman (C-415/93, Jurispr. blz. I-4921, punt 59).
(8) - Zie bijvoorbeeld arresten van 16 december 1981, Foglia (244/80, Jurispr. blz. 3045, punt 21); 16 juli 1992, Lourenço Dias (C-343/90, Jurispr. blz. I-4673); 26 januari 1993, Telemarsicabruzzo e.a. (C-320/90-C-322/90, Jurispr. blz. I-393), en arrest Celestini (aangehaald in voetnoot 6, punt 22).
(9) - Arrest Celestini (aangehaald in voetnoot 6, punt 22). Zie eveneens de analytische benadering van het probleem in de conclusie van advocaat-generaal Fennelly in de zaak Celestini (punten 19 e.v.).
(10) - Zie betreffende de noodzakelijke vaststelling van het duidelijk karakter van de niet-ontvankelijkheid eveneens de recente arresten van 7 december 1995, Spano e.a. (C-472/93, Jurispr. blz. I-4321); 20 maart 1996, Sunino en Data (C-2/96, Jurispr. blz. I-1543), en 19 juli 1996, Modesti (C-191/96, Jurispr. blz. I-3937).
(11) - Reeds in het arrest van 8 juni 1971, Deutsche Grammophon (78/70, Jurispr. blz. 487), had het Hof verklaard, dat de bescherming van de rechten van industriële en commerciële eigendom onder het gemeenschapsrecht valt, omdat artikel 36 EEG-Verdrag daarin uitdrukkelijk voorziet.
(12) - In 1989 stelde het Hof vast, dat "bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht, dat gekenmerkt wordt door het ontbreken van harmonisatie of onderlinge aanpassing van de wettelijke regelingen inzake de bescherming van de letterkundige en artistieke eigendom, het aan de nationale wetgevers staat, de voorwaarden en modaliteiten van die bescherming te bepalen" (arrest van 24 januari 1989, EMI Electrola, 341/87, Jurispr. blz. 79, punt 11). Die lacune is opgevuld bij de richtlijnen 91/250/EEG van de Raad van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's (PB L 122, blz. 42); 92/100/EEG van de Raad van 19 november 1992 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (PB L 346, blz. 61); 93/83/EEG van de Raad van 27 september 1993 tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel (PB L 248, blz. 15); 93/98, reeds aangehaald, en 96/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken (PB L 77, blz. 20).
(13) - Overeenkomst over de aspecten van het intellectuele-eigendomsrecht die de handel raken - waaronder de internationale handel in namaak-goederen - TRIPS-overeenkomst.
(14) - De oplossing van herleving van de rechten was gekozen om de harmonisatie van de nationale wetgevingen betreffende de beschermingstermijn van het auteursrecht en naburige rechten zo snel mogelijk te verwezenlijken. Zonder die herleving had het kunnen voorkomen, althans gedurende een bepaalde periode, dat het auteursrecht en de naburige rechten op een vóór de richtlijn vervaardigd werk in de ene lidstaat (die een langere beschermingstermijn kent) wel zijn beschermd, maar in een andere lidstaat zijn vervallen. Die mogelijkheid zou ongetwijfeld negatieve gevolgen voor de handel tussen de lidstaten hebben gehad.
(15) - Zoals reeds opgemerkt in punt 57 van mijn conclusie van 19 januari 1999 in de zaak Andersson (C-321/97, nog hangende), moet de terugwerkende kracht van een rechtsregel niet worden verward met de onmiddellijke werking ervan. Het onderscheid moet met inachtneming van het tijdsbestek van de door de regel beheerste situaties worden gemaakt. De terugwerkende kracht bestaat in de toepassing van de regel op situaties die voor de inwerkingtreding ervan definitief waren. De onmiddellijke werking, waarvoor in beginsel ook het beginsel tempus regit actum geldt, bestaat in de toepassing van de regel op ononderbroken voortdurende situaties; hetgeen betekent dat de temporele werkingssfeer van een regel eveneens de toekomstige gevolgen dekt van ononderbroken situaties die in het verleden zijn ontstaan, maar die vóór de inwerkingtreding van de regel niet definitief waren. Een dergelijke ononderbroken, niet definitieve situatie ontstaat door een werk te gaan exploiteren en te blijven exploiteren nadat het in het publiek domein is gevallen. Met andere woorden, derden te goeder trouw kunnen het feit dat het werk nog wordt geëxploiteerd, niet aanvoeren als een omstandigheid die een definitieve situatie deed ontstaan. Wanneer de exploitatie van het werk vóór de inwerkingtreding van richtlijn 93/98 was beëindigd, zou zich mijns inziens wel een dergelijke definitieve situatie voordoen en zou terugdraaiing ervan neerkomen op de toepassing met terugwerkende kracht van een latere rechtsregel.
Kort samengevat, de situatie van derden te goeder trouw kan slechts definitief worden geacht in de gevallen waarin zij niet enkel met de productie en de exploitatie van een compactdisc zijn begonnen, maar de vervaardigde exemplaren ook hebben verkocht, dat wil zeggen de producten op de markt hebben afgezet. Alleen ingeval richtlijn 93/98 zou bepalen, dat de herleving van naburige rechten zo ver gaat, dat derden te goeder trouw moeten betalen voor compactdiscs die zij vóór 1 juli 1995 hebben vervaardigd, in de handel gebracht en op de markt hebben afgezet, zou zich daadwerkelijk het probleem van een met algemene rechtsbeginselen strijdige terugwerkende kracht voordoen. Dat probleem doet zich in casu niet voor, omdat zowel uit de bewoordingen als uit de geest van richtlijn 93/98 voortvloeit, dat de herleving van naburige rechten geen producten betreft die vóór de bij de gemeenschapsregeling vastgestelde termijn op de markt zijn gekomen.
(16) - Cursivering van mij.
(17) - Arrest van 20 oktober 1993, Phil Collins e.a. (C-92/92 en C-326/92, Jurispr. blz. I-5145, punt 22).
(18) - Om precies te zijn, derden konden de productie en de verkoop van compactdiscs van 1 juli 1995 tot 25 februari 1996 voortzetten en de tussen 25 februari 1996 en 26 mei 1996 vervaardigde exemplaren vrij verkopen.
(19) - In haar opmerkingen verklaart de Italiaanse regering, dat bij de vaststelling van de bestreden regeling rekening is gehouden met de normale kosten van de producenten van fonogrammen, met het bedrag van hun investeringen en met hun winstmogelijkheden. Zij heeft met name erop gewezen, dat wanneer het gaat om werken die tot het publiek domein behoren, de productiekosten bijzonder laag zijn en in de praktijk overeenkomen met de reproductiekosten (vervaardiging van de compactdiscs). Voor de afschrijving van die kosten is het dus voldoende, de producenten de mogelijkheid te bieden hun voorraad gedurende een bepaalde periode na de herleving van de naburige rechten op de markt te brengen, zonder dat zij daarvoor de houders van die rechten een vergoeding behoeven te betalen.
(20) - Verder kan worden gesteld, dat derden die een muziekwerk dat tot het publiek domein behoorde, te goeder trouw hebben geëxploiteerd, zich niet in dezelfde situatie bevinden als degenen die een literair werk exploiteren waarvan de bescherming van het auteursrecht is geëindigd. Men kan op basis van de algemene beginselen voor de uitlegging van het recht dus niet de eis stellen, dat verschillende gevallen op dezelfde manier worden behandeld.
(21) - Arrest van 22 september 1983, Verli-Wallace/Commissie (159/82, Jurispr. blz. 2711).
(22) - Arrest van 22 februari 1990, Busseni (C-221/88, Jurispr. blz. I-495, punt 35). Zie ook arresten van 14 januari 1987, Duitsland/Commissie (278/84, Jurispr. blz. 1); 14 april 1970, Brock (68/69, Jurispr. blz. 171), en 10 juli 1986, Licata/ESC (270/84, Jurispr. blz. 2305).
(23) - Arrest van 14 februari 1990, Delacre e.a./Commissie (C-350/88, Jurispr. blz. I-395, punt 33). Zie ook arresten van 28 oktober 1982, Faust/Commissie (52/81, Jurispr. blz. 3745, punt 27), en 17 juni 1987, Frico e.a. (424/85 en 425/85, Jurispr. blz. 2755, punt 33).
(24) - De nationale wetgever zou hun eventueel een ruimere bescherming kunnen toekennen, doch is daartoe niet verplicht.
Full & Egal Universal Law Academy