Conclusie van de advocaat generaal
1 Bij beschikkingen van 20 april 1998 heeft de Giudice per le Indagini Preliminari van de Pretura circondariale di Udine (Italië) het Hof om uitlegging verzocht van een aantal bepalingen van richtlijn 91/156/EEG van de Raad van 18 maart 1991(1) tot wijziging van richtlijn 75/442/EEG betreffende afvalstoffen(2) (hierna: "richtlijn 91/156" of "richtlijn $afvalstoffen'"), en van richtlijn 91/689/EEG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen(3) (hierna: "richtlijn 91/689" of "richtlijn $gevaarlijke afvalstoffen'"). In wezen wordt gevraagd, welke strekking het begrip "voorlopige opslag" heeft en welke juridische regeling daarvoor geldt.
De toepasselijke wetgeving
Het relevante gemeenschapsrecht inzake niet-gevaarlijke afvalstoffen
2 Richtlijn 91/156, die op artikel 130 S EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 175 EG) is gebaseerd, streeft een hoog niveau van milieubescherming na.(4) Daartoe moeten de lidstaten stappen ondernemen om te waarborgen, "dat de verwijdering en de nuttige toepassing van afvalstoffen op verantwoorde wijze geschiedt (...)", en het "ontstaan van afvalstoffen" wordt beperkt(5), dat afvalstoffen worden gerecycleerd en hergebruikt(6), dat het vervoer van afvalstoffen wordt ingeperkt(7) en dat wordt "voorzien in een vergunning- en controlestelsel voor ondernemingen die zich bezighouden met de verwijdering en nuttige toepassing van afvalstoffen".(8)
3 Artikel 1 van richtlijn 91/156 geeft een definitie van een aantal begrippen. Zo wordt gepreciseerd, dat onder "afvalstof" moet worden verstaan, elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen (artikel 1, sub a).
4 Krachtens artikel 1, sub a, van richtlijn 91/156 heeft de Commissie bij beschikking 94/3/EG van 20 december 1993(9) een geharmoniseerde en niet-uitputtende lijst van afvalstoffen opgesteld die tot de in bijlage I genoemde categorieën behoren. Die lijst wordt gewoonlijk Europese afvalcatalogus genoemd.
5 Artikel 1, sub b, van richtlijn 91/156 bepaalt, dat onder "producent" moet worden verstaan, elke persoon wiens activiteit afvalstoffen heeft voortgebracht (eerste producent) en/of elke persoon die voorbehandelingen, vermengingen of andere bewerkingen heeft verricht die leiden tot wijziging in de aard of de samenstelling van die afvalstoffen.
6 Volgens artikel 1, sub c, van die richtlijn is een "houder", de producent van de afvalstoffen of de natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in bezit heeft.
7 Artikel 1, sub d, omschrijft "beheer" van afvalstoffen als de inzameling, het vervoer, de nuttige toepassing en verwijdering van afvalstoffen, met inbegrip van het toezicht op die handelingen en de nazorg voor de stortplaatsen na sluiting.
8 Onder "inzameling" wordt volgens artikel 1, sub g, verstaan, het ophalen, sorteren en/of samenvoegen van afvalstoffen teneinde deze te vervoeren.
9 "Verwijdering" en "nuttige toepassing" van afvalstoffen zijn alle in bijlage II A respectievelijk II B bedoelde handelingen (artikel 1, sub e en f).
10 Bij beschikking 96/350/EG van de Commissie van 24 mei 1996(10) zijn bijlagen II A en II B van richtlijn 75/442 aangepast.
11 Richtlijn 91/156 geeft de lidstaten een ruime beoordelingsmarge om zowel de inhoud als de regeling te bepalen van de instrumenten die voor de verwezenlijking van de door haar beoogde doelstellingen nodig zijn.
12 Zo bepaalt artikel 4 van deze richtlijn:
"De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de nuttige toepassing of de verwijdering van de afvalstoffen plaatsvindt zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder dat procédés of methoden worden aangewend die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en met name
- zonder risico voor water, lucht, bodem, fauna en flora;
- zonder geluids- of stankhinder te veroorzaken;
- zonder schade te berokkenen aan natuur- en landschapsschoon.
De lidstaten nemen voorts de nodige maatregelen om het onbeheerd achterlaten of het ongecontroleerd lozen of verwijderen van afvalstoffen te verbieden."
13 Bovendien preciseert artikel 6, dat de lidstaten bevoegde instanties instellen of aanwijzen die belast zijn met de tenuitvoerlegging van de bepalingen van de richtlijn.
14 Richtlijn 91/156 verplicht de lidstaten echter om aan bepaalde voorwaarden te voldoen en, met name, om plannen voor het beheer van afvalstoffen op te stellen (artikel 7), voor bepaalde activiteiten een voorafgaande vergunning te verlangen (artikelen 9 en 10), deze te controleren (artikelen 9 en 10) en daarvoor een register bij te houden (artikelen 13 en 14).
15 Artikel 9 bepaalt namelijk, dat voor de toepassing van, onder meer, de artikelen 4 en 7 iedere inrichting of onderneming die de in bijlage II A bedoelde handelingen verricht, een vergunning moet krijgen van de in artikel 6 bedoelde bevoegde instantie.
16 Beschikking 96/350 preciseert, dat onder verwijderingshandelingen in bijlage II A onder punt D 15 wordt genoemd, "Opslag in afwachting van een van de onder D 1 tot en met D 14 vermelde behandelingen (met uitsluiting van voorlopige opslag voorafgaande aan inzameling op de plaats van productie)".
17 Artikel 10 van richtlijn 91/156 bepaalt, dat voor de toepassing van artikel 4 iedere inrichting of onderneming die de in bijlage II B vermelde handelingen voor nuttige toepassing verricht, een vergunning moet hebben.
18 .In punt R 13 van beschikking 96/350 wordt onder handelingen voor nuttige toepassing genoemd, "Opslag in afwachting van een van de onder D 1 tot en met D 14 vermelde behandelingen (met uitsluiting van voorlopige opslag voorafgaande aan inzameling op de plaats van productie)".
19 Beschikking 96/350, die de Commissie op 24 mei 1996 heeft vastgesteld om aan de bepalingen van artikel 17 van richtlijn 91/156 te voldoen, heeft de term "opslag van stoffen", waarvan voorheen in punt R 13 werd gesproken, vervangen door "opslag van afvalstoffen".(11) Met deze wijziging heeft de gemeenschapswetgever willen preciseren, dat het begrip "stoffen", een onnauwkeurig en voor de richtlijn afvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen onbekend begrip, zich uitstrekte tot "afvalstoffen" zoals gedefinieerd in artikel 1, sub a, van richtlijn 91/156 en in de verschillende arresten van het Hof.(12) Na onderzoek van de richtlijnen 91/156 en 91/689 blijkt immers niet alleen, dat het begrip "stoffen" daarin niet wordt omschreven, maar eveneens dat het nergens anders voorkomt dan in punt R 13 van bijlage B bij richtlijn 91/156. Met deze wijziging heeft de gemeenschapswetgever die problemen op het gebied van de definitie opgelost en heeft hij de onjuistheden en onnauwkeurigheden van de vroegere regeling gecorrigeerd.
20 Volgens richtlijn 91/156 mogen bepaalde activiteiten zonder vergunning worden verricht.
21 Zo bepaalt artikel 11 van richtlijn 91/156 dat, onverminderd de specifieke bepalingen over gevaarlijke afvalstoffen (richtlijn 91/689), inrichtingen of ondernemingen die hun afvalstoffen op de plaats van productie in eigen beheer verwijderen (artikel 11, sub a) en inrichtingen of ondernemingen die afvalstoffen nuttig toepassen (artikel 11, sub b), kunnen worden vrijgesteld van de in artikel 9 bedoelde vergunning.
22 Ook hoeven inrichtingen of ondernemingen die de in de artikelen 9 tot en met 12 bedoelde handelingen verrichten volgens artikel 13 van richtlijn 91/156 geen vergunning voor de uitoefening van hun werkzaamheden te hebben, maar worden zij op passende wijze periodiek gecontroleerd door de bevoegde instanties.
23 Volgens de bewoordingen van artikel 14 houden die controles met name in, dat elke inrichting of onderneming in de zin van de artikelen 9 en 10 op verzoek van de in artikel 6 bedoelde bevoegde autoriteiten het register verstrekt waarin hoeveelheid, aard, oorsprong en, waar van toepassing, bestemming, frequentie van de inzameling, wijze van vervoer en wijze van behandeling van de in bijlage I bedoelde afvalstoffen en de in bijlage II A of II B bedoelde handelingen is bijgehouden.
De relevante communautaire regeling betreffende gevaarlijke afvalstoffen
24 Richtlijn 91/689, die op 27 juni 1995 in werking is getreden(13), heeft tot doel de wetgevingen van de lidstaten inzake het gecontroleerde beheer van gevaarlijke afvalstoffen onderling aan te passen (artikel 1, lid 1).
25 In artikel 1, leden 2 en 3, wordt bepaald, dat onverminderd deze richtlijn, richtlijn 91/156 van toepassing is op gevaarlijke afvalstoffen, met name voor wat betreft de definities van "afvalstoffen" en andere in richtlijn 91/689 gebruikte definities.
26 Artikel 1, lid 4, eerste gedachtestreepje, van richtlijn 91/689 geeft een definitie van gevaarlijke afvalstoffen.(14)
27 Artikel 4, leden 1 en 2, van richtlijn 91/689 preciseert, dat de artikelen 13 en 14 van richtlijn 91/156 betreffende de controle en het bijhouden van een register ook van toepassing zijn op producenten van gevaarlijke afvalstoffen. Artikel 4, lid 2, van richtlijn 91/689 voegt daaraan toe, dat artikel 14 van richtlijn 91/156 eveneens geldt voor producenten van gevaarlijke afvalstoffen en voor alle bedrijven en ondernemingen die gevaarlijke afvalstoffen vervoeren.
28 Artikel 5 van richtlijn 91/689 is een specifieke bepaling ten opzichte van de algemene bepalingen betreffende afvalstoffen en bepaalt, dat de lidstaten de nodige maatregelen moeten nemen om te verzekeren dat de afvalstoffen bij inzameling, vervoer en tijdelijke opslag deugdelijk zijn verpakt en overeenkomstig de geldende internationale en communautaire normen zijn gekenmerkt (lid 1). Bovendien moeten de op grond van artikel 13 van 91/156 verrichte controles op inzameling en vervoer, wat gevaarlijke afvalstoffen betreft, meer in het bijzonder betrekking hebben op de oorsprong en de bestemming van de gevaarlijke afvalstoffen (lid 2).
29 Richtlijn 91/689 verlangt dat de bevoegde instanties, overeenkomstig artikel 7 van richtlijn 91/156, in het kader van hun algemene planning voor het beheer van afvalstoffen of los daarvan, plannen opstellen voor het beheer van gevaarlijke afvalstoffen en die plannen openbaar maken (artikel 6, lid 1, van richtlijn 91/689). De Commissie onderwerpt deze plannen en met name de methoden voor verwijdering en nuttige toepassing daarin aan een vergelijkende evaluatie en stelt deze informatie ter beschikking van de bevoegde instanties van de lidstaten die daarom verzoeken (artikel 6, lid 2, van richtlijn 91/689).
De relevante nationale wettelijke regeling
30 De Italiaanse wetgever heeft de richtlijnen 91/156, 91/689 en 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende verpakkingen en afval van verpakkingen(15) op 5 februari 1997 omgezet bij besluitwet nr. 22/97 houdende uitvoering van de richtlijnen(16), zoals gewijzigd bij besluitwet nr. 389 van 9 november 1997.(17)
31 Artikel 6, sub l, van besluitwet nr. 22/97, zoals gewijzigd, bepaalt dat onder opslag ("stoccaggio") moet worden verstaan, "verwijderingshandelingen bestaande in voorafgaande opslag zoals bedoeld in bijlage B, punt D 15, alsmede handelingen waardoor nuttige toepassing mogelijk wordt bestaande in de opslag van de in bijlage C, punt R 13, bedoelde materialen".
32 De punten D 15 van bijlage B en R 13 van bijlage C vormen een volledige weergave van, respectievelijk, de bijlagen II A en II B van richtlijn 91/156 in de versie vóór de herziening bij beschikking 96/350.(18)
33 Artikel 6, sub m, van besluitwet nr. 22/97, zoals gewijzigd, omschrijft "tijdelijke opslag" als:
"het bijeenbrengen van afvalstoffen, voorafgaande aan inzameling, op de plaats van productie, onder de volgende voorwaarden:
1. de opgeslagen afvalstoffen mogen geen polychloordibenzodioxine, polychloordibenzofuranen, polychloordibenzofenylen in grotere hoeveelheden dan 2,5 ppm en geen polychloorbifenylen of polychloorterfenylen in grotere hoeveelheden dan 25 ppm bevatten;
2. de gevaarlijke afvalstoffen moeten, ongeacht de opgeslagen hoeveelheden, ten minste om de twee maanden worden ingezameld en onderworpen aan bewerkingen voor terugwinning of verwijdering, en voorts ook wanneer de hoeveelheid opgeslagen gevaarlijke afvalstoffen 10 m3 bedraagt; de maximumduur van de voorlopige opslag bedraagt een jaar indien de hoeveelheid gedurende het jaar niet groter is dan 10 m3, of, ongeacht de hoeveelheid, indien de voorlopige opslag plaatsvindt in installaties op kleine eilanden ($isole minori');
3. de niet-gevaarlijke afvalstoffen moeten, ongeacht de opgeslagen hoeveelheden, tenminste om de drie maanden worden ingezameld en onderworpen aan bewerkingen voor terugwinning of verwijdering, en voorts ook wanneer de hoeveelheid opgeslagen niet-gevaarlijke afvalstoffen 20 m3 bedraagt; de maximumduur van de voorlopige opslag bedraagt een jaar indien de hoeveelheid opgeslagen afvalstoffen gedurende het jaar niet groter is dan 20 m3, of, ongeacht de hoeveelheid, indien de voorlopige opslag plaatsvindt in installaties op kleine eilanden ($isole minori');
4. de voorlopige opslag dient plaats te vinden per soort product en met inachtneming van de bijbehorende technische normen en, wat de gevaarlijke afvalstoffen betreft, met inachtneming van de regels inzake de opslag van gevaarlijke substanties die zij bevatten;
5. de regels inzake verpakking en etikettering van de gevaarlijke afvalstoffen moeten in acht worden genomen."
34 Artikel 28 van besluitwet nr. 22/97, zoals gewijzigd, dat deel uitmaakt van hoofdstuk VI betreffende vergunningen en inschrijvingen, bepaalt onder meer, dat "de verwijdering en nuttige toepassing van afvalstoffen door de bevoegde Regione op territoriaal niveau wordt toegestaan binnen drie maanden na de indiening van het verzoek door de betrokkene".
35 De in artikel 28 bedoelde vergunningsregeling geldt echter niet voor "tijdelijke opslag". Artikel 28, lid 5, van de besluitwet preciseert namelijk:
"met uitzondering van de verplichting inzake het bijhouden van een register van inkomende en uitgaande producten door personen bedoeld in artikel 12, en het verbod om stoffen te vermengen, gelden de bepalingen van het onderhavige artikel niet voor de voorlopige opslag onder de voorwaarden van artikel 6, lid 1, sub m".
36 De niet-inachtneming van de bepalingen van artikel 28 is strafbaar gesteld in artikel 51 van besluitwet nr. 22/97, zoals gewijzigd.
De feiten en het procesverloop
37 Lirussi en Bizzaro zijn in de Regione Udine (Italië) bedrijfsleider van een garagebedrijf respectievelijk wasserij. Beiden kregen van de Assessore Regionale all'Ambiente (regionale milieudienst) vergunning voor de voorlopige opslag van toxische en gevaarlijke afvalstoffen die door hun ondernemingsactiviteit ontstonden: voor Lirussi loodhoudende batterijen en voor Bizzaro door de distillatie van een machine voor chemische reiniging geproduceerd slib.
38 De vergunning van Lirussi werd verleend voor een duur van vijf jaar te rekenen vanaf 1 april 1992, en voor een maximumhoeveelheid afvalstoffen van 0,1 ton. De vergunning liep op 1 april 1997 af, aangezien de betrokkene, met de verklaring dat de opslag binnenkort zou worden beëindigd, om de intrekking ervan had verzocht, daar de onderneming zou worden verhuurd. Bij controles in het garagebedrijf van Lirussi op 8 april en 21 mei 1997 bleek, dat na de datum van afloop van de vergunning nog 160 kg gebruikte loodhoudende batterijen op het terrein van de onderneming waren opgeslagen.
39 Op grond van de op 9 augustus 1994 aan Bizzaro verleende vergunning mocht deze een maximumhoeveelheid van 50 kg afvalstoffen opslaan. Bij controles in haar wasserij bleek, in de eerste plaats, dat op 6 juni 1994, dat wil zeggen ongeveer twee maanden vóór afgifte van de vergunning, met de voorlopige opslag was begonnen en, in de tweede plaats, dat zij meer afvalstoffen had opgeslagen dan was toegestaan.
40 In de daarop volgende strafprocedures merkte het openbaar ministerie op, dat de ongeoorloofde opslag in beide gevallen als "voorlopige opslag" in de zin van de Italiaanse wettelijke regeling kon worden aangemerkt, aangezien de voor dit soort opslag geldende termijnen en maximumhoeveelheden niet waren overschreden. Het openbaar ministerie was van mening, dat die handelingen volgens de Italiaanse wettelijke regeling vergunningsplichtig noch strafbaar waren. Daar het echter twijfels had, of de Italiaanse wettelijke regeling in overeenstemming was met de bepalingen van het gemeenschapsrecht - en het dus wilde nagaan, of de communautaire en nationale begrippen "tijdelijke opslag" overeenstemden - heeft het de Giudice per le Indagini Preliminari verzocht, het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) een prejudiciële vraag voor te leggen. Die rechterlijke instantie heeft het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
"1) Wat is in voorkomend geval het verschil tussen voorlopige opslag en voorafgaande opslag van afvalstoffen (of materialen) binnen de productie-eenheid, en aan de hand van welke criteria moet in concreto onderscheid worden gemaakt tussen beide vormen van opslag van afvalstoffen?
2) Valt voorlopige opslag buiten het begrip $beheer' van afvalstoffen als bedoeld in artikel 1, sub d, van richtlijn 91/156/EEG, met alle daarmee samenhangende verplichtingen, daaronder begrepen de kennisgeving van die activiteit aan de bevoegde toezichthoudende instanties?
3) Is de voorlopige opslag onderworpen aan toezicht en, zo ja, aan welk soort maatregelen? Gelden in dit verband de beginselen van artikel 4, eerste en tweede alinea, van richtlijn 91/156/EEG, en volgens welke modaliteiten?"
41 In zaak C-175/98 luidt de vierde prejudiciële vraag als volgt:
"4) Vormt het aan de verdachte ten laste gelegde feit, namelijk de opslag, gedurende meer dan één maand, van 160 kg loodhoudende batterijen zonder kennisgeving aan de bevoegde toezichthoudende instanties, voorlopige opslag in de zin van de richtlijn?"
42 In zaak C-177/98 luidt de vierde prejudiciële vraag:
"4) Vormt het aan de verdachte ten laste gelegde feit, namelijk de opslag, gedurende meer dan twee maanden, van 87,5 kg slib dat halogeenhoudende oplosmiddelen bevat, voorlopige opslag in de zin van de richtlijn?"
Het antwoord op de prejudiciële vragen.
43 Met zijn eerste en met een deel van zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen, hoe het begrip "tijdelijke opslag" moet worden gedefinieerd. Het Hof wordt in het bijzonder gevraagd, op grond van welke criteria de begrippen "voorafgaande opslag" en "tijdelijke opslag" van elkaar moeten worden onderscheiden. Voorts dient het Hof zich uit te spreken over de vraag, of het betrokken begrip iets van doen heeft met het begrip "beheer" in artikel 1, sub d, van richtlijn 91/156. Met zijn tweede en derde vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen, welke regeling van toepassing is op tijdelijke opslag. Met de vierde vragen die in de zaken C-175/98 en C-177/98 zijn gesteld wenst hij ten slotte een antwoord op de vraag, of de bepalingen van de richtlijnen waarvan uitlegging wordt gevraagd van toepassing zijn op de bij hem dienende strafzaken.
De eerste vraag en een deel van de tweede vraag
44 Alle bij het geding betrokken partijen zijn van mening, dat richtlijn 91/156 de inhoud van het begrip "tijdelijke opslag" weliswaar niet voldoende duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk omschrijft, doch dat zij wel de elementen bevat die voor de definitie van dat begrip kunnen worden gebruikt.
45 Een aantal aanwijzingen kan immers worden afgeleid uit onderzoek van de bijlagen II A en II B (punten D 15 en R 13), in de versie voortvloeiende uit de herziening die tot stand is gebracht bij beschikking 96/350, de in casu relevante tekst. Zoals reeds gezegd, worden in die bijlagen bijzondere verwijderingshandelingen en handelingen voor nuttige toepassing van afvalstoffen genoemd en bepalen zij in het bijzonder, dat:
"NB: In deze bijlage wordt een overzicht gegeven van verwijderingshandelingen (bijlage II A) zoals die in de praktijk plaatsvinden.
(...)
D 15 Opslag in afwachting van een van de onder D 1 tot en met D 14 vermelde behandelingen (met uitsluiting van voorlopige opslag voorafgaande aan inzameling op de plaats van productie) [bijlage II A]
R 13 Opslag van afvalstoffen bestemd voor een van de onder R 1 tot en met R 12 genoemde behandelingen (met uitsluiting van voorlopige opslag voorafgaande aan inzameling op de plaats van productie) [bijlage II B]".
46 Door te bepalen, dat handelingen voor nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen voorafgaande opslag, met uitsluiting van voorlopige opslag, omvatten, geven de bijlagen II A, punt D 15, en II B, punt R 13, immers nauwkeurig aan, dat voorlopige opslag verschilt van voorafgaande opslag en dat laatstgenoemde opslag een handeling voor nuttige toepassing of verwijdering is, en wel in tegenstelling tot voorlopige opslag, die daarvan formeel is uitgesloten.
47 De bijlagen II A en II B bepalen voorts, dat voorlopige opslag plaatsvindt voorafgaande aan inzameling, die volgens de bewoordingen van artikel 1, sub d, van richtlijn 91/156 de eerste handeling op het gebied van het beheer van afvalstoffen is.
48 Uit deze aanwijzingen moet worden afgeleid, dat de voorlopige opslag voorafgaat aan een beheershandeling en, met name, aan de inzameling en de handeling voorafgaande aan een van de handelingen voor nuttige toepassing of verwijdering genoemd in de punten D 1 tot en met D 15 en R 1 tot en met R 12.
49 Ten slotte vermelden de bijlagen II A, punt D 15, en II B, punt R 13, uitdrukkelijk, dat de voorlopige opslag plaatsvindt "vóór de inzameling, op de plaats van productie"(19), een aanwijzing waardoor dit begrip qua tijd en plaats kan worden gesitueerd.
50 Met de keuze van het bijvoeglijk naamwoord "voorlopige" heeft de gemeenschapswetgever willen preciseren, dat voorlopige opslag als de opslag van afvalstoffen voor een bepaalde tijd moet worden aangemerkt. Met het bijwoord "voor" wordt de beëindiging van de handeling aangegeven. De inzameling van afvalstoffen, dat wil zeggen het ophalen, sorteren en/of samenvoegen van afvalstoffen teneinde deze te vervoeren (artikel 1, sub g) geeft dus het einde van de voorlopige opslag aan.
51 Door de combinatie van deze gegevens betreffende tijd en plaats, op de plaats van productie, kan niet alleen het begin en het eind van de voorlopige opslag worden aangegeven, maar kan eveneens de aard van die afvalstoffen worden bepaald en worden vastgesteld, wie het recht heeft om die stoffen voorlopig op te slaan.
52 De bijlagen II A, punt D 15, en II B, punt R 13, preciseren, dat de voorlopige opslag plaatsvindt op de plaats van productie of op een plaats waar afvalstoffen worden geproduceerd. Richtlijn 91/156 bevat geen definitie van het begrip "productie". Voor de definitie van dit begrip moet aanknoping worden gezocht bij het begrip "producent" zoals omschreven in artikel 1, sub b, volgens hetwelk, zoals reeds gezegd, onder producent moet worden verstaan, "elke persoon wiens activiteit afvalstoffen heeft voortgebracht ($eerste producent') en/of elke persoon die voorbehandelingen, vermengingen of andere bewerkingen heeft verricht die leiden tot wijziging in de aard of de samenstelling van die afvalstoffen".(20) Hieruit moet dus worden afgeleid, dat voorlopige opslag van afvalstoffen verband houdt met de activiteit van een producent in de zin van artikel 1, sub b, van richtlijn 91/156.
53 Uit het voorgaande volgt, in de eerste plaats, dat de afvalstoffen die voorlopig worden opgeslagen de afvalstoffen zijn, ontstaan door de oorspronkelijke activiteit van een producent of ontstaan door voorbehandelingen, vermengingen of andere bewerkingen die leiden tot wijziging in de aard of de samenstelling van de afvalstoffen en, in de tweede plaats, dat de voorlopige opslag een handeling is volgende op de productie van afvalstoffen, die daarom direct na de productie van afvalstoffen begint en, zoals gezien, wordt beëindigd met de inzameling ervan. Ten slotte is degene die gerechtigd is de afvalstoffen voorlopig op te slaan hetzij de oorspronkelijke producent hetzij degene die handelingen voor nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen verricht.
54 Dit standpunt wordt nu juist bevestigd door het feit, dat de voorlopige opslag vooraf moet gaan aan een beheershandeling.(21) Aan dit vereiste kunnen immers alleen afvalstoffen voldoen die rechtstreeks en onmiddellijk door de productie zijn ontstaan, dat wil zeggen "onbewerkt" in de zin dat zij in afwachting zijn van sortering, ophaling en samenvoeging.
55 Kortom, voorlopige opslag moet worden gedefinieerd als de handeling voorafgaande aan en verschillend van een beheershandeling van afvalstoffen in de zin van artikel 1, sub d, van richtlijn 91/156, die:
- in tijd vóór de voorafgaande opslag en inzameling ligt;
- onmiddellijk volgt op de productie van de afvalstoffen, en
- plaatsvindt op de plaats van productie van de afvalstoffen. Voorts heeft voorlopige opslag alleen betrekking op afvalstoffen ontstaan door de eerste activiteit van een producent of door voorbehandelingen, vermengingen of andere bewerkingen die leiden tot wijziging in de aard of de samenstelling van die afvalstoffen. Slechts de eerste producenten van afvalstoffen of zij die handelingen voor verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen verrichten, kunnen die afvalstoffen voorlopig opslaan.
De tweede en de derde vraag
56 Met deze gezamenlijk te onderzoeken vragen wenst de verwijzende rechter te vernemen, welke regeling van toepassing is op voorlopige opslag. Hij wil precies weten, of verdachten in het hoofdgeding, alvorens de door hun werkzaamheden ontstane afvalstoffen voorlopig op te slaan, bijzondere verplichtingen of beginselen in acht moeten nemen. Hij vraagt het Hof derhalve, of de bevoegde nationale autoriteiten dit soort handelingen moeten controleren en daarop toezicht moeten houden en ervoor moeten zorgen, dat de beginselen van artikel 4 van richtlijn 91/156 worden geëerbiedigd.
57 Uit de richtlijnen 91/156 en 91/689 volgt, dat de regeling voor afvalstoffen verschilt naargelang de werkzaamheid van de personen die de afvalstoffen houden en de aard van die afvalstoffen.
a) De in de richtlijnen 91/156 en 91/689 vastgestelde verplichtingen
58 Richtlijn 91/156 bevat verschillende verplichtingen naargelang de personen die de afvalstoffen houden producenten van afvalstoffen(22) zijn, dan wel ondernemingen of inrichtingen die handelingen voor verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen verrichten die specifiek worden genoemd in de bijlagen II A en II B van richtlijn 91/156(23) of ondernemingen en instellingen die beroepsmatig afvalstoffen inzamelen of vervoeren dan wel ten behoeve van anderen regelingen treffen voor de verwijdering of de nuttige toepassing van die afvalstoffen (handelaars of makelaars).(24)
59 Gezien de door de verwijzende rechter verstrekte feitelijke gegevens lijkt mij, dat verdachten in het hoofdgeding producenten van afvalstoffen zijn die de op de plaats van productie door hun werkzaamheid ontstane afvalstoffen noch nuttig toepassen noch verwijderen. Voor die personen bevat richtlijn 91/156 geen enkele bijzondere verplichting. In artikel 14, eerste alinea, tweede streepje, wordt echter bepaald, dat de lidstaten facultatief van die personen kunnen verlangen, dat zij het in artikel 14, eerste alinea, eerste streepje, bedoelde register bijhouden en dat zij hen kunnen verplichten, de daarin opgenomen gegevens aan de bevoegde autoriteiten in de zin van artikel 6 van richtlijn 91/156 te verstrekken.
60 Het staat in elk geval aan de verwijzende rechter om de feiten te beoordelen, te bepalen welk soort activiteiten verdachten in het hoofdgeding uitoefenen en na te gaan, of aan de verplichtingen van de communautaire regelingen is voldaan. Indien blijkt, dat zij daadwerkelijk producent van niet-gevaarlijke afvalstoffen zijn die de door hun werkzaamheid ontstane afvalstoffen op de plaats van productie noch nuttig toepassen noch verwijderen, moet op de vraag van de verwijzende rechter worden geantwoord, dat die producenten slechts facultatief en na een beslissing van de lidstaten kunnen worden verplicht het in artikel 14 van richtlijn 91/156 bedoelde register bij te houden en dit te overhandigen aan de daartoe bevoegde autoriteiten.
61 Wanneer het om gevaarlijke afvalstoffen gaat heeft de gemeenschapswetgever echter in een specifieke en strengere regeling voorzien.
62 In de zin van richtlijn 91/689 wordt onder "gevaarlijke afvalstoffen" verstaan, de afvalstoffen genoemd op een lijst die is vastgesteld overeenkomstig artikel 18 van de richtlijn "afvalstoffen" en op basis van de bijlagen I en II bij de richtlijn "gevaarlijke afvalstoffen". De bijlagen I.A en I.B vormen bijlage I. Bijlage I.B omvat de "Afvalstoffen die een of meer van de in bijlage II opgesomde bestanddelen bevatten of een of meer van de in bijlage III vermelde eigenschappen bezitten en die bestaan uit: 19. zeep, vetten, was van dierlijke of plantaardige oorsprong (...) 37. accu's en batterijen (...)". In bijlage II zijn opgenomen, "bestanddelen waardoor de afvalstoffen van bijlage I.B gevaarlijk zijn indien zij in bijlage II genoemde eigenschappen bezitten". Op die lijst komen onder meer voor, onder de punten C18: lood, loodverbindingen; C29 Chloraten; C40 Gehalogeneerde oplosmiddelen, of C41 Niet gehalogeneerde organische oplosmiddelen. Diezelfde bepaling preciseert, dat gevaarlijke afvalstoffen één of meer van de in bijlage III genoemde kenmerken moeten hebben (bijvoorbeeld irriterend, schadelijk, kankerverwekkend, corrosief, infectueus, teratrogeen, mutageen ...). Deze niet-uitputtende lijst houdt rekening met de oorsprong en de samenstelling van de afvalstoffen en, eventueel, met de grenzen van de concentratiewaarden. De lijst wordt regelmatig opnieuw onderzocht en zo nodig volgens dezelfde procedure herzien.
Volgens artikel 1, lid 4, tweede streepje, van richtlijn 91/689 moet eveneens als gevaarlijk worden aangemerkt, alle andere afvalstoffen die naar het oordeel van een lidstaat een of meer van de in bijlage III vermelde eigenschappen bezitten. Dergelijke gevallen worden bekendgemaakt aan de Commissie en overeenkomstig de procedure van artikel 18 van de richtlijn "afvalstoffen", met het oog op aanpassing van de lijst, aan een hernieuwd onderzoek onderworpen.
63 Op grond van de door de verwijzende rechter verstrekte feitelijke gegevens lijkt het erop, dat verdachten in het hoofdgeding gevaarlijke afvalstoffen produceren. Hij geeft immers aan, dat de door Lirussi en Bizzaro geproduceerde afvalstoffen toxische en gevaarlijke afvalstoffen zijn die in loodhoudende batterijen en in door de distillatie van een machine voor chemische reiniging geproduceerd slib bestaan.(25) In elk geval staat het eveneens aan de verwijzende rechter om het gevaarlijke karakter van de geproduceerde afvalstoffen te bepalen, daarbij rekening houdend met de criteria die de communautaire bepalingen speciaal daartoe hebben gegeven.
64 Mocht de verwijzende rechter van oordeel zijn, dat verdachten in het hoofdgeding producenten van afvalstoffen zijn die de door hun werkzaamheden ontstane afvalstoffen niet zelf verwijderen of nuttig toepassen, dan moet ervoor worden gezorgd, dat aan de verplichtingen van de richtlijn "gevaarlijke afvalstoffen" is voldaan.
65 In de eerste plaats moeten producenten van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 4, leden 1 en 2, van richtlijn 91/689 worden onderworpen aan de verplichtingen van de artikelen 13 en 14 van richtlijn 91/156, te weten de verplichting tot het uitvoeren van periodieke controles en het houden van toezicht alsmede het bijhouden van een register met alle adequate informatie en het verstrekken van de gegevens uit dat register aan de daartoe bevoegde autoriteiten.
66 In de tweede plaats moeten de lidstaten de nodige maatregelen nemen om te verzekeren dat de afvalstoffen bij inzameling, vervoer en tijdelijke opslag deugdelijk zijn verpakt en overeenkomstig de geldende internationale en communautaire normen zijn gekenmerkt (artikel 5 van richtlijn 91/689).
b) De in richtlijn 91/156 vastgestelde beginselen
67 Ten slotte vraagt de verwijzende rechter het Hof, of verdachten in het hoofdgeding in het kader van hun activiteiten, en met name bij de tijdelijke opslag van de door hen geproduceerde afvalstoffen, onderworpen zijn aan de beginselen van artikel 4 van richtlijn 91/156.
68 In artikel 4, eerste alinea, van richtlijn 91/156 is het voorzorgsbeginsel neergelegd, dat wordt genoemd in artikel 130 R, lid 2, eerste alinea, tweede volzin, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 174, lid 2, eerste alinea, tweede volzin, EG). Met dit beginsel wordt de Gemeenschap en de lidstaten aangeraden, van meet af aan het ontstaan van verontreinigingen en schadelijke stoffen te voorkomen door maatregelen te treffen die een bekend risico wegnemen.(26) Het werk van de nationale of de gemeenschapswetgever bestaat er dus in, de technische vooruitgang te plannen en daaraan richting te geven teneinde het milieu te beschermen en de levenskwaliteit te verbeteren. Meestal bestaan die voorzorgsmaatregelen in acties om instrumenten te ontwikkelen voor de beoordeling van de risico's(27), het toezicht op het ecologische milieu, de uitwerking en aanpassing van technische normen, de controle op en de bestraffing van verontreinigende werkzaamheden en informatieve en educatieve maatregelen.
69 Artikel 4, eerste alinea, van richtlijn 91/156 verplicht de lidstaten immers, de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de nuttige toepassing of de verwijdering van de afvalstoffen plaatsvindt zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder nadelige gevolgen voor het milieu, dat wil zeggen zodanig dat vervuiling wordt voorkomen.
70 De lidstaten dienen er in het bijzonder voor te zorgen, dat bij de verschillende verplichte behandelingswijzen van afvalstoffen met het oog op de verwijdering of de nuttige toepassing ervan geen schade wordt toegebracht aan het water, de lucht, de bodem, de mens, de flora of fauna, de natuur en het landschapsschoon. Hiervoor volstaat het bijvoorbeeld niet, te bepalen dat toxische gevaarlijke afvalstoffen die schadelijk zijn voor het water en de lucht worden opgeslagen in tanks die niet in contact staan met de bodem. Men dient eveneens na te gaan, of met dit middel toxische en gevaarlijke uitstoot voor de ozonlaag wordt vermeden. Het is evenmin in overeenstemming met de vereisten van de richtlijn, toe te staan dat niet-gevaarlijke afvalstoffen in groten getale en op onesthetische wijze worden opgeslagen (bijvoorbeeld afvalstoffen die voor het ophalen en sorteren worden gedeponeerd in een grote vuilniswagen met een opzichtige, de aandacht trekkende kleur of afvalstoffen die op een grote hoop worden opgeslagen dichtbij een plek die een bijzonder belang heeft, zoals een kathedraal, een kasteel...).
71 Met betrekking tot schade heeft de gemeenschapswetgever gepreciseerd, dat hieronder niet alleen schade voor de gezondheid van de mens moet worden verstaan, maar eveneens aan het landschap, aan gebieden die van bijzonder belang zijn alsmede hinder veroorzaakt door geluiden of geuren.
72 Het gaat er dus om, preventieve maatregelen te treffen waardoor vervuiling in ruime zin kan worden voorkomen, dat wil zeggen maatregelen waardoor niet alleen schade voor de gezondheid van de mens kan worden voorkomen, maar eveneens voor het leefgebied van de mens.
73 Het spreekt vanzelf, dat gevaarlijke afvalstoffen ook bij voorlopige opslag aanzienlijke en zelfs onherstelbare schade voor het milieu kunnen veroorzaken. Dit is het geval, indien een naast een rivier of kinderspeelplaats gelegen garagebedrijf dat als afval loodhoudende batterijen "produceert", geen enkele veiligheids- of voorzorgsmaatregel heeft getroffen om te voorkomen dat het lood in de bodem of het water terechtkomt. Geconcludeerd moet dus worden, dat het voorzorgsbeginsel eveneens voor voorlopige opslag geldt.
74 In de artikelen 4, tweede alinea, en 8 van richtlijn 91/156 worden voorts de maatregelen genoemd die de lidstaten moeten treffen om aan het voorzorgsbeginsel te voldoen. Zij dienen, respectievelijk, te verbieden dat afvalstoffen worden achtergelaten, ongecontroleerd worden geloosd of verwijderd (maatregelen om te vermijden dat zich onbeheerd afval vormt) dan wel ervoor te zorgen dat iedere houder van afvalstoffen, en met name de producent(28), deze afgeeft aan een particuliere of openbare ophaler of een onderneming die de in bijlage II A of II B bedoelde handelingen verricht, of zelf zorg draagt voor de nuttige toepassing of de verwijdering van de afvalstoffen in overeenstemming met de bepalingen van de richtlijn, en met name met artikel 4 ervan. Er is niets bepaald over de middelen om tot dit doel te komen, en deze worden dus aan de lidstaten overgelaten.
75 De meest gebruikte en efficiëntste instrumenten zijn de controle en het bewaken van plaatsen waar afvalstoffen worden geproduceerd en het beheer van de aldaar geproduceerde afvalstoffen. Om dit goed te laten verlopen moet met name worden nagegaan, of de voorlopige opslag niet langer duurt dan noodzakelijk is en of de voorlopig opgeslagen afvalstoffen geen schade voor het milieu meebrengen. Deze instrumenten hebben als voordeel, dat zij het evenredigheidsbeginsel eerbiedigen, waaraan zowel het communautaire als het milieubeleid van de lidstaten onderworpen is.(29)
76 Met andere woorden, mijns inziens verplicht artikel 4 van richtlijn 91/156 de lidstaten om het voorzorgsbeginsel te eerbiedigen, door de nodige voorzorgsmaatregelen te treffen om ervoor te zorgen, dat de afvalstoffen nuttig worden toegepast dan wel worden verwijderd. Ik acht deze verplichting als zodanig onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig. Deze bepaling geeft echter niet aan waarin die maatregelen moeten bestaan en het staat daarom aan de lidstaten, ze te omschrijven.(30) Ik ben van mening, dat deze redenering niet wordt weersproken door het arrest van 23 februari 1994, Comitato di coordinamento per la difesa della cava e.a..(31) Volgens mij beantwoordt dit arrest slechts de vraag, of de verplichtingen van artikel 4 voldoende duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk zijn ten aanzien van de inhoud van de maatregelen die de lidstaten moeten treffen om ervoor te zorgen dat het voorzorgsbeginsel wordt geëerbiedigd. Evenals het Hof ben ik van mening, dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord.
77 Uit het voorgaande volgt, dat het voorzorgsbeginsel van artikel 4 van richtlijn 91/156 dus eveneens geldt voor het begrip voorlopige opslag en dat de lidstaten, die het best weten welke plaatsen bescherming behoeven, volgens de door hen gewenste modaliteiten de maatregelen moeten voorzien die voor de eerbiediging van dit beginsel nodig zijn.
78 Uit de voorgaande overwegingen volgt, dat de voor afvalstoffen toepasselijke regeling niet afhangt van de wijze waarop zij worden opgeslagen, maar van de werkzaamheid van de personen die betrokken zijn bij het beheer van die afvalstoffen enerzijds, en van het soort afvalstof anderzijds. Het staat aan de verwijzende rechter om aan te geven welke activiteit de verdachten in de hoofdgedingen uitoefenen en welk soort afvalstof door hun activiteit ontstaat. Indien blijkt dat zij gevaarlijke afvalstoffen produceren moet de verwijzende rechter overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van richtlijn 91/689 nagaan, of die activiteiten, enerzijds, onderworpen zijn aan de verplichtingen van de artikelen 13 en 14 van richtlijn 91/156, namelijk het verrichten van periodieke controles, het bijhouden van een register met de voorgeschreven informatie dat op verzoek aan de in artikel 6 bedoelde bevoegde instanties wordt verstrekt, en, anderzijds, of die gevaarlijke afvalstoffen bij hun inzameling, vervoer en voorlopige opslag overeenkomstig de geldende internationale en communautaire voorschriften worden verpakt en gekenmerkt. In elk geval zijn alle in richtlijn 91/156 genoemde handelingen (voorlopige en voorafgaande opslag, beheershandelingen in de zin van artikel 1, sub d, van richtlijn 91/156) onderworpen aan de eerbiediging van het voorzorgsbeginsel zoals geformuleerd in artikel 4 van richtlijn 91/156 en aan de eveneens in die bepaling en in artikel 8 van richtlijn 91/156 genoemde doelstellingen. Het staat aan de lidstaten om te bepalen welke maatregelen geschikt zijn om dit in artikel 4, eerste alinea, van richtlijn 91/156 genoemde beginsel ten uitvoer te leggen en de doelstelling genoemd in de artikelen 4, tweede alinea, en 8 van de richtlijn te verwezenlijken.
De vierde vragen in de zaken C-175/98 en C-177/98
79 De verwijzende rechter vraagt het Hof, of de aan de verdachten in het hoofdgeding ten laste gelegde feiten een voorlopige opslag in de zin van de richtlijn "afvalstoffen" vormen. Hiermee wordt het Hof concreet gevraagd, of de communautaire bepalingen waarvan uitlegging is gevraagd van toepassing zijn op de bij de verwijzende rechter dienende strafzaken.
80 Het is vaste rechtspraak dat het Hof ingevolge artikel 177 van het Verdrag, dat op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof berust(32), geen kennis mag nemen van de feiten van de zaak, noch zich mag uitspreken over de overwegingen welke tot het verzoek om uitlegging hebben geleid noch de door hem uitgelegde communautaire regels mag toepassen op nationale maatregels of situaties, aangezien die vragen tot de uitsluitende bevoegdheid van de nationale rechter behoren.(33)
81 Derhalve stel ik voor, die vragen niet-ontvankelijk te verklaren.
Conclusie
82 Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging, de vragen van de Pretura circondariale di Udine (Ufficio del Giudice per le Indagini Preliminari) te beantwoorden als volgt:
"1) Voorlopige opslag moet worden gedefinieerd als de voorafgaande handeling die niets van doen heeft met een van de handelingen op het gebied van het beheer van afvalstoffen in de zin van artikel 1, sub d, van richtlijn 91/156/EEG van de Raad van 18 maart 1991 tot wijziging van richtlijn 75/442/EEG betreffende afvalstoffen, en die:
- aan de voorafgaande opslag en inzameling voorafgaat;
- onmiddellijk volgt op de productie van afvalstoffen;
- plaatsvindt op de plek waar de afvalstoffen worden geproduceerd;
- alleen betrekking heeft op afvalstoffen welke zijn ontstaan door de eerste activiteit van een producent of zijn ontstaan door voorbehandelingen, vermengingen of andere bewerkingen die leiden tot wijziging in de aard of de samenstelling van de afvalstoffen, en
- alleen kan worden verricht door de eerste producent van afvalstoffen of door hen die zich bezighouden met de verwijdering of de nuttige toepassing van afvalstoffen.
2) De voor afvalstoffen in de zin van richtlijn 91/156 geldende regeling hangt niet af van het soort opslag, maar van de activiteit van de personen die de afvalstoffen houden enerzijds, en van de aard van de afvalstoffen anderzijds. De nationale bevoegde rechter dient te bepalen welke activiteit de betrokkenen in de hoofdgedingen uitoefenen en welk soort afvalstoffen zij door hun werkzaamheid produceren. Indien blijkt dat zij als producent van gevaarlijke afvalstoffen moeten worden aangemerkt, dient de verwijzende rechter overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van richtlijn 91/689/EEG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen na te gaan, of:
- de werkzaamheden van die producenten overeenkomstig de artikelen 13 en 14 van richtlijn 91/156 onderworpen zijn aan:
- de verplichting tot periodieke controle en toezicht door de bevoegde autoriteiten in de zin van artikel 6 van de richtlijn;
- de verplichting tot het bijhouden van het register en het verstrekken van de daarin op te nemen informatie aan de bevoegde autoriteiten in de zin van artikel 6 van de richtlijn;
- de gevaarlijke afvalstoffen bij hun inzameling, vervoer en tijdelijke opslag naar behoren zijn verpakt en gekenmerkt overeenkomstig de geldende internationale en communautaire normen.
In elk geval moeten bij alle in richtlijn 91/156 genoemde handelingen (voorlopige en voorafgaande opslag, beheershandelingen in de zin van artikel 1, sub d, van richtlijn 91/156) het voorzorgsbeginsel zoals geformuleerd in artikel 4, eerste alinea, van richtlijn 91/156 alsook de in die bepaling en in artikel 8 van richtlijn 91/156 genoemde doelstellingen worden geëerbiedigd. Het staat aan de lidstaten om te bepalen welke maatregelen geschikt zijn om dit beginsel en die doelstellingen te verwezenlijken."
(1) - PB L 78, blz. 32.
(2) - Richtlijn van de Raad van 15 juli 1975 (PB L 194, blz. 39).
(3) - PB L 377, blz. 20.
(4) - Eerste en vierde overweging van de considerans.
(5) - Vierde overweging van de considerans.
(6) - Zesde overweging van de considerans.
(7) - Achtste overweging van de considerans.
(8) - Tiende overweging van de considerans.
(9) - Beschikking houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a, van richtlijn 75/442/EEG van de Raad betreffende afvalstoffen (PB 1994, L 5, blz. 15).
(10) - PB L 135, blz. 32.
(11) - Cursivering van mij.
(12) - Arresten van 25 juni 1997, Tombesi e.a. (C-304/94, C-330/94, C-342/94 en C-224/95, Jurispr. blz. I-3561), en 18 december 1997, Inter-Environnement Wallonie (C-129/96, Jurispr. blz. I-7411).
(13) - Zie richtlijn 94/31/EG van de Raad van 27 juni 1994 tot wijziging van richtlijn 91/689 (PB L 168, blz. 28).
(14) - Zie punt 62 van deze conclusie.
(15) - PB L 365, blz. 10.
(16) - GURI, supplemento ordinario nr. 37 van 15 februari 1997; hierna: "besluitwet nr. 22/97".
(17) - GURI nr. 261 van 8 november 1997; zie gecoördineerde tekst in GURI, supplemento ordinario nr. 278 van 28 november 1997.
(18) - Zie punt 19 van deze conclusie.
(19) - Cursivering van mij.
(20) - Ibidem.
(21) - Zie punt 45-47 van deze conclusie.
(22) - Artikelen 11, leden 1 en 2, 13 en 14, tweede alinea, van richtlijn 91/156.
(23) - Artikelen 9, lid 1, 10, 14, eerste alinea, eerste en tweede streepje, en 13 van richtlijn 91/156.
(24) - Artikelen 12 en 13 van richtlijn 91/156.
(25) - Zie eveneens de bewoordingen van de vierde vraag die de verwijzende rechter in de beide zaken heeft gesteld en waarin wordt gesproken van loodhoudende batterijen en halogeenhoudende oplosmiddelen, gevaarlijke afvalstoffen in de zin van artikel 1 van richtlijn 91/689.
(26) - Zie, met name, de definitie die aan dit beginsel is gegeven in het eerste actieprogramma (Verklaring van de Raad van de Europese Gemeenschappen en van de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen op 22 november 1973 betreffende een actieprogramma van de Europese Gemeenschappen inzake het milieu, PB C 112, blz. 1).
(27) - Zie, bijvoorbeeld, richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 175, blz. 40), en, met name, arresten van 18 juni 1998, Gedeputeerde Staten van Noord-Holland (C-81/96, Jurispr. blz. I-3923, punt 27), en 29 april 1999, Standley e.a. (C-293/97, Jurispr. blz. I-2603, punt 35).
(28) - Zie artikel 1, sub c, van richtlijn 91/156.
(29) - Zie, met name, arresten van 14 juli 1998, Safety Hi-Tech (C-284/95, Jurispr. blz. I-4301, punt 57); Bettati (C-341/95, Jurispr. blz. I-4355, punt 55), en Aher-Waggon (C-389/96, Jurispr. blz. I-4473, punt 20).
(30) - Zie mutatis mutandis de redenering van het Hof in het arrest van 25 februari 1999, Carbonari e.a. (C-131/97, Jurispr. blz. I-1103, punten 44-47).
(31) - C-236/92, Jurispr. blz. I-483.
(32) - Sinds het arrest van 6 april 1962, De Geus, (13/61, Jurispr. blz. 91).
(33) - Zie eveneens arresten van 19 december 1968, Salgoil (13/68, Jurispr. blz. 661); 23 januari 1975, Van der Hulst (51/74, Jurispr. blz. 79, punt 12); 15 december 1976, Simmenthal (35/76, Jurispr. blz. 1871, punten 7 en 8); 5 oktober 1977, Tedeschi (5/77, Jurispr. blz. 1555, punt 17); 28 maart 1979, ICAP, (222/78, Jurispr. blz. 1163, punt 10); 15 november 1979, Denkavit (36/79, Jurispr. blz. 3439, punt 12), en, voor een recenter voorbeeld, zie arrest van 16 juli 1998, Dumon en Froment (C-235/95, Jurispr. blz. I-4531, punt 25).
Full & Egal Universal Law Academy