Conclusie van de advocaat generaal
1 In de onderhavige hogere voorziening komt Odette Nicos Petrides Co. Inc. (hierna: "Petrides") op tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 17 december 1997(1), waarbij de schadevordering die zij tegen de Commissie had ingesteld wegens bepaalde aspecten van het door haar gevoerde beheer van de gemeenschappelijke marktordening voor ruwe tabak, is afgewezen.
De feiten
2 Hierna zal ik een samenvatting geven van de feiten van het bestreden arrest die in hogere voorziening van belang zijn.
3 Rekwirante is een Griekse onderneming die tabak verwerkt en in Griekenland en in het buitenland verhandelt. Tijdens de relevante periode beschikte zij over een fabriek voor de verwerking van tabak en over een opslagplaats. Naar behoefte huurde zij ook verschillende kleine fabrieken en kantoorruimte. Zij werkte in Griekenland en in het buitenland met tussenhandelaren en andere agenten.
4 De relevante periode loopt van april 1990 en tot eind 1991. In die periode heeft de Commissie drie verkopen bij inschrijving georganiseerd voor tabak in het bezit van het Griekse interventiebureau, en een vierde verkoop bij inschrijving voor tabak in het bezit van drie interventiebureaus, waaronder het Griekse. Op 15 oktober 1991 verhoogde de Commissie de waarborg die de inschrijvers bij het betrokken interventiebureau moesten stellen.
5 De eerste van de litigieuze verkopen (hierna: "eerste inschrijving") werd georganiseerd bij verordening (EEG) nr. 899/90 van de Commissie van 5 april 1990 inzake de verkoop bij inschrijving voor uitvoer van verpakte tabak die in het bezit is van het Griekse interventiebureau.(2) Het ging om vier partijen verpakte ruwe tabak van de oogsten 1986 en 1987, verdeeld naar variëteit, met een totaalgewicht van 5 271 428 kg. De eerste partij omvatte 1 805 903 kg tabak. Deze bestond uit de variëteiten Mavra, Kaba Koulak (klassiek) en Elassona, Kaba Koulak (niet-klassiek), Katerini, Burley EL, en Basmas. De tweede partij omvatte 1 519 836 kg tabak, bestaande uit dezelfde variëteiten, uitgezonderd de variëteit Basmas. De derde partij omvatte 1 519 991 kg tabak, bestaande uit dezelfde variëteiten als de tweede partij. De vierde partij omvatte 425 698 kg tabak, alleen samengesteld uit de variëteiten Mavra en Basmas. Verzoekster diende een bieding in voor de eerste en de tweede partij (voor een bedrag van 76,11 DR respectievelijk 63,11 DR per kg). Op 14 juni 1990 besloot de Commissie evenwel niet op de biedingen van de inschrijvers in te gaan, omdat de aangeboden prijzen tot marktverstoring zouden kunnen leiden.
6 De tweede verkoop (hierna: "tweede inschrijving") werd georganiseerd bij verordening (EEG) nr. 1560/90 van de Commissie van 8 juni 1990 inzake de verkoop bij inschrijving voor uitvoer van verpakte tabak die in het bezit is van het Griekse interventiebureau.(3) Het ging om dezelfde vier partijen verpakte ruwe tabak. Verzoekster diende een bieding in voor de eerste en de vierde partij (voor een bedrag van 91,11 DR respectievelijk 101,11 DR per kg). Op 7 augustus 1990 accepteerde de Commissie de bieding van een andere inschrijver voor de tweede partij (voor een bedrag van 102 DR per kg) en wees alle biedingen voor de eerste, de derde en de vierde partij af met een beroep op het gevaar van marktverstoring.
7 De derde litigieuze inschrijving werd georganiseerd voor de drie resterende partijen, bij verordening (EEG) nr. 2610/90 van de Commissie van 10 september 1990 inzake de verkoop bij inschrijving voor uitvoer van verpakte tabak die in het bezit is van het Griekse interventiebureau.(4) Verzoekster diende een bieding in voor de drie partijen (voor respectievelijk 152,26 DR, 132,26 DR en 121,26 DR per kg). Opnieuw besloot de Commissie op 16 november 1990 om niet op de biedingen van de inschrijvers in te gaan, omdat de geboden prijzen een abnormale ontwikkeling van de markt in de hand konden werken.
8 De vierde litigieuze inschrijving werd georganiseerd bij verordening (EEG) nr. 2436/91 van de Commissie van 7 augustus 1991 inzake de verkoop bij inschrijving voor uitvoer van verpakte tabak die in het bezit is van het Duitse, het Griekse en het Italiaanse interventiebureau.(5) De totale hoeveelheid van 105 486 276 kg omvatte elf partijen, die in vier groepen waren verdeeld. Iedere groep van partijen kon pas te koop worden aangeboden nadat de voorgaande groep was toegewezen. De bedoeling hiervan was, voor alle tabaksoorten biedingen te ontvangen, waarbij zou worden begonnen met de soorten die het minst goed in de markt lagen. Iedere partij omvatte de tabak van een bepaalde soort in het bezit van de respectieve interventiebureaus van de verschillende betrokken lidstaten. Verzoekster heeft aan een aantal verkopen van deze reeks deelgenomen. Haar biedingen voor een kleinere hoeveelheid dan voor de betrokken partijen was vastgesteld, werden afgewezen omdat zij niet voldeden aan de inschrijvingsvoorwaarden.
9 Nadat zij op 13 september 1991 het voor landbouwzaken verantwoordelijke lid van de Commissie schriftelijk had verzocht om opschorting van verordening nr. 2436/91 en daarop geen voor haar bevredigend antwoord had ontvangen, heeft verzoekster bij het Hof beroep ingesteld tot nietigverklaring van genoemde verordening en eveneens van het bericht van openbare inschrijving nr. 91/C/213/04 van de Commissie, gepubliceerd krachtens genoemde verordening (zaak C-232/91). Tevens heeft zij in kort geding de opschorting gevraagd van de bestreden verordening (zaak C-232/91 R). Omdat verzoekster niet individueel door de bestreden handelingen werd geraakt, werd haar vordering in de hoofdzaak niet-ontvankelijk verklaard bij beschikking van 14 november 1991, Petridi en Kapnemporon Makedonias/Commissie(6). Voorts werd ook haar vordering in kort geding afgewezen bij beschikking van 10 januari 1992.
10 Bij verordening (EEG) nr. 162/92 van de Commissie van 24 januari 1992 houdende wijziging van verordening (EEG) nr. 2436/91(7) zijn de laatste drie partijen van de vierde inschrijving in tien partijen verdeeld, op basis van het oogstjaar, omdat aldus een beter resultaat mocht worden verwacht.
De juridische context
11 Op 21 april 1970 heeft de Raad verordening (EEG) nr. 727/70 vastgesteld, houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak.(8) Tot de belangrijkste mechanismen van deze gemeenschappelijke marktordening behoort de verplichting van de interventiebureaus van de lidstaten om in de Gemeenschap geoogste tabaksbladeren die niet via de normale handelskanalen zijn afgezet, tegen de interventieprijs aan te kopen. De afzet van de aldus aangekochte tabak mag de markt niet verstoren; bovendien moeten de kopers een gelijke toegang tot de goederen hebben en gelijk worden behandeld (artikel 7, lid 2, van de verordening).
12 Artikel 3 van verordening (EEG) nr. 327/71 van de Raad van 15 februari 1971 houdende vaststelling van bepaalde algemene voorschriften betreffende de contracten voor eerste bewerking en verpakking, de opslagcontracten, alsmede de afzet van tabak die in het bezit is van de interventiebureaus(9) bepaalt, dat de afzet van tabak geschiedt op grond van prijsvoorwaarden die voor elk geval afzonderlijk worden vastgesteld, rekening houdend met de ontwikkeling en de behoeften van de markt.
13 Artikel 1 van de herhaaldelijk gewijzigde verordening (EEG) nr. 3389/73 van de Commissie van 13 december 1973 houdende vaststelling van de procedures en de voorwaarden bij verkoop van tabak die in het bezit is van de interventiebureaus(10) bepaalt:
"1. De interventiebureaus brengen de in hun bezit zijnde verpakte tabak weer op de markt door middel van een verkoop bij inschrijving of van een openbare verkoop bij opbod.
2. Onder verkoop bij inschrijving wordt verstaan een openbare aanbesteding, na een uitnodiging aan belangstellenden tot het indienen van biedingen, waarbij de partij wordt gegund aan degene wiens bieding het gunstigste is en beantwoordt aan het bepaalde in deze verordening.
(...)"
14 Met betrekking tot de afwikkeling van de verkoop bij inschrijving bepaalt artikel 6, lid 1, van deze verordening:
"Binnen 15 dagen na het verstrijken van de voor het indienen van de biedingen vastgestelde termijn wordt met inachtneming van de ontvangen biedingen volgens de procedure van artikel 17 van verordening (EEG) nr. 727/70 voor elke partij een minimumverkoopprijs vastgesteld of wordt besloten geen gevolg te geven aan de verkoop bij inschrijving."
15 Oorspronkelijk bepaalde artikel 5, lid 1:
"Elke inschrijver moet een waarborg stellen van 0,28 rekeneenheid per kg ruwe tabak bij het betrokken interventiebureau."
Het bedrag van de waarborg werd verhoogd tot 0,339 Ecu per kg verpakte tabak bij verordening (EEG) nr. 3263/85 van de Commissie van 21 november 1985 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 3389/73.(11) In afwijking van artikel 5, lid 1, bij verordening (EEG) nr. 3389/73 werd dit bedrag verhoogd tot 0,7 ECU per kg verpakte tabak bij verordening nr. 3040/91 van de Commissie van 15 oktober 1991 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2436/91.(12)
De procedure voor het Gerecht
16 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 24 juli 1995, heeft rekwirante een beroep tot schadevergoeding tegen de Commissie ingesteld op grond van artikel 215, tweede alinea, EG-Verdrag.
17 Bij arrest van 17 december 1997 heeft het Gerecht het beroep wegens verjaring niet-ontvankelijk verklaard voor zover het de eerste inschrijving betrof, en verworpen wat de drie overige inschrijvingen betreft, met verwijzing van rekwirante in de kosten.
De middelen in hogere voorziening
18 Rekwirante voert de volgende middelen aan:
- ontoereikende motivering wat betreft het bestaan van marktverstoring bij de tweede en de derde inschrijving;
- onjuiste beoordeling van de feiten bij de toetsing van de tweede inschrijving aan het evenredigheidsbeginsel;
- verkeerde opvatting van rekwirantes bewijsmiddelen voor de schending van het gelijkheidsbeginsel bij de tweede inschrijving;
- schending van de artikelen 1 en 6 van verordening nr. 3389/73 en van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 727/70;
- schending van het beginsel van hoor en wederhoor en van het "equality of arms"-beginsel;
- onjuiste beoordeling van rekwirantes stellingen inzake het gelijkheidsbeginsel en de verhoging van de waarborgsom voor de vierde inschrijving;
- schending van verordening nr. 3389/73.
Bij de bespreking van deze middelen zal ik uitgaan van het inleidend verzoekschrift; het gestelde in repliek zal ik slechts in aanmerking nemen voor zover de middelen daardoor nader worden toegelicht of verduidelijkt. Aldus moet mijns inziens namelijk het bepaalde in artikel 117, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering worden opgevat, dat "het verzoekschrift in hogere voorziening en de memorie van antwoord kunnen worden aangevuld door een memorie van repliek en van dupliek".
A - Eerste middel: ontoereikende motivering wat betreft het bestaan van een marktverstoring bij de tweede en de derde inschrijving
19 Dit middel klaagt, dat in het bestreden arrest niet wordt uitgelegd, waarom de maatregel van de Commissie bij de tweede en de derde inschrijving geschikt was ter bereiking van de doelstelling "verstoring van de markt te voorkomen". Deze uitleg was van belang voor de beoordeling, of het evenredigheidsbeginsel bij deze inschrijvingen was geëerbiedigd.
20 Volgens de Commissie bevat dit middel louter een bewering, zodat de ontvankelijkheid ervan twijfelachtig is.
Zij betoogt om te beginnen, dat rekwirante voor het Gerecht bewijs van de gestelde schending van het evenredigheidsbeginsel had moeten leveren. In verband met de onduidelijkheid van de stellingen van rekwirante heeft het Gerecht erop gewezen, dat maatregelen van het beheersorgaan nietig kunnen worden verklaard wanneer zij niet in overeenstemming zijn met het doel, de markt niet te verstoren (punten 50 en 51 van het bestreden arrest). Dit zou het geval kunnen zijn bij onbekendheid met de marktprijzen of, wat op hetzelfde neerkomt, ingeval de betrokken producten tegen prijzen worden verkocht die lager zijn dan de marktprijzen. Bij de derde inschrijving waren ten gevolge van het besluit van de Commissie evenwel hogere prijzen geboden dan bij de tweede, aldus het Gerecht, en op grond hiervan heeft het het argument inzake onbekendheid met de prijzen verworpen. Naar de mening van de Commissie heeft het Gerecht eenzelfde redenering gevolgd ten aanzien van de derde inschrijving.
21 Om de Gemeenschap aansprakelijk te kunnen houden moest rekwirante voor het Gerecht aantonen, dat de Commissie onrechtmatig had gehandeld. In een beroep tot schadevergoeding wordt de onrechtmatigheid van een maatregel van een instelling immers niet vermoed en dit wordt ook niet ambtshalve getoetst. Het Gerecht beoordeelt vervolgens, of het ter zake gestelde gefundeerd is.
Wat de stelling betreft, dat de Commissie haar verplichting had geschonden elke verstoring van de markt bij de verkoop van in het bezit van de interventiebureaus zijnde tabak te voorkomen, kon het niet de taak van het Gerecht zijn, vast te stellen dat de maatregel van de Commissie in overeenstemming was geweest met dit doel. Wel moest het beoordelen, of gezien de voorliggende gegevens dit doel niet was bereikt en of dit mogelijk aan een onrechtmatig handelen van de instelling te wijten was. Rekwirante moest dus op zijn minst aanwijzingen verschaffen, dat de afwijzing van haar biedingen bij de tweede en de derde inschrijving door de Commissie onrechtmatig was geweest, en het was niet aan het Gerecht het tegendeel te bewijzen. Aldus moet, wat de tweede inschrijving betreft, punt 52 van het bestreden arrest worden gelezen, waarin het Gerecht zich beperkt tot de constatering dat de gestelde onbekendheid van de Commissie met de marktprijzen niet strookt met de feiten. Aangezien daarmee de gestelde onrechtmatigheid wegviel, moest de vordering worden verworpen. Met betrekking tot de derde inschrijving heeft het Gerecht in punt 64 van het bestreden arrest in dezelfde zin beslist, dat "verzoekster niets [heeft] aangevoerd waaruit zou blijken, dat de Commissie bij haar besluit van 16 november 1990 om alle biedingen af te wijzen ter voorkoming van marktverstoringen, geen oog zou hebben gehad voor de marktbehoeften (...). Dat de Commissie de markt niet heeft willen verstoren, is totdat het tegendeel wordt bewezen, een aanwijzing dat zij rekening heeft gehouden met de ontwikkeling en de behoeften van de markt, althans zoals zij die op het bewuste moment heeft beoordeeld".
Het middel kan derhalve geen doel treffen, aangezien het een punt betreft dat, zelfs indien het moest worden aanvaard, niet tot vernietiging van de uitspraak in eerste aanleg kan leiden. Het moet derhalve worden verworpen.
B - Tweede middel: onjuiste beoordeling van de feiten bij de toetsing van de tweede inschrijving aan het evenredigheidsbeginsel
22 Dit middel omvat twee onderdelen. In de eerste plaats stelt rekwirante schending van het evenredigheidsbeginsel doordat het Gerecht het besluit van de Commissie van 7 augustus 1990 geschikt heeft geacht ter bereiking van het doel de markt niet te verstoren. Dit besluit omvatte twee tegenstrijdige maatregelen, te weten gunning van de tweede partij en afwijzing van de biedingen voor de vierde partij. Deze laatste maatregel was voorts in strijd met het inschrijvingsbericht en met artikel 1, lid 2, van verordening nr. 3389/73, dat bepaalt dat de partij wordt gegund aan degene wiens bieding het gunstigste is (zie boven, punt 13).
In de tweede plaats heeft het Gerecht haars inziens ten onrechte op de grond dat als gevolg van de afwijzing van de tijdens de tweede inschrijving ontvangen biedingen de marktdeelnemers bij de daaropvolgende inschrijving hogere prijzen hadden geboden, het afwijzingsbesluit in overeenstemming geacht met het doel de markt niet te verstoren. Deze geschiktheid kan alleen naar de ten tijde van de vaststelling van het besluit beschikbare gegevens en niet achteraf worden beoordeeld.
23 Ten aanzien van het eerste middelonderdeel heeft de Commissie aangevoerd, dat de eraan ten grondslag liggende stelling nieuw is en dat het middel daarom moet worden verworpen. Ik ben evenwel van mening, dat weliswaar de specifieke argumenten nieuw zijn, maar het middel als zodanig niet. Niettemin moet het om de volgende redenen worden verworpen.
Voor het Gerecht heeft rekwirante reeds gesteld, dat de Commissie bij de tweede inschrijving het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden. Het Gerecht is eerst ingegaan op de inhoud van dit beginsel en heeft vervolgens geoordeeld, dat verzoekster niet heeft aangegeven ten opzichte van welk doel het besluit van de Commissie nutteloos en ongeschikt zou zijn. Niettemin heeft het daarna echter het optreden van de Commissie getoetst aan het doel, de markt niet te verstoren, en is daarbij tot de slotsom gekomen, dat de gestelde onbekendheid van de Commissie met de prijzen geen steun bood aan de stelling, dat het besluit van 7 augustus 1990 niet met dit doel in overeenstemming was.
Uiteindelijk tracht rekwirante met dit middel alleen maar te bereiken, dat het Hof het bewijs anders beoordeelt dan het Gerecht. Dit is evenwel slechts mogelijk in geval van verkeerde opvatting daarvan of wanneer de bevindingen van het Gerecht op grond van het dossier materieel onjuist zouden zijn.
Aangezien noch het een noch het ander het geval is, moet het eerste middelonderdeel niet-ontvankelijk worden verklaard.
24 Wat het tweede onderdeel betreft is het duidelijk, dat het Gerecht met te verwijzen naar de gunstigere biedingen die de Commissie bij de derde inschrijving ontving na de afwijzing van de tijdens de tweede inschrijving ontvangen biedingen, niet heeft willen zeggen, dat dit besluit van de Commissie in overeenstemming was met doel van de verordening, de markt niet te verstoren. Het heeft daarmee enkel het argument van verzoekster willen afwijzen, dat dit doel niet was bereikt door de onbekendheid van de Commissie met de prijzen. Degene die een aanbod afslaat en vervolgens een beter aanbod krijgt, lijkt goed bekend met de marktprijzen.
In ieder geval gaat het bij deze hele kwestie om een beoordeling van feiten, waartoe uitsluitend het Gerecht bevoegd is. In hogere voorziening is hiervoor geen plaats.
Ook het tweede onderdeel van het tweede middel is dus niet-ontvankelijk.
C - Derde middel: verkeerde opvatting van rekwirantes bewijsmiddelen voor schending van het gelijkheidsbeginsel bij de tweede inschrijving
25 Rekwirante stelt, dat het Gerecht geen schending van het gelijkheidsbeginsel bij de tweede inschrijving heeft aangenomen op grond van een verkeerde lezing van de indicaties in de notulen van het beheerscomité voor tabak en in het speciaal verslag van de Rekenkamer, dat haar bod duidelijk hoger was. Blijkens die notulen vertegenwoordigde haar - afgewezen - bod voor de vierde partij 75 % van de waarde van de tabak, het voor de tweede partij - geaccepteerde - bod van een concurrent daarentegen slechts 23 % van de reële waarde van het product. De Rekenkamer is in zijn rapport tot dezelfde conclusie gekomen (punten 4.53-4.55).
26 Volgens de Commissie betreft dit middel de waardering van de feiten door het Gerecht en is het derhalve niet-ontvankelijk.
27 De "verkeerde voorstelling" waarover rekwirante met betrekking tot deze twee stukken klaagt, houdt duidelijk niet in, dat het Gerecht er geen bewijswaarde aan heeft toegekend, maar dat het er niet dezelfde conclusies als rekwirante uit heeft getrokken. Zij herhaalt aldus letterlijk een van de voor het Gerecht aangevoerde middelen en baseert zich daarbij op dezelfde feiten als waarop het Gerecht dit middel heeft verworpen. Eigenlijk wordt het Hof dus om herbeoordeling van een voor het Gerecht aangevoerd punt verzocht; daarmee zou het Hof echter zijn door artikel 49 van 's Hofs Statuut toegekende bevoegdheid overschrijden.
Het derde middel is dus eveneens niet-ontvankelijk.
D - Vierde middel: schending van de artikelen 1 en 6 van verordening nr. 3389/73 en van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 727/70
28 Het Gerecht heeft volgens rekwirante de artikelen 1 en 6 van verordening nr. 3389/73 en artikel 7, lid 2, van verordening nr. 727/70 geschonden door in de punten 58 en 66 van het bestreden arrest uit te gaan van een ruime beoordelingsvrijheid van de Commissie bij het beheer van de gemeenschappelijke marktordening voor tabak. Een dergelijke vrijheid kan wel worden aanvaard waar economische beleidskeuzes moeten worden gemaakt, maar niet bij eenvoudige beheersbesluiten in een bepaalde landbouwsector zoals hier in geding zijn. Voorts stelt zij, dat verordening nr. 3389/73 de Commissie weliswaar de bevoegdheid verleent om te weigeren een partij toe te wijzen en om eventueel een minimumprijs voor deze partij bepalen, maar haar tevens de verplichting oplegt om die minimumprijs op de partijen van de volgende inschrijving toe te passen.
29 Om te beginnen brengen de inschrijvingsprocedures die de Commissie in het kader van het beheer van de gemeenschappelijke marktordening voor tabak organiseert, de beoordeling van een ingewikkelde economische situatie mee. Zoals de Commissie heeft gesteld, is de vraag, of er gevaar voor marktverstoring bestaat, naar haar aard complex en nimmer automatisch of routinematig te beantwoorden. Dit heeft het Hof beslist in het arrest van 7 april 1992(13) in verband met het beheer van de markt voor alcohol uit wijn door de Commissie. Verordening (EEG) nr. 3877/88(14), die verschillende aspecten van de gemeenschappelijke marktordening in deze sector regelt, voorziet in een soortgelijke inschrijvingsprocedure en in vergelijkbare bevoegdheden voor de Commissie als hier aan de orde zijn. Ook volgens die verordening moet de Commissie er bij elke inschrijvingsprocedure voor zorgen dat bepaalde doelstellingen in acht worden genomen, waaronder "het voorkomen van marktverstoring". Juist in verband met een besluit van de Commissie om wegens gevaar voor marktverstoring geen gevolg te geven aan een inschrijving heeft het Hof beslist, dat "verordening nr. 3877/88 de Commissie een ruime bevoegdheid verleent voor het beoordelen van ingewikkelde economische situaties".(15)
Hetzelfde heeft in deze zaak te gelden. Op gebieden waarop de instellingen over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken, kunnen dus zelfs besluiten waarop achteraf kritiek mogelijk is, niet noodzakelijkerwijs tot aansprakelijkheid van de Gemeenschap leiden, zolang geen sprake is van een kennelijke beoordelingsfout van de instelling.(16)
30 De stelling, dat de artikelen 1 en 6 van verordening nr. 3389/73 zouden zijn geschonden, is nieuw en moet dus worden afgewezen. Immers, "zou het een partij worden toegestaan om een middel dat zij niet voor het Gerecht heeft aangevoerd, voor het eerst voor het Hof aan te voeren, dan zou haar in feite worden toegestaan om bij het Hof, waarvan de bevoegdheid inzake hogere voorziening beperkt is, een geschil aanhangig te maken dat een ruimere strekking heeft dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen. In hogere voorziening is het Hof dus enkel bevoegd om te oordelen over de rechtsbeslissing die is gegeven ten aanzien van de middelen die voor de rechters in eerste aanleg zijn bepleit."(17)
31 Overigens kan de door rekwirante aan de bepalingen van verordening nr. 3389/73 gegeven uitleg niet precies uit de inhoud ervan worden afgeleid en leidt deze bovendien tot kennelijk absurde resultaten. Het heeft immers geen zin, dat de door de Commissie bepaalde minimumprijs voor een partij eveneens voor alle andere in dezelfde inschrijvingsprocedure aangeboden partijen zou moeten gelden, aangezien de kwaliteit en de andere kenmerken van het product sterk uiteen kunnen lopen, wat zich in de praktijk ook voordoet en in casu in het bijzonder bij derde inschrijving het geval is geweest.
Het vierde middel faalt dus eveneens.
E - Vijfde middel: schending van het beginsel van hoor en wederhoor en van het "equality of arms"-beginsel
32 Dit middel klaagt erover, dat het Gerecht de argumenten van rekwirante ten betoge dat de vierde inschrijving en de verhoging van de waarborg onrechtmatig waren, heeft verworpen uitsluitend op grond van de stukken die de Commissie in haar antwoord op schriftelijke vragen van het Gerecht had geciteerd. Gezien het tijdstip waarop deze stukken zijn voorgelegd en de gecompliceerde inhoud ervan, zijn de beginselen van hoor en wederhoor en "equality of arms" geschonden, daar zij niet de mogelijkheid heeft gekregen om de juistheid van de verstrekte informatie te verifiëren. Bovendien heeft de Commissie haar antwoord een dag na de bepaalde termijn bij de griffie van het Gerecht ingediend.
33 Of de termijn tussen mededeling van het antwoord van de Commissie, dat op 15 april 1997 ter griffie van het Gerecht is ontvangen, en de terechtzitting op 2 mei daaraanvolgend voldoende is geweest voor de advocaten van rekwirante om kennis te nemen van de inhoud ervan en er zo nodig op te reageren, kan in het midden blijven. Rekwirante heeft in ieder geval ter terechtzitting de mogelijkheid gehad om de haars inziens noodzakelijke opmerkingen te maken. Aangezien zij dit niet heeft gedaan en evenmin om uitstel van de zitting heeft verzocht teneinde het antwoord van de Commissie nader te bestuderen, noch een voorbehoud heeft gemaakt of protest heeft aangetekend, ben ik van mening, dat zij heeft ingestemd met de betrekkelijk korte termijn die haar ter beschikking stond, en aldus afstand heeft gedaan van een mogelijke procedurele waarborg die zij uit in wezen het beginsel van hoor en wederhoor had kunnen afleiden.
Dat de te late indiening van het antwoord - wat rekwirante de Commissie verwijt en deze bestrijdt - invloed heeft gehad op de rechten van de verdediging, of, zoals artikel 51 van s'Hofs EG-Statuut zegt, afbreuk heeft gedaan aan de belangen van de verzoekende partij, is niet bewezen. Het is dus een zuiver procedureel punt waarover alleen het Gerecht bevoegd is te beslissen, en kan niet tot vernietiging van het bestreden arrest leiden.
Het vijfde middel faalt dus eveneens.
F - Zesde middel: onjuiste beoordeling van rekwirantes stellingen inzake het gelijkheidsbeginsel en de verhoging van de waarborgsom voor de vierde inschrijving
34 Volgens rekwirante heeft het Gerecht de rechtmatigheid van de maatregelen van de Commissie ieder afzonderlijk getoetst en aldus geen rekening gehouden met haar betoog, dat de onrechtmatigheid van het optreden van de Commissie voortvloeide uit die maatregelen in hun geheel genomen.
35 De Commissie merkt op, dat het Gerecht op grond van zijn Reglement voor de procesvoering vrij is zijn arresten te structureren zoals het dit opportuun acht. Bovendien heeft rekwirante haars inziens niet aangetoond, dat een toetsing van de verschillende in geding zijnde maatregelen in hun onderling verband geoorloofd is, en evenmin toegelicht, in hoeverre zij is geschaad doordat geen globale toetsing heeft plaatsgehad.
36 Mijns inziens verwart rekwirante onrechtmatig gedrag en schade. Zoals de Commissie heeft gesteld, kan een verzameling rechtmatige handelingen niet als geheel onrechtmatig worden, wat echter niet noodzakelijkerwijs het geval is wanneer de schade door een veelheid van handelingen is veroorzaakt. Een handeling die als zodanig geen schade veroorzaakt, kan dit immers wel doen samen met andere. Aangezien het Gerecht evenwel enkel de rechtmatigheid van het optreden van de Commissie heeft getoetst en niet hoefde na te gaan of de andere voorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap waren vervuld(18), kan een dergelijk betoog in hogere voorziening niet slagen.
37 Overigens heeft rekwirante niet uiteengezet, welke nieuwe gezichtspunten voor het bewijs van de onrechtmatigheid van het optreden van de Commissie zouden voortvloeien uit een beoordeling van de omstreden maatregelen in hun geheel.
38 Het zesde middel moet daarom eveneens worden afgewezen.
G - Zevende middel: schending van verordening nr. 3389/73
39 Het laatste middel klaagt over een rechtsfout in punt 91 van het bestreden arrest, waarin de Commissie bevoegd wordt geacht de termijn tussen de publicatie van de inschrijving en de datum voor het indienen van biedingen te verkorten van 45 tot 20 dagen. Rekwirante stelt, dat verordening nr. 3389/73 die de procedures en de voorwaarden bij verkoop van tabak in het bezit van interventiebureaus regelt, een fundamentele regeling van hogere rang is.
40 Deze stelling is volstrekt ongegrond. Artikel 3 van verordening nr. 3389/73 van de Commissie bepaalde een termijn van 45 dagen tussen de bekendmaking en de indieningsdatum van biedingen. In het vooruitzicht van de vierde inschrijving is die termijn bij verordening (EEG) nr. 395/90 van de Commissie van 15 februari 1990 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 3389/73 (PB L 42, blz. 46) - met wijziging van genoemd artikel 3 - verkort tot 20 dagen. Lex posterior derogat priori. Deze wijziging berustte, zoals het Gerecht heeft aangegeven, op objectieve en niet-discriminerende gronden (versnelling van de verkoop wegens de aanstaande invoering van de nieuwe gemeenschappelijke marktordening) en bleef binnen de grenzen van de ruime beoordelingsbevoegdheid van de Commissie op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
Dit middel kan derhalve geen doel treffen en moet dus worden afgewezen.
Kosten
41 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat in hogere voorziening toepasselijk is op grond van artikel 118, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordeeld. Wanneer de middelen van rekwirante, zoals ik voorstel, worden afgewezen respectievelijk niet-ontvankelijk verklaard, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Conclusie
42 Om voormelde redenen geef ik het Hof in overweging, het tweede en het derde middel van de onderhavige hogere voorziening niet-ontvankelijk te verklaren, alle andere middelen af te wijzen en rekwirante in de kosten te verwijzen.
(1) - Petrides/Commissie (T-152/95, Jurispr. blz. II-2427).
(2) - PB L 93, blz. 7.
(3) - PB L 148, blz. 7.
(4) - PB L 248, blz. 5.
(5) - PB L 222, blz. 23.
(6) - C-232/91 en C-233/91, Jurispr. blz. I-5351.
(7) - PB L 18, blz. 16.
(8) - PB L 94, blz. 1.
(9) - PB L 39, blz. 3.
(10) - PB L 345, blz. 47.
(11) - PB L 311, blz. 22.
(12) - PB L 288, blz. 18.
(13) - Compagnia italiana alcool/Commissie (C-358/90, Jurispr. blz. I-2457).
(14) - Verordening van de Raad van 12 december 1988 tot vaststelling van de algemene voorschriften voor de afzet van alcohol die is verkregen bij distillatie als bedoeld in de artikelen 35, 36 en 39 van verordening (EEG) nr. 822/87 en die in het bezit is van de interventiebureaus (PB L 346, blz. 7).
(15) - Punt 42 van het arrest, Jurispr. blz. I-2503. Cursivering van mij.
(16) - Arrest van 11 maart 1987, Vandemoortele/Commissie (27/85, Jurispr. blz. 1129, punten 31-34).
(17) - Arrest van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a. (C-136/92 P, Jurispr. blz. I-1981, punt 59).
(18) - Zie punt 109 van het bestreden arrest.
Full & Egal Universal Law Academy