Conclusie van de advocaat generaal
Feitelijk en juridisch kader
1 Van 1990 tot 1992 heeft de Deense onderneming DAT-SCHAUB amba (hierna: "DAT-SCHAUB") rundvlees uitgevoerd naar de Verenigde Arabische Emiraten, waarvoor zij uitvoerrestituties aangevraagd en verkregen heeft.
2 Het Deense Ministerie voor Voedingszaken, Landbouw en Visserij (hierna: "ministerie") kreeg echter op een bepaald ogenblik twijfels over de gegrondheid van de genoemde restituties, en bracht de diensten van de Commissie hiervan op de hoogte.
3 Nadat deze diensten het ministerie hadden laten weten dat de restituties inderdaad niet in hun geheel verschuldigd waren, heeft het ministerie de betaalde restituties verrekend met de gestelde garanties. DAT-SCHAUB heeft vervolgens voor het Østre Landsret tegen het ministerie een vordering ingesteld tot terugbetaling van 9 898 936,75 DKR.
4 Alvorens de prejudiciële vraag die het Østre Landsret het Hof heeft voorgelegd, te kunnen behandelen, moeten wij eerst de bijzondere omstandigheden uiteenzetten waarin de handelsverrichtingen van DAT-SCHAUB zijn verlopen.
5 In Dubai, vorstendom van de Verenigde Arabische Emiraten, werd de vrije zone van Djebel Ali opgericht. DAT-SCHAUB heeft aldaar een vleesverwerkingsbedrijf gevestigd, namelijk Dubai Meat Packers, waar zij haar vlees naar heeft uitgevoerd.
6 Zodra het vlees van communautaire oorsprong in deze zone was aangekomen, werd het door de genoemde onderneming verwerkt alvorens ingevoerd te worden, hetzij in de Verenigde Arabische Emiraten, hetzij in andere staten van de regio, die zoals de Verenigde Arabische Emiraten lidstaten zijn van de Raad voor Samenwerking van de Arabische Golfstaten (hierna: "GCC"), die onderling een vrijhandelszone hebben ingesteld.
7 Deze verschillende verrichtingen, die volstrekt regelmatig zijn volgens de wetgeving van de genoemde landen, zijn geregistreerd in documenten, die door de plaatselijke overheid zijn opgemaakt en zelf ook volstrekt regelmatig zijn. Zo werd niet alleen controle uitgeoefend op de aankomst in de vrije zone maar ook op het vertrek uit deze zone, hetzij naar de Verenigde Arabische Emiraten hetzij naar een andere GCC-lidstaat.
8 Voor zover zich een probleem heeft voorgedaan, heeft dit betrekking op de gemeenschapsregels betreffende de uitvoerrestituties. De door DAT-SCHAUB opgemaakte uitvoerdocumenten op grond waarvan de restituties werden verleend, vermeldden immers als land van bestemming de Verenigde Arabische Emiraten. Dat was juist, in die zin dat het vlees effectief in die Staat ontscheept werd, hoewel het niet voor de hand lag in het licht van wat het gemeenschapsrecht in het kader van de regels betreffende de uitvoerrestituties verstaat onder land van bestemming, en in het licht van de eisen die voor het verlenen van de restituties worden gesteld, aangezien het vlees in de vrije zone werd verwerkt alvorens gedeeltelijk verstuurd te worden naar de Verenigde Arabische Emiraten en gedeeltelijk naar andere GCC-landen.
9 Zowel de procespartijen voor de Deense rechtbank, namelijk DAT-SCHAUB en het ministerie, als de Commissie, die haar opmerkingen bij het Hof heeft ingediend, beschouwen als vaststaand dat op de exporten die DAT-SCHAUB tijdens de beschouwde periode heeft gerealiseerd, de gemeenschapsregels van toepassing zijn die zijn neergelegd in verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten.(1)
10 Van de bepalingen die in deze verordening zijn opgenomen, levert artikel 17 een probleem op. Dit artikel luidt als volgt:
"1. Het product moet binnen twaalf maanden na de datum waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard, in het derde land of in een van de derde landen waarvoor de restitutie is vastgesteld, in ongewijzigde staat zijn ingevoerd. Onder de in artikel 47 vastgestelde voorwaarden kunnen evenwel bijkomende termijnen worden toegekend.
2. Als producten die in ongewijzigde staat zijn ingevoerd, worden aangemerkt producten ten aanzien waarvan op geen enkele manier blijkt dat be- of verwerking heeft plaatsgevonden.
Evenwel geldt dat:
(...)
- wanneer een product, alvorens het is ingevoerd, een be- of verwerking heeft ondergaan, het toch wordt geacht in ongewijzigde staat te zijn ingevoerd, op voorwaarde dat die be- of verwerking is gebeurd in het derde land waar alle bij de be- of verwerking verkregen producten zijn ingevoerd.
3. Het product wordt als ingevoerd beschouwd wanneer de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik in het derde land zijn vervuld."
11 Voor de nationale rechter heeft DAT-SCHAUB betoogd, dat wegens het bestaan van een samenwerkingsakkoord tussen enerzijds de Europese Economische Gemeenschap en de landen die partij zijn bij het Handvest van de Raad voor Samenwerking van de Arabische Golfstaten anderzijds (de Verenigde Arabische Emiraten, Bahrein, Saudi-Arabië, Oman, Qatar en Koeweit), goedgekeurd bij besluit 89/147/EEG van de Raad van 20 februari 1989(2), ook het gedeelte van de producten verkregen na be- of verwerking dat is ingevoerd tot verbruik in de andere GCC-lidstaten dan de Verenigde Arabische Emiraten, voldeed aan de voorwaarde van artikel 17, lid 2, tweede streepje. Het ministerie heeft het tegenovergestelde standpunt verdedigd.
12 Om dit geschil te kunnen beslechten heeft de nationale rechter het Hof de volgende vraag gesteld:
"Moet het begrip $derde land' in artikel 17, lid 2, tweede streepje, van verordening nr. 3665/87 van de Commissie houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, gelet op de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap enerzijds en de landen die partij zijn bij het Handvest van de Raad voor Samenwerking van de Arabische Golfstaten anderzijds, goedgekeurd bij besluit 89/147/EEG van de Raad van 20 februari 1989, aldus worden uitgelegd, dat de landen die partij zijn bij het Handvest als één derde land worden aangemerkt, met als gevolg, dat een product dat na be- of verwerking in de vrije zone Djebel Ali in de Verenigde Arabische Emiraten in een van de andere landen die partij zijn bij het Handvest, wordt ingevoerd en in het vrije verkeer wordt gebracht, moet worden geacht in ongewijzigde staat te zijn ingevoerd in de zin van artikel 17 van de verordening?"
Bespreking
13 Achter deze formulering kan men in feite twee aparte vragen onderscheiden. Een heeft betrekking op de vraag welke betekenis men moet hechten aan artikel 17, lid 2, tweede streepje, van verordening nr. 3665/87, als dusdanig. De andere heeft betrekking op de wijze waarop men de uitlegging van de genoemde bepaling eventueel zou moeten aanpassen, in de veronderstelling dat restituties worden gevraagd voor de exporten naar de GCC-lidstaten op grond van de overeenkomst tussen de Gemeenschap en de genoemde landen. Wij zullen deze twee vragen achtereenvolgens bespreken.
Artikel 17 van verordening nr. 3665/87
14 Artikel 17, lid 1, van verordening nr. 3665/87 maakt de betaling van een gedifferentieerde restitutie afhankelijk van de voorwaarde dat het product binnen een bepaalde termijn in ongewijzigde staat is ingevoerd in het derde land of in een van de derde landen waarvoor de restitutie is ingesteld, waarbij voor de invoer ook wordt verondersteld dat de formaliteiten voor de invoer tot verbruik in dat land zijn vervuld.
15 De betwiste exporten van DAT-SCHAUB, die volgens de documenten die aan de Deense douaneautoriteiten werden overhandigd, voor de Verenigde Arabische Emiraten waren bestemd, voldoen kennelijk niet aan deze voorwaarde, aangezien niet wordt betwist dat het uitgevoerde vlees in de vrije zone van Djebel Ali waar het werd ontscheept, een be- of verwerking onderging voordat de formaliteiten voor invoer tot verbruik werden vervuld, hetzij in de Verenigde Arabische Emiraten, hetzij in andere GCC-landen.
16 Derhalve is het slechts mogelijk DAT-SCHAUB een recht op betaling van de restitutie te verlenen indien de omstandigheden waaronder deze be- of verwerking heeft plaatsgevonden, kunnen worden geacht zeer nauwkeurig overeen te stemmen met die welke in artikel 17, lid 2, tweede streepje, van de verordening zijn bepaald, opdat de invoer na be- of verwerking kan worden gelijkgesteld met een invoer in ongewijzigde staat.
17 Laatstbedoelde bepaling vereist dat de be- of verwerking plaatsvindt in het derde land waar alle bij de be- of verwerking verkregen producten zijn ingevoerd.
18 Vaststaat evenwel, dat het door DAT-SCHAUB uitgevoerde vlees na de verwerking die het heeft ondergaan, deels in de Verenigde Arabische Emiraten en deels in andere GCC-lidstaten is ingevoerd, zodat deze voorwaarde kennelijk niet is vervuld.
19 DAT-SCHAUB tracht ons weliswaar van het tegendeel te overtuigen en voert aan dat, aangezien artikel 17, lid 1, van verordening nr. 3665/87 betrekking heeft op de invoer in ongewijzigde staat "in het derde land of in een van de derde landen", moet worden aangenomen dat zowel de invoer na be- of verwerking in verschillende derde landen waarvoor dezelfde restitutie bepaald is, alsook de invoer in een en hetzelfde derde land recht op restitutie zouden verlenen. Verzoekster laat aldus verstaan dat zij van restituties verstoken is gebleven waarop zij afgaande op de intentie van de communautaire wetgever aanspraak kon maken, en dit wegens een enigszins gebrekkige redactie van artikel 17.
20 Maar volgens de toelichting die de Commissie het Hof heeft verschaft, is er met de tekst van het artikel niets aan de hand. De Commissie heeft het Hof immers medegedeeld, dat verordening nr. 3665/87 van toepassing is op alle restituties ingesteld door de verschillende gemeenschappelijke marktordeningen, en voert aan dat deze daarom alle hierin beoogde gevallen moet omvatten, en met name het geval dat in de gemeenschappelijke marktordening voor rundvlees niet bekend is maar bijvoorbeeld wél in die voor granen, waar gedifferentieerde restituties worden vastgesteld, niet per land maar per zone bestaande uit verschillende landen van bestemming.
21 Daardoor bestaat er geen gebrek aan samenhang tussen het eerste en het tweede lid van artikel 17. De regels voor de toekenning van de restitutie in geval van invoer na be- of verwerking zijn gewoon veel strenger, om redenen van controle waarop wij verder zullen terugkomen, dan die welke van toepassing zijn in geval van invoer in ongewijzigde staat.
De samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de landen die partij zijn bij het Handvest van de GCC
22 De vraag rijst, of de samenwerkingsovereenkomst tussen de GCC-landen en de Gemeenschap, zoals DAT-SCHAUB beweert en de nationale rechter niet uitsluit, verlangt dat de restitutie eveneens wordt betaald ingeval de producten afkomstig van de be- of verwerking van vlees in de vrije zone van Djebel Ali in een ander GCC-land dan de Verenigde Arabische Emiraten tot verbruik worden ingevoerd.
23 Opdat zulks het geval zou zijn, moet DAT-SCHAUB zich op de genoemde overeenkomst kunnen beroepen om de uit de formulering van artikel 17 van verordening nr. 3665/87 volgende uitlegging terzijde te kunnen schuiven, maar moet tegelijkertijd ook een tegenstrijdigheid aan het licht worden gebracht tussen deze uitlegging en de verbintenissen die de Gemeenschap ten aanzien van de GCC-lidstaten aangegaan is.
24 Uit de tekst van de overeenkomst blijkt evenwel dat dit niet het geval kan zijn. Zoals het ministerie en de Commissie opmerken, is deze overeenkomst een kaderovereenkomst, die als dusdanig wellicht belangrijk is, maar waarin de partijen zich er alleen toe verbinden, binnen de grenzen van hun respectieve bevoegdheden, "een zo ruim mogelijk economische samenwerking in te stellen" in een reeks domeinen die in de overeenkomst worden opgesomd.
25 Op het gebied van de handel wordt uitsluitend bepaald dat de partijen elkaar de behandeling van de meestbegunstigde natie verlenen, en wordt verwezen naar latere onderhandelingen over een handelsovereenkomst gericht op concrete maatregelen ter bevordering van de handel.
26 Weliswaar bepaalt artikel 19 van de overeenkomst, zoals DAT-SCHAUB opmerkt, het volgende:
"Op de gebieden die onder deze Overeenkomst vallen, en onverminderd de bepalingen daarvan:
- mogen de regelingen die door de GCC-landen ten opzichte van de Gemeenschap worden toegepast, niet tot enigerlei discriminatie tussen de lidstaten, hun onderdanen of hun bedrijven leiden;
- mogen de regelingen die door de Gemeenschap ten opzichte van de GCC-landen worden toegepast, niet tot enigerlei discriminatie tussen de GCC-landen, hun onderdanen of hun bedrijven leiden."
27 Maar zoals het ministerie en de Commissie aanvoeren, ziet men niet in hoe het feit dat in geval van be- of verwerking vóór invoer betaling van uitvoerrestituties overeenkomstig de gemeenschapswetgeving slechts is toegestaan onder de strenge voorwaarden van artikel 17, lid 2, tweede streepje, van verordening nr. 3665/87, zou kunnen worden beschouwd als een schending van dit discriminatieverbod.
28 Indien een andere GCC-lidstaat dan de Verenigde Arabische Emiraten een vrije zone instelde waar uit de Gemeenschap uitgevoerd vlees werd be- of verwerkt, zou artikel 17 op dezelfde wijze worden toegepast als ten aanzien van de Verenigde Arabische Emiraten. In dat geval zouden de communautaire autoriteiten evenmin oordelen dat de GCC-landen met betrekking tot deze bepaling één enkele derde staat vormen.
29 Anders dan DAT-SCHAUB stelt, is de GCC geen gemeenschappelijke markt, en precies daarom kent de gemeenschappelijke douanereglementering een bijzondere identificatiecode toe aan elk van de GCC-landen. Dat betekent duidelijk, dat een handelsverrichting met één van deze landen niet kan worden gelijkgesteld met dezelfde verrichting met een ander land.
30 Indien men zich strikt hield aan de formulering van de prejudiciële vraag door het Østre Landsret, zou men zich kunnen beperken tot de constatering dat de gemeenschapsreglementering, neergelegd in artikel 17 van verordening nr. 3665/87, ondanks het bestaan van de overeenkomst tussen de Gemeenschap en de GCC-landen, zich ertegen verzet dat aan DAT-SCHAUB restituties worden verleend voor de exporten die aan de orde zijn in het geschil tussen haar en het ministerie.
31 DAT-SCHAUB heeft in haar opmerkingen evenwel een reeks andere redenen aangehaald dan die welke door de nationale rechtbank zijn opgeworpen, die ertoe zouden moeten leiden dat haar een recht wordt verleend op de restituties waarop zij aanspraak maakt.
32 Volledigheidshalve zal ik daaraan een korte bespreking wijden, zoals ook het ministerie en de Commissie in hun opmerkingen gedaan hebben.
Het evenredigheidsbeginsel en de goede trouw
33 DAT-SCHAUB werpt op dat het evenredigheidsbeginsel eraan in de weg staat dat de restituties haar worden geweigerd, nu het restitutietarief ten tijde van de betwiste verrichtingen toch identiek was voor alle GCC-landen. Zij heeft dan ook geen enkele kunstgreep toegepast om zichzelf een onverschuldigd voordeel te verschaffen.
34 Voor haar beogen de gemeenschapsregels die het ministerie haar tegenwerpt, door het opleggen van verplichtingen die de controles moeten vergemakkelijken, te voorkomen dat marktdeelnemers fraude plegen en zich daardoor onrechtmatig verrijken, en kunnen deze regels niet in hun uiterste consequenties worden toegepast wanneer, zoals in het geval van de operaties die zij heeft gerealiseerd, de communautaire financiën niet alleen geen enkel nadeel hebben ondervonden maar bovendien door de autoriteiten van de Verenigde Arabische Emiraten en van de andere GCC-lidstaten nauwgezette controles zijn verricht, waardoor de uiteindelijke bestemming van de goederen met zekerheid kan worden vastgesteld.
35 Het ministerie en de Commissie vechten deze voorstellingswijze van de communautaire regelgeving inzake gedifferentieerde restituties aan. Zij verwijzen naar de rechtspraak van het Hof, dat zich altijd zeer streng heeft getoond ten aanzien van de marktdeelnemers, wanneer het zich moest uitspreken over de gegrondheid en de toepassing van de communautaire regelgeving ter zake.(3)
36 Zij wijzen op de gevaren voor fraude die inherent zijn aan elke operatie van be- of verwerking van de uitgevoerde producten vóór de invoer ervan, dat wil zeggen voordat zij in het vrije verkeer worden gebracht, en voeren aan dat het invoeren van een stelsel van gedifferentieerde restituties altijd aansluit bij de communautaire handelspolitieke doelstellingen om richting te geven aan de handelsstromen, in het kader waarvan een verandering van bestemming niet kan worden aanvaard, ook al zou een dergelijke verandering voor de marktdeelnemer geen enkel financieel voordeel opleveren.(4)
37 De Commissie merkt in dit verband op dat, als men DAT-SCHAUB in haar redenering volgt, haar eveneens restituties zouden moeten worden verleend indien de bewerkte producten vanuit de vrije zone van Djebel Ali opnieuw werden verzonden naar ongeacht welk ander land waarvoor de restituties ten tijde van de feiten evenveel bedroegen als het bedrag dat voor de Verenigde Arabische Emiraten en de andere GCC-landen was vastgesteld, wat erop neerkomt dat men de marktdeelnemers, en niet de autoriteiten van de Gemeenschap, de communautaire handelspolitiek op het vlak van de landbouwproducten zou laten bepalen.
38 Ik ben van mening, dat het Hof DAT-SCHAUB niet mag volgen in de richting waarin deze partij het wil sturen. In de eerste plaats zij opgemerkt dat het een vrij gewaagde stap is zich op het evenredigheidsbeginsel te beroepen om een uitlegging van een gemeenschapsregel te doen aanvaarden die afwijkt van de uitlegging welke uit de formulering ervan blijkt, en tegelijkertijd te beweren, zoals DAT-SCHAUB doet, dat het niet de bedoeling is de geldigheid van de bepaling in twijfel te trekken.
39 Tenslotte sluit ik mij aan bij de zienswijze van de Commissie, dat tegen maatregelen ter vergemakkelijking van de controles die de gemeenschapsautoriteiten moeten uitvoeren, niet kan worden ingebracht dat deze controles pietluttig zijn of in sommige gevallen zelfs ondoeltreffend, voor zover vaststaat dat er een gevaar voor fraude bestaat. Dat is het geval wanneer operaties van be- of verwerking worden uitgevoerd, die van dien aard zijn dat zij weinig scrupuleuze marktdeelnemers mogelijkheden bieden om de gemeenschapsinstanties het spoor van de uitgevoerde producten te doen kwijtraken.
40 Tenslotte meen ik dat de communautaire autoriteiten een minimale beoordelingsbevoegdheid moet worden geboden om de controlemaatregelen in te stellen die zij nodig achten. En daarom acht ik de wijzigingen, in de zin van een versoepeling, die later in de regelgeving zijn aangebracht, niet relevant voor de behandeling die moet worden gegeven aan de handelsverrichtingen van DAT-SCHAUB tussen 1990 en 1992. Het is niet omdat de communautaire wetgever in het licht van de opgedane ervaring op een bepaald ogenblik in staat meent te zijn, zoals hij bijvoorbeeld gedaan heeft in verordening (EG) nr. 1384/95(5), wat betreft de verandering van het land van bestemming in het geval van de gedifferentieerde restituties, de verplichtingen af te zwakken die door de regelgeving aan de marktdeelnemers worden opgelegd, dat men mag aannemen dat de vroegere regelgeving verder ging dan wat krachtens het evenredigheidsbeginsel geoorloofd is.
41 Een dergelijke redenering zou trouwens absoluut niet aansluiten bij de belangen van de betrokken marktdeelnemers, aangezien de Commissie, om niet het verwijt te krijgen dat zij in het verleden te streng optrad, uiteindelijk controles die op een bepaald ogenblik zijn ingevoerd, integraal zou moeten handhaven, zelfs al worden deze niet meer onontbeerlijk geacht.
42 De Commissie moet integendeel de kans krijgen de regelgeving soepel te laten evolueren, om de doelstellingen van de gemeenschappelijke landbouwpolitiek optimaal te verwezenlijken.
43 Dezelfde overwegingen brengen mij ertoe de argumenten van de hand te wijzen die DAT-SCHAUB wil afleiden uit de vaststelling door de Commissie op 30 juni 1993 van een besluit op grond waarvan juist voor operaties als die welke tussen 1990 en 1992 door DAT-SCHAUB zijn verricht, restituties konden worden verleend.
44 Door de Deense overheid ondervraagd over de moeilijkheden waarmee DAT-SCHAUB af te rekenen had wegens het door haar ingestelde bevoorradingsmechanisme van de GCC-landen, oordeelde de Commissie, dat hoewel de toepasselijke regelgeving effectief het verlenen van uitvoerrestituties aan DAT-SCHAUB verbood voor de betrokken transacties, de mogelijkheid bestond om via bijzondere controleregels ter voorkoming van elke mogelijke fraude rekening te houden met de bijzondere toestand in de GCC-landen, en met het belang van DAT-SCHAUB om zijn handelsactiviteit in deze regio te ontwikkelen. Zij heeft bijgevolg de mogelijkheid geschapen om restituties te verlenen voor producten die in de vrije zone van Djebel Ali aankomen en na be- of verwerking aldaar, worden ingevoerd in de verschillende GCC-landen.
45 Volgens DAT-SCHAUB zou deze afwijking van de regelgeving bewijzen dat deze regels althans in haar geval in strijd waren met het evenredigheidsbeginsel.
46 Volgens mij wordt door deze afwijking in de eerste plaats bewezen, dat de vroegere regelgeving wel degelijk de draagwijdte had die het ministerie eraan toekende. Op de tweede plaats blijkt eruit dat de Commissie, op voorwaarde dat men haar aantoont dat het in een bijzonder geval noodzakelijk is de regels aan te passen, altijd bereid is pogingen te ondernemen om de dwingende werking uitgaande van een algemene regeling die noodzakelijk wordt geacht om de belangen van de Gemeenschap veilig te stellen, te verzoenen met de belangen van een marktdeelnemer die door deze regels moeilijkheden ondervindt in zijn voor het overige perfect rechtmatige activiteit.(6)
47 Anderzijds zij opgemerkt, dat dit besluit van 1993 geen terugwerkende kracht had(7), in welk geval DAT-SCHAUB uiteindelijk een voordeel had kunnen verkrijgen ten aanzien van haar concurrenten die hadden kunnen overwegen identieke mechanismen toe te passen, maar die zich daarvan hebben onthouden om niet te handelen in strijd met de regels van artikel 17 van verordening nr. 3665/87 en zo het voordeel van de restituties te verliezen. Tenslotte gold het besluit slechts voor een beperkte periode, zodat de doeltreffendheid ervan kan worden gemeten.
48 DAT-SCHAUB voert ten slotte het beginsel van de goede trouw aan, dat in haar geval toepassing zou moeten vinden, omdat een gemiddelde marktdeelnemer uit de tekst van artikel 17, lid 2, tweede streepje, vooral indien men het artikel in verband brengt met andere bepalingen van verordening nr. 3665/87 die van toepassing zijn in geval van verandering van bestemming van de goederen die recht hebben gegeven op een gedifferentieerde restitutie, zou kunnen opmaken dat verrichtingen van het soort waar zij zich op toelegde, aanspraak gaven op restituties.
49 Ik meen evenwel dat, zelfs al had de betrokken bepaling duidelijker kunnen worden geredigeerd, zij door een redelijk zorgvuldige marktdeelnemer juist kan worden begrepen.
Conclusie
50 Mitsdien geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van het Østre Landsret te beantwoorden als volgt:
"Het begrip $derde land' in artikel 17, lid 2, tweede streepje, van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, kan in het licht van de samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap enerzijds en de landen die partij zijn bij het Handvest van de Raad voor Samenwerking van de Arabische Golfstaten anderzijds (de Verenigde Arabische Emiraten, Bahrein, Saudi-Arabië, Oman, Qatar en Koeweit), zoals goedgekeurd bij besluit 89/147/EEG van de Raad van 20 februari 1989, niet aldus worden uitgelegd dat de landen die partij zijn bij het Handvest, worden beschouwd als één enkel derde land, wat zou betekenen dat een product dat na be- of verwerking in de vrije zone van Djebel Ali in de Verenigde Arabische Emiraten, wordt ingevoerd in een ander land dat partij is bij het Handvest en aldaar in het vrije verkeer wordt gebracht, zou worden geacht te zijn ingevoerd in ongewijzigde staat in de zin van artikel 17 van verordening nr. 3665/87."
(1) - PB L 351, blz. 1.
(2) - PB L 54, blz. 1.
(3) - Zie met name de arresten van 11 juli 1984, Dimex (89/83, Jurispr. blz. 2815); 12 december 1985, Metelmann (276/84, Jurispr. blz. 4057); 31 maart 1993, Möllmann-Fleisch (C-27/92, Jurispr. blz. I-1701); 9 augustus 1994, Boterlux (C-347/93, Jurispr. blz. I-3933), en 28 maart 1996, Anglo Irish Beef Processors International e.a. (C-299/94, Jurispr. blz. I-1925).
(4) - Zie het arrest van 2 juni 1976, Milch-, Fett- und Eier-Kontor (125/75, Jurispr. blz. 771).
(5) - Verordening van de Commissie van 19 juni 1995 tot wijziging van verordening nr. 3665/87 in verband met de tenuitvoerlegging van de Overeenkomst inzake de landbouw in het kader van de Uruguay-Ronde (PB L 134, blz. 14).
(6) - Zie bijvoorbeeld het arrest van 23 februari 1983, Fromançais (66/82, Jurispr. blz. 395).
(7) - Over de onmogelijkheid om het in die omstandigheden een dergelijke draagwijdte te verlenen, zie het arrest van 15 juli 1993, GruSa Fleisch (C-34/92, Jurispr. blz. I-4147).
Full & Egal Universal Law Academy