Conclusie van de advocaat generaal
1 Deze conclusie heeft betrekking op twee door het Bundesgerichtshof (Duitsland) aan het Hof voorgelegde vragen om vast te stellen, of een zuivelproduct waarin het natuurlijk melkvet uit diëtetische overwegingen door plantaardig vet is vervangen, nochtans onder de benaming "kaas" mag worden verkocht, waarbij, zo nodig, op de verpakking aanduidingen over de samenstelling en de bijzondere gebruikbestemming van het product worden aangebracht. Het antwoord op deze vragen hangt inzonderheid af van de uitlegging van verordening (EEG) nr. 1898/87 van de Raad van 2 juli 1987 betreffende de bescherming van de benaming van melk en zuivelproducten bij het in de handel brengen(1) (hierna: "verordening"), alsmede van artikel 3, lid 2, van richtlijn 89/398/EEG van de Raad van 3 mei 1989 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen(2) (hierna: "richtlijn").
Het wettelijk kader
2 Artikel 2, lid 2, van de verordening bepaalt: "(...) wordt verstaan onder zuivelproducten, producten die uitsluitend zijn verkregen uit melk, met dien verstande dat stoffen die voor de bereiding ervan noodzakelijk zijn mogen worden toegevoegd, mits deze stoffen niet worden gebruikt voor de volledige of gedeeltelijke vervanging van één van de bestanddelen van de melk". Lid 3 van dit artikel bepaalt bovendien: "De benaming $melk' en de voor de omschrijving van zuivelproducten gebruikte benamingen mogen eveneens worden gebruikt samen met één of meer woorden voor het omschrijven van samengestelde producten waarvan geen enkel element de plaats van een bestanddeel van melk inneemt of met dit doel wordt toegevoegd, en waarvan de melk of een zuivelproduct een essentieel bestanddeel is, hetzij door zijn hoeveelheid, hetzij omdat zijn effect kenmerkend is voor het product." Een van de benamingen die uitsluitend voor zuivelproducten zijn gereserveerd en die in de bijlage bij de verordening zijn genoemd, is "kaas".
Artikel 3, lid 1, van de verordening bepaalt, dat de in artikel 2 bedoelde benamingen "niet voor andere dan de in dat artikel bedoelde producten (mogen) worden gebruikt".(3)
3 In artikel 3, lid 2, van de richtlijn is bepaald, dat de in artikel 1 bedoelde producten (te weten de voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen(4)) "eveneens [moeten] voldoen aan de dwingende bepalingen die voor gewone levensmiddelen gelden, behalve voor wat betreft de wijzigingen die in die producten zijn aangebracht om ze in overeenstemming te brengen met de definities van artikel 1".
De feiten en de prejudiciële vragen
4 Bij de verwijzende rechter is een rechtsgeding aanhangig tussen Schutzverband gegen Unwesen in der Wirtschaft eV (een vereniging tot bestrijding van oneerlijke mededinging; hierna: "Schutzverband") en Union Deutsche Lebensmittelwerke GmbH (hierna: "UDL"), fabrikante van voornamelijk kazen en de daarvan afgeleide producten, waaronder levensmiddelen bestemd voor bijzondere of dieetvoeding. UDL brengt onder het merk Becel levensmiddelen in de handel waarin dierlijke vetten, die verzadigde vetzuren bevatten, zijn vervangen door plantaardige vetten die rijk zijn aan meervoudig onverzadigde vetzuren en tot eigenschap hebben dat zij het cholesterolgehalte verlagen. Het geding betreft inzonderheid twee producten uit het Becel-assortiment, die sinds het begin van de jaren 90 worden verkocht onder de benaming "dieetbroodbeleg". Het geschil vindt zijn oorsprong in het voornemen van UDL om deze producten voortaan te verkopen onder de benamingen "Hollandse lekkernij - dieetkaas met plantaardige olie ter vervanging van de voedingsvetten" en "dieetsmeerkaas met plantaardige olie ter vervanging van de voedingsvetten". Voorts wil UDL op de verpakking van het eerstgenoemde product vermelden: "deze dieetkaas is rijk aan meervoudig onverzadigde vetzuren", en op die van het andere product: "deze dieetkaas is ideaal voor een cholesterolbewust voedingspatroon".
5 De Schutzverband heeft UDL voor het Landgericht Hamburg gedaagd omdat zij de benamingen en beschrijvingen waarvan UDL de omstreden producten wilde voorzien, ongeoorloofd achtte omdat kaas een zuivelproduct is, terwijl in de samenstelling van genoemde producten het melkvet geheel door plantaardig vet is vervangen. Hij vorderde dus dat aan UDL verboden zou worden, voor de omstreden producten de benaming "kaas" te gebruiken en de voormelde beschrijvingen op de verpakking daarvan aan te brengen. De vordering werd door het Landgericht verworpen. Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld en onder wijziging van het vonnis van de eerste instantie wees de appèlrechter de vordering van de Schutzverband toe.
6 UDL heeft daarop "Revision" ingesteld voor het Bundesgerichtshof, dat aan het Hof in de hiernavolgende bewoordingen prejudiciële vragen heeft voorgelegd met betrekking tot de uitlegging van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1898/87 en artikel 3, lid 2, van richtlijn 89/398. De door het Bundesgerichtshof gestelde vragen luiden:
"1) Moet artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1898/87 van de Raad van 2 juli 1987 betreffende de bescherming van de benaming van melk en zuivelproducten bij het in de handel brengen, mede gelet op de regeling van artikel 3, lid 2, van richtlijn 89/398/EEG van de Raad van 3 mei 1989 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen, aldus worden uitgelegd, dat een zuivelproduct, waarbij uit diëtetische overwegingen het melkvet is vervangen door plantaardig vet, niet als kaas mag worden aangeduid?
2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: is het van belang, dat de aanduiding $dieetkaas (respectievelijk dieetsmeerkaas) met plantaardige olie ter vervanging van de voedingsvetten' op de verpakking wordt aangevuld met een toelichting als $deze dieetkaas is rijk aan meervoudig onverzadigde vetzuren (...)', respectievelijk $deze dieetkaas is ideaal voor een cholesterolbewust voedingspatroon (...)'?"
Argumenten van partijen
7 Met betrekking tot de eerste prejudiciële vraag stelt UDL, dat de relevante bepalingen van de verordening en van de richtlijn (te weten artikel 3, lid 1, van de verordening en de artikelen 3, lid 2, en 7, leden 1 en 2, van de richtlijn) aldus moeten worden uitgelegd, dat de dieetversie van een gewoon levensmiddel in beginsel alle eigenschappen van het normale levensmiddel moet hebben, inzonderheid voor wat betreft de vervaardiging, de samenstelling en de aard van het product, alsmede zijn benaming en etikettering. UDL meent, dat de dieetversie slechts aan de voor het gewone levensmiddel geldende voorschriften moet voldoen voor zover dit geen bezwaar oplevert om het als een voor bijzondere voeding bestemd levensmiddel te gebruiken. Daaruit zou volgens UDL volgen, dat de dieetversie van het levensmiddel dezelfde verkoopbenaming als die van het overeenkomstige gewone product moet dragen. In casu is UDL van mening, dat het gebruik van het woord "kaas" geoorloofd is, omdat de consument op grond van dat woord het betrokken product kan onderscheiden van soortgelijke producten.
Dit zou met name blijken uit de bewoordingen van artikel 3, lid 2, van de richtlijn, bepalende dat de door de kwalificaties "dieet" of "regime" gekenmerkte producten "(...) eveneens [moeten] voldoen aan de dwingende bepalingen die voor gewone levensmiddelen gelden, behalve voor wat betreft de wijzigingen die in die producten zijn aangebracht om ze in overeenstemming te brengen" met het diëtetisch doel of inherent zijn aan het dieet.
Volgens UDL volgt dezelfde conclusie dwingend uit de doelstelling levensmiddelen tegen imitaties te beschermen. In deze opvatting vormen de dieetversies van levensmiddelen producten met eigen kenmerken en moeten zij daarom eveneens tegen imitatie worden beschermd.
8 Met betrekking tot de tweede prejudiciële vraag, subsidiair gesteld voor het geval op de eerste vraag zou worden geantwoord dat de omstreden diëtetische producten niet de benaming mogen dragen die voor de overeenkomstige gewone producten wordt gebruikt, te weten de benaming "kaas", stelt UDL, dat voor de aanduiding van een dergelijk product twee mogelijkheden bestaan: terugvallen op de naam die pleegt te worden gebruikt, dat wil zeggen "kaas", dan wel een beschrijvende aanduiding van het product die echter ook de term "kaas" moet bevatten om haar functie van een doeltreffende aanduiding van het product te vervullen.
9 Vervolgens onderzoekt UDL de verenigbaarheid met het evenredigheidsbeginsel van artikel 3, lid 1, van de verordening, voor wat betreft het gebruik van het woord "kaas" ter beschrijving van de omstreden dieetproducten. UDL merkt in het algemeen op, dat de genoemde bepaling ertoe strekt de consument te beschermen en optimale mededingingsvoorwaarden voor de verkoop van zuivelproducten te verzekeren. De eerste doelstelling zou automatisch worden bereikt, omdat ervan mag worden uitgegaan, dat de consumenten van dieetproducten, die te kampen hebben met een te hoog cholesterolgehalte en analoge problemen, goed op de hoogte zijn van de eigenschappen van het product en met name van de vervanging van het melkvet door een ander vet van plantaardige oorsprong en dit in ieder geval uit de toelichting op de verpakking kunnen vaststellen. Ten aanzien van de bescherming van de mededingingsvoorwaarden betoogt UDL, dat de dieetproducten veel duurder zijn dan de overeenkomstige gewone producten en dus, mede omdat zij niet als een imitatie daarvan worden verkocht, niet geacht kunnen worden daarmede te concurreren.
10 De Schutzverband stelt daarentegen, dat krachtens de reeds aangehaalde bepalingen van de verordening en van de richtlijn een zuivelproduct waarvan het melkvet is vervangen door plantaardig vet, niet "kaas" mag worden genoemd en dat eventuele toelichtingen op de verpakkingen niet het verwarringsgevaar tussen het dieetproduct en het overeenkomstige melkvet bevattend product kunnen voorkomen.
11 Ten aanzien van de eerste vraag is de Duitse regering van mening, dat de relevante bepaling van de richtlijn moet worden uitgelegd met inachtneming van de verordening. Op grond van deze redenering komt de Duitse regering tot de conclusie, dat de uit diëtetische overwegingen toegestane afwijkingen van de benamingsvoorschriften uitsluitend betrekking hebben op veranderingen van levensmiddelen die noodzakelijk zijn om het diëtetisch doel te bereiken, doch zich niet uitstrekken tot de benaming van de producten, waarvoor blijft gelden, dat zij niet tot verwarring bij de consument mogen leiden. In deze gedachte is juist kenmerkend voor zuivelproducten, dat zij uitsluitend uit melk zijn verkregen. Hieruit volgt, dat de door UDL voorgestelde beschrijvende toevoegingen ter omschrijving van de twee omstreden dieetproducten, waarin het woord "kaas" voorkomt ofschoon die producten niet het bestanddeel melkvet bevatten, bij de consument een verkeerd beeld kunnen oproepen en daarom niet verenigbaar zijn met de reeds genoemde bepalingen van de verordening en van de richtlijn.
Subsidiair geeft de Duitse regering in overweging, de tweede vraag ontkennend te beantwoorden, uiteraard uitsluitend voor het geval op de eerste vraag een bevestigend antwoord wordt gegeven.
12 De Oostenrijkse regering betoogt, dat volgens de relevante bepalingen de benaming "kaas" niet kan worden gebruikt voor een product waarvan de samenstelling aanzienlijk verschilt van die van het overeenkomstige gewone product. Dit verbod kan niet worden overwonnen door een specificatie waaruit blijkt dat het een dieetproduct betreft. De Oostenrijkse regering acht het in ieder geval noodzakelijk een andere benaming te gebruiken. De toevoeging van toelichtingen kan er, volgens haar, evenmin toe leiden dat het woord "kaas" mag worden gebruikt.
13 De Franse regering legt artikel 3, lid 1, van de verordening aldus uit, dat een zuivelproduct in de samenstelling waarvan het melkvet is vervangen door plantaardig vet, niet kaas mag worden genoemd. Zij is van mening, dat de toevoeging van toelichtingen op de verpakking, waarin eveneens het woord "kaas" voorkomt, niets verandert aan het verbod om dat woord voor het omstreden product te gebruiken.
14 De Griekse regering huldigt een opvatting die met die van de Franse regering overeenkomt.
15 De Commissie ten slotte is eveneens van mening dat een zuivelproduct waarvan het melkvet is vervangen door een andere stof, die niet uit melk is verkregen, niet "kaas" kan worden genoemd; voorts beklemtoont zij, dat deze opvatting strookt met de bepalingen van de richtlijn, omdat deze slechts betrekking hebben op voedingseigenschappen van dieetproducten, zonder evenwel van invloed te zijn op de voorschriften betreffende de benaming van de producten.
De eerste vraag
16 Met de eerste vraag wenst de nationale rechter van het Hof te vernemen, of het verbod van artikel 3, lid 1, van de verordening, volgens hetwelk de benamingen van zuivelproducten niet mogen worden gebruikt voor andere producten, zich overeenkomstig artikel 3, lid 2, van de richtlijn ook uitstrekt tot uit melk verkregen producten, waarin het melkvet uit diëtetische overweging door plantaardig vet is vervangen. Alle lidstaten die opmerkingen hebben ingediend, Schutzverband en de Commissie betogen, dat genoemd verbod ook in dat geval van toepassing is. UDL is de enige die de tegengestelde opvatting huldigt.
17 Ter beantwoording van deze vraag dient om te beginnen te worden vastgesteld, of het verbod van artikel 3, lid 1, van de verordening van toepassing is op voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen (hierna: "dieetproducten"). Zoals reeds uiteengezet, bepaalt artikel 3, lid 2, enerzijds, dat dieetproducten moeten voldoen aan de voor het overeenkomstige gewone levensmiddel geldende dwingende bepalingen, doch formuleert het anderzijds een uitzondering op dit verbod, door de mogelijkheid van wijzigingen in de samenstelling van die producten te aanvaarden, welke noodzakelijk zijn om deze geschikt te maken voor het bijzondere voedingsdoel waarvoor zij bestemd zijn.
Daarom moet worden vastgesteld, of het verbod van het gebruik van de benaming "kaas" ook voor deze uitzondering geldt.
18 Volgens UDL is ingevolge de bepalingen van het gemeenschapsrecht die de bescherming waarborgen van voor bepaalde levensmiddelen gebruikte benamingen, de aanduiding van de dieetversies van deze producten met de verkoopbenamingen van de levensmiddelen voor gewoon gebruik niet alleen toegestaan, doch is het gebruik van die benamingen, ook voor de dieetversies, zelfs dwingend voorgeschreven.
19 Ik kan deze opvatting niet onderschrijven. Eerder geldt het tegengestelde standpunt van de Duitse regering, volgens hetwelk de in de richtlijn vervatte afwijking uitsluitend betrekking heeft op de bepalingen inzake de samenstelling van het product voor normale consumptie en niet op de bepalingen inzake de benaming. Deze uitlegging strookt met de bewoordingen van artikel 3, lid 2, van de richtlijn, waar wordt gesproken van de "wijzigingen die in die producten zijn aangebracht" en aldus wordt verwezen naar de samenstelling van die producten en niet naar de benaming ervan. Dit volgt ook uit de omstandigheid dat de richtlijn de samenstelling regelt van voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen en een opsomming bevat van de informatie die in aansluiting aan de in richtlijn 79/112/EEG(5) genoemde inlichtingen aan de consument moet worden verschaft, zodat zij in geen enkel opzicht betrekking heeft op de benaming ervan, die derhalve uitsluitend door de verordening wordt geregeld. Daaruit volgt dat in beginsel dieetproducten kunnen worden verkocht onder de generieke benaming van het overeenkomstige gewone levensmiddel, aangevuld met de vermelding van hun bijzondere voedingseigenschappen (zie artikel 7, lid 2, van de richtlijn). Deze parallelliteit is echter niet mogelijk wanneer de dieetproducten een samenstelling hebben die niet voldoet aan de bepalingen inzake het gebruik van die benamingen(6).
20 Bij toepassing van deze criteria op het onderhavige geval moet worden erkend, dat de fabrikant de bestanddelen van een zuivelproduct mag wijzigen om het aan te passen aan het bijzondere voedingsdoel en dat hij het aldus gewijzigd product in de handel mag brengen. Maar er dient op te worden gewezen, dat dat product niet met de beschermde benaming op de markt mag worden gebracht, wanneer het niet de bestanddelen van een zuivelproduct bevat, die krachtens de bepalingen van de verordening daarvoor noodzakelijk zijn.
21 Daaruit volgt, dat toepassing van de in de richtlijn voorziene afwijking niet tot gevolg kan hebben, dat de verordening niet van toepassing zou zijn. Deze heeft immers een specifieke inhoud, bestaande in de bescherming van de benamingen van melk en zuivelproducten en prevaleert als lex specialis boven de richtlijn, die daarentegen, omdat zij zonder onderscheid betrekking heeft op alle producten met een bijzonder voedingsdoel, een algemene strekking heeft.
22 Deze conclusie wordt bevestigd door het feit, dat de verordening geen enkele bepaling bevat om diëtetische levensmiddelen van haar werkingssfeer uit te zonderen(7), alsook dat, parallel daarmede, de richtlijn niets bepaalt op grond waarvan de toepassing van de verordening zou kunnen worden uitgesloten.
23 Na aldus het algemene kader te hebben geschetst, moet thans worden vastgesteld, of het uit artikel 3, lid 1, van de verordening volgende verbod om de benaming "kaas" te gebruiken, eveneens moet gelden voor uit melk verkregen producten waarbij uit diëtetische redenen het melkvet is vervangen door plantaardig vet.
24 Artikel 2, lid 2, juncto de bijlage van de verordening, schrijft voor dat de benaming "kaas" uitsluitend mag worden gebruikt voor "zuivelproducten", waaronder moeten worden verstaan producten die uitsluitend zijn verkregen uit melk. Datzelfde lid 2 bepaalt echter "dat stoffen die voor de bereiding ervan noodzakelijk zijn mogen worden toegevoegd, mits deze stoffen niet worden gebruikt voor de volledige of gedeeltelijke vervanging van één van de bestanddelen van de melk". Evenzo bepaalt lid 3 van dit artikel, dat "de voor de omschrijving van zuivelproducten gebruikte benamingen eveneens mogen worden gebruikt samen met één of meer woorden voor het omschrijven van samengestelde producten waarvan geen enkel element de plaats van een bestanddeel van melk inneemt of met dit doel wordt toegevoegd, en waarvan de melk of een zuivelproduct een essentieel bestanddeel is, hetzij door zijn hoeveelheid, hetzij omdat zijn effect kenmerkend is voor het product".
25 De bewoordingen van deze bepalingen zijn zeer duidelijk. Zij moeten aldus worden uitgelegd, dat met de benaming "zuivelproducten", waaronder kaas, uitsluitend mogen worden aangeduid producten die verkregen zijn uit melk en waarbij tijdens het fabricageproces zelfs geen gedeeltelijke vervanging van enig bestanddeel van melk heeft plaatsgehad. Daaruit volgt, dat wanneer bij een uit melk verkregen product, zoals kaas, het bestanddeel melkvet is vervangen door plantaardig vet, dit product niet geacht kan worden uitsluitend uit melk te zijn verkregen. Het aldus verkregen product kan dus krachtens artikel 2 van de verordening niet tot de categorie van "zuivelproducten" worden gerekend, en als gevolg daarvan kan het niet met de benaming "kaas" worden aangeduid en evenmin onder die benaming worden verkocht.
26 De ratio legis van genoemd verbod is het vereiste van consumentenbescherming. Zoals blijkt uit de zesde overweging van de considerans van de verordening heeft de wetgever juist gewild, dat "elke verwarring bij de consument dient te worden vermeden tussen zuivelproducten en andere voedingsmiddelen met inbegrip van die welke gedeeltelijk zuivelbestanddelen bevatten". Een dergelijk verwarringsgevaar kan echter juist ontstaan bij de consument die wordt geconfronteerd met een product, "dieetkaas" genaamd, waarin het melkvet is vervangen door plantaardig vet. In een dergelijk geval kan immers bij de consument, wanneer hij de aanduiding "kaas" leest, de gedachte opkomen dat het een product betreft dat uitsluitend uit melk is verkregen, terwijl hij in werkelijkheid een product koopt dat, ofschoon uit melk verkregen en vervaardigd volgens de bereidingswijze voor kaas, zich duidelijk van kaas onderscheidt doordat één van zijn bestanddelen - het melkvet - volledig is vervangen door een ander bestanddeel - plantaardig vet - dat niet tot de melkproducten kan worden gerekend.
27 Nochtans impliceert de zojuist door mij gegeven uitlegging van het verbod om de naam "kaas" te gebruiken voor producten die niet uit zuivelproducten zijn verkregen, niet dat het ook verboden is deze benaming te gebruiken voor kazen die voor bijzondere voeding bestemd zijn. De relevante bepalingen, zoals hiervoor uitgelegd, laten namelijk toe dat de benaming "dieetkaas" wordt gebruikt ter aanduiding van een kaas waarvan het bestanddeel melkvet aanzienlijk is verminderd, zonder echter door andere vreemde bestanddelen te zijn vervangen, zoals bijvoorbeeld vetten van plantaardige oorsprong. De belangrijkste factor die het zuivelproduct en derhalve ook kaas kenmerkt, is dat eventuele vreemde stoffen die tijdens het productieproces aan de natuurlijke bestanddelen zijn toegevoegd, niet in de plaats zijn gekomen, ook niet gedeeltelijk, van enig natuurlijk bestanddeel van het product.
28 Deze uitlegging van de draagwijdte van het omstreden verbod strookt met de strekking van de rechtspraak van het Hof betreffende het probleem van de verenigbaarheid van nationale bepalingen op het gebied van zuivelproducten met de gemeenschapsrechtelijke bepalingen, en met name met artikel 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG), betreffende het vrije verkeer van goederen. Zo heeft het Hof in het arrest Smanor erkend, dat wanneer een product dat rechtmatig in een lidstaat wordt vervaardigd en in een andere lidstaat wordt verkocht, door zijn kwalitatieve eigenschappen aanzienlijk afwijkt van het product dat in laatstgenoemde staat wordt vervaardigd en daar wordt verkocht onder een traditionele benaming, de instanties van die staat kunnen vorderen dat bedoeld product onder een andere naam wordt verkocht dan de naam die voor het traditionele nationale product wordt gebruikt. Het betrof in casu de invoer van diepgevroren yoghurt en daarmede de aard en het belang van de verschillen tussen diepgevroren en verse yoghurt. Het Hof aanvaardde de verenigbaarheid met het communautair recht van het verbod, neergelegd in een nationale bepaling, om de naam "yoghurt" te gebruiken voor de verkoop van diepgevroren yoghurt "wanneer de yoghurt na het diepvriezen niet meer de kenmerken vertoont die de consument verwacht wanneer hij een product met de benaming $yoghurt' koopt".(8) In het arrest Deserbais, waarin het Hof dezelfde gedachtegang volgde, heeft het, zij het in een overweging ten overvloede, bevestigd, dat artikel 30 van het Verdrag en, in het algemeen, de inachtneming van de doelstellingen van de gemeenschappelijke markt zich verzetten tegen de invoer en de verkoop van "een onder een bepaalde benaming aangeboden product [dat] qua samenstelling of vervaardiging zozeer afwijkt van de binnen de Gemeenschap algemeen onder die benaming bekende goederen, dat het niet kan worden geacht tot dezelfde categorie te behoren".(9) Ook in dit arrest heeft het Hof derhalve erkend, zij het ook buiten de gronden die het arrest dragen, dat de consumentenbescherming het noodzakelijk maakt het gebruik van de traditionele benaming van het product te verbieden wanneer de samenstelling daarvan aanzienlijk is gewijzigd. Het betrof in casu het gebruik van de benaming "kaas" voor producten met een minimumgehalte aan vetstoffen. Ofschoon het Hof in dat geval niet van mening was, dat de verbodsvoorwaarden voor het gebruik van die benaming waren vervuld, erkende het niettemin, dat in beginsel "een lidstaat (...) de mogelijkheid heeft om regelen te stellen, die het gebruik van een bepaalde benaming (...) door binnenlandse producenten afhankelijk stellen van een traditioneel minimumgehalte aan vetstof".(10)
29 De door mij voorgestelde uitlegging van artikel 3, lid 1, van de verordening ligt in de lijn van richtlijn 97/4/EG van het Europese Parlement en de Raad van 27 januari 1997 inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen, die, met wijziging van richtlijn 79/112 betreffende hetzelfde onderwerp, aan de instanties van de lidstaat van invoer en verkoop de mogelijkheid biedt in uitzonderlijke gevallen het gebruik van de verkoopbenaming van de lidstaat van vervaardiging te verbieden, als het daarmede aangeduide levensmiddel "qua samenstelling of vervaardigingswijze zo sterk afwijkt van het onder die naam bekende levensmiddel", dat het in de lidstaat van verkoop niet mogelijk is een correcte voorlichting van de consumenten te waarborgen - zodat zij de ware aard van het levensmiddel kennen en het kunnen onderscheiden van levensmiddelen waarmee het zou kunnen worden verward - door de verkoopbenaming vergezeld te doen gaan van andere "beschrijvende vermeldingen" die "dichtbij" de benaming op de verpakking staan.
30 Op grond van het bovenstaande, geef ik het Hof in overweging op de eerste vraag te antwoorden, dat artikel 3, lid 1, van de verordening, in samenhang met lid 2, aldus moet worden uitgelegd dat een zuivelproduct waarvan het melkvet is vervangen door plantaardig vet, niet met de benaming "kaas" mag worden aangeduid.
De tweede vraag
31 Het door mij voorgestelde bevestigende antwoord op de eerste vraag leidt ertoe, dat ik eveneens mijn standpunt moet bepalen met betrekking tot de tweede, subsidiaire vraag van de verwijzende rechter.
32 Met de tweede vraag wenst de Duitse rechter in wezen te vernemen, of belang moet worden gehecht aan het feit, dat de benaming "dieetkaas" met plantaardige olie "ter vervanging" van de voedingsvetten wordt aangevuld met een toelichting op de verpakking als "deze dieetkaas is rijk aan meervoudig onverzadigde vetzuren (...)" of "deze dieetkaas is ideaal voor een cholesterolbewust voedingspatroon (...)".
33 Ik ben van mening, dat de toevoeging van dergelijke toelichtingen niet afdoet aan de onrechtmatigheid van het gebruik van de benaming "kaas" voor de onderhavige producten, die alle worden gekenmerkt door de vervanging van het melkvet door plantaardig vet. De communautaire wetgever heeft immers erkend, dat de benaming "kaas" ertoe dient de consument te verzekeren van de aanwezigheid van alle bestanddelen van dat product en dat daarom het verschaffen van aanvullende informatie het gebruik van die benaming niet wettigt, zolang één of meer van die bestanddelen ontbreken. Daaraan kan geen twijfel bestaan, zoals volgt uit een bepaling van de verordening, namelijk artikel 3, lid 2, dat uitdrukkelijk bepaalt dat "geen etiketten, handelsdocumenten, reclamemateriaal of enige vorm van reclame (...) of aanbiedingsvormen mogen worden gebruikt waarmee wordt aangegeven, geïmpliceerd of gesuggereerd dat het betrokken product een zuivelproduct is".
34 In dit verband moet in ieder geval ervan worden uitgegaan, dat de genoemde verklaringen kennelijk geen enkele wijziging brengen in de kern van het verbod, te weten dat de consument afdoende wordt beschermd tegen eventuele wijzigingen in de samenstelling van het product. Daaruit volgt, dat de een of andere aanvullende verklaring met betrekking tot de naam van het product van geen enkele invloed is op de draagwijdte van het verbod. Anders gezegd, er bestaat een onweerlegbaar vermoeden van het gevaar dat de consument loopt door het gebruik van het woord "kaas" voor zuivelproducten waarvan de samenstelling op de bovenomschreven wijze is veranderd: dit gevaar kan slechts worden geëlimineerd door het onderhavige verbod en niet door middel van inlichtingen op de verpakking.
35 De rechtspraak van het Hof inzake de verenigbaarheid van nationale regelingen betreffende de benaming van levensmiddelen met het gemeenschapsrecht, en inzonderheid met artikel 30 van het Verdrag, kent een analoge ontwikkeling. Ik herinner eraan, dat het Hof heeft geoordeeld, dat nationale regelingen, bestemd om de correcte benaming van de producten te verzekeren, dat wil zeggen de informatie van de consument en de eerlijkheid van de handelstransacties te verzekeren, niet door artikel 30 van het Verdrag worden verboden wanneer zij worden gerechtvaardigd door redenen van algemeen belang, verband houdende met de bescherming van de consumenten.(11) Ik wijs er eveneens op, dat, zoals ik al bij het onderzoek van de eerste vraag heb beklemtoond, naar de opvatting van het Hof het toevoegen van toelichtingen aan de benaming van het product niet altijd voldoende is om de consument naar behoren te informeren, en dat dit bijvoorbeeld het geval is wanneer de kenmerkende eigenschappen van het op de markt gebrachte product wezenlijk verschillen van die waarmede de traditionele benaming wordt geassocieerd.(12)
36 De verzoekende vennootschap voert volgende argument aan: wanneer artikel 3, lid 1, van de verordening aldus wordt uitgelegd, dat het een verbod bevat voor het gebruik van het woord "kaas" ter aanduiding van producten die uit melk zijn verkregen doch waarin een natuurlijk bestanddeel is vervangen door een vreemd bestanddeel, alsmede dat dit verbod, eventueel zelfs, van toepassing is op toelichtingen die terzake op de verpakking zijn aangebracht, zou dit verbod te ruim zijn, onnodig voor de bescherming van de consument en daarom in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Zij is namelijk van oordeel, dat die bescherming even doelmatig kan worden verzekerd door middel van de genoemde toelichtingen. Deze opmerking is in overeenstemming met de stelling dat het onderhavige verbod op soepele wijze moet worden uitgelegd, en dat het mogelijk moet worden geacht het woord "kaas" te gebruiken voor zuivelproducten waarin het melkvet is vervangen door plantaardig vet, mits uiteraard de voorlichting van de consument op adequate wijze is verzekerd.
37 Dit standpunt is ongefundeerd. Op grond van de structuur van de betrokken verordening, en met name van de regeling van artikel 3, lid 1, kan het niet worden aanvaard.
38 Ik herinner eraan, dat de verordening weliswaar de benaming van zuivelproducten regelt, doch met het doel de natuurlijke samenstelling van melk en van zuivelproducten te beschermen in het belang van producenten en consumenten in de Gemeenschap; die verordening beklemtoont de noodzaak, dat "elke verwarring bij de consument dient te worden vermeden tussen zuivelproducten en andere voedingsmiddelen, met inbegrip van die welke gedeeltelijk zuivelbestanddelen bevatten".(13) Het is echter algemeen bekend, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof, een regeling de vrijheid van handelen van een ondernemer slechts in zoverre mag beperken als noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen, die de wetgever door het treffen van de betrokken beperkende maatregel wilde realiseren. In diezelfde rechtspraak wordt eveneens beklemtoond, dat de communautaire wetgever, met name wanneer hij, zoals in casu, ingrijpt op economisch terrein, bij zijn beslissingen over een ruime beoordelingsvrijheid moet beschikken.(14)
39 De communautaire wetgever heeft bij de vaststelling van de onderhavige verordening de invoering van het omstreden verbod als onontbeerlijk beschouwd. De vraag is dus, of dit verbod, gelet op het evenredigheidsbeginsel, geacht moet worden een absoluut karakter te hebben. Ik ben van mening, dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord. De wetgever is er namelijk, onder gebruikmaking van zijn beoordelingsvrijheid, die juist bijzonder ruim is wanneer hij op economisch terrein ingrijpt, kennelijk van uitgegaan, dat alleen door middel van een strikt verbod om de naam "kaas" te gebruiken voor uit melk verkregen producten waaraan het melkvet is onttrokken, elk gevaar voor verwarring bij de consument kon worden voorkomen, in aanmerking genomen dat dit verwarringsgevaar, juist door het gebruik van de term "kaas" ook aangevuld met toelichtingen zou kunnen ontstaan. Het ligt immers voor de hand, dat de aandacht van de consument juist zal worden gevestigd op de term "kaas", waardoor zijn gedachten in een bepaalde richting worden geleid, terwijl het aannemelijk is de nadere toelichtingen vermoedelijk slechts een eventuele en in elk geval geringe invloed op zijn beslissingen zullen hebben. Derhalve kan het litigieuze verbod niet als onevenredig met het door middel daarvan nagestreefde doel worden beschouwd. Deze conclusie bevestigt de uitlegging van artikel 3, lid 1, die ik hiervoor heb gegeven.
40 Ik geef derhalve het Hof in overweging de tweede prejudiciële vraag ontkennend te beantwoorden, en wel aldus, dat het verbod van artikel 3, lid 1, van de verordening ook dan geldt, wanneer de benaming "kaas" wordt aangevuld met een toelichting op de verpakking als "deze dieetkaas is rijk aan meervoudig onverzadigde vetzuren (...)" of "deze dieetkaas is ideaal voor een cholesterolbewust voedingspatroon (...)".
Conclusie
41 Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de vragen van het Bundesgerichtshof te beantwoorden als volgt:
"1) Artikel 3, leden 1 en 2, van verordening (EEG) nr. 1898/87 van de Raad van 2 juli 1987 betreffende de bescherming van de benaming van melk en zuivelproducten bij het in de handel brengen, juncto artikel 3, lid 2, van richtlijn 89/398/EEG van de Raad van 3 mei 1989 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen, moet aldus worden uitgelegd, dat een zuivelproduct waarin het melkvet geheel door plantaardig vet is vervangen, niet als $kaas' mag worden aangeduid.
2) Het verbod in artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1898/87 van de Raad van 2 juli 1987 betreffende de bescherming van de benaming van melk en zuivelproducten bij het in de handel brengen, behoudt zijn gelding ook dan, wanneer de benaming $dieetkaas [of dieetsmeerkaas] met plantaardige olie ter vervanging van de voedingsvetten' wordt aangevuld met een toelichting op de verpakking als: $deze dieetkaas is rijk aan meervoudig onverzadigde vetzuren' of $deze dieetkaas is ideaal voor een cholesterolbewust voedingspatroon'."
(1) - PB L 182, blz. 36. Deze verordening is laatstelijk gewijzigd bij verordening (EG) nr. 623/98 van de Commissie van 19 maart 1998 (PB L 85, blz. 3).
(2) - PB L 186, blz. 27. Deze richtlijn is laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 96/84/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 19 december 1996 (PB 1997, L 48, blz. 20).
(3) - Artikel 3, lid 1, "(...) is evenwel niet van toepassing op de benaming van producten waarvan de precieze aard op grond van traditioneel gebruik duidelijk is, en/of wanneer duidelijk is dat de benamingen bedoeld zijn om een kenmerkende eigenschap van het product te omschrijven".
(4) - Volgens artikel 1, lid 2, sub a, behoren tot deze categorie de "levensmiddelen die zich door bijzondere samenstelling of bereidingswijze duidelijk van gewone voedingsmiddelen onderscheiden, die voor het aangegeven voedingsdoel geschikt zijn en zodanig in de handel worden gebracht dat de geschiktheid voor dat doel wordt aangeduid".
(5) - Richtlijn van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (PB 1979, L 33, blz. 1). Deze richtlijn is laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 97/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 1997 houdende wijziging van richtlijn 79/112/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (PB L 43, blz. 21).
(6) - Dieetchocolade voor diabetici moet bijvoorbeeld volgens artikel 3, lid 2, van de richtlijn weliswaar alle bestanddelen van chocolade voor gewone consumptie bevatten, doch zij moet zodanig worden vervaardigd, dat het bestanddeel suiker, dat door diabetici niet wordt verdragen, vervangen wordt door fructose of een ander vervangingsproduct van suiker. De aldus vervaardigde chocolade kan, nu andersluidende bepalingen betreffende het gebruik van de benaming "chocolade" ontbreken, worden verkocht onder die benaming, waaraan dient te worden toegevoegd een aanduiding van haar bijzondere eigenschappen, bijvoorbeeld het woord "dieet".
(7) - Het voorstel van de Commissie (PB 1984, C 111, blz. 7) voorzag daarentegen wél in een dergelijke uitsluiting. Artikel 4 van dit voorstel luidde immers als volgt: "De onderhavige verordening laat de voorschriften betreffende levensmiddelen bestemd voor bijzondere voeding in de zin van richtlijn 77/94/EEG onverlet" Laatstgenoemde richtlijn [richtlijn van de Raad van 21 december 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake levensmiddelen bestemd voor bijzondere voeding (PB L 26, blz. 55)] is vervangen door de richtlijn die thans wordt onderzocht. Het feit, dat dit voorstel niet is gevolgd, toont aan dat de communautaire wetgever de toepassing van de verordening tot dieetproducten wilde uitbreiden.
(8) - Arrest van 14 juli 1988 (298/87, Jurispr. blz. 4489, inz. punten 21 en 24).
(9) - Arrest van 22 september 1988 (286/86, Jurispr. blz. 4907, punten 11 en 13). Deze zaak betrof de Franse wetgeving, die het gebruik van de benaming "Edam"-kaas voor kazen met een vetgehalte van minder dan 40 % strafbaar stelt.
(10) - Arrest Deserbais, reeds aangehaald, punt 11.
(11) - Zie, bijvoorbeeld, arrest van 16 december 1980, Fietje (27/80, Jurispr. blz. 3839).
(12) - Arrest Smanor, aangehaald in voetnoot 8, punt 23. Het ging in die zaak om een etiket dat de uiterste datum van verkoop of consumptie vermeldde. Zie eveneens arrest van 10 november 1992, Exportur (C-3/91, Jurispr. blz. I-5529, punten 27 en 28).
(13) - Aldus de zesde overweging van de considerans van de verordening.
(14) - Zie, onder de meest recente arresten, die van 19 november 1998, Verenigd Koninkrijk/Raad (C-150/94, Jurispr. blz. I-7235); 10 maart 1998, Duitsland/Raad (C-122/95, Jurispr. blz. I-973), en 19 februari 1998, NIFPO (C-4/96, Jurispr. blz. I-681).
Full & Egal Universal Law Academy