Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1 Deze nogal ongewone zaak, die voor een prejudiciële beslissing naar het Hof is verwezen door een Finse rechterlijke instantie, Pargas tingsrätten (rechtbank van eerste aanleg te Pargas, hierna: "verwijzende rechter"), betreft de vraag, of nationale voorschriften die het visrecht in particuliere wateren regelen, met het EG-Verdrag strijdige beperkingen van het vrije verkeer van goederen of van de vrijheid van dienstverrichting kunnen vormen.
II - De toepasselijke bepalingen en de feiten
2 De zaak vindt zijn oorsprong in een geschil tussen P. Jägerskiöld, eigenaar van een viswater in de gemeente Kimito (hierna: "verzoeker") en T. Gustafsson (hierna: "verweerder"), die in mei 1997 met een werphengel in verzoekers water heeft gevist.
3 Tot 1996 bezat de eigenaar van het water het recht om er te vissen en regels te stellen voor het vissen door derden in dat water.(1) In die situatie werd verandering gebracht door wet nr. 1045 van 12 december 1996 (hierna: "wet van 1996"), die - behoudens uitzonderingen die voor deze zaak niet van belang zijn - eenieder toestond ook in particuliere wateren te vissen met hengel, werphengel en aas en andere dergelijke vistuigen(2); alleen personen tussen 18 en 65 jaar moeten voor de desbetreffende vergunning aan de staat een jaarlijkse of wekelijkse retributie afdragen voor elke provincie waarin zij vissen. Die retributie is niet verschuldigd voor het vissen in openbare wateren.(3) Verweerder had een visvergunning voor het water van verzoeker. Die wijzigingen in de wettelijke regeling waren bedoeld om rekening te houden met de belangen van sportvissers, die onder de oude regeling als gevolg van de sterk verspreide eigendomsrechten onvoldoende vismogelijkheden hadden. Ook wilde men daarmee het visserijtoerisme en een betere exploitatie van de visbestanden bevorderen. De verwijzende rechter vergelijkt de visvergunningen met industriële-eigendomsrechten, die in de regel eveneens slechts voor een enkel nationaal grondgebied gelden.
4 Ingevolge artikel 89a van de wet van 1982, zoals gewijzigd bij de wet van 1996, wordt de opbrengst van de verkoop van visvergunningen, na aftrek van de door de overheid gemaakte administratiekosten, verdeeld onder de eigenaars van de viswateren naar verhouding van de door ieder van hen gedragen lasten. Op het tijdstip van de prejudiciële verwijzing had nog geen verdeling plaatsgehad, maar de verwijzende rechter merkt op, dat de door de staat verlangde retributies duidelijk onder de tot 1996 geldende marktprijzen liggen en dat de watereigenaars weliswaar nog visvergunningen voor hun wateren kunnen verkopen, maar dat die verkopen sterk zijn afgenomen. Het resultaat van een en ander is een feitelijk staatsmonopolie. Verzoeker beklaagt zich erover, dat er geen betrouwbaar mechanisme bestaat om te bepalen hoe intensief de bevissing van het water van elke eigenaar is, en dat het systeem ertoe leidt, dat eigenaars van minder aantrekkelijk viswater onevenredig worden beloond.
5 Verzoeker vordert voor de nationale rechter een verklaring voor recht, dat verweerder niet zonder zijn toestemming in zijn water mag vissen. Hij stelt, dat de wet van 1996 inbreuk maakt op de bepalingen van het EG-Verdrag inzake het vrije verkeer van goederen respectievelijk de vrijheid van dienstverrichting. Verweerder heeft zich niet uitgelaten over de vraag, of er een conflict tussen de nationale wet en het gemeenschapsrecht bestaat. De nationale rechter heeft het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) de volgende vragen ter prejudiciële beslissing voorgelegd:
"1) Zijn het visrecht of vergunningen om met een werphengel te vissen goederen in de zin van het arrest 7/68, Commissie/Italië (Jurispr. 1968, blz. 590)?
2) Vormt de wijziging van de Finse visserijwet bij wet 1045/1996 een belemmering voor het vrije verkeer van goederen volgens de criteria die zijn vastgesteld in het arrest 8/74, Dassonville (Jurispr. 1974, blz. 837)?
3) Is het recreatiebelang van de sportvissers een rechtvaardigingsgrond in de zin van artikel 36 EG-Verdrag?
4) Is er in casu sprake van landbouwproducten als bedoeld in artikel 37, lid 4, EG-Verdrag?
5) Heeft voornoemd artikel rechtstreekse werking in de zin van het arrest 6/64, Costa/ENEL (Jurispr. 1964, blz. 1203)?
6) Is er in voldoende mate rekening gehouden met de belangen van de landbouwers?
7) Is de wijziging van de Finse visserijwet bij wet 1045/1996 betreffende het vissen met een werphengel in strijd met de bepalingen inzake het vrije verkeer van goederen (of van diensten) van het EG-Verdrag?"
III - Opmerkingen
6 Schriftelijke en mondelinge opmerkingen zijn gemaakt door verzoeker, de Republiek Finland en de Commissie. Verweerder heeft enkel mondelinge opmerkingen gemaakt.
IV - Discussie
Ontvankelijkheid
7 De Commissie betoogt, dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet ontvankelijk is, onder meer omdat er geen echt rechtsgeschil bestaat: volgens de verwijzingsbeschikking heeft verweerder zich niet over de punten van gemeenschapsrecht uitgelaten, wat erop zou kunnen wijzen, dat hij verzoekers standpunt niet betwist.(4) Verder bevat de verwijzingsbeschikking onvoldoende feitelijke informatie en wordt niet duidelijk gemaakt, waarom de nationale rechter de opgeworpen punten van gemeenschapsrecht relevant vindt.(5) Finland betoogt, dat grensoverschrijdende aspecten, waardoor de zaak onder de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht zou komen, ontbreken.(6)
8 De twijfels van de Commissie worden nog versterkt door de opmerkingen van verweerder ter terechtzitting, die in feite over de hele lijn kritiek oefent op het vergunningstelsel. Ofschoon hij verzoekers vordering formeel betwist en stelt, dat dat stelsel wettig is en dat hij er belang bij heeft te weten, of hij ingevolge de wet van 1996 het recht heeft te vissen, deelt hij mee ook zelf landeigenaar te zijn en geïnteresseerd te zijn in de particuliere exploitatie van visrechten en in dienstverrichtingen ten behoeve van toeristen, bijvoorbeeld door het aanbieden van vakantieverblijven. Hij wijst erop, dat bedoeld stelsel gevolgen kan hebben voor de economische activiteit van het verhuren van vakantiehuisjes aan toeristen, met name ook aan toeristen uit het buitenland. Het is voor hem belangrijk om te weten, of hij de toeristen in de toekomst vismogelijkheden op zijn terrein kan bieden, en ook of hijzelf in die wateren mag vissen. Dat is de reden, aldus verweerder, waarom hij het met verzoeker eens was over de noodzaak van een prejudiciële beslissing in de zaak. Hij deelt verzoekers opvatting, dat de wijze waarop de vergunningenopbrengst tussen de eigenaars wordt verdeeld, geen rekening houdt met de meer of minder intensieve bevissing van de betrokken wateren door hengelaars.
9 Het Hof heeft de consequenties van een door partijen eendrachtig gevoerde, op een prejudiciële verwijzing uitlopende nationale procedure reeds onder ogen gezien in de twee zaken Foglia.(7) Het hoofdgeding voor de Italiaanse rechterlijke instanties betrof een Franse heffing bij de invoer van wijn en was aanhangig gemaakt in verband met de tenuitvoerlegging van een clausule in twee onderling samenhangende overeenkomsten betreffende de export en het vervoer van wijn van Italië naar Frankrijk, bepalende dat heffingen die in strijd met het gemeenschapsrecht zouden worden opgelegd, niet ten laste van een in elk der overeenkomsten met name genoemde partij zouden komen. In het arrest Foglia I overwoog het Hof, dat een der partijen in de nationale procedure een neutrale houding had aangenomen, dat zij ter terechtzitting voor het Hof had verklaard aan de procedure deel te nemen wegens het belang van de uitkomst van het geding voor een bepaalde categorie van handelaren, en dat beide partijen voor het Hof hadden betoogd, dat de in geding zijnde en door beide in nagenoeg identieke termen beschreven Franse wettelijke regeling in strijd was met het gemeenschapsrecht.(8) Het Hof concludeerde, dat de nationale procedure, tussen partijen die eendrachtig hetzelfde resultaat nastreefden, een opzetje was. In een dergelijk geval uitspraak doen over de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van heffingen als waarin de Franse wettelijke regeling voorzag, zou het gehele stelsel van rechtsmiddelen die het gemeenschapsrecht de particulieren bood, in gevaar brengen en viel niet te rijmen met de bevoegdheid van het Hof de nationale rechterlijke instanties de elementen van uitlegging van het gemeenschapsrecht te verschaffen, die zij voor een uitspraak in de bij hen aanhangige zaken nodig hebben.(9)
10 In het arrest Fogla II verfijnde het Hof de redenering waarop het die oplossing had gebaseerd. Wegens zijn op samenwerking gebaseerde verhouding tot de nationale rechter moet het Hof weliswaar zoveel mogelijk kunnen afgaan op diens vaststellingen met betrekking tot de noodzaak van een antwoord op de gestelde prejudiciële vragen, maar het moet ook kunnen verifiëren of het bevoegd is; het kan daarom niet onverschillig staan tegenover die vaststellingen in de uitzonderlijke gevallen waarin zij de goede werking van de prejudiciële procedure ongunstig zouden kunnen beïnvloeden. In het bijzonder, aldus het Hof, is het niet bevoegd adviezen te geven over algemene of hypothetische vragen; zijn taak bestaat erin, bij te dragen aan de rechtsbedeling in de lidstaten.(10)
11 Het verband tussen het ontbreken van bevoegdheid in gevallen van collusie tussen partijen of een geënsceneerd geding en de ruimere regel, dat het Hof er niet is om juridische adviezen over algemene of hypothetische kwesties te geven(11), is bevestigd in de zaak Gmurzynska-Bscher, waarin het Hof verklaarde, dat het de vaststellingen van een nationale rechter met betrekking tot de noodzaak van een prejudiciële beslissing slechts in twijfel zou trekken in gevallen waarin het duidelijk is
"dat de procedure van artikel 177 EEG-Verdrag oneigenlijk wordt gebruikt en in feite wordt aangewend om het Hof van Justitie door middel van een fictief geding een uitspraak te ontlokken, of wanneer de aan het Hof ter uitlegging voorgelegde bepaling van gemeenschapsrecht kennelijk niet van toepassing is".(12)
12 In het arrest Bosman verklaarde het Hof, dat "wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van gemeenschapsrecht, (...) het Hof (...) verplicht [is] daarop te antwoorden".(13) Vervolgens herinnerde het eraan, dat het niet zijn taak was, juridische adviezen over algemene of hypothetische vragen te formuleren(14), zodat het niet bevoegd was een prejudiciële uitspraak te doen over een door een nationale rechter voorgelegde vraag, "wanneer duidelijk blijkt, dat de door die rechter gestelde vraag over de uitlegging of de geldigheid van een communautair voorschrift geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding".(15)
13 Omdat het in de eerste plaats de nationale rechter is die moet bepalen of een prejudiciële beslissing in een bepaald geval noodzakelijk is, en het Hof in beginsel gehouden is die beslissing te geven, moet mijns inziens de regel dat het Hof zich enkel onbevoegd kan verklaren wanneer duidelijk is dat het om algemene of hypothetische vragen gaat, uitdrukkelijk ook gelden in gevallen van vermoedelijke verstandhouding of een beweerd opzetje van partijen. Zoals ik in mijn conclusie in de zaak Celestini(16) heb gezegd, moet het beginsel dat het Hof in het geval van "misbruik" van de betrokken procedure moet weigeren een prejudiciële uitspraak te doen, zeer terughoudend en met grote behoedzaamheid worden toegepast. Men kan zeer wel twijfel koesteren aan de realiteit van het geschil in de onderhavige zaak, maar naar mijn gevoelen zijn er te weinig aanwijzingen om de conclusie te wettigen, dat het kennelijk om een kunstmatig geschil of een opzetje gaat. Hoewel beide partijen in het hoofdgeding in hun opmerkingen kritiek hebben op de wet van 1996 en verweerder zich niet rechtstreeks heeft uitgelaten over de in deze zaak opgeworpen punten van gemeenschapsrecht, heeft hij formeel verweer gevoerd en heeft hij voorts verklaard, als visser en als landeigenaar belang te hebben bij de uitkomst van het geding, welke verklaring door de feiten niet wordt weersproken.(17) Dat de partijen het met elkaar eens waren over de noodzaak van een prejudiciële verwijzing, valt zeer wel te rijmen met het bestaan van een geschil over de juiste uitlegging van de betrokken regels van gemeenschapsrecht. Ik adviseer dan ook niet, het verzoek om een prejudiciële beslissing om deze reden niet-ontvankelijk te verklaren.
14 Evenmin meen ik, dat de zaak niet ontvankelijk is wegens onvoldoende feitelijke informatie of onvoldoende toelichting over de relevantie van de punten van gemeenschapsrecht. Ofschoon de toelichting in de verwijzingsbeschikking bij de vraag betreffende de diensten summier is, lijkt zij mij te volstaan, nu de vraag verband houdt met een subsidiair argument van verzoeker en diens betoog met betrekking tot goederen ook van toepassing is op diensten.
Ten gronde
15 Het is duidelijk, dat de eerste zes vragen van de eerste afhangen, namelijk of visrechten of visvergunningen "goederen" zijn in de zin van artikel 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG).
16 Verzoeker betoogt, dat visrechten en visvergunningen goederen zijn zoals omschreven in het arrest Commissie/Italië, omdat zij, juist zoals intellectuele-eigendomsrechten, op geld waardeerbaar en verhandelbaar zijn.(18) Een wettelijke regeling die de vrije beschikking over of de prijsvorming voor dergelijke zaken belemmert, vormt dus een beperking van het vrije verkeer van goederen in de zin van de door het Hof in het arrest Dassonville omschreven criteria(19), wegens de discriminerende werking ten aanzien van, bijvoorbeeld, eigenaars die veel in hun viswater hebben geïnvesteerd. Die beperking, aldus verzoeker, kan niet worden gerechtvaardigd op grond van artikel 36 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 30 EG) of met redenen van algemeen belang zoals bescherming van het milieu, aangezien geen rekening is gehouden met de belangen van de eigenaars van de wateren, alsook wegens de discriminerende wijze van verdeling van de opbrengst van de vergunningen en de afschaffing van prijsmededinging door de vaststelling van een vaste prijs voor de vergunning. De nationale regeling is volgens verzoeker tevens in strijd met artikel 37, lid 4, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 31, lid 3, EG), omdat zij een monopolie voor de verhandeling van vis in het leven roept en onvoldoende rekening houdt met de belangen van de eigenaars van de wateren, die voor het merendeel landbouwers zijn. Voor het geval men zou oordelen, dat de zaak betrekking heeft op de verkoop van visvergunningen en niet op het recht van eigendom op visrechten als zodanig, stelt verzoeker subsidiair, dat de regeling een nieuwe beperking van de vrijheid van dienstverrichting vormt en dus in strijd is met artikel 62 EG-Verdrag (ingetrokken bij het Verdrag van Amsterdam). Volgens verzoeker valt de zaak niet binnen het toepassingsgebied van artikel 222 EG-Verdrag (thans artikel 295 EG), omdat de Finse grondwetscommissie heeft geoordeeld, dat de wetswijzigingen van 1996 geen inbreuk maakten op het recht van particuliere eigendom.
17 De Republiek Finland betoogt, dat het bij de wet van 1996 ingevoerde vergunningstelsel geen betrekking heeft op verhandelbare goederen. Verder maakt dat stelsel deel uit van de Finse eigendomsregeling en wordt het dus beschermd door artikel 222 EG-Verdrag. De regels met betrekking tot de sportvisserij staan ver buiten het toepassingsgebied van het gemeenschappelijk visserijbeleid(20) en beogen hoe dan ook volstrekt andere doelen, die met dat beleid verenigbaar zijn.(21) Verzoeker heeft, ten slotte, geen mogelijk gevolg voor het intracommunautaire handelsverkeer aangetoond(22) en de bescherming van eigendomsrechten als onderdeel van de door de algemene beginselen van gemeenschapsrecht gewaarborgde grondrechten strekt zich niet uit tot situaties die zelf buiten de sfeer van het gemeenschapsrecht vallen.(23)
18 De Commissie betoogt, dat het enkele feit dat de uitoefening van een visrecht kan resulteren in het vangen en verhandelen van vis, niet volstaat om de nationale regeling desbetreffend onder de werkingssfeer van de communautaire voorschriften inzake het vrije verkeer van goederen te brengen.(24) De zaak heeft betrekking op een recht dat enkel in Finland kan worden uitgeoefend, niet op goederen die men kan verpakken en distribueren. Hieraan doet niet af, dat het fysieke bewijs van het recht om te vissen, belichaamd is in een verhandelbaar document. De Gemeenschap heeft geen gebruik gemaakt van haar bevoegdheid het gemeenschappelijk visserijbeleid uit te breiden tot de sportvisserij in zoet water, ten aanzien waarvan de nationale wetgever dus bevoegd blijft. Iemand als een toerist die een visrecht voor water in een andere lidstaat koopt, kan volgens de Commissie als de ontvanger van een grensoverschrijdende dienst worden beschouwd.(25) In de onderhavige zaak is echter van een dergelijk grensoverschrijdend aspect geen sprake.
19 Mijns inziens kan er geen twijfel over bestaan, dat het bij de wet van 1996 ingevoerde stelsel van visvergunningen niet binnen het toepassingsgebied van de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van goederen valt. De definitie van goederen in het arrest van 10 december 1968, Commissie/Italië, als "producten die op geld waardeerbaar zijn en als zodanig het voorwerp van handelstransacties kunnen vormen"(26), kan niet worden geacht te slaan op iedere zaak van waarde die verhandelbaar is. Ik herinner eraan, dat die definitie werd geformuleerd als antwoord op het argument, dat goederen van artistieke, historische, archeologische of etnografische aard niet onder de verdragsbepalingen vielen, die enkel van toepassing zouden zijn op "gewone handelsgoederen". Het Hof was er ook zeer op bedacht, de term "producten" te gebruiken.
20 Goederen, in de normale betekenis van dit woord, bezitten tastbare fysieke eigenschappen. Het Verdrag bevat afzonderlijke bepalingen voor het vrije verkeer van goederen en voor dat van diensten. In de zaken waarin het Hof een oplossing op dit punt moest vinden, koos het voor een functionele benadering en vermeed het een allesomvattende definitie. Een televisiesignaal is, "naar zijn aard", te beschouwen als een dienstverrichting.(27) Ook bij loterij-activiteiten gaat het in wezen om een dienstverrichting; het verzenden van loterijbriefjes, reclamemateriaal en bestelformulieren is geen "doel op zichzelf".(28) Afvalstoffen daarentegen, recycleerbaar of niet, zijn goederen, want "voorwerpen die in het kader van handelstransacties over een grens worden vervoerd, [vallen] binnen de werkingssfeer van artikel 30 (...), ongeacht de aard van die transacties".(29) Het zou dan ook verbazing kunnen wekken, dat het Hof elektriciteit ondanks het ongrijpbaar karakter ervan als een goed heeft beschouwd.(30) Het Hof nam daartoe in aanmerking, dat elektriciteit in het gemeenschapsrecht en in de wetgevingen der lidstaten, alsook in de communautaire nomenclatuur als een goed wordt behandeld. Naar mijn mening is elektriciteit als een specifiek geval te beschouwen, wat wel kan worden gerechtvaardigd met haar functie als energiebron en dus met het feit dat zij concurreert met gas en olie.
21 Ik geloof niet, dat verzoeker baat kan vinden bij de analogie met intellectuele-eigendomsrechten. Stellig is het juist, dat het goederenverkeer door allerlei intellectuele-eigendomsrechten kan worden beïnvloed: dat is het geval bij octrooien, auteursrechten, merkrechten. Het gemeenschapsrecht ziet die rechten zelf echter niet als goederen. Integendeel, volgens het arrest Phil Collins e.a.(31) zijn zij te beschouwen als zaken met een geheel eigen karakter, die niettemin wegens hun economisch effect onder het Verdrag vallen:
"Uit het voorgaande vloeit voort, dat het auteursrecht en de naburige rechten, die met name wegens hun gevolgen voor het intracommunautaire handelsverkeer van goederen en diensten binnen de werkingssfeer van het Verdrag vallen, aan het algemene non-discriminatiebeginsel van artikel 7, eerste alinea, van het Verdrag zijn onderworpen, zonder dat het nodig is een verband te leggen met de specifieke bepalingen van de artikelen 30, 36, 59 en 66 van het Verdrag."
22 Het lijkt mij duidelijk, dat een activiteit bestaande in het aan derden aanbieden van het tijdelijk gebruik van grond of water voor recreatiedoeleinden, een dienst is die, indien verricht ten behoeve van in een andere lidstaat gevestigde personen, binnen het toepassingsgebied van de verdragsbepalingen inzake de diensten valt. Men kan ze vergelijken met de verhuur van sportfaciliteiten, hotelkamers of andere rechten van tijdelijk gebruik van onroerend goed.(32) De omstandigheid dat het resultaat van de transactie kan bestaan in goederen - vis -, is van geen belang, want er zijn tal van diensten die verricht kunnen worden als onderdeel van het proces van productie van goederen.
23 Ik stel het Hof daarom voor, de eerste prejudiciële vraag ontkennend te beantwoorden, met als consequentie dat de tweede tot en met de zesde vraag niet beantwoord behoeven te worden. Wel zullen wij met het oog op de zevende vraag nog moeten nagaan, of de verdragsbepalingen inzake de diensten in het onderhavige geval van toepassing zijn.
24 Vaststaat dat verzoeker en verweerder beide in Finland zijn gevestigd. Het Hof is altijd van oordeel geweest, dat de verdragsbepalingen inzake de vrijheid van dienstverrichting niet van toepassing kunnen zijn op activiteiten die in al hun relevante aspecten tot één lidstaat beperkt blijven.(33) Hoewel partijen in de onderhavige zaak in hun opmerkingen verwijzen naar de mogelijkheid, dat de wet van 1996 de landeigenaars beperkt in hun dienstverrichting ten behoeve van buitenlandse toeristen - verkoop van visvergunningen voor hun wateren, verhuur van vakantiehuisjes en dergelijke -, heeft deze zaak geen betrekking op een transactie met een dergelijk grensoverschrijdend aspect. De procedure houdt dan ook geen verband met een van de in de communautaire voorschriften inzake het vrije verkeer van diensten bedoelde situaties. De theoretische mogelijkheid van een geding als ons thans bezig houdt, doch met dit verschil dat een niet-Finse visser met een krachtens de wet van 1996 afgegeven vergunning in water van verzoeker zou vissen, doet daaraan niets toe of af.(34)
25 Er lijkt bovendien in deze context geen reden te zijn om af te wijken van 's Hofs vaste standpunt in de gevallen waarin een beroep op de verdragsbepalingen inzake de diensten wordt gedaan in het licht van het arrest Pistre e.a.(35), welk arrest wijziging bracht in de traditionele benadering in de gevallen waarin bepaalde nationale producenten zich beriepen op de verdragsregels inzake het vrije verkeer van goederen in verband met nationale voorschriften die een verschil in behandeling tussen binnenlandse en ingevoerde goederen ten nadele van deze laatste in het leven riepen. Zonder dat het nodig is vast te stellen, of de zonder onderscheid toepasselijke bepalingen van de wet van 1996, waarom het hier gaat, beperkingen van de vrijheid van dienstverrichting kunnen vormen, is het duidelijk dat een dergelijk verschil in behandeling zich in casu niet voordoet.
V - Conclusie
26 Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de vragen van Pargas tingsrätten te beantwoorden als volgt:
"1) Visrechten en vergunningen om met een werphengel te vissen, zijn geen goederen in de zin van het EG-Verdrag.
2) De bepalingen van het Verdrag inzake de vrijheid van dienstverrichting zijn niet van toepassing in een situatie waarin alle relevante elementen in de sfeer van één lidstaat liggen."
(1) - Artikel 5 van de Finse visserijwet (lag om fiske) van 16 april 1982 (hierna: "wet van 1982").
(2) - Ter terechtzitting verklaarde de gemachtigde van de Finse regering, dat volgens de wet van 1996 een visser slechts één hengel mag gebruiken. Wil hij met meer hengels vissen, dan moet hij daarvoor toestemming hebben van de eigenaar van het water.
(3) - Artikelen 8, lid 1, en 82, lid 2, van de wet van 1982, zoals gewijzigd.
(4) - Arrest van 15 juni 1995, Zabala Erasun e.a. (C-422/93 C-424/93, Jurispr. blz. I-1567).
(5) - Arresten van 7 april 1995, Grau Gomis e.a. (C-167/94, Jurispr. blz. I-1023), en 19 juli 1996, Lahlou (C-196/96, Jurispr. blz. I-3945).
(6) - Arresten van 18 juni 1991, ERT (C-260/89, Jurispr. blz. I-2925, punt 42), en 29 mei 1997, Kremzow (C-299/95, Jurispr. blz. I-2629, punt 15).
(7) - Arresten van 11 maart 1980 (104/79, Jurispr. blz. 745; hierna: "arrest Foglia I"), en 16 december 1981 (244/80, Jurispr. blz. 3045; hierna: "arrest Foglia II").
(8) - Arrest Foglia I, punten 6, 9 en 10.
(9) - Ibidem, punten 10 en 11.
(10) - Arrest Foglia II, punten 14-19.
(11) - Waar een verzoek om een prejudiciële beslissing eerst in de loop van de procedure hypothetisch wordt, doordat een van de partijen in het hoofdgeding de andere partij met betrekking tot het voorwerp van het geschil gelijk geeft, zoals in de zaak Zabala Erasun (reeds aangehaald) gebeurde, hebben wij, zo lijkt mij, te doen met een ander geval van toepassing van deze algemene regel.
(12) - Arrest van 8 november 1990 (C-231/89, Jurispr. blz. I-4003, punt 23). Zie ook arrest van 18 oktober 1990, Dzodzi (C-297/88 en C-197/89, Jurispr. blz. I-3763, punt 40). Opgemerkt zij, dat het Hof de zaak Meilicke (C-83/91, Jurispr. blz. I-4871, punt 30) als een verzoek om een hypothetische uitspraak beschouwde, ook al oordeelde het (punt 18), dat de beide procespartijen eenzelfde opvatting hadden over de punten van gemeenschapsrecht en dat de argumenten van de verzoeker moesten leiden tot verwerping van zijn vordering. In punt 5 van zijn conclusie merkte advocaat-generaal Tesauro op, dat de procedure kennelijk door de verzoeker georkestreerd was, hetgeen twijfel deed rijzen aan de realiteit van het geschil.
(13) - Arrest van 15 december 1995 (C-415/93, Jurispr. blz. I-4921, punt 59, cursivering van mij).
(14) - Ibid., punt 60.
(15) - Ibid., punt 61, cursivering van mij. Dat vereiste van duidelijkheid is voor het eerst gesteld in het arrest van 16 juni 1981, Salonia (126/80, Jurispr. blz. 1563, punt 6) en werd nadien in een hele reeks zaken herhaald. Men mag aannemen, dat het Hof dat woord in het arrest Bosman welbewust heeft gebruikt, omdat advocaat-generaal Lenz zich in zijn conclusie de vraag had gesteld, wat de betekenis was van het feit dat het in een klein aantal zaken was weggelaten.
(16) - Arrest van 5 juni 1997 (C-105/94, Jurispr. blz. I-2971, punt 24).
(17) - De omstandigheid dat de twee partijen in het hoofdgeding althans gedeeltelijk eenzelfde belang kunnen hebben bij een bepaald resultaat van een prejudiciële verwijzing, betekent niet altijd, dat het verzoek als misbruik van procedure moet worden beschouwd (zie, bijvoorbeeld, de vordering en de, in gelijke termen gestelde, vordering in reconventie in arrest van 3 juni 1999, Colim (C-33/97, Jurispr. blz. I-3175).
(18) - Arrest van 10 december 1968 (7/68, Jurispr. blz. 618).
(19) - Arrest van 11 juli 1974 (8/74, Jurispr. blz. 837).
(20) - Zie verordeningen (EEG) nr. 3760/92 van de Raad van 20 december 1992 tot invoering van een communautaire regeling voor de visserij en de aquacultuur (PB L 389, blz. 1), en nr. 3759/92 van de Raad van 17 december 1992 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur (PB L 388, blz. 1).
(21) - Arresten van 1 april 1982, Holdijk e.a. (141/81-143/81, Jurispr. blz. 1299, punt 12); 6 oktober 1987, Nertsvoederfabriek Nederland (118/86, Jurispr. blz. 3883, punt 12), en 18 december 1997, Annibaldi (C-309/96, Jurispr. blz. I-7493, punt 20).
(22) - Arresten van 23 oktober 1986, Driancourt (355/85, Jurispr. blz. 3231, punt 10); 18 maart 1980, Debauve e.a. (52/79, Jurispr. blz. 833, punt 9); 23 april 1991, Höfner en Elser (C-41/90, Jurispr. blz. I-1979, punt 37), en 16 januari 1997, USSL nr. 47 di Biella (C-134/95, Jurispr. blz. I-195, punt 19).
(23) - Arresten Annibaldi, punten 21-23, en Kremzow, beide reeds aangehaald.
(24) - Voor de definitie van goederen, zie arresten van 9 juli 1992, Commissie/België (C-2/90, Jurispr. blz. I-4431), 30 april 1974, Sacchi (155/73, Jurispr. blz. 409), 24 maart 1994, Schindler (C-275/92, Jurispr. blz. I-1039), 27 april 1994, Almelo e.a. (C-393/92, Jurispr. blz. I-1477), en 2 april 1988, Outokumpu (C-213/96, Jurispr. blz. I-1777).
(25) - Arresten van 31 januari 1984, Luisi en Carbone (286/82 en 26/83, Jurispr. blz. 377), en 2 februari 1989, Cowan (186/87, Jurispr. blz. 195).
(26) - Arrest aangehaald in voetnoot 18.
(27) - Arrest Sacchi, reeds aangehaald, punt 6.
(28) - Arrest Schindler, reeds aangehaald, punt 22.
(29) - Arrest Commissie/België, reeds aangehaald, punt 26. Zie ook de punten 27 en 28 van het arrest.
(30) - Arrest Almelo, reeds aangehaald, en arrest van 23 oktober 1997, Commissie/Italië (C-158/94, Jurispr. blz. I-5789, punten 14-20).
(31) - Arrest van 20 oktober 1993 (C-92/92 en C-326/92, Jurispr. blz. I-5145, punt 27).
(32) - Zie, bijvoorbeeld, arrest van 17 juni 1997, Sodemare e.a. (C-70/95, Jurispr. blz. I-3395, punten 36-40).
(33) - Arrest Debauve e.a., reeds aangehaald, punt 9; arresten van 16 februari 1995, Aubertin e.a. (C-29/94-C-35/94, Jurispr. blz. I-301, punt 9), en USSL nr. 47 di Biella, reeds aangehaald, punt 19.
(34) - Zie arrest Höfner en Elser, reeds aangehaald, punt 39.
(35) - Arrest van 7 mei 1997 (C-321/94-C-324/94, Jurispr. blz. I-2343, punt 45).
Full & Egal Universal Law Academy