Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1 Onderhavige hogere voorzieningen zijn door het Koninkrijk der Nederlanden (zaak C-174/98 P) en door G. van der Wal (zaak C-189/98 P) ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 19 maart 1998, Van der Wal/Commissie(1) (hierna: "bestreden arrest"). Bij het bestreden arrest verwierp het Gerecht het door Van der Wal ingestelde beroep tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 29 maart 1996 houdende weigering toegang te verlenen tot brieven die het directoraat-generaal Mededinging had verzonden aan nationale rechterlijke instanties in het kader van de bekendmaking 93/C 39/05 betreffende de samenwerking tussen de Commissie en de nationale rechterlijke instanties voor de toepassing van de artikelen 85 en 86 EEG-Verdrag.(2)
II - Het wettelijke kader
2 In de Slotakte van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ondertekend te Maastricht op 7 februari 1992, hebben de lidstaten een verklaring (nr. 17) opgenomen betreffende het recht op toegang tot informatie.(3) Ten vervolge op deze verklaring publiceerde de Commissie mededeling 93/C 156/05 betreffende de toegang van het publiek tot de documenten van de instellingen(4), die zij op 5 mei 1993 aan de Raad, het Parlement en het Economisch en Sociaal Comité meedeelde. Op 2 juni 1993 stelde de Commissie mededeling 93/C 166/04 over de doorzichtigheid in de Gemeenschap vast.(5)
3 In het kader van deze aanloop naar de tenuitvoerlegging van het beginsel van doorzichtigheid keurden de Raad en de Commissie op 6 december 1993 een gedragscode inzake de toegang van het publiek tot documenten van de Raad en de Commissie(6) (hierna: "gedragscode") goed. Deze heeft tot doel, de beginselen vast te stellen die zullen gelden voor de toegang tot de documenten die bij hen berusten.
4 Ter verzekering van de nakoming van deze toezegging stelde de Commissie op 8 februari 1994 op de grondslag van artikel 162 EG-Verdrag (thans artikel 218 EG) besluit 94/90/EGKS, EG, Euratom inzake de toegang tot documenten van de Commissie(7) vast. In artikel 1 van dit besluit is de gedragscode, waarvan de tekst in bijlage bij het besluit is opgenomen, formeel goedgekeurd.
5 De gedragscode, zoals door de Commissie goedgekeurd, behelst het volgende algemene beginsel:
"Het publiek zal zo ruim mogelijk toegang krijgen tot documenten die bij de Commissie en de Raad berusten."
6 De gedragscode noemt de volgende omstandigheden die door een instelling als grond voor afwijzing van een aanvraag om toegang tot documenten kunnen worden ingeroepen:
"De instellingen weigeren de toegang tot een document als de verspreiding daarvan schade kan toebrengen aan:
- de bescherming van het algemeen belang (openbare veiligheid, internationale betrekkingen, monetaire stabiliteit, gerechtelijke procedures, inspectie- en enquêteactiviteiten),
- de bescherming van het individu en van de persoonlijke levenssfeer,
- de bescherming van geheime handels- en industriële gegevens,
- de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap,
- de bescherming van de vertrouwelijkheid waar de natuurlijke of rechtspersoon die de informatie heeft verstrekt om heeft verzocht of welke krachtens de wetgeving van de lidstaat die de informatie heeft verstrekt vereist is.
Zij kunnen de toegang tot een document ook weigeren om het belang van de instelling met betrekking tot de geheimhouding van haar beraadslagingen te beschermen."
7 Voorts heeft de Commissie mededeling 94/C 67/03 uitgebracht, inzake verbeterde toegang tot documenten, waarin onder meer staat:
"De Commissie kan van oordeel zijn dat de toegang tot een bepaald document moet worden geweigerd omdat het vrijgeven van dat document de algemene en particuliere belangen en de goede werking van de instelling zou kunnen schaden. (...) De uitzonderingsbepalingen worden evenwel geenszins automatisch toegepast: ieder verzoek om toegang tot een document wordt afzonderlijk beoordeeld."(8)
8 In 1993 publiceerde de Commissie bekendmaking 93/C 39/05.(9) Daarin is vermeld voor welke informatie de nationale rechter zich tot de Commissie kan wenden, en in hoeverre het antwoord van de Commissie voor hem bindend is.(10)
III - De feiten en het procesverloop
9 De feitenrechter heeft in het bestreden arrest de volgende feitelijke toedracht vastgesteld:
Volgens het XXIVe Verslag over het mededingingsbeleid (1994) (hierna: "XXIVe Verslag") ontving de Commissie een aantal vragen van nationale rechterlijke instanties overeenkomstig de in bekendmaking 93/C 39/05 omschreven procedure.(11)
10 Bij brief van 23 januari 1996 verzocht verzoeker, in zijn hoedanigheid van advocaat en lid van een firma die zaken behandelt waarin vragen inzake mededinging op communautair niveau rijzen, om afschriften van enkele van de brieven waarbij de Commissie die vragen had beantwoord, te weten:
"1) de brief van de directeur-generaal van het directoraat-generaal Mededinging (DG IV) van 2 augustus 1993 aan het Oberlandesgericht te Düsseldorf over de verenigbaarheid van een distributieovereenkomst met verordening (EEG) nr. 1983/83 van de Commissie van 22 juni 1983 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen alleenverkoopovereenkomsten(12);
2) de brief van de heer Van Miert, lid van de Commissie, van 13 september 1994 aan het Tribunal d'instance de St. Brieuc over de uitlegging van verordening nr. 26 van de Raad van 4 april 1962 inzake de toepassing van bepaalde regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten(13);
3) de brief van de Commissie, verzonden in het eerste kwartaal van 1995, aan de Cour d'appel de Paris, die de Commissie had verzocht om advies over de contractuele bepalingen inzake verkoopdoelstellingen van autodealers in het licht van artikel 85, lid 1, EG-Verdrag (thans artikel 81, lid 1, EG) en van verordening (EEG) nr. 123/85 van de Commissie van 12 december 1984 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, EEG-Verdrag op groepen afzet- en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen."(14)
11 Bij schrijven van 23 februari 1996 wees de directeur-generaal van DG IV verzoekers aanvraag af met het betoog, dat verspreiding van de gevraagde brieven schade zou kunnen toebrengen aan "de bescherming van het algemeen belang (gerechtelijke procedures)". Hij verklaarde:
"Wanneer de Commissie vragen beantwoordt die haar werden gesteld door nationale rechtbanken waar een zaak aanhangig werd gemaakt teneinde een geschil op te lossen, treedt de Commissie op als $amicus curiae'. Zij wordt verondersteld blijk te geven van een zekere reserve, en dit niet enkel voor wat betreft het aanvaarden van de manier waarop de doorgegeven vragen haar geadresseerd worden, maar evenzeer voor het gebruik door de Commissie van de antwoorden op deze vragen.
Eens de antwoorden opgestuurd werden, beschouw ik deze als een onderdeel van de procedure, en in handen van de rechtsmacht die deze vraag gesteld heeft. De elementen, zowel juridisch als objectief, vervat in de antwoorden moeten (...) worden geanalyseerd in het kader van de lopende procedure, als een onderdeel van het dossier van de nationale rechter. De antwoorden werden overgemaakt door de Commissie aan die nationale rechter en het al dan niet publiek maken en/of ter beschikking stellen van deze informatie aan derden is in eerste instantie afhankelijk van de bevoegdheid van de rechterlijke instantie aan wie dit antwoord is gericht. (...)"
De directeur-generaal beriep zich ook op de noodzaak een vertrouwensrelatie te onderhouden tussen enerzijds de uitvoerende macht van de Gemeenschap en anderzijds de nationale rechterlijke instanties van de lidstaten. Deze overwegingen, geldig in alle gevallen, gingen volgens de directeur-generaal in casu te meer op, aangezien in de zaken waarin de Commissie was ondervraagd, nog geen definitief oordeel was geveld.
12 Bij schrijven van 29 februari 1996 richtte verzoeker een confirmatief verzoek tot het secretariaat-generaal van de Commissie met het betoog, onder meer, dat hij niet inzag hoe het verloop van de nationale procedures in het gedrang kon komen indien aan derden bekend werd welke niet-vertrouwelijke inlichtingen de Commissie in het kader van de toepassing van het communautaire mededingingsrecht aan de nationale rechter had verstrekt.
13 Bij brief van 29 maart 1996 (hierna: "bestreden beschikking") bevestigde de secretaris-generaal van de Commissie het besluit van DG IV met het betoog, dat "openbaarmaking van deze antwoorden nadelig zou kunnen zijn voor de bescherming van het openbaar belang, en met name voor de goede rechtsbedeling". Hij stelde voorts:
"(...) openbaarmaking van de gevraagde antwoorden, die juridische analyses behelzen, [zou] wel degelijk het gevaar opleveren de betrekkingen en de noodzakelijke samenwerking tussen de Commissie en de nationale rechterlijke instanties in het gedrang te brengen. Het ligt voor de hand dat een rechtbank die een vraag aan de Commissie heeft gesteld, welke daarenboven betrekking heeft op een aanhangige zaak, het niet op prijs zou stellen dat het hem gegeven antwoord openbaar wordt gemaakt. (...)"
De secretaris-generaal voegde hieraan toe, dat de betrokken procedure een heel ander karakter had dan de prejudiciële procedure van artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG), waarnaar verzoeker in zijn confirmatief verzoek had verwezen.
14 In deze omstandigheden heeft Van der Wal bij op 29 mei 1996 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift tegen de litigieuze beschikking beroep ingesteld, waarbij hij twee middelen aanvoerde, namelijk schending van besluit 94/90 en schending van artikel 190 EG-Verdrag (thans artikel 253 EG).
15 Het Gerecht verwierp het beroep van Van der Wal bij het bestreden arrest, daartoe onder meer overwegende:
"41 Het Gerecht herinnert eraan, dat besluit 94/90 een handeling is die de burgers een recht op toegang verleent tot de documenten die bij de Commissie berusten (arrest WWF UK/Commissie, reeds aangehaald, punt 55).(15) Uit het algemene opzet van dit besluit blijkt, dat het op algemene wijze van toepassing is op de aanvragen om toegang tot documenten, en dat eenieder kan verzoeken om toegang tot eender welk document van de Commissie, zonder dat deze aanvraag moet worden gemotiveerd (zie dienaangaande bekendmaking 93/C 156/05, reeds aangehaald in punt 2).(16) De uitzonderingen op dit recht van toegang moeten restrictief worden uitgelegd en toegepast, opdat de toepassing van het in voornoemd besluit neergelegde algemene beginsel niet in het gedrang komt (arrest WWF UK/Commissie, reeds aangehaald, punt 56).
42 Besluit 94/90 heeft twee categorieën uitzonderingen ingevoerd. De eerste categorie is in dwingende bewoordingen omschreven als volgt: $De instellingen weigeren de toegang tot een document als de verspreiding daarvan schade kan toebrengen aan [onder meer] de bescherming van het algemeen belang [(...) gerechtelijke procedures]' (zie hierboven, punt 8). Dit betekent, dat de Commissie verplicht is om toegang te weigeren tot documenten die onder deze uitzondering vallen, wanneer het bewijs dat deze omstandigheid zich voordoet, wordt geleverd (arrest WWF UK/Commissie, reeds aangehaald, punt 58).
43 Uit het gebruik van de bewoordingen ["als (...) kan"] volgt, dat de Commissie, om het door de rechtspraak (zie vorig punt) vereiste bewijs te leveren dat de verspreiding van documenten die een gerechtelijke procedure betreffen schade zou kunnen toebrengen aan de bescherming van het algemeen belang, gehouden is, alvorens een uitspraak te doen over een aanvraag om toegang tot dergelijke documenten, voor elk gevraagd document te onderzoeken of de verspreiding ervan, wegens de informatie die het bevat, daadwerkelijk schade kan toebrengen aan een van de algemene belangen die door de eerste categorie uitzonderingen worden beschermd. Indien dat het geval is, dient de Commissie de toegang tot de betrokken documenten te weigeren (zie hiervóór, punt 42).
44 Onderzocht moet dus worden, of de Commissie zich op de uitzondering uit hoofde van de bescherming van het algemeen belang kan beroepen - en zo ja, in welke mate - om de toegang te weigeren tot documenten die zij aan een nationale rechter heeft gezonden in antwoord op een verzoek van laatstgenoemde in het kader van de samenwerking op grond van de bekendmaking, zelfs wanneer de Commissie geen partij is in de gerechtelijke procedure die bij de nationale rechter aanhangig is en die tot zijn verzoek aanleiding heeft gegeven.
45 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat volgens artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) eenieder recht heeft op een eerlijk proces. Teneinde dit recht te verzekeren, moet zijn zaak onder meer $door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht' worden behandeld (artikel 6 EVRM).
46 Volgens vaste rechtspraak behoren de fundamentele rechten tot de algemene rechtsbeginselen welker eerbiediging het Hof verzekert (zie met name advies 2/94 van het Hof van 28 maart 1996, Jurispr. blz. I-1759, punt 33, en arrest Gerecht van 22 oktober 1997, SCK en FNK/Commissie, T-213/95 en T-18/96, Jurispr. blz. II-1739, punt 53). Daarbij laten het Hof en het Gerecht zich leiden door de constitutionele tradities welke aan de lidstaten gemeen zijn, alsmede door de aanwijzigingen die te vinden zijn in de internationale rechtsinstrumenten inzake de bescherming van de rechten van de mens waaraan de lidstaten hebben meegewerkt of waarbij zij zich hebben aangesloten. Aan het EVRM komt in dit opzicht bijzondere betekenis toe (zie onder meer arrest Hof van 15 mei 1986, Johnston, 222/84, Jurispr. blz. 1651, punt 18). Volgens artikel F, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, in werking getreden op 1 november 1993, eerbiedigt de Unie overigens $de grondrechten, zoals die worden gewaarborgd door het [EVRM] en zoals zij uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten voortvloeien, als algemene beginselen van het gemeenschapsrecht'.
47 Het recht van eenieder op een eerlijke behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke rechterlijke instantie houdt onder meer in, dat het zowel de nationale als de communautaire rechterlijke instanties vrij moet staan hun eigen procesregels toe te passen op het vlak van de bevoegdheden van de rechter, het verloop van de procedure in het algemeen en de vertrouwelijkheid van de stukken van het dossier in het bijzonder.
48 De aan de bescherming van het algemeen belang ontleende uitzondering op het algemene beginsel van toegang tot de documenten van de Commissie wanneer de betrokken documenten een gerechtelijke procedure betreffen, welke uitzondering in besluit 94/90 is neergelegd, beoogt de algemene inachtneming van dit fundamentele recht te verzekeren. De draagwijdte van deze uitzondering kan dus niet worden beperkt tot de enkele bescherming van de belangen van de partijen in het kader van een welbepaalde gerechtelijke procedure, maar strekt zich ook uit tot de procedurele autonomie van bovenbedoelde nationale en communautaire rechterlijke instanties (zie voorgaand punt).
49 De draagwijdte van deze uitzondering moet het de Commissie dus mogelijk maken om er ook een beroep op te doen wanneer zij niet zelf partij is bij een gerechtelijke procedure die in voorkomend geval de bescherming van het algemeen belang rechtvaardigt.
50 Dienaangaande moet onderscheid worden gemaakt tussen documenten die de Commissie uitsluitend voor een welbepaalde gerechtelijke procedure heeft opgesteld, zoals de brieven in het onderhavige geval, en andere documenten, die onafhankelijk van die procedure bestaan. De toepassing van de uitzondering uit hoofde van de bescherming van het algemeen belang kan enkel gerechtvaardigd zijn voor de eerste categorie documenten, aangezien de beslissing om al dan niet toegang te verlenen tot dergelijke documenten, overeenkomstig de intrinsieke rechtvaardiging van de uitzondering uit hoofde van de bescherming van het algemeen belang in het kader van een gerechtelijke procedure (zie hiervóór, punt 48), uitsluitend een zaak van de betrokken nationale rechter is.
51 Wanneer een nationale rechter evenwel in het kader van een gerechtelijke procedure die bij hem aanhangig is, de Commissie om bepaalde informatie vraagt op basis van de in de bekendmaking bedoelde samenwerking, wordt het antwoord van de Commissie uitdrukkelijk gegeven met het oog op de betrokken gerechtelijke procedure. In dergelijke omstandigheden moet worden erkend, dat de bescherming van het algemeen belang vereist dat de Commissie de toegang tot deze informatie, en bijgevolg tot de documenten die deze informatie bevatten, weigert. Zolang de gerechtelijke procedure in het kader waarvan deze informatie in een document van de Commissie is opgenomen, aanhangig is, berust de beslissing inzake de toegang ertoe immers uitsluitend bij de betrokken nationale rechter op basis van diens nationale procesrecht.
52 In casu heeft verzoeker verzocht om de overlegging van drie brieven, die alle betrekking hadden op aanhangige gerechtelijke procedures en waarvan verzoeker niet heeft aangevoerd, dat daarin enkel informatie was opgenomen die langs een andere weg toegankelijk was op basis van de bepalingen van besluit 94/90. Dienaangaande zij overigens opgemerkt, dat de eerste brief betrekking had op de verenigbaarheid van een distributieovereenkomst met verordening nr. 1983/83, de tweede op de toepassing van verordening nr. 26 en de derde op de uitlegging van verordening nr. 123/85 (zie hiervóór, punt 11). Deze brieven handelden dus over rechtsvragen die in het kader van welbepaalde aanhangige procedures waren gerezen.
53 Zoals de Commissie reeds heeft opgemerkt, is het dienaangaande van weinig belang of de drie betrokken documenten zakengeheimen bevatten, daar de weigering van de Commissie om de antwoorden te verspreiden, om bovenvermelde redenen gerechtvaardigd was (zie hiervóór, punten 45-52).
(...)"
IV - Conclusies van partijen
16 Het bestreden arrest werd op 24 respectievelijk 19 maart 1998 aan het Koninkrijk der Nederlanden en aan Van der Wal betekend. Rekwiranten, het Koninkrijk der Nederlanden en Van der Wal, hebben elk, op 11 (C-174/98 P) respectievelijk 19 mei 1998 (C-189/98 P) bij de griffie van het Hof een verzoek om hogere voorziening ingediend.
17 Het Koninkrijk der Nederlanden verzoekt het Hof het arrest van het Gerecht te vernietigen, de litigieuze beschikking van de Commissie nietig te verklaren (en, subsidiair, de zaak ter afdoening naar het Gerecht te verwijzen met inachtneming van het arrest van het Hof) en de Commissie in de kosten te verwijzen.
18 Van der Wal verzoekt het Hof eveneens zijn vordering gegrond te verklaren, het bestreden arrest te vernietigen en opnieuw rechtdoende, de litigieuze beschikking van de Commissie nietig te verklaren. Subsidiair verzoekt hij de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor afdoening met inachtneming van het arrest van het Hof. Ten slotte vordert zij dat de Commissie wordt verwezen in de kosten.
19 De Commissie (C-174/98 P en C-189/98 P) verzoekt het Hof de hogere voorzieningen te verwerpen en rekwiranten in de kosten te verwijzen.
V - De middelen in hogere voorziening
20 Het Koninkrijk der Nederlanden voert twee middelen aan tegen het arrest van het Gerecht: schending van besluit 94/90 en schending van de artikelen 33 juncto 46 van 's Hofs Statuut-EG; beide middelen betreffen de wettigheid en de motivering van het bestreden arrest. Van der Wal voert in zijn hogere voorziening behalve de twee door het Koninkrijk der Nederlanden aangevoerde middelen ook nog als middelen aan: schending van het Europees Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950 (hierna: "EVRM") en schending van het beginsel van partij-autonomie en van het recht van verweer.
21 Al deze middelen betreffen in wezen de premissen waarvan het Gerecht in zijn redenering is uitgegaan en vooral de uitlegging van de rechtsregels die dit geschil beheersen. De aangevoerde middelen keren zich tegen de uitlegging die het Gerecht geeft aan het besluit 94/90 inzake de toegang tot documenten van de Commissie, in het bijzonder de uitlegging van de bewuste uitzonderingsgrond "bescherming van het algemeen belang (meer bepaald gerechtelijke procedures)". Deze uitlegging wordt zowel in het middel van schending van artikel 6 EVRM als in het middel van ontoereikende motivering van het bestreden arrest aangevochten, omdat de wijze waarop die uitzonderingsgrond wordt uitgelegd, het handvat biedt voor de toetsing, of gesproken kan worden van een afdoende, concrete en gefundeerde motivering. Ook het middel van schending van het beginsel van partij-autonomie en van het recht van verweer is op de uitlegging van de uitzonderingsbepaling gebaseerd. In het kader van dit middel voeren rekwiranten concreet aan, dat het Gerecht, door artikel 6 EVRM in de uitlegging van de uitzonderingsbepaling te betrekken, de grenzen van het voor hem aangebrachte geschil heeft overschreden en in feite een eigen motivering voor de litigieuze beschikking in de plaats heeft gesteld van die van de Commissie.
22 Uit systematisch oogpunt zal ik de aangevoerde middelen bespreken in de volgende volgorde: eerst het middel dat klaagt over schending van artikel 6 EVRM (A); vervolgens het middel van schending van besluit 94/90 (B); dan het middel van ontoereikende of onjuiste motivering van het bestreden arrest (C), en ten slotte het middel van schending van het beginsel van partij-autonomie en het recht van verweer (D). Omdat in beide gevoegde zaken deels dezelfde middelen worden aangevoerd, opgesplitst in vele onderdelen en gebaseerd op elkaar overlappende en vaak herhaalde argumenten en stellingen, lijkt het me zaak, om al te veel herhalingen te vermijden, die argumenten en stellingen zodanig te groeperen dat de zaak als één geheel wordt behandeld, waarbij ik de punten zal aangeven waar de zaken van elkaar afwijken.
A - Schending van het EVRM
a) Argumenten van partijen
23 Volgens Van der Wal geeft het Gerecht in het bestreden arrest een onjuiste en overigens onbegrijpelijke interpretatie aan de uit artikel 6 EVRM voortvloeiende beginselen, en schendt het daarmee het gemeenschapsrecht.
24 De gemeenschapsrechter dient, zoals het Gerecht in punt 46 van het bestreden arrest terecht overweegt, de eerbiediging van de fundamentele rechten te verzekeren, maar daarbij is hij volgens rekwirant gebonden aan de interpretatie die de Commissie voor de rechten van de mens en het Hof voor de rechten van de mens in Straatsburg aan het toepassingsgebied en inhoud van de beschermde rechten geven. In artikel 6 EVRM zelf of de - bindende - rechtspraak van genoemde instanties is geen steun te vinden voor de stelling van het Gerecht, dat uit dit artikel een beginsel van procedurele autonomie van de nationale rechter voortvloeit. Verder noemt Van der Wal het onjuist om een beroep te doen op artikel 6 EVRM om de positie van een nationale rechter te beschermen of om zijn positie af te bakenen van die van andere rechterlijke instanties, los van de bescherming van de individuele belangen van de partijen in het geding. In de punten 47 en 48 van het bestreden arrest volgt het Gerecht een redenering die in strijd is met de doelstellingen van artikel 6 EVRM, dat is gericht op de bescherming van de individuele belangen van de burgers in hun relatie met de overheid. Het Gerecht schijnt uit artikel 6 EVRM echter een recht in hoofde van de rechter af te leiden, waarmee het een nieuw beginsel toevoegt aan de lijst van waarborgen van artikel 6 EVRM - namelijk een beginsel van procedurele autonomie van de nationale rechter en de gemeenschapsrechter -, dat niet is gebaseerd op de rechtspraak van het Hof voor de rechten van de mens of op de relevante literatuur. Hierdoor schendt het Gerecht het gemeenschapsrecht.
25 De redenering van het Gerecht in punt 47 van het bestreden arrest noemt rekwirant onjuist, ook al zou het Gerecht het beginsel van procedurele autonomie beschouwen als invulling van het begrip "onafhankelijke rechter" in de zin van artikel 6 EVRM (dat wil zeggen dat de rechter zijn beslissing moet kunnen baseren op zijn eigen vrije oordeel omtrent de feiten en rechtsgronden, zonder binding ten opzichte van partijen en zonder dat zijn beslissing onderworpen is aan toetsing door een ander niet-onafhankelijke instantie). Waar het Gerecht spreekt van de positie van de nationale rechter ten opzichte van de communautaire rechter, doelt het waarschijnlijk op de onafhankelijkheid van de nationale rechter ten opzichte van de Commissie, maar die instelling is geen rechterlijke instantie in de zin van artikel 6 EVRM. Artikel 6 EVRM biedt dus geen enkele steun voor het beginsel van procedurele autonomie van de nationale en communautaire rechter.
26 Volgens de Commissie zijn het Hof en het Gerecht formeel niet gebonden door de uitspraken van de Commissie voor de rechten van de mens en van het Hof voor de rechten van de mens, ook al zijn die uitspraken voor de uitlegging van het EVRM van zeer groot belang. Het Hof en het Gerecht passen niet het EVRM als zodanig toe, maar wel de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht. De Gemeenschap is geen partij bij het EVRM, zodat de bepalingen betreffende de Straatsburgse organen voor haar niet bindend zijn.
27 Van der Wal verwijt het Gerecht, aldus de Commissie, de interpretatie van artikel 6 EVRM verder te hebben ontwikkeld dan tot nu toe in de rechtspraak van de Straatsburgse organen is gebeurd. Het EVRM, zoals door de Straatsburgse organen uitgelegd, sluit echter de invoering van een hoger beschermingsniveau in andere nationale rechtsorden of in de Europese rechtsorde niet uit.
28 Wat het beginsel van de procedurele autonomie betreft, acht de Commissie punt 47 van het arrest a quo overtuigend. Bovendien doet het Gerecht in die rechtsoverweging uitspraken over algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, met het oog op de uitlegging van besluit 94/90, en er kan geen sprake zijn van een strijdigheid met het EVRM of verkeerde interpretatie daarvan.
29 Ten slotte is de redenering van het Gerecht volgens de Commissie niet in strijd met de primaire doelstellingen van artikel 6 EVRM. Concreet stelt zij dat zich geen conflict voordoet tussen de onafhankelijkheid van de rechter en de bescherming van de rechten van de burger. De onafhankelijkheid van de rechter, met inbegrip van diens procedurele onafhankelijkheid, is nu juist bedoeld om de fundamentele rechten van de burger te kunnen waarborgen.
b) Mijn standpunt
30 Het Hof heeft herhaaldelijk gewezen op zijn vaste rechtspraak, dat "de fundamentele rechten behoren tot de algemene rechtsbeginselen welker eerbiediging het Hof verzekert. Daarbij laat het Hof zich leiden door de constitutionele tradities welke aan de lidstaten gemeen zijn, alsmede door de aanwijzingen die te vinden zijn in de internationale rechtsinstrumenten inzake de bescherming van de rechten van de mens, waaraan de lidstaten hebben meegewerkt of waarbij zij zich hebben aangesloten. Aan het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens komt in dit opzicht bijzondere betekenis toe. Gelijk het Hof voorts heeft verklaard, volgt hieruit, dat in de Gemeenschap geen maatregelen kunnen worden toegelaten die zich niet verdragen met de aldus erkende en gewaarborgde rechten van de mens (zie, met name, arrest van 18 juni 1991, ERT, C-260/89, Jurispr. blz. I-2925, punt 41)."(17)
31 Zoals ook in het bestreden arrest terecht wordt overwogen(18), zijn de bepalingen van het EVRM evenals de constutionele tradities welke aan de lidstaten gemeen zijn, een leidraad voor de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht.(19) De bepalingen van het EVRM zijn in dit opzicht van bijzondere betekenis, en binnen het kader van genoemde rechtspraak verkrijgt het Hof enerzijds de rol van uitlegger van het EVRM(20) en kan het anderzijds geen uitlegging van het gemeenschapsrecht geven die onverenigbaar is met de eerbiediging van de rechten van de mens, zoals deze in het EVRM worden erkend en gewaarborgd. Omdat de Europese Unie echter niet tot het EVRM is toegetreden, kan niet worden aanvaard dat de gemeenschapsrechter formeel is gebonden aan uitspraken van de Commissie voor de rechten van de mens en het Hof voor de rechten van de mens(21), al ligt het wel voor de hand en is het ook geoorloofd de uitspraken van deze organen bij analogie over te nemen.
32 Gelet op een en ander acht ik het middel inzake schending van artikel 6 EVRM - en daarmee van het gemeenschapsrecht - voor zover dat steunt op het argument dat het bestreden arrest afwijkt van de door de Commissie voor de rechten van de mens en het Hof voor de rechten van de mens te Straatsburg aan artikel 6 EVRM gegeven uitlegging, niet ter zake dienende.
33 Hoe dan ook is dit middel ongegrond, omdat uit niets blijkt dat de uitlegging die het Gerecht in zijn bestreden arrest geeft, in strijd is met de eerbiediging van het recht van eenieder op een eerlijk proces voor een onafhankelijke rechter, zoals dat recht wordt erkend en gewaarborgd door artikel 6 EVRM; uit niets blijkt dat die uitlegging indruist tegen de tot dusver door de Commissie voor de rechten van de mens en het Hof voor de rechten van de mens te Straatsburg daaraan gegeven uitlegging.
34 Anders dan rekwirant beweert, bevat het bestreden arrest geen redenering die een recht in hoofde van de rechter inhoudt, zonder verband met de individuele belangen van partijen. De bescherming van laatstgenoemden staat in de redenering van het Gerecht, in de gewraakte punten 47 en 48 van het bestreden arrest, nog altijd centraal. Concreet geeft het Gerecht, aan de hand van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, uitlegging aan de inhoud van het recht van eenieder op een eerlijke behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke rechterlijke instantie, waarbij het de procedurele autonomie van de nationale en de communautaire rechter tot de essentie van dat recht rekent. Terecht stelt het dus vast, dat de uitzondering op het algemene beginsel van vrije toegang tot documenten van de Commissie uit hoofde van de bescherming van het algemeen belang indien de betrokken documenten een gerechtelijke procedure betreffen, de inachtneming van dit recht beoogt te verzekeren. Daarom overweegt het Gerecht dat de draagwijdte van deze uitzondering "niet kan worden beperkt tot de enkele bescherming van de belangen van de partijen in het kader van een welbepaalde gerechtelijke procedure, maar zich ook uitstrekt tot de procedurele autonomie van bovenbedoelde nationale en communautaire rechterlijke instanties"(22), die begripsmatig besloten ligt in "het recht van eenieder op een eerlijke behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke rechterlijke instantie".(23) Uit deze redenering komt naar voren dat het Gerecht niet alleen ten volle heeft onderkend dat artikel 6 EVRM strekt tot waarborging van een individueel recht, maar het beginsel van procedurele autonomie van de nationale en communautaire rechter uitdrukkelijk aanwijst als positieve garantie voor de bescherming van de belangen van partijen.
35 Anderzijds valt tegen de stelling van rekwirant in te brengen, dat die positieve garantie terecht vergezeld gaat van het vereiste, dat sprake moet zijn van een "onafhankelijke rechterlijke instantie". Het is eerlijk gezegd ook moeilijk voor te stellen, dat een rechterlijke instantie volstrekt "onafhankelijk" is, maar de bevoegdheid mist om zijn eigen procesregels toe te passen (het nationale procesrecht in het geval van nationale rechterlijke instanties) en om zelf in alle vrijheid te beslissen over problemen in verband met de procedure in het algemeen en de vertrouwelijkheid van de stukken in het bijzonder.
36 Bovendien schijnt deze koppeling tussen procedurele autonomie en onafhankelijkheid van de rechter niet in te druisen tegen de geest van het EVRM of tegen de huidige opvatting in de literatuur en in de rechtspraak van de organen van Straatsburg omtrent de inhoud van het begrip "onafhankelijke rechterlijke instantie" in de zin van artikel 6 EVRM.
Volgens de geest van het EVRM houdt de onafhankelijkheid van de rechter voornamelijk in, dat middels organisatorische, functionele en persoonlijke waarborgen iedere inmenging in de taakuitoefening van de rechter moet worden voorkomen, ongeacht of het gaat om inmenging door organen van de uitvoerende, de wetgevende of enig andere macht (pressiegroepen van politieke, economische, sociale, culturele of andere aard), dan wel door de procespartijen zelf.(24) Aangezien het Europees Hof te Straatsburg heeft uitgemaakt, dat voor onafhankelijkheid in de zin van artikel 6 EVRM ook het bewaren van het decorum van belang is(25), moet worden aangenomen dat het verbod van inmenging in de taakuitoefening van de rechter ook inhoudt dat het risico of de schijn daarvan moet worden vermeden.
Duidelijk is dus, dat zodra zich een probleem aandient met betrekking tot het procesverloop in een geding, zoals de beoordeling van de vertrouwelijkheid van processtukken en de openbaarmaking van gegevens uit het dossier van de zaak, en een andere instantie dan de bevoegde rechter daarover beslist, er sprake is van inmenging of althans van het risico of de schijn van beïnvloeding van de rechter bij de uitoefening van zijn taak. Die taak beperkt zich immers niet tot de beoordeling van de feitelijke en juridische aspecten van de zaak ten gronde, maar ook van eventuele incidenten in het procesverloop. Ook al zou het in artikel 6 EVRM geformuleerde recht niet gelden voor de procesrechtelijke kant van de zaak, dan moet toch worden bedacht dat bij inmenging in zulke beslissingen het risico en de verdenking kunnen ontstaan, dat de rechter ook bij de inhoudelijke behandeling van het geschil in zijn taak wordt beïnvloed. Met andere woorden, de verzekering van de procedurele autonomie van iedere rechter, dat wil zeggen de mogelijkheid van de rechter om door vrije toepassing van de regels die de voor hem aanhangige procedure beheersen, zelf te beslissen over vraagstukken met betrekking tot het verloop van die procedure, is een wezenlijke garantie en in ieder geval een belangrijk teken van zijn onafhankelijkheid, zoals die door artikel 6 EVRM wordt gewaarborgd en uitgelegd door het Europees Hof te Straatsburg.(26) Dat ook reeds de schijn of verdenking van beïnvloeding van de rechter moet worden vermeden, blijkt mede uit de overweging in punt 43 van het bestreden arrest, dat de uitzonderingsbepaling uit hoofde van "bescherming van het algemeen belang (gerechtelijke procedures)" de Commissie ook verplicht de toegang tot documenten te weigeren wanneer de verspreiding enkel schade "kan" toebrengen aan het algemeen belang.
37 Gesteld al dat uit de literatuur en rechtspraak inzake artikel 6 EVRM het beginsel van procedurele autonomie van de rechter niet duidelijk te halen valt, dan is er naar mijn mening nog geen sprake van schending van het EVRM. Met dit beginsel wordt de interpretatieve inhoud daarvan verrijkt, en de gemeenschapsrechter heeft daartoe ook de mogelijkheid, nu hij zich door het EVRM slechts laat leiden voor het formuleren van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht.
38 Gelet op bovenstaande, meen ik dat het middel van schending van het gemeenschapsrecht via schending van artikel 6 EVRM als niet ter zake dienende of in ieder geval ongegrond moet worden verworpen.
B - Schending van besluit 94/90
39 De Nederlandse regering is van oordeel, dat het Gerecht in het bestreden arrest op zich een juiste interpretatie van besluit 94/90 geeft.(27) Niettemin meent zij dat de bepalingen van dit besluit zijn geschonden door de wijze waarop het Gerecht vervolgens toepassing geeft aan de uitzonderingsgrond "bescherming van het algemeen belang (gerechtelijke procedures)". Dit middel valt uiteen in vijf onderdelen(28): het eerste onderdeel betreft de theoretische analyse van de gewraakte uitzondering en meer in het bijzonder het beginsel van "procedurele autonomie" van de nationale rechter (a); het tweede, derde en vierde onderdeel betreffen het criterium voor de toepassing en de draagwijdte van de uitlegging van deze uitzondering (b); het vijfde onderdeel betreft de gevolgen van deze uitlegging voor de eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht (c).
a) Het eerste onderdeel
aa) Argumenten van partijen
40 De Nederlandse regering betoogt dat het Gerecht ten onrechte uit het beginsel van de procedurele autonomie afleidt, dat het de auteur van een document dat met het oog op een welbepaalde procedure is opgesteld, niet vrijstaat derden tot dit document toegang te verlenen, omdat dit steeds, althans zolang de desbetreffende procedure aanhangig is, tegen het algemeen belang zou indruisen. Het beginsel van procedurele autonomie zoals dat in de rechtspraak van het Hof wordt gedefinieerd, op welke rechtspraak het Gerecht zich kennelijk heeft gebaseerd, heeft betrekking op de wijze waarop rechtstreeks werkende bepalingen van gemeenschapsrecht door de nationale rechter in de nationale rechtsorde worden toegepast. Het beginsel houdt in, dat het verloop van de procedure voor de nationale rechter uitsluitend door het nationale recht wordt bepaald mits hierbij aan bepaalde voorwaarden is voldaan.(29) In het onderhavige geval, aldus de Nederlandse regering, gaat het uitsluitend om de vraag of de Commissie gehouden is tot het verlenen van toegang tot haar eigen documenten, welke vraag geen verband houdt met de verplichtingen van de nationale rechter, en evenmin diens autonomie aantast. Daarom heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld dat de uitzonderingsgrond in verband met het algemeen belang in besluit 94/90 mede kan worden ingeroepen ter bescherming van de procedurele autonomie van nationale rechterlijke instanties.(30)
41 Volgens de Nederlandse regering trekt het Gerecht uit deze onjuiste conclusie ook niet eens alle consequenties. Waar het immers aanneemt dat de toegang tot gegevens van het dossier in een welbepaalde gerechtelijke procedure een aangelegenheid is van nationaal recht, is er geen enkele reden om het beroep op procedurele autonomie te beperken tot alleen documenten die met het oog op die procedure zijn opgesteld(31), en dan nog slechts zolang die procedure nog aanhangig is.(32)
42 Bovendien heeft het Gerecht volgens de Nederlandse regering nagelaten de noodzakelijke vaststellingen te verrichten om te beoordelen, of het verlenen van toegang tot de gevraagde documenten de procedurele autonomie van de nationale rechter werkelijk zou aantasten. Concreet heeft het niet de nodige vaststellingen verricht om te beoordelen of de nationale rechter toegang verleent tot de gegevens van het dossier in de nationale procedure en of de Commissie op grond van het nationale recht gerechtigd is aan derden tot dergelijke documenten toegang te verlenen.
43 Volgens Van der Wal is er geen enkele reden om aan te nemen dat de Raad en de Commissie bij het formuleren van de uitzonderingsgronden in de gedragscode bij besluit 94/90, de bescherming van de procedurele autonomie van de nationale rechter voor ogen hebben gehad. Volgens Van der Wal kan de uitzonderingsgrond "gerechtelijke procedures" slechts zien op de bescherming van de belangen van partijen in een welbepaalde procedure voor de nationale rechter.
44 Ten slotte beweert Van der Wal dat het beginsel van procedurele autonomie niet besloten ligt in het begrip onafhankelijke rechterlijke instantie in de zin van artikel 6 EVRM.
45 Volgens de Commissie steunt het eerste onderdeel van het eerste middel op een verkeerd begrip van wat het Gerecht bedoelt met het beginsel van procedurele autonomie.
46 Volgens haar stelt de Nederlandse regering ten onrechte, dat het Gerecht voor het beginsel van procedurele autonomie verwijst naar de rechtspraak van het Hof in de zaak Rewe.(33) Dit arrest wordt echter nergens in de schriftelijke of mondelinge procedure voor het Gerecht en evenmin in het bestreden arrest aangehaald. Daarentegen is de redenering van het Gerecht volstrekt in overeenstemming met de rechtspraak die de Commissie zelf voor het Gerecht heeft aangehaald(34), namelijk dat het uitsluitend aan de nationale rechter staat om op grond van zijn nationaal procesrecht te bepalen of, op welk tijdstip, en onder welke voorwaarden het antwoord van de Commissie aan derden kan worden bekendgemaakt.
47 Tegen het argument dat het Gerecht niet consequent zou zijn omdat het zich beperkt tot toepassing van genoemd beginsel ten aanzien van documenten die specifiek met het oog op een welbepaalde gerechtelijke procedure zijn opgesteld en bovendien slechts zolang de nationale gerechtelijke procedure aanhangig is, brengt de Commissie in, dat de passages in de beschikking die betrekking hebben op de gevallen van documenten die onafhankelijk van een welbepaalde procedure bestaan of met betrekking tot de situatie en de afloop van de gerechtelijke procedure, enkel als obiter dictum gelden, die overigens niet zo categorisch zijn als de Nederlandse regering het wil voorstellen. Dit noemt de Commissie ook logisch aangezien die gevallen niet het voorwerp uitmaakten van de bestreden beschikking van de Commissie of van het geding voor het Gerecht.
48 Het argument dat van aantasting van de procedurele autonomie in ieder geval geen sprake zou zijn indien de nationale rechters overeenkomstig de toepasselijke nationale bepalingen aan een derde toegang zouden verlenen tot deze documenten, en dat het Gerecht een en ander had moeten nagaan, houdt volgens de Commissie een volledige miskenning in van de autonomie van de nationale rechter; in plaats van hem de beslissing te laten zou de Commissie, onder toezicht van het Gerecht, zich in de plaats moeten stellen van de nationale rechter en moeten beslissen aan de hand van haar eigen interpretatie van het nationale recht. Het Gerecht heeft terecht geoordeeld dat zo een benadering onverenigbaar is met het respect voor de procedurele autonomie van de nationale rechter.
49 Tegen het argument van Van der Wal ten slotte, dat de uitzonderingsgrond "gerechtelijke procedures" enkel betrekking zou hebben op de bescherming van partijen, brengt de Commissie in - onder betwisting overigens van de ontvankelijkheid van dit middel wegens de wijze waarop dit wordt aangevoerd(35) - dat besluit 94/90 betrekking heeft op het "algemeen" belang en op "gerechtelijke procedures" als zodanig en voorts dat de redenering van het Gerecht allerminst voorbijgaat aan de bescherming van de belangen van partijen.(36)
ab) Mijn standpunt
ab.1. De ontvankelijkheid
50 Volgens de Commissie is het betoog van Van der Wal inzake de uitlegging en de inhoud van de uitzonderingsgrond uit hoofde van het "algemeen belang (gerechtelijke procedures)", als middel niet ontvankelijk, omdat het alle motivering en uitleg mist. De Commissie wijst op uitdrukkingen in het verzoekschrift als "volgens rekwirant"(37) en zegt dat dit onderdeel van het middel louter bestaat uit affirmaties van de persoonlijke opinies van rekwirant, zonder enige werkelijke juridische argumentatie.
Volgens de rechtspraak van het Hof "moet de hogere voorziening de tot staving van de conclusies aangevoerde middelen en argumenten rechtens vermelden (...) en duidelijk (...) aangeven, tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, het is gericht en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven".(38)
Gelet op deze rechtspraak acht ik de bewering van de Commissie niet overtuigend. In zijn middel van onjuiste uitlegging door het Gerecht van besluit 94/90 en meer in het bijzonder de litigieuze uitzonderingsgrond, voert rekwirant aan dat noch het besluit, noch een andere rechtsregel steun biedt voor de uitlegging die het Gerecht in punt 48 van het bestreden arrest hanteert. Rekwirant wijst de gewraakte passage in het bestreden arrest aan en geeft vervolgens zijn eigen uitlegging aan besluit 94/90, waarbij hij in het algemeen verwijst naar de wil van de auteurs van dat besluit (punt 25 van zijn verzoekschrift). Hiervan uitgaande betoogt hij dat de bewuste uitzonderingsgrond uitsluitend is bedoeld ter bescherming van de belangen van partijen en niet voor het beginsel van procedurele autonomie van de nationale rechter, welk beginsel hij bestrijdt onder verwijzing naar het verdere betoog in het verzoekschrift. Deze presentatie, hoewel nogal summier en algemeen, is volgens mij niet in strijd met de in de rechtspraak van het Hof gestelde vereisten en de vereiste juridische gegevens waarop dit onderdeel van het middel berust, worden - zij het ook minimaal - genoemd. Dit geldt te meer nu het onderdeel een negatieve strekking heeft, namelijk dat er geen juridische fundering is voor de door het Gerecht gegeven uitlegging. Deze negatieve strekking rechtvaardigt in grote mate de beperkte onderbouwing van het desbetreffende onderdeel van het middel. Bovendien zijn inleidende uitdrukkingen als "volgens rekwirant" of "rekwirant is van mening dat (...)", geen ongebruikelijke stijlmiddelen in een processtuk; op zichzelf kunnen zij niet in positieve of negatieve zin van invloed zijn op de inhoud daarvan.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de Commissie te verwerpen en dit onderdeel van het middel inzake schending van besluit 94/90 ten gronde te behandelen.
ab.2. Ten gronde
51 Voorop moet worden gesteld, dat de redenering van het Gerecht, zoals weergegeven in de punten 41 tot en met 43 van het bestreden arrest, in essentie niet valt te betwisten. Terecht herinnert het Gerecht eraan, dat besluit 94/90 een handeling is die de burgers een recht tot toegang verleent tot de documenten die bij de Commissie berusten(39) en dat uitzonderingen op dit recht restrictief moeten worden uitgelegd en toegepast, opdat de toepassing van het in voornoemd besluit neergelegde algemene beginsel niet in het gedrang komt. Evenzeer terecht maakt het Gerecht onderscheid tussen facultatieve en dwingende uitzonderingsgronden. Tot de laatstgenoemde categorie behoort ook de hier in geding zijnde uitzonderingsgrond, dat wil zeggen dat de instellingen de toegang tot een document moeten weigeren als de verspreiding daarvan schade kan toebrengen aan het algemeen belang (gerechtelijke procedures). En nogmaals terecht heeft het Gerecht ten slotte overwogen, dat de Commissie de toegang tot documenten die een gerechtelijke procedure betreffen, dient te weigeren indien zij voor elk opgevraagd document(40) heeft vastgesteld, dat de onthulling daarvan aan derden, wegens de informatie die het bevat, daadwerkelijk schade kan toebrengen aan een van de algemene belangen die door de eerstgenoemde categorie uitzonderingen worden beschermd.(41)
52 Rekwiranten betogen dat het Gerecht, gelet op de feitelijke omstandigheden in deze zaak, aan deze redenering een onjuiste toepassing heeft gegeven waar het gaat om de uitlegging en toepassing van de gewraakte uitzonderingsgrond. Vervolgens wil ik aantonen, dat hoewel de door rekwiranten voor hun stelling aangevoerde argumenten de juistheid van het bestreden arrest niet kunnen aantasten, die stelling zelf het arrest wel kan aantasten indien men daarbij betrekt, dat het Gerecht niet van de Commissie heeft verlangd om het advies van de nationale rechter in te winnen, om de vereiste restrictieve toepassing van de uitzonderingsgrond zeker te stellen.
53 In de eerste plaats merk ik op dat de stelling van de Nederlandse regering, dat het Gerecht ten onrechte het beginsel van procedurele autonomie van de nationale rechter inroept, welk beginsel niets van doen zou hebben met de vraag of de Commissie verplicht is toegang te verlenen tot haar eigen documenten, worden verworpen als steunende op een onjuist begrip van het beginsel van procedurele autonomie in de zin waarin dit begrip in het bestreden arrest wordt gebruikt.
Zoals de Nederlandse regering zelf opmerkt, heeft het arrest Rewe dat zij in haar verzoekschrift aanhaalt, betrekking op de procesrechtelijke autonomie die de lidstaten bij de toepassing van rechtstreeks toepasselijke bepalingen van gemeenschapsrecht hebben waar integrale en systematische gemeenschapswetgeving op het gebied van procesrecht ontbreekt.(42) Dit begrip van procesrechtelijke autonomie mag niet op één lijn worden gesteld met het begrip procedurele autonomie van de nationale en communautaire rechter als bedoeld in het bestreden arrest. Dat volgt met name uit drie punten. Afgezien van het feit dat het arrest Rewe in het bestreden arrest nergens wordt genoemd, heeft de procedurele autonomie waarvan in het bestreden arrest sprake is geen betrekking op de nationale rechtsorde maar op de rechters zelf; met andere woorden het heeft niet zozeer betrekking op de bepaling van het toe te passen recht, alswel op het bepalen van de bevoegdheid en de uitvoeringsmodaliteiten volgens dat recht. Onder uitdrukkelijke verwijzing naar de onafhankelijkheid van iedere rechter overweegt het Gerecht in het bestreden arrest dat "het zowel de nationale als de communautaire rechterlijke instanties vrij moet staan hun eigen rechtsregels toe te passen".(43) Ten tweede geldt het beginsel van procedurele autonomie in de zin waarin het in het bestreden arrest wordt gebruikt, niet alleen voor de nationale rechter maar voor "zowel de nationale als de communautaire rechterlijke instanties".(44) Wanneer dus de feitenrechter in het bestreden arrest spreekt van de vrijheid van de rechterlijke instanties om "hun eigen procesregels toe te passen", dan heeft hij niet de nationale procesrechtelijke regels op het oog waarop het arrest Rewe betrekking heeft, maar doelt hij op de procesregels die voor de respectieve rechterlijke instanties worden toegepast, of dat nu een nationale instantie is of een communautaire. Het beginsel van procedurele autonomie als bedoeld in het bestreden arrest houdt dus rechtstreeks verband met de na te streven onafhankelijkheid van iedere rechter en houdt in dat die laatste dominus litis moet zijn, dat wil zeggen de enige die bevoegd is te beslissen omtrent eventuele problemen rond de toepassing van de procesregels die die procedure beheersen, zonder beïnvloeding door derden, welk laatste punt geen ruimte mag laten voor twijfel.(45)
54 Uitgaande van hetgeen ik overwoog bij de bespreking van het middel van schending van het EVRM, moeten vervolgens de argumenten van Van der Wal, dat de uitzonderingsgrond in besluit 94/90 alleen ziet op de bescherming van belangen van partijen en dat het beginsel van procedurele autonomie niet mede dat van de onafhankelijke rechter omvat, eveneens als ongegrond worden verworpen. Zoals de Commissie terecht opmerkt, blijkt uit de bewoordingen van de uitzonderingsbepaling, die spreekt van "bescherming van het algemeen belang" en van "gerechtelijke procedures", duidelijk, dat de Raad en de Commissie niet alleen het oog hadden op de bescherming van de belangen van partijen. Zoals ik reeds zei, heeft het Gerecht niet alleen ten volle onderkend dat artikel 6 EVRM strekt tot waarborging van een individueel recht, maar wijst het ook het beginsel van procedurele autonomie van de nationale en communautaire rechter uitdrukkelijk aan als positieve garantie voor de bescherming van de belangen van partijen.(46) Bovendien blijkt nergens uit, dat in genoemd beginsel niet tevens het begrip van onafhankelijkheid van de rechter besloten ligt in de zin van artikel 6 EVRM; het vormt integendeel een wezenlijke garantie en in ieder geval een duidelijke aanwijzing voor het bestaan van die onafhankelijkheid.(47)
55 Voorts moet de kritiek op het in punt 50 van het bestreden arrest gemaakte onderscheid tussen documenten die uitsluitend voor een welbepaalde gerechtelijke procedure zijn opgesteld en documenten die onafhankelijk van die procedure bestaan, alsmede op de overweging dat de Commissie verplicht is de toegang tot de litigieuze documenten te weigeren wanneer de gerechtelijke procedure nog aanhangig is, naar mijn mening als niet ter zake dienende worden verworpen. Nu niet in geschil is dat elk van de bewuste documenten in de onderhavige zaak voor een concrete procedure is opgesteld waarin de Commissie niet als partij optrad, en die nog aanhangig was op het tijdstip van de feiten in het hoofdgeding, is voor de bevestiging van de juridische en logische juistheid van de redenering van het Gerecht voldoende, dat de in het bestreden arrest gevolgde uitlegging eveneens geldt voor documenten die betrekking hadden op juridische vraagstukken die in het kader van concrete, aanhangige procedures zijn gerezen.
56 In ieder geval meen ik dat deze twee punten van kritiek ongegrond zijn en het aangevoerde middel niet kunnen dragen.
Wat het onderscheid betreft tussen de twee categorieën documenten: de relevantie daarvan is, dat het oorzakelijk verband moet worden aangetoond tussen de uitgave van de documenten en schending van het algemeen belang door aantasting van de procedurele autonomie van de bevoegde rechter. In het geval immers als het onderhavige, waarin de Commissie geen partij is bij de concrete gerechtelijke procedure, kan van aantasting alleen sprake zijn waar het gaat om documenten die met die procedure verband houden. Wanneer is voldaan aan het louter formele criterium dat die documenten uitsluitend voor een concrete gerechtelijke procedure zijn vervaardigd, is dat een rechtvaardiging om enerzijds die documenten te beschouwen als stukken in het dossier die rechtstreeks die concrete procedure betreffen, en anderzijds de bevoegdheid tot verspreiding van die documenten te leggen bij de rechter die van die procedure kennisneemt. Bij documenten die onafhankelijk van een gerechtelijke procedure bestaan, kan niet hetzelfde worden beweerd. In dat geval mag men aannemen dat die documenten niet de gerechtelijke procedure zelf betreffen, maar slechts feitelijke informatie overnemen - bij wijze van feitenvaststelling - waartoe geïnteresseerden ook uit andere bron toegang hebben. Ook al behoren of behoorden zulke documenten tot het dossier in een zaak, worden zij toch niet gerekend tot de processtukken waarvan de vertrouwelijkheid door de bevoegde rechter wordt beoordeeld, en is er dus geen reden om hen onder de uitzonderingsgrond te brengen van bescherming van de procedurele autonomie van de rechter. Toepassing van deze uitzonderingsgrond zou in dit geval klaarblijkelijk neerkomen op een extensieve uitlegging daarvan, die niet is toegestaan.
Waar de Nederlandse regering aanvecht, dat de uitzonderingsgrond met name aanhangige zaken betreft, gaat zij uit van een verkeerd standpunt, in het midden gelaten of de uitzonderingsbepaling zich inderdaad, zoals zij stelt, eveneens laat toepassen op niet-aanhangige zaken.(48) Noch uit het door haar aangehaalde punt 51 noch uit een andere overweging in het arrest blijkt dat het Gerecht het beginsel van procedurele autonomie van de rechter uitsluitend heeft willen toepassen op aanhangige gerechtelijke procedures. Integendeel, in punt 51 blijkt dat het Gerecht zich uitsluitend begeeft binnen het feitelijke bestek van de onderhavige zaak, waarin het gaat om documenten die verband houden met aanhangige gerechtelijke procedures.
57 In tegenstelling tot de hierboven besproken stellingen van rekwiranten, kan de grief dat het Gerecht niet de vaststellingen heeft verricht die volgens besluit 94/90 zijn vereist, de juistheid van het bestreden arrest wèl aantasten.
58 De argumentering van rekwiranten op dit punt lijkt niet overtuigend. Noch de Commissie, noch het Gerecht zelf kunnen zelfstandig het relevante nationale procesrecht op het punt van toegang tot de bewuste documenten uitleggen zonder schade te doen aan het beginsel van procedurele autonomie van de bevoegde nationale rechter. Zoals ik reeds zei, staat in deze zaak de vraag centraal welke instantie tot beslissen bevoegd is en niet de materiële vraag of de bewuste documenten al dan niet moeten worden vrijgegeven. Voor een antwoord op die vraag is alleen kennis van de toepasselijke nationale procesregels niet voldoende: men moet - met het oog op de toepassing van die bepalingen - ook op de hoogte zijn van de gegevens in een bepaalde rechtszaak, om te beoordelen of de verspreiding van de litigieuze documenten werkelijk nadelige gevolgen zou kunnen hebben op het verloop van de rechterlijke procedure. In dat licht wordt duidelijk dat noch de Commissie, noch het Gerecht dit alles zelfstandig kunnen beoordelen zonder de indruk te wekken dat zij zich mengen in de taak van de nationale rechter.(49)
59 Niettemin geloof ik dat de Commissie, gelet op de geest van besluit 94/90 en omwille van de nuttige werking daarvan, onder toezicht van het Gerecht, zich de nodige inspanning had moeten getroosten om te achterhalen, niet of zij op grond van haar eigen inschatting van het nationale recht de litigieuze documenten mocht vrijgeven, maar hoe het standpunt van de nationale rechter op dit punt zou luiden. Met andere woorden, de Commissie had de bevoegde nationale rechter moeten vragen, wat deze zou vinden van eventuele openbaarmaking van de in geding zijnde brief en meer concreet of hij daarmee zou kunnen instemmen. Al naar gelang het antwoord van de nationale rechter zou de Commissie dan inzage kunnen geven in de bewuste documenten.(50)
Er zijn vele redenen die pleiten voor deze lezing van de voor de Commissie uit besluit 94/90 voortvloeiende verplichtingen. Ten eerste druist deze uitlegging niet in tegen de eerbiediging van de procedurele autonomie van de nationale rechter die als enige bevoegd blijft om te beslissen over de openbaarmaking van de betrokken documenten. Ten tweede blijft het nuttig effect van het algemene beginsel van een zo ruim mogelijke toegang ingevolge besluit 94/90 gewaarborgd omdat, zoals ik bij de bespreking van de andere onderdelen van het middel omtrent de uitlegging van besluit 94/90 nog zal laten zien, juist door de moeite te nemen om het advies van de nationale rechter in te winnen, de litigieuze uitzonderingsgrond "bescherming van het algemeen belang (gerechtelijke procedures)" haar juiste restrictieve toepassing krijgt.(51) Ten derde is de verwijzing naar het concrete advies van de nationale rechter van belang voor de wettigheid van de motivering van de afwijzende beschikking van de Commissie. In het algemeen draagt dit bij aan de volledigheid daarvan, zodat de Commissie haar beschikking vollediger kan motiveren door te verwijzen naar het advies van de bevoegde nationale rechter - of wellicht naar het uitblijven daarvan.(52) Ten vierde strookt het inwinnen van het advies van de nationale rechter met het beginsel van goed bestuur, dat de Commissie gebiedt alle mogelijke moeite te doen om het recht van toegang tot haar documenten te verwerkelijken, ongeacht het uiteindelijke resultaat ervan, in plaats van de justitiabele onder het excuus van haar onbevoegdheid door te verwijzen naar de verschillende nationale rechterlijke instanties, met alle tijdvergende en kostbare procedures die met zulke aanvragen zijn gemoeid.(53) Ten vijfde vallen de aldus opgevatte verplichtingen van de Commissie niet buiten de sfeer van haar andere taken en vormen zij voor haar geen bovenmatige belasting, nu zij over een communicatiekanaal beschikt met de bevoegde nationale rechterlijke instanties in de vorm van de reeds ingevoerde procedure van samenwerking tussen de Commissie en de rechterlijke instanties voor de toepassing van artikel 85 EG-Verdrag (thans artikel 81 EG) en artikel 86 EG-Verdrag (thans artikel 82 EG).
60 Gelet op deze laatste opmerkingen, waarvan ik enkele hierna nog nader wil bespreken, meen ik dat het bestreden arrest moet worden vernietigd omdat het Gerecht een onjuiste uitlegging geeft aan besluit 94/90 voor wat betreft de verplichtingen van de Commissie bij de toepassing van de uitzonderingsgrond uit hoofde van "bescherming van het algemeen belang (gerechtelijke procedures)" en vervolgens, in het kader van de toetsing van de bestreden beschikking, niet de nodige vaststellingen heeft verricht waaruit blijkt, dat de Commissie die verplichtingen heeft nageleefd.(54)
Daarentegen acht ik hetgeen rekwiranten aanvoeren ter onderbouwing van het eerste onderdeel van het middel van schending van besluit 94/90 ongegrond, en ik geef het Hof in overweging om dit te verwerpen.
b) Het tweede, het derde en het vierde onderdeel
ba) Argumenten van partijen
61 In het tweede onderdeel van het eerste middel voert de Nederlandse regering aan, dat het Gerecht zich voor de beoordeling of de toegang tot de bewuste documenten schade kan toebrengen aan het algemeen belang, zich ten onrechte heeft gebaseerd op de hoedanigheid van de geadresseerde van het document, dat wil zeggen het feit dat het gaat om een document dat is gericht tot een nationale rechter. Volgens de Nederlandse regering mag volgens besluit 94/90 alleen de informatie die het document bevat als criterium worden gebruikt, zoals in punt 43 van het bestreden arrest ook terecht wordt vermeld.
62 Bovendien, aldus de Nederlandse regering, heeft het Gerecht ten onrechte verzuimd om voor ieder afzonderlijk document te onderzoeken of de toegang daartoe, gelet op de inhoud ervan, gerechtvaardigd was, hetgeen toe te schrijven is aan het feit dat de bewuste documenten niet voor het Gerecht werden geproduceerd.(55)
63 In het derde onderdeel van het eerste middel voert de Nederlandse regering aan, dat de uitlegging die het Gerecht geeft aan besluit 94/90 inhoudt, dat de Commissie nimmer toegang mag verlenen tot een document dat specifiek met het oog op een gerechtelijke procedure is opgesteld zolang die procedure aanhangig is. Deze uitlegging heeft tot gevolg dat de toegang tot een hele categorie van documenten niet mogelijk is, welke categorie daarmee van de werkingssfeer van besluit 94/90 wordt uitgesloten zonder dat daarvoor een rechtsbasis aanwezig is. Om die reden is deze interpretatie die door het Gerecht in het bestreden arrest wordt gehanteerd in strijd met besluit 94/90.
64 In haar vierde middel betoogt de Nederlandse regering, dat de uitzonderingsgronden in besluit 94/90 op het algemene beginsel van toegang tot documenten die bij de Commissie berusten, restrictief moeten worden uitgelegd en toegepast. De extensieve uitlegging van het Gerecht, volgens welke alle documenten die de Commissie vervaardigt met het oog op een welbepaalde procedure van de werkingssfeer van dat beginsel worden uitgesloten, ongeacht hun inhoud, is onverenigbaar met besluit 94/90 en in strijd met de doelstellingen daarvan, omdat daardoor het specifieke doel van doorzichtigheid in de relaties van de Commissie met de nationale rechter onbereikbaar wordt.(56)
65 Op het tweede onderdeel van het eerste middel antwoordt de Commissie, die overigens de ontvankelijkheid van het door Van der Wal ter zake aangevoerde middel betwist(57), dat niets in besluit 94/90 erop wijst, dat voor de "bescherming van het algemeen belang (gerechtelijke procedures)", alleen op de aard van de informatie moet worden gelet. De redenen om toegang tot de betrokken documenten te weigeren worden afdoende uiteengezet in de punten 45 tot en met 52 van het bestreden arrest. Met name in punt 53 wordt aangegeven dat niet van belang is of de drie aldaar bedoelde documenten zakengeheimen bevatten. Uit punt 52 van het bestreden arrest blijkt ten slotte, dat het Gerecht wel degelijk ieder document afzonderlijk heeft getoetst. De Nederlandse regering kan het resultaat van deze toetsing niet aanvaarden, niet omdat deze niet afzonderlijk voor elk document heeft plaatsgevonden, maar omdat zij het oneens is met de voorafgaande redenering van het Gerecht in de punten 45 tot en met 52 van het bestreden arrest.
66 Van het derde onderdeel van het eerste middel zegt de Commissie de ontvankelijkheid te betwijfelen(58), voorts wijst zij erop dat het Gerecht de litigieuze documenten niet van de werkingssfeer van besluit 94/90 uitsluit, maar enkel overweegt dat die documenten onder een van de in dat besluit genoemde uitzonderingsgronden vallen, die de Commissie verplichten toegang tot die documenten te weigeren.
67 Tegen het vierde onderdeel van het eerste middel brengt de Commissie in, dat de uitlegging die het Gerecht geeft aan de betwiste uitzonderingsgrond juist is. Uit de formulering van besluit 94/90 blijkt duidelijk, dat het reeds voldoende is wanneer een document schade aan de bescherming van het algemeen belang, in het bijzonder gerechtelijke procedures, kan toebrengen, om de Commissie te verplichten de toegang tot dat document te weigeren.
bb) Mijn standpunt
bb.1. De ontvankelijkheid
68 Tegen de stelling van Van der Wal, dat het Gerecht zou hebben nagelaten voor elk van de documenten afzonderlijk te toetsen of de verspreiding ervan daadwerkelijk een schade voor het algemeen belang kon opleveren en een dergelijke toetsing ook niet van de Commissie heeft verlangd, brengt de Commissie in dat rekwirant niet aangeeft tegen welke rechtsoverwegingen in het bestreden arrest zijn middel is gericht. Volgens de rechtspraak van het Hof moet het middel daarom als niet-ontvankelijk worden beschouwd.
Volgens de reeds genoemde rechtspraak van het Hof "moet de hogere voorziening de tot staving van de conclusies aangevoerde middelen en argumenten rechtens vermelden (...) en duidelijk (...) aangeven, tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, het is gericht en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven".(59)
Ik geloof niet dat de wijze waarop Van der Wal zijn grief naar voren brengt, in strijd is met deze rechtspraak. Rekwirant verwijst immers naar punt 43 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht verklaart dat de Commissie de inhoud van ieder document afzonderlijk moet toetsen. Gelet op deze uitspraak voert rekwirant aan, dat uit geen enkel onderdeel van het bestreden arrest blijkt dat het Gerecht daadwerkelijk heeft gecontroleerd of de Commissie deze toetsing inderdaad heeft uitgevoerd. En reeds omdat het om een negatieve stelling gaat, kan niet overtuigend worden volgehouden dat rekwirant had moeten aangeven in welke punten van het arrest precies het Gerecht de volgens rekwirant vereiste toetsing achterwege heeft gelaten.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de grief van Van der Wal ontvankelijk te verklaren en over te gaan tot de behandeling ervan ten gronde.
69 De Commissie betwijfelt de ontvankelijkheid van het derde onderdeel van het eerste middel, omdat de Nederlandse regering hier de argumenten herhaalt die zij in de punten 16 tot en met 22 van haar memorie in interventie in de procedure voor het Gerecht reeds had aangevoerd.
Volgens de reeds aangehaalde rechtspraak van het Hof is een verzoek in hogere voorziening waarin slechts de reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten worden herhaald of letterlijk overgenomen, zonder dat daarbij wordt aangegeven tegen welke onderdelen van het bestreden arrest zij is gericht en met welke juridische argumenten die vordering wordt onderbouwd, niet-ontvankelijk.(60) Een dergelijke hogere voorziening beoogt immers in werkelijkheid een nieuw onderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoek, iets waartoe het Hof ingevolge artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG niet bevoegd is.
Volgens mij druist dit argument van de Nederlandse regering, ondanks de onmiskenbare overeenkomst met hetgeen zij in eerste instantie heeft aangevoerd, niet in tegen de aangehaalde rechtspraak en worden hiermee, in combinatie met de andere door rekwiranten aangevoerde argumenten, vragen opgeworpen die in het kader van de procedure in hogere voorziening hoe dan ook moeten worden behandeld.
Voor het Gerecht had de Nederlandse regering aangevoerd, dat de uitlegging die de Commissie aan de uitzonderingsgrond in besluit 94/90 gaf, betekende dat een hele categorie documenten van de werkingssfeer van dat besluit werd uitgezonderd. In haar verzoekschrift in hogere voorziening (punt 18) klaagt zij over een in datzelfde opzicht eveneens onjuiste uitlegging van de bewuste uitzonderingsgrond, waarbij zij inhoudelijk hetzelfde juridische argument herhaalt, ditmaal echter uitdrukkelijk gericht tegen het bestreden arrest (namelijk punt 50 van dat arrest). Ongeacht de overeenkomst tussen beide argumenten, is het argument in het verzoekschrift (in het derde onderdeel van het tweede middel in hogere voorziening) in voldoende mate gericht tegen de litigieuze onderdelen van het bestreden arrest. In het kader van een systematische uitlegging moet er enerzijds rekening mee worden gehouden, dat deze stelling onlosmakelijk is verbonden met de argumenten in de overige onderdelen van hetzelfde middel (draagwijdte van de uitlegging en omvang van het toepassingsgebied van de uitzonderingsgrond). Anderzijds moet worden bedacht dat de uitlegging van de bewuste uitzonderingsgrond in hogere voorziening een andere problematiek betreft dan in eerste aanleg, omdat het Gerecht, iets waarop ook beide rekwiranten zich hebben beroepen, het besluit heeft uitgelegd onder verwijzing naar het recht van eenieder op een "eerlijke behandeling van zijn zaak", zonder dat partijen dit in eerste aanleg in geding hadden gebracht. Op grond van deze twee opmerkingen moet naar mijn mening worden aangenomen dat het onderzoek van het gewraakte middel, opgevat als onderdeel van een ruimer middel, in geen geval eenvoudig neerkomt op heronderzoek van het voor het Gerecht ingediende verzoekschrift. Om die reden geef ik het Hof in overweging de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de Commissie te verwerpen en alle aangevoerde stellingen en argumenten ten gronde te onderzoeken.
bb.2. Ten gronde
70 De stellingen die rekwiranten in het tweede, het derde en het vierde onderdeel van het tweede middel aanvoeren, betreffen de vraag hoe ruim of hoe restrictief de uitzonderingsgrond "bescherming van het algemeen belang (gerechtelijke procedures)" moet worden uitgelegd en toegepast. Afgezien van de wijze waarop de desbetreffende stellingen van rekwiranten naar voren zijn gebracht, kan het feit dat het Gerecht bij de uitlegging van besluit 94/90 niet heeft gemeend te moeten toetsen of de Commissie wel alle mogelijke moeite heeft gedaan om het advies van de nationale rechter in te winnen, leiden tot de vernietiging van het bestreden arrest.
71 Ik wil vooropstellen, dat het Gerecht voor de uitlegging van besluit 94/90 en de beoordeling of toegang tot de litigieuze documenten schade aan het openbaar belang (gerechtelijke procedures) kon toebrengen, niet hoefde te onderzoeken of "de drie documenten zakengeheimen bevatten", maar zijn oordeel dienaangaande heeft mogen baseren op de reden waarom die documenten waren opgesteld, de hoedanigheid van de geadresseerde van de documenten en, in het algemeen, het feit dat die documenten "handelden over rechtsvragen die in het kader van welbepaalde aanhangige procedures waren gerezen".(61)
72 Naar de letterlijke formulering van de betrokken bepaling van besluit 94/90 weigeren de instellingen de toegang tot een document als "de verspreiding daarvan schade kan toebrengen aan" het algemeen belang (gerechtelijke procedures). Het criterium voor toepassing van deze uitzondering, dat wil zeggen het criterium of er gevaar bestaat voor schade aan het algemeen belang, zijn de mogelijke gevolgen van de openbaarmaking zelf. Het is uiteraard duidelijk dat openbaarmaking in de meeste gevallen, wegens de inhoud en de aard van de informatie in de betrokken documenten, het gevaar in zich bergt van nadeel voor het algemeen belang.(62) Dat sluit echter niet uit dat al naar de specifieke omstandigheden van het geval, dat gevaar aan andere factoren kan zijn toe te schrijven, zoals de reden waarom die documenten zij opgesteld, en aan wie zij zijn gericht. Die factoren maken het voor de rechter overigens gemakkelijker zich vooraf een oordeel te vormen over de inhoud van de betrokken documenten.
73 Zo heeft het Gerecht in de onderhavige zaak, gelet op de bijzondere omstandigheden ervan, terecht met een onderzoek naar die factoren volstaan, welke factoren trouwens door partijen niet zijn betwist. Dat het ging om documenten die voor welbepaalde gerechtelijke procedures waren opgesteld, tot de nationale rechter waren gericht en tot het dossier behoorden in aanhangige rechtszaken, was voldoende om eenduidig te kunnen vaststellen dat die documenten handelden over vragen die in het kader van welbepaalde aanhangige procedures waren gerezen. Dit onderzoek naar de inhoud van de documenten, waarvan punt 52 van het bestreden arrest uitdrukkelijk verslag doet, kan inderdaad indirect en van beperkte omvang zijn geweest, maar niettemin afdoende om de Commissie te verplichten(63) - zoals in ieder geval voorgeschreven in besluit 94/90 zelf - om toegang tot de documenten te weigeren zodra zij meent dat die toegang schade dreigt toe te brengen aan het openbaar belang, in dit geval gelegen in de procedurele autonomie van de bevoegde nationale rechter. Zodra een dergelijke marginale toetsing dat gevaar voldoende aannemelijk maakt, is verdere toetsing van de inhoud van die documenten niet meer nodig en nog minder de overlegging daarvan voor het Gerecht. Verdere toetsing (bijvoorbeeld toetsing of gelet op de bepaalde inhoud van de documenten het verloop van de rechterlijke procedure zou kunnen worden beïnvloed) zou integendeel kunnen leiden tot inmenging door de Commissie en het Gerecht in de taak van de nationale rechter.(64)
74 Een en ander betekent, niet alleen dat de Commissie geen onjuist criterium heeft gehanteerd voor de toepassing van de gewraakte uitzonderingsgrond, maar bovendien dat zij de inhoud van de documenten aan een toetsing heeft onderworpen die nodig was voor een juiste toepassing van de uitzondering. Derhalve heeft het Gerecht de toepassing van de uitzondering op juiste wijze getoetst, aangezien het aan ieder document afzonderlijk aandacht heeft besteed, zoals duidelijk blijkt uit de punten 52 en 53 van het bestreden arrest.
75 Zoals ook de Commissie opmerkt, heeft het Gerecht de litigieuze documenten niet van de werkingssfeer van besluit 94/90 uitgesloten, maar onder een van de verplichte uitzonderingsgronden gebracht. Het argument dat een gehele categorie documenten zou worden uitgesloten, dient meer de retoriek dan dat het hout snijdt. Nu ieder document afzonderlijk werd getoetst en de reden voor verbod van verspreiding dezelfde is voor alle documenten, is het logisch dat voor de weigering van toegang - en de toetsing daarvan - een collectieve motivering wordt gegeven. Hetzelfde zou gebeuren in het geval van toepassing van een andere weigeringsgrond, bijvoorbeeld wanneer het zou gaan om een reeks documenten die elk voor zich zakengeheimen bevatten. Indien in de aanloop van de redenering ieder document afzonderlijk wordt onderzocht, en vervolgens de toegang tot elk document dat zakengeheimen bevat, wordt geweigerd, moet men dan spreken van een ongeoorloofde uitsluiting van een gehele categorie van de werkingssfeer van besluit 94/90 of eenvoudig van een praktische manier om de gemeenschappelijke uitlegging en toepassing van de betrokken uitzonderingsgrond toe te lichten in gevallen die afzonderlijk zijn onderzocht en klaarblijkelijk identiek blijken te zijn? Dat het Gerecht een uitlegging hanteert die toegang tot bepaalde documenten wegens de hierboven genoemde criteria uitsluit, maakt die uitlegging en de toepassing van die uitzonderingsgrond niet automatisch ongeoorloofd extensief(65), zolang zij in juridisch en logisch opzicht maar correct zijn.
76 Voorts komt het argument dat de uitlegging en toepassing van de litigieuze uitzonderingsgrond door het Gerecht indruisen tegen het doel van besluit 94/90, doordat zij het specifieke doel van doorzichtigheid van de verhouding tussen Commissie en nationale rechter niet ten goede komen, mij evenmin gegrond voor. Uit geen enkele bepaling van gemeenschapsrecht blijkt dat de doorzichtigheid in de relatie tussen de Commissie en de nationale rechter een "specifiek doel" zou zijn. Wel bestaat het beginsel van doorzichtigheid, dat nader is uitgewerkt in het recht van toegang tot de archieven van de Commissie. Dit recht vloeit voort uit besluit 94/90, dat zoals reeds gezegd, een uitzondering op het beginsel van doorzichtigheid kent met het oog op de bescherming van de procedurele autonomie van de nationale en communautaire rechter. Wellicht bestaat in de nationale rechtsstelsels een specifiek doel van doorzichtigheid van de procedure voor de nationale rechter. Bij gebreke van communautaire wetgeving op dit punt en gelet op het beginsel van procesrechtelijke autonomie van de lidstaten, onttrekt het onderzoek en de vaststelling van dat doel zich aan de bevoegdheid van het Hof. Ook al zou men dus staande houden dat dit "specifieke doel" van doorzichtigheid in de betrekkingen tussen de Commissie en de nationale rechter garandeert dat de Commissie zich van inmenging in de taakuitoefening van de nationale rechter onthoudt en is gefundeerd op het recht van eenieder op een eerlijke behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie, dan nog moet met twee punten rekening worden gehouden: enerzijds dat de doorzichtigheid van de gerechtelijke procedure wordt gewaarborgd doordat de antwoorden van de Commissie aan de procespartijen worden bekendgemaakt, en anderzijds dat in het huidige stadium van ontwikkeling van het gemeenschapsrecht een verder gaande mate van openheid ten opzichte van derden nadere regeling zou moeten vinden in het kader van de beginselen van procesrechtelijke autonomie van de lidstaten en van procedurele autonomie van de nationale en communautaire rechter. Daarom is een beroep op dit "specifieke doel" tegen de in het bestreden arrest gevolgde uitlegging niet ter zake dienend. Wat ten slotte de relatie betreft tussen de Commissie en de nationale rechter bij de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag, herinner ik eraan dat die in casu zijn geregeld in de rechtspraak van het Hof(66) en de desbetreffende mededeling 93/C 39/05.(67) Noch het een noch het ander schijnt echter een "specifiek doel" van doorzichtigheid in bedoelde betrekkingen in te houden. Integendeel zou de Commissie zich eerder genoopt moeten zien tot terughoudendheid bij de vrijgave van documenten, enerzijds wegens het feit dat de vraag of, in welke vorm en onder welke voorwaarden de samenwerking tussen Commissie en nationale rechter gestalte moet krijgen, binnen de grenzen van het nationale procesrecht moet worden beoordeeld(68), en anderzijds wegens het klimaat van samenwerking en goede trouw dat artikel 5 EG-Verdrag (thans artikel 10 EG) in de relatie tussen de Commissie en de nationale rechterlijke instanties veronderstelt.
77 Hoewel de hierboven genoemde argumenten van rekwiranten moeten falen, moet ik erop wijzen dat de verplichting tot restrictieve toepassing van de litigieuze uitzonderingsgrond "bescherming van het algemeen belang (gerechtelijke procedures)", die in het bestreden arrest(69) zelf wordt genoemd en die volgens rekwiranten door het Gerecht zou zijn geschonden, door het Gerecht bij diens toetsing van het handelen van de Commissie niet naar behoren is nageleefd. Voor de goede werking van het recht van toegang tot de documenten van de Commissie, dat bij besluit 94/90 wordt toegekend, en om de bescherming van dit recht niet in gevaar te brengen, houdt de restrictieve toepassing van de litigieuze uitzonderingsgrond in dat de Commissie verplicht is om binnen het raam van haar taakvervulling, aldus te handelen, dat de marge voor weigering van toegang tot haar documenten zo klein mogelijk wordt gemaakt, door in de praktijk de noodzaak tot inroepen en de mogelijkheid tot toepassen van de litigieuze uitzonderingsgrond tot het absoluut noodzakelijke te verminderen.(70) In casu zou dit inhouden dat de Commissie het advies van de bevoegde nationale rechter inwint omtrent de vrijgave van ieder document afzonderlijk, zodat zij deze kan vrijgeven indien de betrokken nationale rechter daarmee instemt. De Commissie had zich dus alle mogelijke moeite moeten geven om dat advies van de nationale rechter in te winnen. In het kader van haar normale werkzaamheden beschikt de Commissie over allerlei mogelijkheden zich te informeren; zij kan de nationale rechterlijke instanties bijvoorbeeld benaderen via de procedure van samenwerking bij de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag.(71)
78 Op grond van het voorgaande meen ik dus, dat het bestreden arrest voor vernietiging in aanmerking komt - en, zoals ik in het vervolg van deze conclusie zal laten zien(72), ook moet worden vernietigd - omdat het Gerecht door onjuiste uitlegging en toepassing in de onderhavige zaak van de verplichting tot restrictieve toepassing van de uitzondering uit hoofde van "de bescherming van het algemeen belang (gerechtelijke procedures)", heeft verzuimd te toetsen, zoals het behoorde te doen, of de Commissie in casu alle nodige en passende stappen heeft ondernomen teneinde de noodzaak van toepassing van deze uitzondering tot een minimum te beperken. Dit verzuim kan het dictum van het arrest doorslaggevend beïnvloeden, omdat wanneer het Gerecht die toetsing wel had verricht en had vastgesteld dat de Commissie niet het nodige had gedaan, het de litigieuze beschikking van de Commissie nietig had moeten verklaren.
c) Het vijfde onderdeel
ca) Argumenten van partijen
79 Volgens de Nederlandse regering betekent de opvatting, dat de beslissing over de toegankelijkheid van de documenten van de Commissie uitsluitend bij de nationale rechter berust, althans zolang de procedure voor de nationale rechter aanhangig is, en wel op basis van het nationale procesrecht, dat de toegankelijkheid komt af te hangen van het toegepaste nationale rechtsstelsel, waardoor afbreuk wordt gedaan aan de uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht, en met name van besluit 94/90.
80 Volgens de Commissie daarentegen doet het bestreden arrest in geen enkel opzicht afbreuk aan een uniforme toepassing van besluit 94/90. De Commissie moet steeds de toegang weigeren tot antwoorden die zij in het kader van de gedecentraliseerde toepassing van het EG-mededingingsrecht aan nationale rechters heeft gestuurd. Dat de rechters in sommige lidstaten toegang verlenen en in andere niet, heeft niets te maken met uniforme toepassing van gemeenschapsrecht.
cb) Mijn standpunt
81 Naar mijn mening houdt noch de door het Gerecht gekozen uitlegging van besluit 94/90, noch de door mij voorgestane uitlegging(73) in, dat de uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht, en in het bijzonder van besluit 94/90, wordt uitgehold. Toepassing van het gemeenschapsrecht houdt in, dat volgens het beginsel van procedurele autonomie van de nationale rechter, alleen de laatste bevoegd is te beslissen omtrent eventuele vrijgave van gegevens in het dossier van een aanhangige zaak, en dat de Commissie de vrijgave van die gegevens eerst mag weigeren na eerst het nodige te hebben gedaan om het advies van de nationale rechter te verkrijgen. Deze regeling kan inhoudelijk zeer wel uniform worden toegepast, waaraan niet afdoet dat dezelfde documenten in de ene lidstaat wel en in de andere niet worden vrijgegeven, naargelang het respectieve nationale procesrecht, zolang uiteraard dit laatste de uitoefening van rechten uit hoofde van het gemeenschapsrecht niet onmogelijk of uiterst moeilijk maakt.(74) Zoals de Commissie terecht opmerkt, zijn eventuele verschillen binnen de Gemeenschap wat de toegankelijkheid van documenten betreft niet toe te schrijven aan de gewraakte uitlegging van de uitzonderingsgrond "bescherming van het algemeen belang (gerechtelijke procedures)", maar aan het ontbreken van harmonisatie van nationaal procesrecht en het daarmee samenhangende beginsel van procesrechtelijke autonomie van de lidstaten(75), welk beginsel in de rechtspraak is bekrachtigd, zoals de Nederlandse regering zelf in haar verzoekschrift vermeldt.(76)
82 Gelet op het bovenstaande moet het argument van de Nederlandse regering in het vijfde onderdeel van het eerste middel, inzake aantasting van de uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht, als ongegrond worden verworpen.
C - Schending van artikel 33 juncto artikel 44 van 's Hofs Statuut-EG
a) Argumenten van partijen
83 Volgens de Nederlandse regering heeft het Gerecht het bestreden arrest niet adequaat gemotiveerd, omdat het niet vermeldt(77) op welke wijze artikel 6 EVRM, waarop het het beginsel van de procedurele autonomie van de nationale rechter baseert, wordt geschonden indien de Commissie zou besluiten over de toegang tot documenten die zijzelf met het oog op een welbepaalde gerechtelijke procedure heeft opgesteld.
84 Voorts noemt de Nederlandse regering het bestreden arrest onbegrijpelijk omdat het Gerecht enerzijds erkent dat het de nationale rechter vrij moet staan zijn eigen procesregels toe te passen op het vlak van de bevoegdheden van de rechter, het verloop van de procedure in het algemeen en de vertrouwelijkheid van de stukken in het dossier in het bijzonder(78), maar anderzijds de toepassing van het beginsel van procedurele autonomie van de nationale rechter beperkt tot documenten die de Commissie met het oog op een welbepaalde gerechtelijke procedure heeft opgesteld, en wel zolang die procedure aanhangig is.(79) Op dit laatste punt noemt de Nederlandse regering het onbegrijpelijk waarom de procedurele autonomie van de nationale rechter uitsluitend betrekking heeft op enkele stukken van het procesdossier, en evenmin waarom de bepalingen inzake openbaarheid van gerechtelijke stukken in nationale procedurele regels zouden moeten wijken indien de procedure niet meer aanhangig is.
85 Van der Wal beweert, onder verwijzing naar zijn opmerkingen in verband met het tweede, het derde en het vierde onderdeel van het tweede middel, zoals dat in deze conclusie is weergegeven, dat de motivering van het bestreden arrest gebrekkig is omdat het Gerecht niet voor ieder document afzonderlijk heeft onderzocht, of de Commissie zich op grond van de informatie in elk van die documenten, wel mocht beroepen op de bescherming van het algemeen belang, om toegang tot die documenten te weigeren. Aanvullend betoogt hij, dat het bestreden arrest niet zodanig is gemotiveerd, dat begrijpelijk wordt waarom het Gerecht in punt 45 van zijn arrest meent tot een beoordeling aan de hand van artikel 6 EVRM te moeten overgaan en hoe het Gerecht tot de conclusie komt dat het beginsel van procedurele autonomie voortvloeit uit het recht van eenieder op een eerlijk proces voor een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Een zorgvuldige motivering op bovenstaande punten noemt hij des te belangrijker, nu deze stelling een centrale rol speelt in de juridische beoordeling van het Gerecht, maar door partijen in het geheel niet werd opgeworpen.
86 Volgens de Commissie geeft de Nederlandse regering de redenering van het Gerecht verdraaid weer. In de gewraakte passages van het arrest antwoordde het Gerecht op het eerste middel van verzoeker in eerste aanleg, als zou de in besluit 94/90 genoemde uitzondering inzake de gerechtelijke procedures enkel zien op procedures waarin de Commissie partij is. Het Gerecht verwerpt dit argument (in punt 49) op basis van een interpretatie van besluit 94/90 (in punt 48) volgens dewelke de uitzondering in dit besluit mede beoogt de procedurele autonomie van nationale en communautaire rechterlijke instanties te verzekeren. Het bestreden arrest spreekt niet van een schending van artikel 6 EVRM. De verwijzing naar het EVRM is niet meer dan een doctrinale verduidelijking van de grondslagen van het beginsel van procedurele autonomie. Indien men de punten 45 en 46 (waarin de verwijzing naar het EVRM vervat ligt) zou schrappen, zou het bestreden arrest in wezen onveranderd blijven.
87 Van belang is dus niet, aldus de Commissie, of het Gerecht een schending van artikel 6 EVRM voldoende zou hebben gemotiveerd, maar wel of het Gerecht zijn interpretatie van de uitzondering aangaande het algemeen belang in besluit 94/90 voldoende gemotiveerd heeft, of eerder: of het Gerecht voldoende gemotiveerd heeft waarom het het eerste middel van verzoeker in eerste aanleg, inhoudende dat de in besluit 94/90 genoemde uitzondering inzake de gerechtelijke procedures enkel ziet op procedures waarin de Commissie partij is, heeft verworpen. Volgens de Commissie bevat het arrest een voldoende duidelijke en expliciete motivering van de door het Gerecht gevolgde redenering, en is punt 47 van het bestreden arrest overtuigend voor wat het beginsel van procedurele autonomie betreft, dat een essentieel onderdeel van de onafhankelijkheid van de rechter uitmaakt.
88 Ten slotte herhaalt de Commissie haar argument, dat de passages in het bestreden arrest met betrekking tot documenten die onafhankelijk van een welbepaalde procedure bestaan of met betrekking tot de situatie na afloop van de gerechtelijke procedure waarvoor de documenten werden opgesteld, enkel als obiter dictum gelden, en dat Van der Wal met zijn grief op dit punt niets te winnen heeft.
b) Mijn standpunt
89 De vraag of de motivering van een arrest van het Gerecht tegenstrijdig is of onvoldoende, is een rechtsvraag die als zodanig in het kader van een hogere voorziening kan worden aangevoerd.(80) De door rekwiranten aangevoerde argumenten met betrekking tot de gebreken in de motivering van het bestreden arrest moeten echter worden verworpen als niet ter zake of als ongegrond.
In de eerste plaats moeten de argumenten, dat de noodzaak tot onderzoek van artikel 6 EVRM niet voldoende zou zijn onderbouwd, dat het beginsel van procedurele autonomie van de nationale en communautaire rechter daaruit niet kon worden afgeleid, alsmede dat dit artikel zou zijn geschonden, worden verworpen als niet ter zake dienend, omdat zij niet kunnen leiden tot vernietiging van het arrest. Ook al zouden die argumenten gegrond zijn, dat wil zeggen ook al zou moeten worden aangenomen dat de motivering van het Gerecht op deze punten onjuist of ontoereikend is, dan blijft in ieder geval een feit dat de conclusies van het Gerecht op het punt van artikel 6 EVRM als juridisch en logisch juist te beschouwen zijn, zoals ik hierboven reeds heb geanalyseerd.(81) In dit verband heeft het Hof uitgemaakt dat wanneer de motivering van een arrest van het Gerecht op een bepaald punt in strijd is met het gemeenschapsrecht, maar het dictum op andere juridische gronden in stand blijft, de hogere voorziening moet worden afgewezen.(82)
In ieder geval moeten de door rekwiranten aangevoerde argumenten omtrent de motieven op grond waarvan artikel 6 EVRM in het bestreden arrest werd aangehaald, worden verworpen als ongegrond. Zoals ik reeds noemde in het kader van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, heeft het Gerecht terecht het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht in zijn overwegingen betrokken en daaruit terecht het beginsel van procedurele autonomie afgeleid.(83) Daarom heeft het Gerecht een juiste en voldoende gemotiveerde uitlegging gegeven aan de inhoud van de in geding zijnde uitzonderingsgrond in verband met de "bescherming van het algemeen belang (gerechtelijke procedures)"(84), om antwoord te geven op het voor hem aangevoerde middel met de overweging: "deze uitzondering moet het de Commissie mogelijk maken om er ook een beroep op te doen wanneer zij niet zelf partij is bij een gerechtelijke procedure die in voorkomend geval de bescherming van het algemeen belang rechtvaardigt".(85) Het Gerecht heeft hierbij trouwens de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht op het oog gehad, en nergens gezegd dat er sprake is van schending van artikel 6 EVRM.
90 Niet ter zake dienende of in ieder geval ongegrond zijn ook de argumenten met betrekking tot het ontbreken of tekortschieten van de motivering voor toepassing van het beginsel van procedurele autonomie op alleen documenten die voor een welbepaalde gerechtelijke procedure zijn opgesteld, en wel alleen voor aanhangige procedures. Voor de onderbouwing van deze stelling behoef ik slechts te wijzen naar mijn eerdere analyses(86); hier wil ik slechts opmerken dat een motivering voor toepassing van het beginsel van procedurele autonomie op documenten die onafhankelijk van een gerechtelijke procedure zijn opgesteld en op procedures die niet meer aanhangig zijn, niet onmisbaar was voor de oplossing van het voor het Gerecht aanhangige geschil en voor de onderbouwing van het dictum van het bestreden arrest.(87)
91 Wat ten slotte het argument betreft, dat de motivering van het bestreden arrest onvolledig is omdat het Gerecht niet voor ieder document afzonderlijk heeft onderzocht of de Commissie wegens de aard van de informatie in die documenten met een beroep op het algemeen belang aan rekwirante toegang tot de betreffende documenten heeft mogen weigeren, beschouw ik niet als ter zake dienend, omdat, zoals ik reeds zei, het Gerecht in punt 52 van het bestreden arrest voor ieder document afzonderlijk die factoren in aanmerking heeft genomen, zoals het dat ook behoorde te doen, aan de hand waarvan moest worden beoordeeld of vrijgave gevaar voor het algemeen belang (gerechtelijke procedures) opleverde.(88) Gesteld al dat dit in tegenspraak zou zijn met punt 43 van het bestreden arrest, dat in de Nederlandse versie(89) spreekt van de informatie die het betrokken document bevat, dan is die tegenstrijdigheid nog geen grond voor vernietiging van het arrest, aangezien ondanks die fout in de premisse van de betrokken redenering inzake de omvang van de gegevens die in aanmerking moeten worden genomen, in de conclusie van deze redenering geen fout in juridisch of logisch opzicht wordt gemaakt.(90)
92 Het bestreden arrest is echter onvoldoende gemotiveerd op het punt van de toetsing die het Gerecht had moeten verrichten inzake de toepassing die de Commissie aan de meergenoemde uitzonderingsgrond heeft gegeven. Hoewel het Gerecht uitdrukkelijk overwoog dat alle uitzonderingen restrictief moeten worden uitgelegd en toegepast(91), is het niet in het algemeen overgegaan tot een juiste uitlegging en toepassing van die uitzonderingsgrond. Zo heeft het niet de nodige verificatie verricht en heeft het niet wettig en afdoende gemotiveerd waarom het de toepassing van de uitzondering door de Commissie uiteindelijk als adequaat beschouwde.(92) In de omstandigheden van het onderhavig geval had het Gerecht, zoals ik reeds zei, moeten toetsen of de Commissie alle nodige en passende stappen had ondernomen om de noodzaak tot toepassing van de uitzonderingsgrond tot een minimum te beperken, en verslag moeten doen van het resultaat van die toetsing, om te antwoorden op het aangevoerde argument dat de Commissie aan de bewuste uitzonderingsgrond "bescherming van het algemeen belang (gerechtelijke procedures)" een onjuiste uitlegging en toepassing had gegeven.(93) Het verzuim van de feitenrechter om die toetsing te verrichten, dat hoofdzakelijk is toe te schrijven aan de onjuiste uitlegging van besluit 94/90 op het punt van de verplichtingen die op de Commissie rusten wanneer zij de uitzonderingen toepast op het beginsel van vrije toegang, maakt ook de motivering van het bestreden arrest ontoereikend. Concreet heeft het Gerecht bij zijn toetsing van de litigieuze beschikking, niet wettig en afdoende gemotiveerd waarom het heeft geoordeeld dat de Commissie een juiste - en dus restrictieve - toepassing heeft gegeven aan de bewuste uitzonderingsgrond. Op dit punt is het arrest van het Gerecht dus vernietigbaar wegens ontoereikende motivering.
D - De schending van het beginsel van partij-autonomie en van de rechten van
verdediging
a) Argumenten van partijen
93 Volgens Van der Wal heeft het Gerecht in de punten 45 tot en met 51 van het bestreden arrest het beginsel van partij-autonomie geschonden, zoals dat in het gemeenschapsrecht opgeld doet en dat in de rechtsstelsels van de lidstaten ook wel het beginsel van lijdelijkheid van de rechter of beschikkingsbeginsel wordt genoemd; tevens zou het de rechten van de verdediging hebben geschonden. Het Gerecht baseert zijn oordeel op artikel 6 EVRM(94), hoewel die bepaling niet door partijen is ingeroepen(95) en het bestreden arrest in dat opzicht niet voldoende is gemotiveerd. Daaruit volgt, dat het gedrag van de Commissie achteraf door het Gerecht wordt gerechtvaardigd en gebillijkt om redenen die de Commissie zelf niet heeft aangevoerd. Verder zijn de rechten van de verdediging geschonden, omdat hij zich niet heeft kunnen verdedigen tegen een op het EVRM gebaseerd verweer, daar dat verdrag in de bestreden beschikking noch in de procedure voor het Gerecht aan de orde is gekomen, terwijl het bij de beoordeling door het Gerecht doorslaggevend was.
94 De Commissie noemt de bewering onjuist, dat het Gerecht zijn oordeel op artikel 6 EVRM baseert en buiten de grenzen van het geding tussen partijen is getreden. De weigering van de Commissie om toegang tot de betrokken documenten te verlenen, die steunt op de in besluit 94/90 vermelde "bescherming van het algemeen belang (gerechtelijke procedures)" en op de overweging dat het uitsluitend aan de nationale rechterlijke instanties staat om op grond van hun nationaal procesrecht te bepalen onder welke omstandigheden die documenten aan een derde kunnen worden medegedeeld, berustte dus in wezen op het beginsel van procedurele autonomie van de nationale rechter. Het Gerecht heeft dat beginsel en die uitlegging van besluit 94/90 bevestigd, en rekwirant heeft zich daartegen voor het Gerecht met alle door hem gewenste middelen en argumenten kunnen verdedigen. De verwijzing naar het EVRM vormde enkel een doctrinaire verduidelijking van de basis van dat beginsel en Van der Wal verklaart niet hoe zijn verweer voor het Gerecht zou hebben verschild, wanneer het EVRM uitdrukkelijk ter sprake was gekomen.
b) Mijn standpunt
95 In beginsel mag het Gerecht niet ultra petita oordelen, dat wil zeggen dat het in beginsel is gebonden aan de grenzen van het geschil zoals partijen dat hebben omlijnd, maar in onderhavige zaak kan niet worden gesteld dat het Gerecht die grenzen heeft overschreden. Zoals ik reeds heb aangetoond, heeft het Gerecht zijn standpunt niet gebaseerd op artikel 6 EVRM, maar op de uitlegging van de in de gedragscode vastgelegde uitzonderingsgrond in verband met "gerechtelijke procedures". Deze uitlegging stoelt op de theoretische analyse van de algemene beginselen van gemeenschapsrecht, waarin ook de bespreking van artikel 6 EVRM past, die, zoals reeds gezegd, niet ongemotiveerd is, geen schending van het gemeenschapsrecht oplevert en evenmin afbreuk doet aan de motivering van het bestreden arrest. Partijen hebben met hun middelen en argumenten in eerste aanleg uitdrukkelijk om uitlegging van de bewuste uitzonderingsgrond in de gedragscode gevraagd.(96) De bespreking van artikel 6 EVRM is dus geen nieuwe stelling die het Gerecht zelf heeft bedacht, maar een ontwikkeling van zijn redenering omtrent de inhoud van een stelling die verzoeker zelf had aangevoerd. En dit enkele feit kan volgens de rechtspraak van het Hof geen overschrijding opleveren van het voorwerp van het geschil of een uitspraak ultra petita.(97) In geen geval zou trouwens aanvaardbaar zijn, dat de rechter in zijn onderzoek naar de ware uitlegging van relevante en door de partijen zelf aangehaalde rechtsbepalingen gebonden zou zijn aan de argumenten van de partijen of verplicht zou zijn ieder juridisch argument waarmee hij zijn redenering onderbouwt, aan hen voor te leggen. Het uitleggen van de wet behoort niet tot het toepassingsgebied van een beginsel dat partijen vrij zijn in het bepalen van het voorwerp van het geschil. Dit standpunt is niet in strijd met de verplichting van de rechter zich van een uitspraak ultra petita te onthouden, terwijl de tegengestelde opvatting het gevaar in zich zou bergen dat op onjuiste rechtsoverwegingen arrest wordt gewezen.(98)
96 Uit het voorgaande is bovendien af te leiden dat het Gerecht niet verplicht was om partijen in te lichten omtrent zijn voornemen om - op de wijze zoals hierboven beschreven - artikel 6 EVRM aan te halen, en evenmin om hen in de gelegenheid te stellen opmerkingen daarover te maken. Het is duidelijk dat de beginselen van hoor en wederhoor, en van bescherming van het recht van verweer door het Gerecht in acht zijn genomen, nu partijen de gelegenheid hadden om de middelen en stellingen die zij hadden aangevoerd en op basis waarvan het Gerecht heeft beslist, toe te lichten. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, geeft rekwirant niet aan in welk opzicht zijn verweer voor het Gerecht anders zou zijn geweest wanneer het gewraakte artikel van het EVRM reeds eerder aan de orde was geweest.
97 Voorts kan niet worden gesteld dat het Gerecht een eigen motivering voor de beschikking in de plaats heeft gesteld van die van de Commissie. De Commissie heeft haar weigering van toegang tot de litigieuze documenten gemotiveerd met een beroep op de uitzondering in verband met "bescherming van het algemeen belang (gerechtelijke procedures)" en deze uitzondering aldus uitgelegd, dat nu de door haar aan de nationale rechter gezonden brieven onlosmakelijk deel uitmaakten van het dossier in een voor die rechter aanhangige zaak, de vraag of die brieven al dan niet konden worden vrijgegeven, hoofdzakelijk ter beoordeling stond van die nationale rechter aan wie de betrokken brieven waren gericht.(99) Het beginsel van procedurele autonomie, dat het Gerecht in het bestreden arrest heeft aangehaald en toegepast en, zoals hierboven reeds uiteengezet, heeft gekoppeld aan artikel 6 EVRM, wijkt niet wezenlijk af van de motivering die de Commissie heeft gegeven, zoals reeds is gebleken bij de bespreking van de overige middelen in hogere voorziening. Wanneer er enig verschil is aan te wijzen in de twee motiveringen, dan is dit verschil gelegen in de juridische terminologie, en niet in de ratio, dat wil zeggen niet in de normatieve inhoud van de bewuste uitzondering of in de wijze waarop die uitzondering moest worden toegepast in de omstandigheden van het onderhavige geval, maar wel in de precieze definiëring van de theoretische grondslag van de uitzondering. Dat verschil is echter nog geen vervanging van de motivering, en nog minder vervanging van de juridische grondslag van de litigieuze beschikking.
Hoe dan ook heeft de Commissie bij de toepassing van de litigieuze uitzondering een gebonden bevoegdheid(100), hetgeen betekent dat geen sprake kan zijn van ongeoorloofde vervanging van de motivering. Met andere woorden, zodra buiten twijfel staat dat de litigieuze documenten zijn opgesteld voor een concrete gerechtelijke procedure en deel uitmaken van het dossier in een procedure die nog aanhangig is, kan geen sprake zijn van onwettige vervanging van motivering, omdat de Commissie geen beoordelingsvrijheid heeft, maar verplicht is de toegang tot die documenten te weigeren; derhalve kan niet worden staande gehouden dat een extra theoretische beoordeling of verklaring met betrekking tot de fundering, stelselmatige uitlegging en het doel van de toegepaste bepaling, een onwettige toeëigening van een dergelijke beoordelingsbevoegdheid achteraf zou kunnen rechtvaardigen.
98 Op grond van het bovenstaande acht ik het middel van schending van de beginselen van partij-autonomie en bescherming van de rechten van verdediging ongegrond.
VI - Conclusie inzake de hogere voorziening
99 De fout in het bestreden arrest bestaat, zoals ik reeds zei, in het feit dat het Gerecht ten eerste een onjuiste uitlegging heeft gegeven aan besluit 94/90 voor wat betreft de verplichtingen van de Commissie bij de toepassing van de uitzondering uit hoofde van "bescherming van het algemeen belang (gerechtelijke procedures)". Vervolgens heeft zij niet de nodige verificaties verricht bij de toetsing van de motivering van de bestreden afwijzende beschikking van de Commissie, om te zien of die verplichtingen zijn nageleefd. Concreet heeft het Gerecht niet getoetst of de Commissie alle nodige en passende stappen had ondernomen om het advies van de bevoegde nationale rechters in te winnen, en daarmee de noodzaak tot toepassing van de uitzondering tot een minimum te beperken. Het gevolg van deze fout is, dat de motivering van het bestreden arrest ontoereikend is. Het Gerecht heeft bij de toepassing van de litigieuze handeling niet wettig en afdoende gemotiveerd, waarom het van oordeel was dat de Commissie een juiste - dus restrictieve - toepassing heeft gegeven aan de litigieuze uitzondering. Dit gebrek in het bestreden arrest kan het dictum op fatale wijze beïnvloeden. Zou het Gerecht die naspeuringen wel hebben verricht, dan had het wellicht vastgesteld dat de Commissie haar verplichtingen ter zake niet heeft nageleefd, de bewuste uitzondering niet restrictief heeft toegepast, en derhalve haar weigering niet juist heeft gemotiveerd, in welk geval het Gerecht de weigering van de Commissie had moeten nietig verklaren. Om die reden geef ik het Hof in overweging het bestreden arrest te vernietigen.
100 Na vernietiging van het bestreden arrest moet het Gerecht, lettend op de gegevens in het dossier, beoordelen of de Commissie werkelijk alle nodige en passende maatregelen heeft genomen om het advies van de bevoegde nationale rechterlijke instanties in te winnen met betrekking tot de openbaarmaking van de litigieuze documenten.
101 Aangezien de feiten in deze zaak nog niet volledig tot klaarheid zijn gebracht, moet zij overeenkomstig artikel 54 van 's Hofs Statuut-EG voor afdoening naar het Gerecht worden terugverwezen.
VII - Kosten
102 Volgens artikel 122, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, beslist het Hof ten aanzien van de proceskosten "wanneer de hogere voorziening ongegrond is of wanneer het, bij gegrondheid ervan, het Hof zelf de zaak afdoet". Aangezien geen van deze twee gevallen zich hier voordoet, geef ik het Hof in overweging de uitspraak omtrent de kosten aan te houden.
VIII - Conclusie
103 Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging als volgt te beslissen:
"1) Vernietigt het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 19 maart 1998 in de zaak Van der Wal/Commissie (T-83/96).
2) Verwijst de zaak naar het Gerecht van eerste aanleg voor een nieuwe afhandeling.
3) Houdt een beslissing omtrent de kosten aan."
(1) - T-83/96 (Jurispr. blz. II-545).
(2) - PB 1993, C 39, blz. 6.
(3) - Die verklaring luidt als volgt: "De Conferentie is van oordeel dat de doorzichtigheid van het besluitvormingsproces het democratische karakter van de instellingen en het vertrouwen van het publiek in het bestuur versterkt. Dientengevolge beveelt de Conferentie de Commissie aan de Raad uiterlijk in 1993 verslag uit te brengen over maatregelen om de toegang van het publiek tot de informatie waarover de instellingen beschikken, te vergroten."
(4) - PB C 156, blz. 5.
(5) - PB C 166, blz. 4.
(6) - PB L 340, blz. 41.
(7) - PB L 46, blz. 58.
(8) - PB C 67, blz. 5.
(9) - Aangehaald in voetnoot 2.
(10) - Concreet luidt die bekendmaking als volgt:
"37. (...) de nationale rechter [kan] zich, binnen de grenzen van zijn nationale procedureregels, tot de Commissie en in het bijzonder tot het directoraat-generaal Concurrentie richten om de volgende inlichtingen te vragen. Het gaat in de eerste plaats om inlichtingen van procedurele aard om te weten of een bepaalde zaak door de Commissie wordt behandeld, of een zaak is aangemeld, of de Commissie officieel een procedure heeft ingeleid en of zij zich reeds bij officiële beschikking of een administratieve brief van haar diensten over een zaak heeft uitgesproken. Indien nodig kan de nationale rechter de Commissie vragen hoeveel tijd zij denkt nodig te hebben om na de aanmelding van een overeenkomst of gedraging over de verlening of weigering van een individuele vrijstelling te beslissen, zodat hij kan beoordelen of hij de behandeling van de zaak moet schorsen dan wel voorlopige maatregelen moet treffen. Van haar kant zal de Commissie zich inspannen om de zaken waarvoor bij de nationale rechter een procedure loopt waarvan de behandeling is opgeschort, bij voorrang te behandelen, met name wanneer de afloop van een burgerrechtelijk geding daarvan afhangt.
38. Ten slotte kan de nationale rechter de Commissie over rechtsvragen raadplegen. Indien de toepassing van artikel 85, lid 1, en van artikel 86, bijzondere problemen doen rijzen, kan de nationale rechter de Commissie raadplegen over haar administratieve praktijk betreffende het relevante Gemeenschapsrecht. Voor wat de artikelen 85 en 86 betreft gaat het met name om de voorwaarden voor de toepassing van deze artikelen die betrekking hebben op de ongunstige beïnvloeding van de handel tussen lidstaten en de merkbaarheid van de concurrentiebeperking die uit de in deze artikelen genoemde gedragingen voortvloeit. In haar antwoorden gaat de Commissie niet in op de grond van de zaak. Voorts kan de nationale rechter, indien hij twijfelt aan de mogelijkheid dat een bepaalde mededingingsregeling voor een individuele vrijstelling in aanmerking komt, de Commissie om een voorlopig advies vragen. Indien een vrijstelling volgens de Commissie onwaarschijnlijk voorkomt, kan de nationale rechter ervan afzien de behandeling van de zaak te schorsen en alsnog over de geldigheid van de mededingingsregeling uitspraak doen.
39. De door de Commissie gegeven antwoorden binden de nationale rechter niet. In haar antwoorden geeft de Commissie duidelijk aan dat haar standpunt voorlopig is en dat aan het recht van de nationale rechter om zich overeenkomstig artikel 177 van het EEG-Verdrag naar het Hof van Justitie te wenden, in geen enkel opzicht afbreuk wordt gedaan. De Commissie is evenwel van mening dat haar antwoorden hem bij de beslechting van geschillen dienstig kunnen zijn.
40. Ten slotte kunnen de nationale rechterlijke instanties bij de Commissie inlichtingen inwinnen over feitelijke gegevens: statistieken, marktstudies en economische analyses. De Commissie zal al het mogelijke doen om die gegevens te verschaffen (...) of zal de bron vermelden waar die gegevens kunnen worden verkregen."
(11) - Aangehaald in voetnoot 2.
(12) - PB L 173, blz. 1.
(13) - PB 1962, 30, blz. 993.
(14) - PB 1985, L 15, blz. 16.
(15) - Arrest Gerecht van 5 maart 1997, WWF UK/Commissie (T-105/95, Jurispr. blz. II-313).
(16) - Aangehaald in voetnoot 2.
(17) - Arrest van 29 mei 1997, Kremzow (C-299/95, Jurispr. blz. É-2629, punt 14). Zie voor de verdere ontwikkeling van deze rechtspraak onder meer arresten van 14 mei 1974, Nold/Commissie (4/73, Jurispr. blz. 491, punt 13); 28 oktober 1975, Rutili (36/75, Jurispr. blz. 1219, punt 32); 10 juli 1984, Kirk (63/83, Jurispr. blz. 2689, punt 22); arrest Johnston, reeds aangehaald; 1 april 1987, Dufay/Parlement (257/85, Jurispr. blz. 1561, punt 10); 5 oktober 1994, Î/Commissie (C-404/92 P, Jurispr. blz. É-4737, punt 17), en 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie (C-185/95 P, Jurispr. blz. I-8417, punten 20-22).
(18) - Punt 46.
(19) - Zie het in voetnoot 17 aangehaalde arrest Baustahlgewebe/Commissie (punt 21). Zoals advocaat-generaal Léger in zijn conclusie in die zaak schrijft: "Met artikel F, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie is de gebondenheid van de Europese Unie aan het EVRM bevestigt, zodat het thans een uitgemaakte zaak is, dat het Hof de eerbiediging van de door dat verdrag erkende rechten dient te verzekeren. Blijkens 's Hofs rechtspraak waarborgt het Hof niet alleen rechtstreeks, dat de in het EVRM geformuleerde regels op het niveau van de Gemeenschap worden geëerbiedigd, maar laat het zich ook door die regels leiden met het oog op de ontwikkeling van de fundamentele beginselen die in de hiërarchie van normen op dit gebied de hoogste plaats innemen. Bovendien wordt bij de ontwikkeling van die fundamentele beginselen voor een belangrijk deel teruggegrepen op de constitutionele tradities die aan de lidstaten gemeen zijn. Evenals die constitutionele tradities vormt het EVRM niet alleen de inspiratiebron voor de grondrechten, maar ook voor de andere algemene beginselen van het gemeenschapsrecht" (punten 25-28).
(20) - Zie conclusie van advocaat-generaal La Pergola bij het arrest Kremzow, aangehaald in voetnoot 17, punt 6.
(21) - Zie arrest Baustahlgewebe/Commissie, aangehaald in voetnoot 17 (punt 29).
(22) - Punt 48 van het bestreden arrest. Cursivering van mij.
(23) - Punt 47 van het bestreden arrest.
(24) - Zie bijvoorbeeld Europees Hof voor de rechten van de mens, arrest van 9 december 1994, Raffineries grecques Stran en Stratis Abdreadis, serie A, nr. 301-B (punten 49 en 50). Zie eveneens Tulkens, F., "La notion européenne de tribunal indépendant et impartial. La situation en Belgique", Revue de science criminelle et de droit pénal comparé, 1990, blz. 677, met name blz. 680.
(25) - Zie bijvoorbeeld Europees Hof voor de rechten van de mens, arresten van 22 oktober 1984, Sramek, serie A, nr. 84 (punt 42); 29 april 1988, Belilos, serie A, nr. 132 (punten 66 en 67), en 22 juni 1989, Langborger, serie A, nr. 155 (punt 32). Zie eveneens Macdonald, R. S. J., Matscher, F., en Petzold, H., The european system for the protection of human rights, Martinus Nijhoff Publishers, Dordrecht - Boston - Londen, 1993, blz. 397.
(26) - De verbinding tussen procedurele autonomie en onafhankelijkheid van de rechter vormt ook een waarborg voor de bescherming van de belangen van partijen (zie hierboven, punt 34 van mijn conclusie). Deze verwevenheid van de veiligstelling van de persoonlijke belangen van partijen en de bescherming van de procedurele autonomie en de onafhankelijkheid van de rechter houdt verband met een algemeen beginsel dat ingang vindt, namelijk van de onschendbaarheid van de "persoonlijke levenssfeer", naar het voorbeeld van de onschendbaarheid van het privé-leven, waarbinnen een rechterlijke procedure zich afspeelt. Soortgelijke overwegingen formuleerde het Gerecht in zijn arrest van 17 juni 1998, Svenska Journalistförbundet (T-174/95, Jurispr. blz. II-2289, punten 135 en 136), waar het oordeelde: "Krachtens de voorschriften inzake de behandeling van bij het Gerecht aanhangige zaken genieten partijen bescherming tegen oneigenlijk gebruik van de processtukken. Aldus heeft volgens artikel 5, lid 3, derde alinea, van de instructies voor de griffier van 3 maart 1994 (PB L 78, blz. 32) een derde, hetzij particuliere of openbare persoon, geen toegang tot het procesdossier of tot de processtukken dan met uitdrukkelijke toestemming van de president, de partijen gehoord. Daarnaast kan de president krachtens artikel 116, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering de toezending van geheime of vertrouwelijke stukken aan interveniënten weigeren. Deze bepalingen belichamen een algemeen beginsel van een goede rechtsbedeling, op grond waarvan partijen het recht hebben om zonder beïnvloeding van buiten, met name van de zijde van het publiek, hun belangen te verdedigen" (cursivering van mij).
(27) - De Nederlandse regering verwijst concreet naar de overwegingen van het Gerecht in de punten 41-43 van het bestreden arrest.
(28) - Zoals ik reeds vermeldde, is het eerste middel in de twee gevoegde hogere voorzieningen identiek. Om praktische redenen zal ik hierbij uitgaan van de uiteenzetting van dit middel in het verzoekschrift van de Nederlandse regering (C-174/89 P), en waar nodig verwijzen naar de aanvullende stellingen en argumenten die Van der Wal in zijn verzoekschrift aanvoert (C-189/98 P).
(29) - Het Koninkrijk der Nederlanden verwijst meer in het bijzonder naar de arresten van 16 december 1976, Rewe (33/76, Jurispr. blz. 1989, punt 5); Comet (45/76, Jurispr. blz. 2043, punten 12-16); 27 februari 1980, Just (68/79, Jurispr. blz. 501, punt 25); 9 november 1983, San Giorgio (199/82, Jurispr. blz. 3595); 25 februari 1988, Bianco en Girard (331/85, 376/85 en 378/85, Jurispr. blz. 1099, punt 12); 24 maart 1988, Commissie/Italie (104/86, Jurispr. blz. 1799, punt 7); 14 juli 1988, Jeunehomme en ÅGI (123/87 en 330/87, Jurispr. blz. 4517, punt 17); 9 juni 1992, Commissie/Spanje (C-96/91, Jurispr. blz. I-3789, punt 12); 19 november 1991, Francovich e.a. (C-6/90 en C-9/90, Jurispr. blz. É-5357, punt 12); 14 december 1995, Peterbroeck (C-312/93, Jurispr. blz. I-4599, punt 12); Van Schijndel en Van Veen (C-430/93 en C-431/93, Jurispr. blz. I-4705, punt 17); 8 februari 1996, FMC e.a. (C-212/94, Jurispr. blz. É-389, punt 71), en 2 december 1997, Fantask e.a. (C-188/95, Jurispr. blz. É-6783).
(30) - De Nederlandse regering verwijst concreet naar punt 48 van het bestreden arrest.
(31) - De Nederlandse regering verwijst naar punt 50 van het bestreden arrest.
(32) - De Nederlandse regering verwijst naar punt 51 van het bestreden arrest.
(33) - Aangehaald in voetnoot 29.
(34) - Zie concreet arresten Hof van 30 januari 1974, BRT (127/83, Jurispr. blz. 51); 10 november 1993, Otto (C-60/92, Jurispr. blz. I-5683), en 28 februari 1991, Delimitis (C-234/89, Jurispr. blz. I-935).
(35) - Zie hierna, punt 50 van mijn conclusie.
(36) - De Commissie verwijst naar punt 47 van het bestreden arrest.
(37) - De Commissie verwijst naar de punten 25 en 26 van het verzoekschrift.
(38) - Zie beschikking van 26 september 1994, X/Commissie (C-26/94 P, Jurispr. blz. É-4379, punten 11 en 12). Zie eveneens beschikking van 6 maart 1997, Bernardi/Parlement (C-303/96 P, Jurispr. blz. É-1239, punt 37), en de aldaar genoemde rechtspraak.
(39) - In de periode waarin onderhavige zaak speelde, dus vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam, was besluit 94/90 de grondslag voor het recht van toegang van het publiek tot documenten van de Commissie. Zoals uit de rechtspraak van het Hof is af te leiden, is besluit 94/90 het antwoord van de Commissie op het verlangen van de Raad om het in de wetgeving van de meeste lidstaten reeds erkende recht van de burger op toegang tot documenten van de overheid op communautair niveau te zien vastgelegd. Aangezien het gemeenschapsrecht geen algemene regeling kende inzake het recht van het publiek op toegang tot documenten die bij de gemeenschapsinstellingen berusten, moesten de instellingen uit hoofde van hun interne organisatiebevoegdheid maatregelen nemen om verzoeken om toegang tot documenten te behandelen - en te honoreren - in het belang van een goed bestuur [zie arrest Hof van 30 april 1996, Nederland/Raad, C-58/94, Jurispr. blz. I-2169, punten 34-37, waarin het ging om een overeenkomstig besluit van de Raad (besluit 93/731/EG van 20 december 1993, betreffende de toegang van het publiek tot documenten van de Raad, PB L 340, blz. 43].
(40) - Zie voor de verplichting tot toetsing van ieder document afzonderlijk ook de in punt 7 van deze conclusie genoemde mededeling 94/C 67/03.
(41) - Voor het probleem van de afwijkende taalversies van deze rechtsoverweging zie hierna, voetnoot 62.
(42) - Zie bijvoorbeeld de in voetnoot 29 aangehaalde arresten Rewe (punt 5) en Fantask e.a. (punt 39).
(43) - Zie punt 47 (cursivering van mij).
(44) - Punten 47 en 48.
(45) - Zie hierboven, punt 36 van deze conclusie.
(46) - Zie hierboven, punt 34 van deze conclusie.
(47) - Zie hierboven, punt 36 van deze conclusie.
(48) - Zie in dit verband artikel 3, lid 2, van richtlijn 90/313/EEG van de Raad van 7 juni 1990 inzake de vrije toegang tot milieu-informatie (PB L 158, blz. 56): "De lidstaten kunnen bepalen dat een verzoek om dergelijke informatie kan worden geweigerd indien het afbreuk doet aan een van de volgende punten: (...) - zaken die bij de rechter aanhangig zijn of zijn geweest (...)"
(49) - Zie hierboven, punt 36 van deze conclusie.
(50) - Volgens de Nederlandse regering moet de Commissie, zodra zij kennisneemt van de mening van de nationale rechter, zelfstandig beoordelen of de weigering van toegang kan worden gerechtvaardigd op grond van het algemeen belang (zie in dit verband de memorie van interventie in eerste aanleg, punt 42). Ik acht deze opvatting niet juist, omdat de erkenning van een zelfstandig oordeel van de Commissie afbreuk zou doen aan het beginsel van procedurele autonomie van de nationale rechter. Naar mijn mening dient het antwoord van de nationale rechter voor de Commissie bindend te zijn.
(51) - Zie hierna, punt 77 van deze conclusie.
(52) - Zie ook hierna, punt 92 van deze conclusie.
(53) - Zie in dit verband de koppeling van het recht van toegang tot documenten van de gemeenschapsinstellingen en het beginsel van goed bestuur, het in voetnoot 39 aangehaalde arrest Nederland/Raad (punt 37).
(54) - Dit verzuim moet van doorslaggevende invloed zijn op het dictum van het arrest. Zou het Gerecht deze verificaties hebben verricht, dan had het wellicht vastgesteld dat de Commissie haar verplichtingen ter zake niet heeft nageleefd wat de motivering van haar weigering betreft, in welk geval het Gerecht de beschikking van de Commissie nietig had moeten verklaren. Zie ook hierna, punt 99 van deze conclusie.
(55) - In dit verband merkt Van der Wal op dat op basis van besluit 94/90 het Gerecht had moeten vaststellen dat de Commissie in gebreke was gebleven om per document aan te geven waarom de toegang diende te worden geweigerd, rekening houdende met de informatie die dat document bevat, zoals het Gerecht in punt 43 van het bestreden arrest overweegt.
(56) - In dit verband betoogt Van der Wal dat voor zover de beoordeling van het Gerecht neerkomt op een afzwakking van het vereiste van "rechtvaardiging voor elk afzonderlijk document" naar "rechtvaardiging per categorie documenten", een zulke extensieve interpretatie in strijd is met eerdere rechtspraak van het Gerecht waarin is uitgemaakt dat de uitzonderingsgronden en motiveringsplicht van de Commissie restrictief moeten worden uitgelegd.
(57) - Zie hierna, punt 68 van deze conclusie.
(58) - Zie hierna, punt 69 van deze conclusie.
(59) - Zie hierna, punt 50 van deze conclusie.
(60) - Zie bijvoorbeeld beschikking Bernardi/Parlement, aangehaald in voetnoot 38 (punt 39), en arrest Baustahlgewebe/Commissie, aangehaald in voetnoot 17 (punt 113).
(61) - Zie punten 50-53 van het bestreden arrest.
(62) - De Nederlandse regering wijst erop, dat in het bestreden arrest zelf wordt overwogen (in punt 43), dat de Commissie moet beoordelen, of de toegang van derden tot documenten daadwerkelijk schade kan toebrengen aan het algemeen belang wegens de informatie die het bevat. Hier kan worden opgemerkt, dat terwijl de andere taalversies spreken van informatie waarover de Commissie beschikt (in het Grieks: "åíüøåé ôùí ðëçñïöïñéþí ðïõ äéáèÝôåé"; in het Frans: "au regard des informations dont elle dispose") of informatie waartoe de Commissie toegang heeft (in het Engels: "in the light of the information available to it"), de Nederlandse tekst (het Nederlands is procestaal) in punt 43 van het bestreden arrest spreekt van "de informatie die het [document] bevat".
Ik acht het niet zinvol om voor de beoordeling van het argument van de Nederlandse regering, dat voor toepassing van de uitzonderingsgrond een onjuist criterium is gekozen, de afwijkende taalversies te interpreteren en er een uit te kiezen. Zoals ik reeds zei, moet volgens besluit 94/90 de beoordeling van de mogelijke gevolgen van de bekendmaking het wezenlijke criterium zijn. Om te zoeken naar een criterium dat a priori geldt voor alle gevallen, aan de hand van hetzij de informatie die het document bevat, dan wel die waarover de Commissie beschikt, of waartoe zij toegang heeft, zou nutteloos zijn, omdat de Commissie in de praktijk bij haar beoordeling van alle mogelijkheden gebruik moet maken; eventueel ook van alle drie categorieën van informatie.
Wat betreft de mogelijkheid, wegens de hierboven gesignaleerde afwijkende taalversies de de geldigheid van de motivering van het bestreden arrest (tegenstrijdige rechtsoverwegingen) aan te vechten, acht ik eventuele pogingen om een bepaalde versie uit de verschillende versies te kiezen eveneens zinloos. Omdat de beoordeling van de Commissie uiteindelijk op een andere juridische grond juist zou kunnen zijn - in casu de op grond van het algemene criterium met betrekking tot de beoordeling van de bekendmaking, nader gespecificeerd tot het criterium van gebruikmaking van de informatie waartoe de Commissie normaal toegang heeft - moet het eventuele argument inzake het bestaan van tegenstrijdige motivering bij voorbaat worden verworpen. Zie ook hierna, punt 91 van deze conclusie.
(63) - Zie voor het bindende karakter van deze categorie uitzonderingen hierboven, punt 51 van deze conclusie.
(64) - Zie hierboven, punt 58 van deze conclusie.
(65) - Zie voor de verplichting tot enge uitlegging van de uitzonderingen van besluit 94/90, welke verplichting in het bestreden arrest zelf wordt genoemd in punt 41, hierboven punt 51 van deze conclusie.
(66) - Zie de in voetnoot 34 aangehaalde arresten BRT, Otto en Delimitis.
(67) - Aangehaald in voetnoot 2.
(68) - Zie bijvoorbeeld het in voetnoot 34 aangehaalde arrest Delimitis, punt 53.
(69) - Zie punt 41.
(70) - Zie bij analogie het arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens van 7 juli 1989, Gaskin, serie A, nr. 160. Die zaak, die op vele punten verschilt van de onderhavige, betrof G. Gaskin, die na de dood van zijn moeder tot zijn meerderjarigheid onder zorg en toezicht van de overheid opgroeide. In die periode verbleef hij bij pleegouders, terwijl de plaatselijke instanties ook een vertrouwelijk dossier van hem hadden samengesteld. Gaskin beweerde dat hij was mishandeld terwijl hij zich onder toezicht bevond. Eenmaal meerderjarig trachtte hij te achterhalen bij wie en onder welke omstandigheden hij had geleefd, om zijn problemen te boven te komen en inzicht te krijgen in zijn verleden. Het Europees Hof was van mening (punt 49) dat personen in de omstandigheden als die van Gaskin een fundamenteel recht hebben op de informatie die zij nodig hebben om inzicht te krijgen in hun jeugdjaren. Anderzijds hechtte het belang aan de vertrouwelijkheid van het dossier, met het oog op de betrouwbaarheid en objectiviteit van de daarin opgenomen informatie en de bescherming van derden. Op grond van deze afweging oordeelde het Hof, dat het Verenigd Koninkrijk artikel 8 EVRM schond door Gaskin de toegang tot documenten met betrekking tot zijn jeugdjaren te weigeren, zonder de noodzakelijke moeite te doen om de instemming te verkrijgen van personen die door het vertrouwelijke karakter van de documenten werden beschermd en zonder een onafhankelijk orgaan te hebben opgedragen om uiteindelijk een beslissing te nemen ingeval die personen niet reageren of hun instemming weigeren.
(71) - Van de Commissie kan niet worden gevergd dat zij informatie verzamelt waarover zij niet beschikt of nieuwe informatie samenstelt om deze aan de belanghebbenden mede te delen. Zie bij analogie het arrest van 19 februari 1998, Guerra (punt 53), waarin het Europees Hof voor de rechten van de mens oordeelde dat de vrijheid van informatie niet zo ver gaat, dat de overheid een actieve verplichting heeft om uit eigen beweging informatie in te zamelen en bekend te maken.
Wanneer in onderhavig geval van de Commissie wordt verwacht dat zij het advies van de nationale rechterlijke instanties inwint, betekent dat niet dat zij informatie moet samenstellen of inzamelen. Die informatie berust immers reeds bij haar. Wat van haar wordt verlangd is dat zij zo veel mogelijk gebruikmaakt van alle informatie waartoe zij toegang kan krijgen om de noodzaak van het inroepen van de litigieuze uitzonderingsgrond tot een minimum te beperken.
(72) - Zie hierna, punt 99 van deze conclusie.
(73) - Zie hierboven, punten 59 en 77 van deze conclusie.
(74) - Zie voor de grenzen van de procesrechtelijke autonomie van de lidstaten onder meer het in voetnoot 29 aangehaalde arrest Van Schijndel en Van Veen (punt 17).
(75) - Zie onder meer conclusie van advocaat-generaal Jacobs bij het arrest Van Schijndel en Van Veen (aangehaald in voetnoot 29): "een zekere mate van ongelijkheid bij de toepassing van het gemeenschapsrecht is echter onvermijdelijk, aangezien geharmoniseerde regels inzake rechtsmiddelen, procedures en termijnen ontbreken" (punt 45).
(76) - Zie punt 11 van het verzoekschrift. Zie ook hierboven, punt 40 van deze conclusie.
(77) - De Nederlandse regering verwijst naar de punten 47 en 48 van het bestreden arrest.
(78) - De Nederlandse regering verwijst naar punt 47 van het bestreden arrest.
(79) - De Nederlandse regering verwijst naar punt 51 van het bestreden arrest.
(80) - Zie onder meer het in voetnoot 17 aangehaald arrest Baustahlgewebe/Commissie (punt 25), en de aldaar genoemde rechtspraak.
(81) - Zie hierboven in verband met het eerste en het tweede onderdeel van het middel.
(82) - Zie onder meer arrest van 12 november 1996, Ojha/Commissie (C-294/95 P, Jurispr. blz. I-5863, punt 52).
(83) - Zie hierboven bij de bespreking van het eerste en het tweede (eerste onderdeel) middel.
(84) - Zie punt 48 van het bestreden arrest.
(85) - Zie punt 49 van het bestreden arrest.
(86) - Zie hierboven, punten 55 en 56 van deze conclusie.
(87) - Wanneer een van de overwegingen toereikend is om het dictum van het arrest van het Gerecht te kunnen dragen, zijn eventuele gebreken in een andere overweging in datzelfde arrest niet van invloed op dat dictum en moet het middel dat tegen dit gebrek is gericht, worden verworpen. Zie onder meer arrest van 18 maart 1993, Parlement/Frederiksen (C-35/92 P, Jurispr. blz. I-991, punt 31).
(88) - Zie hierboven, punten 71-74 van deze conclusie.
(89) - Zie in verband met afwijkende taalversies hierboven, voetnoot 62.
(90) - Zie de hierboven aangehaalde rechtspraak, punt 89 van deze conclusie.
(91) - Zie punt 41 van het bestreden arrest.
(92) - Met name punten 51, 53 en 71 van het bestreden arrest.
(93) - Zie punten 25-33 van het bestreden arrest.
(94) - Rekwirant verwijst naar punt 45 van het bestreden arrest.
(95) - Rekwirant verwijst naar de punten 25-40 van het bestreden arrest.
(96) - Zie punten 25-33 van het bestreden arrest.
(97) - Zie in dit verband arrest van 19 november 1998, Parlement/Gutiérrez de Quijano y Lloréns (C-252/96 P, Jurispr. blz. I-7421, punten 32-34).
(98) - Zie conclusie van advocaat-generaal Léger bij het in voetnoot 97 aangehaalde arrest Parlement/Gutiérrez de Quijano y Lloréns (punten 35-37):
"Het is duidelijk, dat de rechter slechts over de vordering van de partijen uitspraak moet doen. Zoals gezegd, staat het aan deze laatsten, het kader van hun geschil te omlijnen, en kan de rechter in beginsel geen uitspraak doen die verder gaat dan de voor hem gebrachte aanspraken, en natuurlijk ook niet oordelen zonder rekening te houden met het geschil, zoals het in het inleidend verzoekschrift is omlijnd.
De rol van de rechter is evenwel niet passief, en hij kan niet worden gelast, slechts $de mond van partijen' te zijn. Zijn taak van juris dictio veronderstelt, dat hij in staat is de voor de oplossing van het geschil relevante rechtsregels toe te passen op de feiten die hem door de partijen worden voorgelegd. Hij moet zich niet beperken tot de argumenten die de partijen tot staving van hun aanspraken hebben aangevoerd. Anders zou hij zich in voorkomend geval gedwongen zien, zijn beslissing op onjuiste juridische overwegingen te baseren.
Daarom bieden de procedureregels de rechter de mogelijkheid, weliswaar binnen de perken van het hem voorgelegde geschil, op verschillende wijzen de best mogelijke oplossing te zoeken."
(99) - Zoals in punt 68 van het bestreden arrest wordt vermeld, is deze motivering in de twee antwoordbrieven (van 23 februari 1996 resp. 29 maart 1996) aan Van der Wal in wezen dezelfde, ook al worden in de twee documenten verschillende uitdrukkingen gebruikt.
(100) - Zie hierboven, punt 51 van deze conclusie.
Full & Egal Universal Law Academy