Conclusie van de advocaat generaal
1 Deze hogere voorziening is gericht tegen een beschikking(1) waarbij het Gerecht het beroep van rekwirante, ambtenaar van de Commissie, op grond van artikel 111 van zijn Reglement voor de procesvoering kennelijk niet-ontvankelijk of ongegrond heeft verklaard.(2)
2 Ten gronde betrof het beroep voor het Gerecht de toepassing van artikel 31, lid 2, van het Ambtenarenstatuut (hierna: "Statuut") betreffende de rangindeling van ambtenaren.
3 Volgens deze bepaling kan het tot aanstelling bevoegd gezag afwijken van het in artikel 31, lid 1, van het Statuut neergelegde beginsel, dat ambtenaren van categorie A of van de groep van de talendienst worden aangeworven in de aanvangsrang van hun categorie of groep. Deze afwijkingsmogelijkheid geldt slechts voor een gedeelte van de te bezetten posten; verder worden geen specifieke voorwaarden genoemd.
De feiten en het procesverloop
4 Blijkens de niet voor toetsing vatbare feitelijke vaststellingen van het Gerecht(3) is rekwirante aanvankelijk met ingang van 16 maart 1989 door de Commissie als tijdelijk functionaris aangesteld in rang A 7, salaristrap 1, en vervolgens, na te zijn geslaagd voor een intern vergelijkend onderzoek, met ingang van 1 december 1993 als ambtenaar op proef in rang A 7, salaristrap 5.
5 Omdat haar bezwaarschrift tegen dit rangindelingsbesluit niet werd beantwoord, stelde zij beroep tot nietigverklaring in het bij Gerecht, dat haar vordering toewees bij arrest van 5 oktober 1995(4) (hierna: "arrest Alexopoulou I").
Het arrest Alexopoulou I
6 Ofschoon het Gerecht eraan herinnerde, dat volgens vaste rechtspraak de administratie bij het nemen van een rangindelingsbesluit op grond van artikel 31, lid 2, van het Statuut een "ruime discretionaire bevoegdheid" toekomt(5), oordeelde het, dat het tot aanstelling bevoegd gezag in bijzondere omstandigheden, zoals in het geval van een kandidaat met uitzonderlijke bekwaamheden, in concreto dient te beoordelen, of genoemde bepaling toepassing moet vinden.
Het voegde daaraan toe, dat deze verplichting met name geldt, "wanneer de specifieke behoeften van de dienst de aanwerving van een ambtenaar met bijzondere kwalificaties vereisen en daarom de toepassing van artikel 31, lid 2, van het Statuut rechtvaardigen (zie, in deze zin, arrest De Santis/Rekenkamer [...(6)]) of wanneer de aangeworvene uitzonderlijke bekwaamheden bezit en om toepassing van die bepaling verzoekt".(7)
7 Vervolgens verwierp het Gerecht het argument van de Commissie, dat zij bij besluit van 1 september 1983 inzake de criteria voor de indeling in rang en salaristrap bij aanwerving (hierna: "besluit van 1 september 1983") van haar discretionaire bevoegdheid ingevolge artikel 31, lid 2, van het Statuut had afgezien, op grond dat dit besluit in strijd was met het Statuut, omdat dit het tot aanstelling bevoegd gezag niet toeliet, een ambtenaar in een hogere rang dan de aanvangsrang aan te stellen.(8)
8 Het aanstellingsbesluit werd door het Gerecht dan ook nietig verklaard wegens schending van het recht, omdat de Commissie de aanstelling in een hogere rang enkel had geweigerd met een beroep op het besluit van 1 september 1983, zonder in concreto rekwirantes bekwaamheden te beoordelen overeenkomstig artikel 31, lid 2, van het Statuut.
9 Dit arrest, dat door veel ambtenaren als een ommekeer in de rechtspraak inzake de toepassing van artikel 31, lid 2, van het Statuut werd opgevat, gaf aanleiding tot een zeer groot aantal verzoeken om herindeling.(9) Naar aanleiding van beschikkingen op tijdig ingediende klachten zijn ongeveer 80 beroepen ingesteld bij het Gerecht.
Het "proefarrest" Barnett/Commissie(10)
10 Dit is het eerste arrest waarin het Gerecht uitspraak heeft gedaan in een van de naar aanleiding van het arrest Alexopoulou I ingestelde beroepen.
11 Het arrest sluit aan bij voornoemde rechtspraak. Na nogmaals te hebben gewezen op de zeer ruime beoordelingsbevoegdheid van het tot aanstelling bevoegd gezag en op de beperkte rechterlijke toetsing op dit punt, oordeelde het Gerecht, dat in de omstandigheden van het concrete geval "blijkens hetgeen het tot aanstelling bevoegd gezag binnen de grenzen van zijn zeer ruime beoordelingsbevoegdheid heeft vastgesteld, (...) verzoekster niet over uitzonderlijke bekwaamheden bleek te beschikken".(11)
12 Dit arrest lijkt slechts één element aan het oordeel in het arrest Alexopoulou I toe te voegen: de eventuele uitzonderlijke bekwaamheden van een kandidaat "dienen niet te worden beoordeeld tegen de achtergrond van de hele bevolking, maar tegen de achtergrond van de gemiddelde kundigheden van de geslaagde kandidaten, (...) een groep die reeds zeer streng is geselecteerd".(12)
De bestreden beschikking
13 Om gevolg te geven aan het arrest Alexopoulou I wijzigde de Commissie haar besluit van 1 september 1983 bij besluit van 7 februari 1996 (hierna: "besluit van 7 februari 1996")(13), waarvan artikel 2, eerste alinea, het tot aanstelling bevoegd gezag het recht geeft om van de in artikel 31, lid 2, van het Statuut bedoelde discretionaire bevoegdheid gebruik te maken "wanneer de specifieke behoeften van de dienst de aanwerving van een ambtenaar met bijzonder kwalificaties vereisen of wanneer de aangeworvene uitzonderlijke bekwaamheden bezit".
14 Tevens heeft het tot aanstelling bevoegd gezag naar aanleiding van dat arrest, na een nieuw verzoek om herindeling van rekwirante, andermaal haar statutaire positie onderzocht en op 8 januari 1996 een nieuw besluit genomen (hierna: "indelingsbesluit"), waarbij zij met ingang van 1 december 1993 werd ingedeeld in rang A 7, salaristrap 5.
15 De bestreden beschikking is gegeven op het beroep dat rekwirante had ingesteld tegen het besluit van de Commissie waarbij haar klacht tegen het indelingsbesluit werd afgewezen. Zij wenste de procedure voort te zetten, ofschoon de griffier van het Gerecht haar een afschrift van het inmiddels gewezen arrest Barnett/Commissie had toegezonden.
16 Het Gerecht verwierp het beroep op grond van artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering.
17 Alvorens het eerste onderdeel van het middel tot nietigverklaring - schending van artikel 31, lid 2, van het Statuut - kennelijk ongegrond te verklaren, wees het Gerecht er in de eerste plaats op, dat zowel uit de bewoordingen als uit het doel van die bepaling blijkt, dat de mogelijkheid om haar toe te passen, slechts een bevoegdheid is van het tot aanstelling bevoegd gezag, dat geenszins verplicht is daarvan gebruik te maken.(14)
18 In de tweede plaats wees het Gerecht erop, dat het tot aanstelling bevoegd gezag in bepaalde omstandigheden, zoals die van het arrest Alexopoulou I, weliswaar gehouden is de kwalificaties en de beroepservaring van de betrokkene in concreto aan de criteria van artikel 31, lid 2, van het Statuut te toetsen, doch dat deze toetsingsplicht niet noodzakelijkerwijs tot een besluit tot indeling in een hogere rang hoeft te leiden, aangezien het tot aanstelling bevoegd gezag op dit punt vrij kan beslissen, terwijl de rechter, overeenkomstig de arresten Klinke/Hof van Justitie en Barnett/Commissie, zijn toetsing niet in de plaats kan stellen van het oordeel van het tot aanstelling bevoegd gezag.(15)
19 Ten aanzien van de toepassing van deze criteria op dit concrete geval, stelt het Gerecht vast dat "de Commissie inderdaad heeft getoetst, of artikel 31, lid 2, van het Statuut op verzoekster moest worden toegepast"(16), terwijl haar geen kennelijke beoordelingsfout kan worden verweten in haar uiteindelijke besluit om rekwirante niet in rang A 6 in te delen.(17)
20 Het tweede onderdeel van het middel - schending door de Commissie van haar besluit van 1 september 1983 - werd eveneens kennelijk ongegrond verklaard. Het Gerecht stelde dienaangaande vast, dat de Commissie met dit naar aanleiding van het arrest Alexopoulou I gewijzigde besluit "enkel erop heeft gewezen, dat zij krachtens artikel 31, lid 2, van het Statuut slechts gerechtigd is een ambtenaar met uitzonderlijke bekwaamheden in de hoogste rang van de betrokken loopbaan aan te stellen (...) Zij heeft zichzelf geenszins de verplichting opgelegd, een ambtenaar met dergelijke bekwaamheden in de hoogste rang in te delen."(18)
21 Rekwirantes vordering tot nietigverklaring van het besluit van 28 augustus 1996 houdende afwijzing van de klacht van 3 april 1996 werd kennelijk niet-ontvankelijk verklaard op grond dat volgens "vaste rechtspraak"(19) beroep tegen een beschikking slechts openstaat voor zover het een voor beroep vatbare handeling betreft. Een beschikking als in casu die slechts een bevestiging is van de handeling of het stilzitten waarover de betrokkene klaagt, is geen voor beroep vatbare handeling.
22 Ten slotte werd rekwirantes vordering tot vergoeding van de materiële schade kennelijk ongegrond verklaard, met name omdat "verzoeksters vordering ten onrechte was gebaseerd op de veronderstelling dat zij bij haar aanwerving recht had op indeling in een hogere rang".(20)
De hogere voorziening
23 Twee verzoeken om toelating tot interventie van ambtenaren die na het uitspreken van het arrest Alexopoulou I bij het Gerecht beroep hadden ingesteld - waarvan de behandeling is geschorst in afwachting van de einduitspraak van het Hof in deze hogere voorziening - werden door de president afgewezen(21), omdat de verzoekers niet een rechtstreeks en dadelijk belang bij beslechting van het geding aannemelijk konden maken.
24 Rekwirante onderbouwt haar hogere voorziening tegen de bestreden beschikking met vier middelen, die achtereenvolgens zullen worden behandeld.
Eerste middel: motiveringsgebreken en schending van artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht
25 Het eerste onderdeel van dit middel klaagt, dat het Gerecht in punt 57 van de bestreden beschikking niet heeft gemotiveerd waarom het beroep "kennelijk" ongegrond of niet-ontvankelijk was.
26 De Commissie meent daarentegen, dat het Gerecht door middel van een vergelijking duidelijk heeft aangegeven dat rekwirantes standpunt onmiskenbaar door de rechtspraak wordt weerlegd, hetgeen voldoende is om aan te tonen, dat haar betoog kennelijk ongegrond is. Deze handelwijze stemt overeen met die welke het Gerecht in een beschikking van 10 december 1997(22) heeft gevolgd; deze geldt als rechtskracht hebbend, nu binnen de termijn geen hogere voorziening is ingesteld.(23)
27 Bij lezing van de bestreden beschikking komt het mij voor, dat rekwirantes betoog niet kan slagen. Waar het Gerecht rekwirantes middelen kennelijk verwerpt, heeft het dit immers telkens zorgvuldig gemotiveerd.
28 Zo wordt het eerste middel verworpen op grond van de rechtspraak van het Hof en het Gerecht, waaraan reeds uitvoerig is herinnerd in het arrest Alexopoulou I, gewezen naar aanleiding van rekwirantes eerste beroep.
Het Gerecht kon er ten aanzien van het eerste onderdeel dan ook terecht van uitgaan, dat zijn uitlegging van artikel 31, lid 2, van het Statuut rekwirante reeds genoegzaam bekend was, aangezien deze duidelijk uit het arrest Alexopoulou I viel op te maken. Onder deze omstandigheden komt het derhalve niet ongerechtvaardigd voor, dat het Gerecht het eerste onderdeel van dit middel "kennelijk" ongegrond verklaart.
Het tweede onderdeel, ontleend aan schending van het besluit van de Commissie van 1 september 1983, wordt op grond van dezelfde overwegingen verworpen, aangezien het Gerecht vaststelt, zakelijk weergegeven, dat dit besluit in feite is aangepast aan het arrest Alexopoulou I. Rekwirante, die met deze rechtspraak bekend moet zijn, aangezien zij zelf daartoe de aanleiding was, kan de reden voor die aanpassing niet zijn ontgaan. Ook hier blijkt niet, dat het Gerecht dit onderdeel ten onrechte "kennelijk" ongegrond zou hebben verklaard.
29 Waar vervolgens rekwirantes vordering tot nietigverklaring van het besluit van 28 augustus 1996 houdende afwijzing van de klacht van 3 april 1996 "kennelijk niet-ontvankelijk"(24) wordt verklaard, ontbreekt evenmin een motivering. Het Gerecht neemt wel degelijk de moeite de rechtspraak aan te halen waarop het zijn oordeel baseert.(25)
30 Ten slotte wordt ook de vordering tot vergoeding van de materiële schade terecht ongegrond verklaard, onder meer omdat deze "ten onrechte was gebaseerd op de veronderstelling dat [rekwirante] bij aanwerving recht had op indeling in een hogere rang"(26), aangezien het Gerecht eerder in de bestreden beschikking had vastgesteld, dat rekwirante geen recht had op een dergelijke indeling.(27)
31 Bijgevolg kan het Gerecht niet worden verweten, dat het niet heeft gemotiveerd waarom het beroep "kennelijk" ongegrond of niet-ontvankelijk was.
32 Het eerste onderdeel van het eerste middel moet dus worden verworpen.
33 Het tweede onderdeel strekt ertoe te doen vaststellen, dat het Gerecht in punt 57 van de bestreden beschikking niet duidelijk heeft aangegeven of het beroep kennelijk ongegrond dan wel kennelijk niet-ontvankelijk is.
34 De Commissie trekt het belang van dit middel in twijfel, aangezien het beroep uiteindelijk hoe dan ook wordt verworpen, ongeacht wegens niet-ontvankelijkheid dan wel als ongegrond. Zij stelt, dat het Gerecht met de "of"-formulering in punt 57 wil aangeven, dat het beide afwijzingsgronden van toepassing acht, naargelang de aangevoerde middelen. Zo verklaart het Gerecht het eerste (punt 44) en het tweede onderdeel (punten 46 en 47) van het middel tot nietigverklaring alsook de vordering tot schadevergoeding (punt 56) kennelijk ongegrond, en de in punt 50 behandelde subsidiaire conclusie tot nietigverklaring kennelijk niet-ontvankelijk.
35 Deze interpretatie van de beschikking van het Gerecht kan ik slechts onderschrijven: punt 57 van de beschikking is niet meer dan een beknopte weergave van de daaraan voorafgaande afwijzingsgronden van het Gerecht, waaraan het achtereenvolgens de kwalificatie kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond verbindt.
36 Het tweede onderdeel van het eerste middel kan bijgevolg niet slagen.
37 Het derde onderdeel klaagt, dat in strijd met artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering in de beschikking niet is vermeld, dat de advocaat-generaal is gehoord. Volgens rekwirante "leidt deze overtreding tot nietigheid van de bestreden beschikking".(28)
38 Op dit punt zij enkel opgemerkt, gelijk de Commissie doet(29), dat het Gerecht overeenkomstig de artikelen 17 tot en met 19 van zijn Reglement voor de procesvoering vrij is in de beslissing om over te gaan tot aanwijzing van een rechter die in een bepaalde zaak de functie van advocaat-generaal zal uitoefenen. In artikel 111 kan geen aanwijzingsplicht worden gelezen, doch enkel het voorschrift dat het advies van de advocaat-generaal in aanmerking moet worden genomen, voor zover het Gerecht in de uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid een advocaat-generaal heeft aangewezen. Artikel 2, lid 2, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt overigens uitdrukkelijk: "De verwijzingen in dit reglement naar de advocaat-generaal zien enkel op het geval dat een rechter als advocaat-generaal is aangewezen."
39 Rekwirantes raadsman heeft ter terechtzitting voor het Hof evenwel verklaard, dat zijn cliënte van dit onderdeel van het eerste middel afzag.
40 Het vierde onderdeel van het eerste middel klaagt, dat het Gerecht in punt 43 zonder motivering de rangindeling van ambtenaren vermengt met bevordering. Ambtenaren hebben geen subjectief recht op bevordering, aangezien zij daartoe op hun verdiensten worden beoordeeld, doch ten aanzien van hun rangindeling gelden veel minder soepele criteria. Aangezien in de beschikking niet wordt gemotiveerd, in welk opzicht de rangindelingsregels op de bevorderingscriteria van toepassing zijn, bevat de beschikking een motiveringsgebrek.
41 De Commissie meent, dat rekwirante met haar grief dat het Gerecht de onderscheiden statutaire begrippen rangindeling en bevordering heeft verward en aldus zijn conclusie ten aanzien van de rangindeling ten onrechte op de rechtspraak inzake bevordering heeft gebaseerd, de inhoud van de beschikking verdraait.(30)
42 Bij dit standpunt van de Commissie sluit ik mij aan.
43 Ter verwerping van rekwirantes betoog dat het tot aanstelling bevoegd gezag een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door haar niet in rang A 6 in te delen en dat het zijn discretionaire bevoegdheid in wezen enkel kon uitoefenen door haar in de hoogste rang van de loopbaan in te delen, wijst het Gerecht in punt 43 van de bestreden beschikking op vaste rechtspraak, volgens welke "ook indien nieuw aangeworven ambtenaren aan de voorwaarden voor indeling in de hoogste rang voldoen, zij geen subjectief recht op een dergelijke indeling hebben".(31)
44 Met deze vaststelling sluit het Gerecht zijn overwegingen inzake artikel 31, lid 2, van het Statuut af. Waar het overweegt, dat het tot aanstelling bevoegd gezag op grond van die bepaling niet verplicht is gevolg te geven aan het verzoek van een ambtenaar die zich daarop beroept om in een hogere rang te worden ingedeeld, kan het Gerecht niet worden verweten, dat het aanwerving en bevordering verwart. Bij rangindeling gaat het immers in beginsel om een automatisme, waarbij iedere subjectieve beoordeling door het tot aanstelling bevoegd gezag uitgesloten is (artikel 31, lid 1, van het Statuut), doch wanneer dit moet beoordelen of, gelet op bijzondere omstandigheden, artikel 31, lid 2, van het Statuut toepassing kan vinden, valt het uiteindelijke besluit onder zijn autonome beoordelingsbevoegdheid, zoals het Gerecht in zijn beschikking verklaart. In het kader van deze autonome beoordelingsbevoegdheid beschikt het tot aanstelling bevoegd gezag uiteraard over een veel bredere beleidsruimte dan bij een "klassieke" aanstelling, welke de marge benadert waarover het bij bevorderingen beschikt. Het Gerecht kon het dus op goede gronden zinvol achten om bij analogie naar bevorderingen te verwijzen.
45 Het vierde onderdeel van het eerste middel moet derhalve worden verworpen.
Tweede middel: schending van artikel 31 van het Statuut
46 Rekwirante stelt, dat het Gerecht in het bijzonder in punt 37 aan deze bepaling van het Statuut een tweeledige voorwaarde heeft verbonden die daarin niet voorkomt, te weten dat artikel 31, lid 2, slechts bij wijze van uitzondering en slechts op uitzonderlijke kandidaten kan worden toegepast.
47 Gelijk de Commissie opmerkt(32), wordt met dit middel in feite niet zozeer de bestreden beschikking in rechte aangevochten, als wel de heersende rechtspraak, die het Gerecht enkel toepast, zonder extra voorwaarden te verbinden aan de toepassing van het artikel, zoals rekwirante stelt.
48 Op dit punt zij er slechts aan herinnerd, dat artikel 31, lid 2, van het Statuut blijkens het arrest Alexopoulou I aldus moet worden uitgelegd, dat "het tot aanstelling bevoegd gezag in bijzondere omstandigheden, zoals in het geval van een kandidaat met uitzonderlijke bekwaamheden, in concreto dient te beoordelen, of genoemde bepaling toepassing moet vinden. Deze verplichting geldt met name, wanneer de specifieke behoeften van de dienst de aanwerving van een ambtenaar met bijzonder kwalificaties vereisen en daarom de toepassing van artikel 31, lid 2, van het Statuut rechtvaardigen (zie, in deze zin, arrest De Santis/Rekenkamer, reeds aangehaald) of wanneer de aangeworvene uitzonderlijke bekwaamheden bezit en om toepassing van die bepaling verzoekt."(33)
49 Deze zelfde overweging is overgenomen in punt 49 van het arrest Barnett/Commissie: "het tot aanstelling bevoegd gezag dient in bijzondere omstandigheden, zoals in het geval van een kandidaat met uitzonderlijke kundigheden, in concreto te beoordelen, of die bepaling moet worden toegepast".
50 Door in punt 37 van de bestreden beschikking te erkennen, dat de Commissie de bevoegdheid heeft om "bij wijze van uitzondering [ten aanzien van] een uitzonderlijke kandidaat" haar toevlucht te nemen tot artikel 31, lid 2, van het Statuut, heeft het Gerecht dus enkel de bestaande rechtspraak van het Hof en het Gerecht toegepast en kan het Gerecht niet worden verweten, dat het extra toepassingsvoorwaarden aan die bepaling heeft verbonden.
51 Het tweede middel kan bijgevolg niet worden aanvaard.
Derde middel: ontbreken van de vaststelling dat overleg tussen DG IX en DG V heeft plaatsgevonden
52 Met dit middel wordt betoogd, dat weliswaar alleen DG IX bevoegd is om een indelingsbesluit te nemen, doch dat het daarbij rekening dient te houden met de behoeften van DG V, waartoe rekwirante behoort. In de beschikking ontbreekt evenwel de vaststelling, dat DG IX DG V heeft geraadpleegd. Daardoor kan volgens rekwirante niet met zekerheid worden nagegaan, of het tot aanstelling bevoegd gezag haar besluit niet op onjuiste of onvolledige feitelijke omstandigheden heeft gebaseerd.
53 Op dit middel hoeft mijns inziens niet diep te worden ingegaan, aangezien de formulering ervan reeds de verwerpingsgrond bevat. Artikel 51 van 's Hofs Statuut-EG bepaalt immers: "Hogere voorziening bij het Hof kan alleen rechtsvragen betreffen." In het kader van een hogere voorziening is het derhalve niet van belang, het voorgeschreven overleg aan de orde te stellen, aangezien dit, zoals rekwirante zelf zegt, erop is gericht zich te vergewissen van de juistheid van de feiten waarop het besluit is gebaseerd. Die feiten heeft het Gerecht vastgesteld en zijn niet voor toetsing vatbaar.
54 Het derde middel kan derhalve niet slagen.
Vierde middel: proceduregebreken wegens het verzoek van het Gerecht aan rekwirante om opmerkingen in te dienen naar aanleiding van het arrest Barnett/Commissie, reeds aangehaald
55 Dit middel klaagt dat het Gerecht, na rekwirante te hebben verzocht vóór 15 december 1997 haar standpunt kenbaar te maken inzake "het verdere verloop van de procedure, gelet op [het arrest Barnett/Commissie]"(34), haar opmerkingen vervolgens heeft verworpen, terwijl deze volgens rekwirante "nieuwe middelen bevatten".(35) Dat gebeurde bij schrijven van de griffier van 27 januari 1998, waarin rekwirante werd medegedeeld, dat "aangezien het Reglement voor de procesvoering niet voorziet in de neerlegging van een memorie nadat het verzoekschrift en de repliek zijn neergelegd, zijn dergelijke opmerkingen niet toegestaan. Het Gerecht zal deze niet in aanmerking nemen."(36)
56 Dit middel valt in drie onderdelen uiteen.
57 Met het eerste onderdeel wordt het Gerecht verweten, rekwirantes gewettigd vertrouwen te hebben misbruikt. Dit middel is, aldus rekwirante, des te meer gegrond, daar het Gerecht het had kunnen vermijden door een met redenen omklede beschikking te geven. Haars inziens is namelijk "de juridische waarde van een beslissing van de griffier in het bijzonder aan dergelijke grieven blootgesteld".(37)
58 Het tweede onderdeel strekt tot de vaststelling, dat artikel 48, lid 1 en lid 2, eerste en tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht is geschonden. Deze bepalingen luiden als volgt:
"1. Partijen kunnen nog in de repliek en in de dupliek aanbieden hun stellingen nader te bewijzen. De vertraging waarmee zodanig bewijsaanbod geschiedt, dient te worden gemotiveerd.
2. Nieuwe middelen mogen in de loop van het geding niet worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.
Indien een partij tijdens de behandeling een nieuw middel voordraagt, als in de voorgaande alinea bedoeld, kan de president na het verstrijken van de normale procestermijnen, op rapport van de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, aan de wederpartij een termijn voor antwoord stellen."
59 Ten slotte wordt het Gerecht in het derde onderdeel schending van artikel 48, lid 2, derde alinea, van het Reglement voor de procesvoering verweten, omdat het op dit punt niet zou hebben beslist. Deze derde alinea bepaalt: "De beslissing over de ontvankelijkheid van het middel wordt aangehouden tot het eindarrest."
60 Ik geef in overweging, dit middel op alle onderdelen te verwerpen.
61 Ook hier liggen in de formulering van het middel reeds de verwerpingsgronden besloten. Waar rekwirante erkent, dat de memorie die zij op verzoek van de griffier van het Gerecht had neergelegd om haar standpunt inzake "het verdere verloop van de procedure, gelet op [het arrest Barnett/Commissie]" kenbaar te maken, nieuwe middelen bevatte, geeft zij immers impliciet toe, dat zij de toepasselijke procedurevoorschriften had overtreden. Haar opmerkingen gingen inhoudelijk veel verder dan de strekking van het verzoek en was dus, zoals de Commissie opmerkt(38), een "aanvullende memorie".
62 Het verzoek van de griffier van het Gerecht om opmerkingen in te dienen betrof in feite slechts "het verdere verloop van de procedure, gelet op [het arrest Barnett/Commissie]" en was geen verzoek om aanvullende opmerkingen waarbij nieuwe middelen konden worden aangevoerd. Aldus wilde de griffier van het Gerecht in wezen enkel rekwirantes mening peilen, teneinde te vernemen of zij na kennisneming van het arrest Barnett/Commissie, reeds aangehaald, dat in een soortgelijke zaak als de hare was gewezen, haar beroep wenste te handhaven dan wel om schorsing van de behandeling wilde verzoeken, ingeval tegen dat arrest hogere voorziening zou worden ingesteld. Bijgevolg kan het Gerecht niet worden verweten dat het haar gewettigd vertrouwen zou hebben geschonden door haar te verzoeken opmerkingen in te dienen en deze vervolgens buiten beschouwing te laten, aangezien rekwirante, zoals de griffier haar had medegedeeld, om haar standpunt inzake "het verdere verloop van de procedure" was gevraagd en zij desondanks opmerkingen "ten gronde" indiende.
63 Dat het een schrijven van de griffier van het Gerecht betrof, en niet een beslissing van het Gerecht, is niet van belang. Overtuigend in dit verband is artikel 6 van de instructies voor de griffier van het Gerecht van eerste aanleg(39), met het opschrift "Weigering van stukken en herstel van onregelmatigheden". In lid 2 daarvan wordt uitdrukkelijk omschreven wat de griffier in dergelijke omstandigheden moet doen: "De griffier weigert de inschrijving van memories of processtukken waarin het Reglement voor de procesvoering niet voorziet. In geval van twijfel wendt hij zich tot de president om erover te doen beslissen."
64 Het eerste onderdeel van dit laatste middel kan derhalve niet slagen.
65 Het tweede onderdeel meen ik aldus te moeten verstaan, dat het Gerecht artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering verkeerd zou hebben uitgelegd doordat het de nieuwe middelen van rekwirante buiten beschouwing zou hebben gelaten, terwijl deze juist waren aangevoerd naar aanleiding van het uitspreken van het arrest Barnett/Commissie, reeds aangehaald, hetgeen als gegeven, rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling was gebleken, volgens genoemde bepaling het in aanmerking nemen van de nieuwe middelen zou kunnen rechtvaardigen.
66 Mijns inziens heeft het Gerecht evenwel terecht geweigerd de alsnog aangevoerde middelen op die grond te aanvaarden.
67 Om te beginnen is het immers vaste rechtspraak van zowel het Gerecht als het Hof, dat het uitspreken van een arrest in de loop van de behandeling niet als hangende het geding aan het licht getreden feitelijk gegeven(40) is te beschouwen.
68 Het arrest Barnett/Commissie, reeds aangehaald, kan evenmin als het aan het licht treden van een "gegeven rechtens" in de zin van genoemde bepaling van het Reglement voor de procesvoering worden beschouwd.
69 Het Hof sluit weliswaar niet uit, dat bepaalde arresten het karakter van in de loop van de behandeling aan het licht getreden gegevens kunnen aannemen die het aanvoeren van nieuwe middelen rechtvaardigen.
70 Maar dat geldt in de rechtspraak a priori slechts voor arresten houdende nietigverklaring en de gevolgen daarvan voor de rechtstreeks betrokkenen. Het Hof heeft immers geoordeeld: "het is vaste rechtspraak (...) dat een arrest waarbij een administratieve handeling is nietig verklaard, slechts een nieuw feit kan opleveren voor degenen die door de nietig verklaarde handeling rechtstreeks betroffen waren".(41)
71 In het tegenovergestelde geval wordt geoordeeld dat "een arrest van het Hof dat de geldigheid van een handeling van de gemeenschapsinstellingen bevestigt, niet kan worden beschouwd als een gegeven dat het voordragen van een nieuw middel mogelijk maakt, daar dergelijke handelingen in ieder geval worden vermoed geldig te zijn, en dat de (...) aangehaalde arresten (...) slechts een bevestiging inhielden van een rechtstoestand die verzoeksters bekend was op het ogenblik dat zij hun beroep instelden".(42)
72 In het onderhavige geval moet het arrest Barnett/Commissie - gewezen op een beroep tot nietigverklaring - juist worden aangemerkt als een arrest "dat de geldigheid van een handeling van de gemeenschapsinstellingen bevestigt". Zoals gezegd(43), gaf het Gerecht toepassing aan het arrest Alexopoulou I en kwam het tot de conclusie, dat gelet op de omstandigheden van het concrete geval rekwirantes vordering tot nietigverklaring van het indelingsbesluit van het tot aanstelling bevoegd gezag niet konden worden toegewezen.
73 Zonder nader in te gaan op de vraag, of rekwirante zich überhaupt kan beroepen op de gevolgen van een arrest inzake een besluit dat haar niet rechtstreeks raakt, kan ik dus volstaan met de vaststelling, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof en het Gerecht een arrest als het arrest Barnett/Commissie, reeds aangehaald, dat de geldigheid van een handeling van een gemeenschapsinstelling bevestigt, niet als nieuw gegeven is te beschouwen dat het voordragen van nieuwe middelen kan rechtvaardigen.
74 Nu rekwirante zich niet op het uitspreken van het arrest Barnett/Commissie kan beroepen als nieuw gegeven in de zin van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, moet het tweede onderdeel van dit middel worden verworpen.
75 Op het laatste onderdeel van dit middel hoeft mijns inziens niet meer te worden ingegaan, gelet op de door mij in overweging gegeven oplossing ter zake van de tot staving van het eerste en het tweede onderdeel van dit middel aangevoerde argumenten.
De vordering, het tot aanstelling bevoegd gezag te veroordelen tot betaling van schadevergoedingen
76 Ten slotte vordert rekwirante, het tot aanstelling bevoegd gezag te veroordelen tot betaling van een aantal schadevergoedingen: 250 000 BEF als voorlopige voorziening ter vergoeding van de schade die zij zou hebben geleden ten gevolge van de gemiste kans op bevordering naar rang A 5; het salaris dat zij zou hebben ontvangen als zij met ingang van 1 december 1995 naar rang A 5 zou zijn bevorderd, vermeerderd met de vertragingsrente vanaf 1 december 1995, doch met aftrek van het als voorlopige voorziening gevorderde bedrag van 250 000 BEF.
77 Aangezien ik in overweging geef, de door rekwirante aangevoerde argumenten te verwerpen, behoeft geen standpunt meer te worden bepaald ten aanzien van verzoeksters vordering tot schadevergoeding.
78 Ingevolge artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof geldt als hoofdregel, dat de gemeenschapsinstellingen in gedingen met hun personeelsleden hun eigen kosten dragen. Op grond van artikel 122, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering geldt deze regel echter niet in geval van een hogere voorziening die niet door een instelling is ingesteld. Bijgevolg moet volgens de algemene regel van artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering rekwirante in de kosten worden verwezen.
Conclusie
79 Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
1) de hogere voorziening af te wijzen;
2) rekwirante in de kosten te verwijzen.
(1) - Beschikking van 13 februari 1998, Alexopoulou/Commissie (T-195/96, JurAmbt. blz. II-117).
(2) - Artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering luidt als volgt: "Wanneer het Gerecht kennelijk onbevoegd is kennis te nemen van een beroep, of wanneer dit kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, kan het, de advocaat-generaal gehoord, zonder de behandeling voort te zetten, beslissen bij met redenen omklede beschikking."
(3) - Punten 1-13 van de bestreden beschikking.
(4) - Alexopoulou/Commissie (T-17/95, JurAmbt. blz. II-683).
(5) - Arrest van 29 juni 1994, Klinke/Hof van Justitie (C-298/93 P, Jurispr. blz. I-3009).
(6) - Arrest van 6 juni 1985 (146/84, Jurispr. blz. 1723).
(7) - Arrest Alexopoulou I, punt 21.
(8) - Ibidem, punt 24.
(9) - Circa 950 (volgens een document van de Commissie dat bij Alexopoulous verzoekschrift in zaak T-195/96 was gevoegd).
(10) - Arrest van 5 november 1997, Barnett/Commissie (T-12/97, JurAmbt. blz. II-863).
(11) - Ibidem, punt 60.
(12) - Ibidem, punt 50, waarin onder verwijzing naar de reeds aangehaalde arresten Klinke/Hof van Justitie en Alexopoulou I in herinnering wordt gebracht: "Een bepaalde beroepservaring verleent de betrokkene geen recht op aanstelling in de hoogste rang van de betrokken loopbaan."
(13) - Gepubliceerd in Mededelingen van de administratie van 27 maart 1996.
(14) - Punten 36 en 37 van de bestreden beschikking.
(15) - Ibidem, punten 38 en 39.
(16) - Ibidem, punt 40.
(17) - Ibidem, punten 41-43.
(18) - Ibidem, punt 45.
(19) - Ibidem, punt 48.
(20) - Ibidem, punt 55.
(21) - Beschikkingen van de president van het Hof van 23 juli 1998, Alexopoulou/Commissie (C-155/98 P, Jurispr. blz. I-4935 en I-4943).
(22) - Smets/Commissie (T-134/96, JurAmbt. blz. II-999).
(23) - Punten 6-8 van de memorie van antwoord.
(24) - Punt 50 van de bestreden beschikking.
(25) - Ibidem, punten 48-50.
(26) - Ibidem, punt 55.
(27) - Ibidem, punten 35-44.
(28) - Blz. 13 van het verzoekschrift in hogere voorziening.
(29) - Punt 11 van de memorie van antwoord.
(30) - Ibidem, punt 12.
(31) - Hiertoe wordt ten aanzien van de rechtspraak inzake bevordering verwezen naar de arresten van het Hof van 25 november 1976, Küster/Parlement (123/75, Jurispr. blz. 1701, punt 10), en 1 juni 1995, Coussios/Commissie (C-119/94 P, Jurispr. blz. I-1439, punt 19), en het arrest van het Gerecht van 18 december 1997, Delvaux/Commissie (T-142/95, JurAmbt. blz. II-1247, punt 39).
(32) - Punt 13 van de memorie van antwoord.
(33) - Punt 21 van het arrest Alexopoulou I.
(34) - Brief aan rekwirante van de griffier van het Gerecht van 11 november 1997 (bijlage 3 bij het verzoekschrift in hogere voorziening).
(35) - Blz. 18 van het verzoekschrift in hogere voorziening.
(36) - Bijlage 6 bij het verzoekschrift in hogere voorziening.
(37) - Ibidem, blz. 19.
(38) - Punt 16 van de memorie van antwoord.
(39) - Van 3 maart 1994 (PB L 78, blz. 32). Deze instructies zijn vastgesteld op grond van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht (artikel 23).
(40) - Zie beschikking Gerecht van 11 juli 1997, Chauvin/Commissie (T-16/97, JurAmbt. blz. II-681, punten 39, 43 en 45), waarin onder meer wordt verwezen naar arrest Hof van 19 maart 1991, Ferrandi/Commissie (C-403/85 REV, Jurispr. blz. I-1215, punt 13).
(41) - Arrest van 8 maart 1988, Brown/Hof van Justitie (125/87, Jurispr. blz. 1619, punt 13). Zie ook beschikking Chauvin/Commissie, reeds aangehaald, waarin wordt verwezen naar vaste rechtspraak van het Hof: arresten van 17 juni 1965, Müller/Raden EEG, EGA en EGKS (43/64, Jurispr. blz. 498), en 15 december 1966, Mosthaf/Commissie EGA (34/65, Jurispr. blz. 750), en beschikking Gerecht van 15 december 1995, Progoulis/Commissie (T-131/95, JurAmbt. blz. II-907, punt 36).
(42) - Arrest Gerecht van 11 december 1996, Atlanta e.a./EG (T-521/93, Jurispr. blz. II-1707, punt 39), waarin wordt verwezen naar arrest Hof van 1 april 1982, Dürbeck/Commissie (11/81, Jurispr. blz. 1251, punt 17).
(43) - Punt 11 van deze conclusie.
Full & Egal Universal Law Academy