Conclusie van de advocaat generaal
A - Inleiding
1 In de onderhavige zaak stelt het Arbeidshof te Brussel (België) twee prejudiciële vragen die erop gericht zijn te vernemen, of de Marokkaanse schoonmoeder van een - althans van oorsprong - Marokkaanse werknemer, die in België woont en inmiddels tot Belg is genaturaliseerd, zich op het beginsel van gelijke behandeling neergelegd in de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko(1) (hierna: "Overeenkomst") kan beroepen om in België een gehandicaptenuitkering te ontvangen, en of zij als schoonmoeder gezinslid in de zin van artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst is.
2 Mevrouw Mesbah, verzoekster in het hoofdgeding (hierna: "verzoekster"), had op 22 maart 1995 een gehandicaptenuitkering aangevraagd. Toentertijd had zij de Marokkaanse nationaliteit.(2) Volgens de aanwijzingen van de verwijzende rechter woonde zij sinds september 1985 in België en behoorde zij tot het gezin van haar schoonzoon en haar dochter, die "kennelijk midden jaren zeventig" de Belgische nationaliteit hadden verkregen.
3 Volgens het verwijzingsarrest luiden de bepalingen van de Belgische wet die de toekenning van de gehandicaptenuitkering beheersen, als volgt:
"Hij die op een tegemoetkoming aanspraak maakt moet zijn werkelijke verblijfplaats in België hebben en tot één van de volgende categorieën van personen behoren:
1. de personen die Belg zijn;
2. de personen die vallen onder de toepassing van de verordening nr. 1408/71 (...);
3. de staatlozen (...);
4. de vluchtelingen (...);
5. (...)"(3)
Verzoekster werd de toekenning van deze uitkering geweigerd enkel omdat zij niet de Belgische nationaliteit had.
4 Verzoekster beriep zich echter op het beginsel van non-discriminatie vervat in artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst, dat luidt als volgt:
"Behoudens het bepaalde in de onderstaande leden vallen de werknemers van Marokkaanse nationaliteit en de bij hen woonachtige gezinsleden op het gebied van de sociale zekerheid onder een regeling die wordt gekenmerkt door het ontbreken van elke discriminatie op grond van nationaliteit tussen deze werknemers en de eigen onderdanen van de lidstaten waar zij werkzaam zijn."
5 De verwijzende rechter is van mening dat verzoekster - die geen eigen inkomsten heeft - zich in casu op dit non-discriminatiebeginsel kan beroepen, omdat de aangevraagde uitkering onder de sociale zekerheid valt en artikel 41 bovendien rechtstreekse werking heeft. Daarbij baseert hij zich op de rechtspraak van het Hof. De verwijzende rechter is er echter niet zeker van, dat verzoekster ook binnen de personele werkingssfeer van de Overeenkomst valt, omdat zij volgens de verstrekte inlichtingen ten tijde van de indiening van de aanvraag "in het gezin van haar schoonzoon en haar dochter als enige de Marokkaanse nationaliteit had behouden". De schoonzoon en de dochter hebben "kennelijk midden jaren zeventig" de Belgische nationaliteit verkregen. Daarom betwijfelt hij, of verzoekster nog als gezinslid van een Marokkaanse werknemer in de zin van artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst kan worden beschouwd.
6 Aangezien het begrip "gezinslid" in de Overeenkomst niet is omschreven, vraagt de verwijzende rechter zich verder af, tot welke graad van verwantschap dit begrip zich uitstrekt, en of het in het onderhavige geval ook op de schoonmoeder van toepassing is. Daarom heeft hij het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
"1) Kan een gezinslid van een werknemer van Marokkaanse afkomst, die echter later de Belgische nationaliteit heeft verworven, zich nog beroepen op artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko, op 27 april 1976 te Rabat ondertekend en namens de Gemeenschap goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2211/78 van de Raad van 26 september 1978, en op het daarin neergelegde beginsel van non-discriminatie van $Marokkaanse werknemers' en bij hen wonende $gezinsleden'?
2) Tot welke graad van verwantschap - in directe linie en/of in zijlinie - kan het in artikel 41, lid 1, van voormelde Overeenkomst EEG-Marokko vervatte begrip $gezin' zich uitstrekken en kan het ook van toepassing zijn op personen van Marokkaanse nationaliteit tussen wie slechts aanverwantschap bestaat?"
B - De eerste vraag
I - Argumenten van partijen
7 Verzoekster stelt, dat zij nog steeds gezinslid van een Marokkaanse werknemer is, zodat de eerste vraag niet van belang is. Tot staving van deze stelling heeft zij - echter pas voor het eerst in de procedure voor het Hof - een op 27 juli 1998 opgestelde verklaring van het consulaat van het Koninkrijk Marokko te Brussel overgelegd, volgens welke haar schoonzoon op deze datum de Marokkaanse nationaliteit bezat.(4)
8 De overige partijen zijn er aanvankelijk overeenkomstig de aanwijzingen van de verwijzende rechter van uitgegaan, dat verzoekster als enige in het gezin van de schoonzoon de Marokkaanse nationaliteit had behouden. Alleen de Commissie en de regering van het Verenigd Koninkrijk nemen in hun schriftelijke opmerkingen eveneens de mogelijkheid in ogenschouw, dat de schoonzoon van verzoekster de Marokkaanse nationaliteit heeft behouden.
9 Het Verenigd Koninkrijk onderscheidt in zijn opmerkingen drie gevallen, omdat de prejudiciële vraag niet aangeeft, op welke datum de schoonzoon precies de Belgische nationaliteit heeft verworven, en evenmin preciseert of hij tegelijkertijd de Marokkaanse nationaliteit heeft behouden. Ingeval de werknemer op de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst reeds de Marokkaanse nationaliteit had verloren, is het Verenigd Koninkrijk van oordeel, dat de Overeenkomst noch op de werknemer, noch op de in België bij hem wonende gezinsleden van toepassing kan zijn.
10 Indien daarentegen de werknemer eerst na de inwerkingtreding van de Overeenkomst de nationaliteit van een lidstaat in plaats van zijn Marokkaanse nationaliteit heeft verworven, zou artikel 41 van toepassing kunnen zijn om te waarborgen, dat de werknemer en zijn gezinsleden niet op grond van hun vroegere Marokkaanse nationaliteit worden gediscrimineerd. In het derde geval gaat het Verenigd Koninkrijk ervan uit, dat de werknemer na de inwerkingtreding van de Overeenkomst naast zijn Marokkaanse nationaliteit de Belgische nationaliteit heeft verworven. In dat geval zou artikel 41 van de Overeenkomst kunnen worden toegepast om te waarborgen, dat de werknemer en de gezinsleden die bij hem in België wonen, niet worden gediscrimineerd op grond van het feit dat hij nog steeds de Marokkaanse nationaliteit bezit.
11 De overige partijen gaan ervan uit, dat de Overeenkomst niet meer kan worden toegepast wanneer de werknemer geen Marokkaans onderdaan meer is. Zij baseren zich daarbij op de bewoordingen van artikel 41 en stellen dat verzoekster geen gezinslid van een Marokkaans werknemer meer is. De Franse regering merkt in dat verband op, dat volgens de aanwijzingen van de verwijzende rechter de schoonzoon de Belgische nationaliteit heeft verworven voordat zijn schoonmoeder in België aankwam, en zelfs voordat de Overeenkomst in werking trad. Verzoekster valt derhalve niet meer onder de personele werkingssfeer van de Overeenkomst.
12 Partijen verwijzen bovendien naar de doelstelling van de Overeenkomst. Zo stelt de Duitse regering dat het onderhavige geval niet door de Overeenkomst wordt beschermd. Artikel 41 is niet gericht op een autonome bescherming van een gezinslid dat niet de hoedanigheid van werknemer heeft. De rechten die een gezinslid aan artikel 41, lid 1, ontleent, vloeien rechtstreeks voort uit zijn familieband met een Marokkaanse werknemer. Door zijn Marokkaanse nationaliteit op te geven, verliest de werknemer weliswaar de door de Overeenkomst geboden bescherming, maar hij verwerft nieuwe rechten jegens zijn nieuwe land, die eventueel ook voor zijn verwanten gelden. De gelijke behandeling die artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst ten doel heeft, wordt overigens door de naturalisatie van de Marokkaanse werknemer tot Belg verwezenlijkt.
13 Ter terechtzitting is voorts de vraag besproken, of de Overeenkomst kan worden toegepast wanneer de werknemer (de schoonzoon van verzoekster) zijn Marokkaanse nationaliteit naast de Belgische nationaliteit heeft behouden. De Franse Republiek concludeert dienaangaande, dat verzoekster in dat geval gezinslid van een Marokkaans werknemer is en zich op de Overeenkomst kan beroepen. De vraag hoe in casu de situatie ligt, is puur feitelijk en kan bijgevolg enkel door de nationale rechter worden onderzocht.
14 Het Koninkrijk België heeft zich ter terechtzitting tevens uitgelaten over de door verzoekster overgelegde verklaring volgens welke haar schoonzoon de Marokkaanse nationaliteit heeft behouden. Volgens het Koninkrijk België bestaan er in dat geval twee mogelijkheden, die elkaar wederzijds uitsluiten. Indien degene die de gehandicaptenuitkering aanvraagt, de Belgische nationaliteit heeft, is enkel Belgisch recht van toepassing. Indien hij de Marokkaanse nationaliteit heeft, is zijn aanvraag slechts ingevolge artikel 41 van de Overeenkomst gerechtvaardigd. Het recht op toekenning van de uitkering dat uit deze twee mogelijkheden voortvloeit, is niet cumulatief. Iedere andere oplossing zou volstrekt in strijd zijn met de doelstellingen van de Overeenkomst en met het beginsel van gelijke behandeling. Zij zou er immers toe leiden, dat iemand die tegelijkertijd de Marokkaanse en de Belgische nationaliteit bezit, op meer rechten aanspraak kan maken dan de andere burgers van de Unie of andere Marokkaanse onderdanen, die onder de werkingssfeer van de Overeenkomst vallen, maar niet de nationaliteit van een lidstaat hebben verworven.
15 Het Koninkrijk België bestrijdt niet, dat de werknemer hier ingevolge het Marokkaanse recht nog steeds de Marokkaanse nationaliteit bezit. Het is hem echter niet toegestaan, van beide nationaliteiten te profiteren, en alleen Belgisch recht is op hem als Belgisch onderdaan van toepassing. In een brief die het na de terechtzitting heeft gestuurd, heeft het Koninkrijk België voor de duidelijkheid toegelicht dat de schoonzoon van verzoekster, die naast zijn Marokkaanse nationaliteit ook de Belgische nationaliteit heeft verworven, naar Belgisch recht wordt beschouwd als iemand die alleen de Belgische en niet de Marokkaanse nationaliteit bezit, omdat het Koninkrijk België in ieder geval niet de rechten erkent die uit een dubbele nationaliteit voortvloeien.
16 In haar schriftelijke opmerkingen gaat ook de Commissie er allereerst van uit dat - zoals de verwijzende rechter aangeeft - de Marokkaanse werknemer door verkrijging van de Belgische nationaliteit zijn Marokkaanse nationaliteit verliest. Naar analogie van de rechtspraak van het Hof(5) bevestigt zij, dat verzoekster gedurende het tijdvak waarop de aanvraag betrekking had, geen gezinslid van een Marokkaans werknemer meer was. Er is dus geen verband met een situatie waarop de Overeenkomst ziet. Aangezien de Marokkaanse nationaliteit volgens de verwijzende rechter zelfs vóór de inwerkingtreding van de Overeenkomst is verloren, heeft verzoekster daarop evenmin als haar schoonzoon ooit recht kunnen doen gelden. Dienaangaande wijst de Commissie tevens op het arrest van het Hof in de zaak Tsiotras.(6)
17 Bovendien merkt de Commissie op, dat de doelstelling van artikel 41, lid 1, het uitbannen van iedere discriminatie op grond van nationaliteit, per definitie is bereikt, wanneer de situatie van de werknemer die Belg geworden is en die van zijn gezin, door Belgisch recht wordt beheerst.
18 Op de vraag, welk antwoord moet worden gegeven ingeval de schoonzoon van verzoekster zijn Marokkaanse nationaliteit heeft behouden, gaat de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen slechts kort in met de vaststelling dat, overeenkomstig het arrest Micheletti e.a.(7), een Marokkaans werknemer en de in België bij hem wonende gezinsleden de voordelen van de Overeenkomst niet kunnen worden ontzegd enkel op grond dat die werknemer naast de Marokkaanse nationaliteit ook de Belgische nationaliteit heeft verworven. De Commissie memoreert echter, dat het aan de nationale rechter staat om alle feiten vast te stellen, zodat het Hof van Justitie zich slechts kan baseren op de feiten die de verwijzende rechter heeft uiteengezet.
19 Dit heeft zij eveneens ter terechtzitting gesteld. Anderzijds verwijst zij echter ook naar het naderhand overgelegde bescheid waaruit volgt dat de schoonzoon van verzoekster de Marokkaanse nationaliteit heeft behouden. Zij meent dat daarmee bij de formulering van het antwoord rekening kan worden gehouden, waarbij van belang is dat dit op een zodanige wijze wordt geformuleerd, dat de verwijzende rechter gehouden is na te gaan wat nu de werkelijke situatie met betrekking tot de nationaliteit van de werknemer is.
20 Daarom heeft de Commissie ter terechtzitting nog andere mogelijkheden onderzocht, waarbij zij allereerst van de veronderstelling is uitgegaan dat de Marokkaanse werknemer zijn Marokkaanse nationaliteit heeft behouden.
21 In dat geval kan hem formeel niet het recht worden ontzegd om zich op de Overeenkomst te beroepen. Uiteraard heeft hij daarbij als Belg geen belang meer, omdat hij ten opzichte van andere Belgische werknemers niet wordt gediscrimineerd. Maar zijn gezinsleden zouden zich op de Overeenkomst kunnen blijven beroepen, omdat het aanknopingspunt - de Marokkaanse nationaliteit van de werknemer - nog steeds bestaat. In dat geval zou het arrest Micheletti e.a. analoog kunnen worden toegepast, volgens hetwelk de gevolgen van de nationaliteit worden bepaald door de lidstaat die zijn nationaliteit toekent. Het is een andere lidstaat niet toegestaan, de gevolgen daarvan te beperken.
22 De Commissie gaat ten slotte nog in op een laatste geval, dat niet geheel vergelijkbaar is met het onderhavige geval. Daarbij gaat zij uit van de veronderstelling, dat de werknemer op de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst de Marokkaanse nationaliteit bezat, en deze eerst daarna heeft verloren. In dat geval is vereist, dat hij nog de Marokkaanse nationaliteit bezat gedurende het tijdvak waarvoor de gehandicaptenuitkering wordt gevraagd. Indien niet aan deze voorwaarde is voldaan, bestaat er geen aanknoping meer met de Overeenkomst. De Commissie verwijst hier naar het rechtszekerheidsbeginsel, waarvan het Hof het belang ook in de arresten Belbouab en Buhari Haji(8) heeft onderstreept.
23 In dit verband merkt de Commissie eveneens op, dat het Verenigd Koninkrijk op dit punt een ander standpunt huldigt. Maar zij brengt daartegen in, dat zich geen discriminatie kan voordoen tussen een van oorsprong Marokkaanse werknemer die de Belgische nationaliteit heeft verworven en andere Belgische werknemers. Aangaande het gezin van de werknemer dat bij hem in België woont, merkt de Commissie op, dat verandering van nationaliteit een vrije beslissing is, waarvan het gezin van de betrokkene eveneens de consequenties moet aanvaarden. Bovendien worden ook zijn gezinsleden niet meer gediscrimineerd zodra hij de Belgische nationaliteit heeft. Zij worden op dezelfde wijze behandeld als de gezinsleden van een Belgische werknemer. Het is echter goed voorstelbaar, dat de schoonmoeder van een Belg die geen ingezetene van de Gemeenschap is, geen aanspraak kan maken op een gehandicaptenuitkering. De Commissie haalt ter zake een uitspraak van het Hof aan volgens welke een dergelijke tegemoetkoming niet kan worden toegekend aan de Iraanse echtgenote van een onderdaan van de Gemeenschap.(9) Er is derhalve geen enkele reden om hier - zoals het Verenigd Koninkrijk voorstelt - de Overeenkomst toe te passen ter voorkoming van discriminatie op grond van het voorheen bezitten van de Marokkaanse nationaliteit.
24 De Commissie wijst de gedachte van een uitbreiding van de werkingssfeer van de Overeenkomst naar analogie van het arrest Krid(10) af. In dit arrest heeft het Hof geoordeeld, dat de bij de overleden werknemer wonende gezinsleden zich kunnen blijven beroepen op de Overeenkomst. In de onderhavige zaak zou een dergelijke genereuze, door de gedachte van bescherming ingegeven uitlegging kunnen worden aanvaard, indien verzoekster met haar schoonzoon in België had gewoond toen deze nog Marokkaan was. De Overeenkomst is slechts van toepassing op de gezinsleden van een Marokkaans werknemer die bij hem in een bepaalde lidstaat wonen. Maar aangezien verzoekster pas in 1985 in België is gaan wonen, terwijl haar schoonzoon reeds aan het eind van de jaren zeventig de Marokkaanse nationaliteit heeft verloren, kon zij zich nooit op de Overeenkomst beroepen. Volgens de Commissie heeft het Hof zijn rechtspraak Krid ook gebaseerd op tekstuele argumenten. Aangezien de tekst van de Overeenkomst verwijst naar overlevingspensioenen, heeft het Hof daaruit de conclusie getrokken, dat de Overeenkomst ook betrekking heeft op nabestaanden. De Commissie heeft echter geen argumenten met deze strekking kunnen vinden in de onderhavige zaak, waarin de werknemer zijn Marokkaanse nationaliteit heeft opgegeven om Belg te worden, zodat er niet van kan worden uitgegaan dat in een dergelijk geval de Overeenkomst nog kan worden toegepast.
25 Tot slot dient hier nog te worden vermeld, dat niet wordt bestreden dat verzoekster geen eigen inkomsten had of heeft en geen aanspraken kan ontlenen aan verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen(11), omdat haar schoonzoon het Koninkrijk België nimmer heeft verlaten. Evenmin wordt bestreden, dat de hier gevraagde gehandicaptenuitkering behoort tot de socialezekerheidsuitkeringen in de zin van artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst.
II - Beoordeling
26 In het kader van de procedure voor het Hof heeft verzoekster een verklaring met betrekking tot de Marokkaanse nationaliteit van haar schoonzoon overgelegd, die is opgesteld door het Marokkaanse consulaat-generaal. Maar aangezien op grond van deze verklaring niet met zekerheid kan worden vastgesteld, dat de schoonzoon van verzoekster de Marokkaanse nationaliteit continu bezat en deze dus niet tijdelijk heeft opgegeven om haar op een later tijdstip te herkrijgen, is niet zeker, van welke feiten moet worden uitgegaan. Het is aan de nationale rechter om dit na te gaan. In verband met de onzekerheden met betrekking tot de nationaliteit van de schoonzoon waarvoor men zich aldus gesteld ziet, dienen verschillende mogelijkheden te worden onderzocht.
27 In de eerste plaats moet in prejudiciële procedures worden uitgegaan van de door de nationale rechterlijke instantie omschreven feiten.(12) Daarom moet de onderhavige zaak in de eerste plaats worden beoordeeld aan de hand van deze feitelijke aanwijzingen. Voorts heeft het Hof in de prejudiciële procedure tot taak, de verwijzende rechter de uitlegging van het gemeenschapsrecht te verschaffen die deze nodig heeft voor de oplossing van daadwerkelijke geschillen waarvan hij kennis neemt.(13) Het Hof mag derhalve uit de door de nationale rechter verschafte gegevens de elementen van gemeenschapsrecht putten welke, mede gelet op het voorwerp van het geschil, uitlegging - of in voorkomend geval een beoordeling van de geldigheid - vereisen.(14) In dit verband heeft het Hof eveneens geoordeeld dat het, teneinde de rechterlijke instantie een bruikbaar antwoord te geven, ook bepalingen van gemeenschapsrecht in aanmerking kan nemen waarvan de nationale rechter in de formulering van zijn vraag geen melding heeft gemaakt.(15)
28 Nu verzoekster in de loop van de procedure voor het Hof een verklaring heeft overgelegd waaruit volgt dat haar schoonzoon nog steeds de Marokkaanse nationaliteit bezit, is het zinvol om ook over dit concrete geval een standpunt in te nemen en te onderzoeken of een lidstaat ingevolge het gemeenschapsrecht de mogelijkheid heeft om een andere nationaliteit niet te erkennen en - zoals het Koninkrijk België doet - voorrang te geven aan zijn eigen nationaliteit. De zaak dient uit dit oogpunt te worden onderzocht, mede omdat alle partijen die ter terechtzitting waren vertegenwoordigd, zich over deze verklaring hebben uitgelaten. Vervolgens staat het aan de verwijzende rechter, te bepalen welk van de geopperde varianten daadwerkelijk aan de orde is en daarvan bewijs te verlangen.
1. Beoordeling op de grondslag van de feiten zoals door de verwijzende rechter omschreven
29 Volgens deze aanwijzingen leeft verzoekster sedert 10 september 1985 in België in het gezin van haar dochter en haar schoonzoon, die blijkbaar "midden jaren zeventig" de Belgische nationaliteit hebben verkregen. Op grond van de feiten zoals gesteld door de verwijzende rechter, heeft alleen verzoekster de Marokkaanse nationaliteit behouden. Aangezien niet is gepreciseerd, op welke datum de schoonzoon de Marokkaanse nationaliteit verloren heeft, is onduidelijk of hij nog Marokkaans onderdaan was op de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst.
a) Verlies van de Marokkaanse nationaliteit vóór de inwerkingtreding van de Overeenkomst
30 In dit geval moet worden verwezen naar het arrest Buhari Haji.(16) Daar betrof het de vraag naar de personele werkingssfeer van verordening nr. 1408/71, zoals voortvloeiend uit artikel 2 daarvan. Artikel 2, lid 1, bepaalt, dat de verordening onder meer van toepassing is op werknemers en zelfstandigen die onderdaan van een lidstaat zijn.(17) Of iemand deze hoedanigheid bezit, moet - aldus het Hof - "worden beoordeeld naar de periode waarin de werknemer zijn beroep uitoefende. Deze nationaliteitsvoorwaarde kan niet worden geacht te zijn vervuld, wanneer de betrokken werknemer ten tijde dat hij zijn beroep uitoefende en zijn bijdragen betaalde, onderdaan was van een staat die nog geen lid was van de Gemeenschap, en de status van onderdaan van die staat heeft verloren voor diens toetreding tot de Gemeenschap."(18)
31 Naar analogie kan de nationaliteitsvoorwaarde van artikel 41 van de Overeenkomst niet vervuld zijn, indien de werknemer aanvankelijk de Marokkaanse nationaliteit had, maar deze heeft verloren vóór het sluiten van de betrokken Overeenkomst met de Gemeenschap. Dit betekent dat hij zich voor de vraag of hij voldoet aan de voorwaarden om aanspraak te kunnen maken op bepaalde rechten - in casu het recht om op dezelfde wijze als Belgische onderdanen te worden behandeld - niet kan beroepen op de periode vóór het sluiten van de Overeenkomst of het Verdrag waarbij hem deze rechten voor het eerst worden toegekend. Om deze reden kunnen de Marokkaanse werknemer en zijn gezinsleden zich niet op de Overeenkomst beroepen, indien de werknemer de Marokkaanse nationaliteit heeft verloren vóór het sluiten van de Overeenkomst.
b) Verlies van de Marokkaanse nationaliteit na het sluiten van de Overeenkomst
32 Het is de vraag, of de werknemer en zijn gezinsleden zich op de Overeenkomst kunnen beroepen, indien de werknemer op de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst de Marokkaanse nationaliteit bezat, maar deze voorwaarde op de datum van indiening van de aanvraag respectievelijk in het tijdvak waarover de gehandicaptenuitkering moet worden toegekend, niet meer vervuld is. Het Verenigd Koninkrijk meent dat ook in dit geval het beginsel van non-discriminatie vervat in de Overeenkomst van toepassing is, ter voorkoming van een mogelijke discriminatie van de werknemer en zijn gezin op grond van de vroegere Marokkaanse nationaliteit.
33 Dit argument kan niet worden aanvaard. Voor de werknemer zelf is het niet meer nodig, een beroep te doen op het beginsel van gelijke behandeling vervat in de Overeenkomst, aangezien hij de Belgische nationaliteit bezit en derhalve met Belgische werknemers is gelijkgesteld. Daarbij moet in acht worden genomen, dat hij vrijwillig zijn Marokkaanse nationaliteit heeft opgegeven en de Belgische nationaliteit heeft aangenomen.
34 Het is echter de vraag, of dit eveneens geldt voor zijn gezin. Via de "omweg" van artikel 41 en de Marokkaanse nationaliteit van de werknemer - hun gezinslid - hebben de gezinsleden een eigen recht op een gehandicaptenuitkering. Ook wanneer het daarbij niet enkel om een afgeleid recht, maar om een eigen recht gaat, wordt dit hen uitsluitend toegekend omdat zij als gezinsleden van een Marokkaanse werknemer met hem in België wonen. Indien de werknemer er uit vrije wil voor kiest om voortaan alleen nog als Belg naar Belgisch recht te worden behandeld, valt niet in te zien waarom de Overeenkomst nog steeds op zijn gezinsleden zou moeten worden toegepast.
35 Er is evenmin sprake van discriminatie ten opzichte van Belgische onderdanen. Indien aan verzoekster als niet-Belgisch en niet-communautair onderdaan naar Belgisch recht een gehandicaptenuitkering wordt geweigerd, hoewel zij de schoonmoeder is van een Belgisch onderdaan, is dit verenigbaar met het gemeenschapsrecht. In het arrest Taghavi heeft het Hof geoordeeld, dat ook een met een werknemer van een lidstaat gehuwd onderdaan van een derde staat geen aanspraak kan maken op een tegemoetkoming voor minder-validen die krachtens de nationale wettelijke regeling als eigen recht en niet op grond van de hoedanigheid van gezinslid van een werknemer wordt toegekend.(19) Dit betekent, dat het Belgische recht op verzoekster gelijkelijk van toepassing is als op alle schoonmoeders van Belgische werknemers, die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten. Weliswaar heeft zij er als Marokkaanse op grond van artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst recht op om op dezelfde wijze als Belgische onderdanen te worden behandeld, maar dit recht komt haar enkel toe in haar hoedanigheid van gezinslid dat tot het huishouden van een Marokkaans werknemer behoort. Aangezien deze laatste echter vrijwillig zijn Marokkaanse nationaliteit heeft opgegeven, kan verzoekster niet meer geldend maken dat zij ten opzichte van Belgische onderdanen wordt gediscrimineerd.
36 Om deze reden kan ook de stelling van het Verenigd Koninkrijk niet baten, aangezien geen sprake is van een mogelijke discriminatie op grond van het feit dat de werknemer aanvankelijk Marokkaan was. Veeleer is de situatie van de schoonmoeder mogelijkerwijs verslechterd, doordat haar schoonzoon nu Belg en geen Marokkaan meer is. Als schoonmoeder van een voormalig Marokkaans onderdaan kan zij zich niet op de Overeenkomst beroepen. Dit geldt te meer, daar de betrokken werknemer zijn Marokkaanse nationaliteit niet pas heeft opgegeven toen verzoekster reeds bij hem in België inwoonde. Dat wil zeggen dat zij in dat geval nimmer als gezinslid van een Marokkaans werknemer in België heeft gewoond.
37 Hieruit volgt dat de analogie met de zaak Krid(20) niet opgaat. Dat geval betrof de weduwe van een Algerijns werknemer, die met deze laatste in Frankrijk had gewoond en zich na diens dood op het beginsel van non-discriminatie vervat in de Samenwerkingsovereenkomst met Algerije kon beroepen. In dat geval heeft het Hof ook opgemerkt, dat artikel 41 van de Overeenkomst met het Koninkrijk Marokko in dezelfde bewoordingen is opgesteld als de identieke bepaling in de Overeenkomst met Algerije(21), en dat de rechtspraak inzake artikel 41 van de Overeenkomst met Marokko ook geldt voor het discriminatieverbod uit de Overeenkomst met Algerije. Dit heeft ook omgekeerd te gelden, zodat het arrest Krid eveneens kan worden toegepast op de Overeenkomst met Marokko. In het onderhavige geval kan enkel een analoge toepassing in aanmerking komen, omdat de feiten niet geheel overeenkomen. Hier is echter geen ruimte voor een dergelijke analoge toepassing. Het gaat er hier niet om, dat het gezin van een Marokkaan die zijn nationaliteit nooit heeft opgegeven, na diens dood op geen enkele wijze wordt gediscrimineerd. Het gaat om een Marokkaans werknemer die vrijwillig de Marokkaanse nationaliteit heeft opgegeven om de Belgische nationaliteit aan te nemen, met alle gevolgen van dien voor zijn gezinsleden. Daarbij moet worden opgemerkt, dat in de onderhavige zaak de nationaliteit is opgegeven op een datum waarop verzoekster nog niet in België woonde. Haar status is derhalve niet gewijzigd, aangezien zij als schoonmoeder van een Belg naar België is gekomen.
38 Bovendien moet erop worden gewezen, dat het Hof in de zaak Krid de werkingssfeer van de Overeenkomst heeft uitgebreid tot nabestaanden, omdat artikel 39, lid 2, met betrekking tot het recht op samentelling van tijdvakken van verzekering de overlevingsrenten uitdrukkelijk vermeldt. Bovendien voorziet de Overeenkomst in de mogelijkheid om de overlevingspensioenen naar Algerije over te maken. Om deze reden is het Hof van mening, dat artikel 39 van de Overeenkomst mede betrekking heeft op de gezinsleden van een Algerijns migrerend werknemer, die na het overlijden van die werknemer blijven wonen in de lidstaat waar deze werkzaam was.(22)
2. Onderzoek voor het geval de werknemer de Marokkaanse nationaliteit heeft behouden
39 Ingeval de werknemer naast de Belgische nationaliteit de Marokkaanse nationaliteit heeft behouden, is letterlijk aan de voorwaarden van artikel 41, lid 1, voldaan. Verzoekster is dan gezinslid van een Marokkaans werknemer en is met deze laatste met zijn gezin in België woonachtig. Zij kan derhalve formeel aanspraak maken op het beginsel van gelijke behandeling van artikel 41.
40 Voor het Koninkrijk België bezit de schoonzoon van verzoekster echter slechts de Belgische nationaliteit en niet (ook) de Marokkaanse nationaliteit. Het is niettemin de vraag, of het Koninkrijk België aldus de werknemer en zijn gezinsleden het recht kan weigeren om zich op de Overeenkomst te beroepen.
41 De Commissie verwijst dienaangaande naar het arrest Micheletti e.a.(23) Het betrof in die zaak de vraag, of de bepalingen van gemeenschapsrecht inzake de vrijheid van vestiging zich ertegen verzetten, dat een lidstaat weigert deze vrijheid te erkennen voor de onderdaan van een andere lidstaat, die tevens de nationaliteit van een derde land bezit, omdat de wetgeving van de lidstaat van ontvangst hem als onderdaan van dat derde land beschouwt. Het Hof was van oordeel, dat "[h]et bepalen van de voorwaarden voor de verkrijging en het verlies van de nationaliteit (...), overeenkomstig het internationale recht, tot de bevoegdheid van elke lidstaat afzonderlijk" behoort.(24) Die bevoegdheid dient te worden uitgeoefend met inachtneming van het gemeenschapsrecht. Het Hof vervolgt aldus:
"De wettelijke regeling van een lidstaat mag echter niet de gevolgen van de toekenning van de nationaliteit van een andere lidstaat beperken door een extra voorwaarde te stellen voor de erkenning van deze nationaliteit in verband met de uitoefening van de in het Verdrag bepaalde fundamentele vrijheden."(25)
42 Het Hof heeft derhalve geconcludeerd, dat wanneer ten bewijze van de hoedanigheid van onderdaan van een lidstaat documenten worden overgelegd, andere lidstaten niet gerechtigd zijn "deze hoedanigheid in twijfel te trekken op grond dat de belanghebbenden tevens de nationaliteit van een derde land bezitten, welke krachtens het recht van het ontvangende land voorrang heeft boven die van de lidstaat".(26)
43 In dit geval moet ervan worden uitgegaan, dat de schoonzoon van verzoekster nog steeds de Marokkaanse nationaliteit bezit. Het Koninkrijk België heeft hem de Belgische nationaliteit verleend, maar zonder hem te vragen de Marokkaanse nationaliteit op te geven. Dit betekent dat het Koninkrijk België niet betwist, dat hij beide nationaliteiten heeft. Het heeft zich evenmin tegen deze dubbele nationaliteit verzet. Het wenst enkel te voorkomen dat hij van deze dubbele nationaliteit kan profiteren.(27) Wellicht moet het Koninkrijk België dit recht echter, naar analogie van het arrest Micheletti e.a., worden ontzegd.
44 In het arrest Micheletti e.a. ging het erom, dat voorrang werd toegekend aan de nationaliteit van een derde land boven die van een andere lidstaat, zodat de betrokken onderdaan de hoedanigheid van onderdaan van een lidstaat werd ontzegd. Dat is hier niet het geval. Het Koninkrijk België erkent de schoonzoon van verzoekster als Belg, maar juist alleen als Belg. Aldus verbiedt het hem, zich op zijn Marokkaanse nationaliteit te beroepen. In de onderhavige zaak is vooral van belang, dat het daarmee tevens de schoonmoeder als gezinslid verbiedt, zich te beroepen op de Marokkaanse nationaliteit van de werknemer, haar schoonzoon. Derhalve wordt juist aan de eigen - Belgische - nationaliteit voorrang toegekend boven een andere nationaliteit, met als gevolg dat de belanghebbende - evenals in het arrest Micheletti e.a. - een bepaald recht wordt ontzegd.
45 In het arrest Micheletti e.a. heeft het Hof vastgesteld, dat de gevolgen van de toekenning van de nationaliteit van een andere lidstaat niet mogen worden beperkt door extra voorwaarden te stellen voor de erkenning van deze nationaliteit in verband met de uitoefening van de fundamentele vrijheden. In het onderhavige geval wordt de schoonzoon weliswaar erkend als Belg en daardoor met nationale onderdanen gelijkgesteld, ook voor de uitoefening van de fundamentele vrijheden, maar de gevolgen van zijn Marokkaanse nationaliteit kunnen beperkt zijn voor de uitoefening van de rechten die hem in zijn hoedanigheid van Marokkaan op basis van de Overeenkomst toekomen.
46 Wat de schoonzoon betreft, is een dergelijke beperking in eerste instantie niet zichtbaar, omdat hij niet wordt gediscrimineerd wanneer zijn Belgische nationaliteit wordt erkend en hij zich daarop kan beroepen. Maar in dit verband dient ook acht te worden geslagen op de rechten van de gezinsleden, welke voortvloeien uit artikel 41 van de Overeenkomst. De uitoefening daarvan kan worden beperkt indien geen beroep op de Overeenkomst kan worden gedaan.
47 Op grond van de rechtspraak van het Hof betekent het discriminatieverbod van artikel 41, lid 1, dat de personen waarop deze bepaling is gericht, namelijk de migrerende werknemers alsmede de bij hen woonachtige gezinsleden, moeten worden behandeld als waren zij onderdanen van de betrokken lidstaten. Hieruit volgt, dat de betrokken nationale wettelijke regeling aan die personen geen nadere of striktere voorwaarden kan stellen dan aan onderdanen van die lidstaat.(28) De gezinsleden van een Marokkaans werknemer die bij de werknemer wonen hebben er ingevolge de Overeenkomst recht op, op gelijke wijze te worden behandeld als Belgische onderdanen en onderdanen van de lidstaten. Daarbij is van weinig belang of de aangevraagde uitkering wordt toegekend als een eigen recht dan wel in verband met de hoedanigheid van gezinslid.(29) Op grond van artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst mag een gezinslid dat voldoet aan alle door een nationale wetgeving gestelde voorwaarden, het recht op socialezekerheidsuitkeringen niet worden ontzegd op grond van zijn nationaliteit.(30)
48 Indien de Marokkaanse nationaliteit van haar schoonzoon niet wordt erkend, vormt dit voor verzoekster een beperking van de rechten die zij in haar hoedanigheid van gezinslid van een Marokkaanse werknemer op grond van de Overeenkomst heeft. Dat kan er eveneens aan in de weg staan, dat de Marokkaanse werknemer zijn rechten uitoefent, omdat hem onder bepaalde omstandigheden wordt belet, met zijn gezinsleden samen te wonen en zich te beroepen op de rechten die hem op grond van de Overeenkomst toekomen.
49 Het Koninkrijk België stelt dat een persoon met beide nationaliteiten meer rechten zou hebben dan de andere burgers van de Unie, indien hij zich ook zou kunnen beroepen op zijn Marokkaanse nationaliteit. Dit vloeit echter voort uit de Overeenkomst zelf en de rechten die zij toekent. Volgens de rechtspraak van het Hof heeft artikel 41 tot gevolg, dat de gezinsleden van een Marokkaans werknemer in bepaalde gevallen beter af zijn dan de gezinsleden van een Belgisch onderdaan. Zo kan een Marokkaanse schoonmoeder van een Belgische onderdaan geen aanspraak maken op een gehandicaptenuitkering, terwijl de Marokkaanse schoonmoeder van een Marokkaans onderdaan dit recht wel toekomt op grond van het discriminatieverbod in de Overeenkomst. Deze gunstiger behandeling vloeit echter voort uit de Overeenkomst tussen de Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko zelf. Zij vindt haar oorzaak niet in het feit dat de werknemer zich op beide nationaliteiten beroept.
50 Evenzo moet het argument van het Koninkrijk België worden weerlegd, dat de Overeenkomst uitsluitend de gelijke behandeling van Marokkaanse en Belgische werknemers ten doel heeft. Zoals gezegd, blijkt uit artikel 41 dat ook de gezinsleden op dezelfde wijze moeten worden behandeld als Belgische onderdanen, zowel ten aanzien van hun eigen rechten als ten aanzien van afgeleide rechten.
51 Ten slotte stelt het Koninkrijk België, dat indien de Marokkaanse werknemer zich in het onderhavige geval op zijn Marokkaanse nationaliteit zou kunnen beroepen, dit ertoe zou leiden dat hij meer rechten heeft dan andere Marokkanen. De verklaring hiervoor is echter, dat het Koninkrijk België hem de Belgische nationaliteit heeft toegekend zonder dat hij zijn Marokkaanse nationaliteit heeft moeten opgeven.
52 Derhalve moet worden vastgesteld dat verzoekster zich, ingeval haar schoonzoon de Marokkaanse nationaliteit heeft behouden, op artikel 41 van de Samenwerkingsovereenkomst kan beroepen. De reden daarvan is niet - zoals het Verenigd Koninkrijk stelt - dat zij niet mag worden gediscrimineerd op grond van de Marokkaanse nationaliteit die zij heeft behouden. De reden daarvan is veeleer, dat zij nog steeds aanspraak kan maken op de rechten die haar op grond van de Marokkaanse nationaliteit van haar schoonzoon worden toegekend.
C - De tweede vraag
I - Argumenten van partijen
53 Voor het antwoord op de vraag hoe het begrip "gezinslid" van artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst moet worden omschreven, moeten drie mogelijkheden worden nagegaan. Verwezen kan worden naar het betrokken nationale recht (eerste mogelijkheid) - het standpunt dat de Bondsrepubliek Duitsland in haar opmerkingen inneemt -, ofwel naar verordening (EEG) nr. 1612/68(31) (tweede mogelijkheid) respectievelijk naar verordening nr. 1408/71 (derde mogelijkheid), welke laatste ten dele weer verwijst naar het nationale recht.
Artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1612/68 bepaalt:
"Met de werknemer (...) mogen zich vestigen (...):
a) zijn echtgenoot en bloedverwanten in neergaande lijn beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn;
b) de bloedverwanten in opgaande lijn van deze werknemer en van zijn echtgenoot, die te zijnen laste zijn."
Artikel 1, sub f, van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening nr. 118/97, omschrijft haar werkingssfeer echter als volgt:
"i) wordt onder $gezinslid' verstaan iedere persoon die in de wetgeving krachtens welke de prestaties worden verleend, (...), als gezinslid wordt aangemerkt of erkend, of als huisgenoot wordt aangeduid; (...)
ii) wanneer het echter om prestaties voor gehandicapten gaat die op grond van de wetgeving van een lidstaat worden toegekend aan alle onderdanen van die staat die aan de vereiste voorwaarden voldoen, wordt onder $gezinslid' ten minste verstaan de echtgenoot of echtgenote, de minderjarige kinderen, alsmede de te zijnen of haren laste komende meerderjarige kinderen van een werknemer of zelfstandige".
54 De Republiek Frankrijk bijvoorbeeld concludeert, dat het begrip naar analogie van artikel 10 van verordening nr. 1612/68 moet worden omschreven. Daarvoor voert zij aan, dat volgens de rechtspraak van het Hof de personele werkingssfeer van artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst niet dezelfde is als die van verordening nr. 1408/71.(32) Volgens de Franse regering rechtvaardigt dit, dat ook het begrip "gezinslid" niet wordt uitgelegd aan de hand van de personele werkingssfeer van verordening nr. 1408/71. Deze is enkel gericht op de coördinatie van de nationale stelsels van sociale zekerheid waarnaar zij verwijst. In het onderhavige geval gaat het echter niet om discriminatie wegens het behoren tot een bepaald sociaal stelsel van de staat waar de werknemer werkzaam is, zodat het begrip moet worden beoordeeld op basis van het samenwonen met de werknemer, en mitsdien naar analogie van verordening nr. 1612/68. Onder verwijzing naar het belang van het verblijf voor het begrip "gezinslid" wijst de Republiek Frankrijk er ten slotte op, dat volgens de Franse wetgeving voor een aanspraak op de uitkering kan worden volstaan met een verblijf in Frankrijk.
55 Het Koninkrijk België concludeert - eveneens onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof - dat het begrip naar analogie van verordening nr. 1408/71 moet worden uitgelegd. Het wijst hierbij op het arrest Yousfi(33), op grond waarvan het begrip sociale zekerheid van artikel 41 van de Overeenkomst in het licht van verordening nr. 1408/71 moet worden uitgelegd. Dit geldt ook voor het begrip "gezinslid" in artikel 41, lid 1. Dit moet worden uitgelegd aan de hand van artikel 1, sub f-ii, van deze verordening, dat bepaalt dat onder gezinslid ten minste de echtgenoot of echtgenote, de minderjarige kinderen, alsmede de te zijnen of haren laste komende meerderjarige kinderen van een werknemer of zelfstandige worden verstaan. Het Koninkrijk België stelt tevens dat deze bepalingen geen betrekking kunnen hebben op de schoonmoeder van de werknemer, omdat dit tot discriminatie van de gezinsleden van onderdanen van de Europese Unie zou leiden. De schoonmoeder van een Belg heeft als gezinslid evenmin recht op gehandicaptenuitkeringen. De Overeenkomst kan niet een dergelijke discriminatie tot doel hebben. Verordening nr. 1408/71 is verder ook van toepassing, omdat de gehandicaptenuitkering onder de werkingssfeer van artikel 4, lid 2 bis, van deze verordening valt. Verordening nr. 1612/68 kan in dit geval echter niet worden toegepast, omdat zij betrekking heeft op de situatie van het gezin van een werknemer die onderdaan van een lidstaat is en in een andere lidstaat werkzaam is. Daarvan is in dit geval geen sprake.
56 Ook het Verenigd Koninkrijk is van mening, dat het begrip "gezinslid" naar analogie van verordening nr. 1408/71 moet worden uitgelegd. Daarvoor voert het drie redenen aan. In de eerste plaats zijn de vragen die aan de orde komen in het kader van de artikelen 2, lid 1, en 3, lid 1, van deze verordening enerzijds, en van artikel 41 van de Overeenkomst anderzijds, identiek. In beide gevallen gaat het om de verplichting van een (lid)staat om werknemers en hun gezin die van de ene naar een andere (lid)staat gaan, gelijk te behandelen. De structuur, werkingssfeer, gevolgen en doelstelling van beide regelingen stemmen derhalve vergaand overeen. Zelfs het Hof heeft op het punt van het begrip "sociale zekerheid" verordening nr. 1408/71 en de Overeenkomst met elkaar vergeleken.
57 De omschrijving in artikel 1, sub f, van verordening nr. 1408/71 - en dat is de tweede reden - verschaft zowel voor dit concrete geval als voor alle andere categorieën sociale uitkeringen een oplossing. Zij biedt een oplossing onafhankelijk van de vraag of de gehandicaptenuitkering moet worden beschouwd als een eigen of een afgeleid recht, en stemt derhalve overeen met de rechtspraak van het Hof, dat in het kader van de Overeenkomst ook geen onderscheid maakt tussen deze twee categorieën rechten. Aldus wordt in verordening nr. 1408/71 een begrip omschreven dat op alle typen socialezekerheidsuitkeringen kan worden toegepast. Als dit opgaat voor de verordening, dan moet het ook opgaan voor de Overeenkomst.
58 In de derde plaats wijst het Verenigd Koninkrijk er ten slotte op, dat het problemen zou kunnen opleveren, indien bepaalde begrippen uit artikel 41, lid 1, moeten worden uitgelegd aan de hand van verschillende verordeningen, zoals bijvoorbeeld het begrip "sociale zekerheid" in het licht van verordening nr. 1408/71, en dat van "gezinslid" aan de hand van verordening nr. 1612/68. Het zou beter zijn, naar een coherent en eenvormig systeem te streven en uitsluitend naar verordening nr. 1408/71 te verwijzen.
59 Anders dan het Verenigd Koninkrijk is de Commissie niet van mening, dat verordening nr. 1408/71 voor alle mogelijke gevallen een oplossing biedt. Artikel 1, sub f-ii, dekt weliswaar het onderhavige geval, maar dat geldt alleen voor de betaling van een gehandicaptenuitkering. In dit geval betreft het in ieder geval de echtgenoot van de werknemer alsmede zijn minderjarige kinderen en zijn meerderjarige kinderen die te zijnen laste komen. De Commissie is echter van mening, dat het Hof hier een uitlegging van het begrip "gezinslid" moet geven die voor alle gevallen een oplossing biedt. Daarom verwijst zij naar verordening nr. 1612/68, daar deze juist de mogelijkheid betreft waarin ook de Overeenkomst voorziet, dat het gezin met de werknemer gaat naar de staat waar deze werkzaam is. Indien toch moet worden afgegaan op artikel 1, sub f, van verordening nr. 1408/71, wordt men in geval van artikel 1, sub f-i, mogelijk terugverwezen naar het nationale recht, dat wellicht, zoals in het onderhavige geval, het begrip "gezinslid" niet omschrijft, omdat de toelage als een eigen recht wordt beschouwd.
II - Beoordeling
60 Dat de Overeenkomst geen aanwijzing bevat voor de vraag, wie moet worden beschouwd als "gezinslid" in de zin van artikel 41, lid 1, wordt niet betwist. Tot op heden heeft het Hof zich daarover evenmin uitgesproken.
1. Bepaling op basis van nationaal recht
61 Voor een afbakening van het begrip gezinsleden overeenkomstig het nationale recht pleit de recente praktijk van de Gemeenschap bij het sluiten van associatieovereenkomsten. Zo bevat de Euro-Mediterrane Overeenkomst met Tunesië ten aanzien van artikel 65, dat lijkt op de bepaling die hier in geding is, een gemeenschappelijke interpretatieve verklaring, volgens welke "de term $gezinsleden' wordt gedefinieerd volgens de nationale wetgeving van het betrokken gastland".(34) Ingevolge artikel 96, lid 3, vervangt deze Overeenkomst de Samenwerkingsovereenkomst EEG-Tunesië van 1978, die op haar beurt in hoge mate overeenstemt met de Samenwerkingsovereenkomst EEG-Marokko. De Euro-Mediterrane Overeenkomst met het Koninkrijk Marokko van 15 november 1995 bevat bepalingen en verklaringen van dezelfde strekking.(35) Deze Overeenkomst is nog niet geratificeerd. De Europa-Overeenkomsten, die ten aanzien van de vraag van de gelijke behandeling op het gebied van de sociale zekerheid veel restrictiever zijn, bevatten eveneens vergelijkbare verklaringen.(36)
62 Op het juridisch belang van dergelijke verklaringen wordt hier niet nader ingegaan. Bij gebreke van een bijzondere verwijzing moeten begrippen van gemeenschapsrecht echter in beginsel op autonome wijze uitgelegd, omdat anders hun eenvormige toepassing verloren zou gaan. Het begrip "gezinslid" moet derhalve niet rechtstreeks door de lidstaat worden omschreven.
2. Uitbreiding van het beginsel van non-discriminatie tot in de Gemeenschap woonachtige Marokkanen
63 Een regeling die - zoals die welke de Franse Republiek voorstelt - uitsluitend uitgaat van een ononderbroken verblijf in de betrokken lidstaat, heeft als voordeel dat zij in administratief opzicht eenvoudig is. Bovendien is zij in beginsel facultatief voor de lidstaten. Maar zij lijkt te ruim. Uit artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst is op geen enkele wijze op te maken, dat het een dergelijke oplossing mogelijk maakt. Het criterium "gezinslid" dat in de Overeenkomst als toepassingsvoorwaarde voor het beginsel van non-discriminatie wordt gehanteerd, zou geen enkele betekenis meer hebben.
3. Artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1612/68
64 Artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1612/68 opent wellicht de mogelijkheid, een communautaire uitlegging aan het begrip "gezinslid" te geven.
65 Een verwijzing naar deze verordening leidt niet tot discriminatie, anders dan het Koninkrijk België beweert. België voert aan, dat ook de schoonmoeder van een Belgisch werknemer als diens gezinslid geen aanspraak kan maken op een uitkering. Daarbij gaat het er echter om, dat dankzij de beginselen van de Overeenkomst en het daarin vervatte discriminatieverbod, de gezinsleden van een Marokkaanse werknemer er eveneens recht op hebben, gelijk behandeld te worden als Belgische onderdanen. Dit betekent dat zij op deze wijze aanspraak kunnen maken op een gehandicaptenuitkering als een eigen recht.(37) Dat de schoonmoeder van een Belgisch onderdaan deze mogelijkheid onder bepaalde omstandigheden niet heeft, wordt niet zozeer verklaard door een te ruime uitlegging van het begrip "gezinslid". Veeleer komt dit omdat de Overeenkomst niet voorziet in gelijke behandeling van de gezinsleden van een Marokkaanse werknemer enerzijds, en de gezinsleden van een Belgisch onderdaan anderzijds, maar in een gelijkstelling met Belgische onderdanen.
66 Artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1612/68 geeft echter geen sluitende definitie van "gezinslid". Artikel 10, lid 2, betreft namelijk andere familieleden, wier toelating tot hun grondgebied de lidstaten kunnen begunstigen, wanneer zij ten laste komen van de werknemer of in het land van herkomst onder zijn dak leven.(38)
67 Andere bepalingen van verordening nr. 1612/68 pleiten veeleer tegen een samenhang tussen de definitie van gezinsleden onder verwijzing naar artikel 10, lid 1, en een discriminatieverbod op het gebied van sociale zekerheid. De aangehaalde bepaling is immers uitsluitend gericht op het recht van verblijf en niet op de aanspraak op socialezekerheidsrechten. Voor rechten jegens de lidstaat van ontvangst bevat verordening nr. 1612/68 een duidelijke opbouw van begunstigden. Artikel 11 staat alleen de echtgenoten en deels de kinderen van de migrerende werknemers, maar niet de verwanten in opgaande lijn bedoeld in artikel 10, lid 1, sub b, toe om zelf ook werkzaamheden te verrichten in de lidstaat van ontvangst.(39) Artikel 12 voorziet slechts in een recht op opleiding ten gunste van de kinderen van de werknemer.(40) Het discriminatieverbod op het gebied van sociale zekerheid zoals voorzien in artikel 7, lid 2, van deze verordening ten slotte geldt alleen ten aanzien van de werknemer.(41)
68 Het lijkt bijgevolg twijfelachtig, of het werkelijk gerechtvaardigd is om de criteria van artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1612/68 toe te passen op artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst.
4. Artikel 1, sub f, van verordening nr. 1408/71
69 Derhalve moet worden onderzocht, of artikel 1, sub f, van verordening nr. 1408/71 van belang kan zijn voor de omschrijving van het begrip "gezinslid".
70 Daarvóór pleit, dat het Hof het begrip sociale zekerheid van artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst naar analogie van het identieke begrip in verordening nr. 1408/71 uitlegt.(42) Dit geldt te meer, omdat zowel de Overeenkomst als verordening nr. 1408/71 erop zijn gericht, de werknemer en zijn gezinsleden een gelijke behandeling op het gebied van de sociale zekerheid te verzekeren.
71 Het arrest Krid verzet zich evenmin tegen toepassing van artikel 1, sub f, van verordening nr. 1408/71.(43) Daarin heeft het Hof beslist, dat het in de Overeenkomst met Algerije verankerde beginsel van non-discriminatie niet dezelfde personele werkingssfeer heeft als artikel 2 van verordening nr. 1408/71. Artikel 2 van verordening nr. 1408/71 omschrijft de personele werkingssfeer van deze verordening. Het ging in die zaak om de vraag, of de gezinsleden van een werknemer dankzij de Overeenkomst eveneens aanspraak konden maken op uitkeringen die het nationale recht niet als afgeleide rechten, maar enkel als eigen rechten toekent. Het Hof van Justitie oordeelde dienaangaande dat dit het geval was, en dat er ten behoeve van de Overeenkomst geen onderscheid kan worden gemaakt tussen afgeleide rechten en eigen rechten van de gezinsleden.(44) Deze overwegingen hebben echter op zich geen betrekking op de definitie van het begrip "gezinslid". Zij hebben betrekking op - inmiddels gewijzigde - rechtspraak van het Hof (het onderscheid tussen eigen en afgeleide rechten).(45)
72 Het voorwerp van het onderhavige geding valt onder artikel 1, sub f-ii, omdat de betrokken uitkeringen voor gehandicapten zijn bestemd. In deze situatie geeft de verordening een minimumdefinitie van "gezinslid". Anders dan het Verenigd Koninkrijk beweert, biedt artikel 1, sub f, echter geen oplossing voor alle typen sociale uitkeringen. Ingeval het niet gaat om een gehandicaptenuitkering, maar om andere socialezekerheidsuitkeringen, moet artikel 1, sub f-i, worden toegepast. Dit verwijst echter naar het nationale recht en de daarin voorziene regels voor de definitie van het begrip "gezinslid". Maar aangezien de gezinsleden, zoals reeds is gebleken, ingevolge de rechtspraak van het Hof dankzij artikel 41 van de Overeenkomst eveneens aanspraak kunnen maken op toelagen die het nationale recht als eigen rechten aanmerkt, moet er rekening mee worden gehouden dat het nationale recht niet voor alle typen gevallen een definitie van het begrip "gezinslid" kent. Dit is voor de eigen rechten waarop de gezinsleden zich beroepen, die niet als afgeleid worden beschouwd, ook niet noodzakelijk. Op dit punt bevat verordening nr. 1408/71 geen definitie van "gezinslid" voor alle denkbare gevallen (om deze reden kan de rechtstreekse verwijzing naar het nationale recht niet leiden tot een sluitende oplossing).
73 Deze ontoereikende definitie staat er echter niet aan in de weg, dat voor de Overeenkomst de definitie van artikel 1, sub f, van verordening nr. 1408/71 wordt overgenomen. Het gaat namelijk om een fundamentele leemte in verordening nr. 1408/71, die de communautaire wetgever moet aanvullen.(46) Aan artikel 1, sub f-ii, van verordening nr. 1408/71 zou een extensieve uitlegging kunnen worden gegeven, in die zin dat het begrip "gezinslid" daarin voor alle eigen rechten wordt gedefinieerd. Over deze kwestie behoeft hier echter geen beslissing te worden genomen. De noodzaak om een regeling in de toekomst aan te vullen, kan in ieder geval niet aan de toepassing daarvan in de weg staan, wanneer deze om systematische redenen geboden is.
74 Met dit criterium geeft artikel 1, sub f, van verordening nr. 1408/71 het begrip "gezinslid" een concrete inhoud, die het doel van het gemeenschapsrecht, de begunstiging van het gemeenschappelijk gezinsleven op het materiële gebied van de sociale zekerheid, beter weergeeft dan artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1612/68. Derhalve moet het begrip "gezinslid" aan de hand van artikel 1, sub f, van verordening nr. 1408/71 worden uitgelegd.(47)
75 De schoonmoeder wordt in de definitie van artikel 1, sub f-ii, van verordening nr. 1408/71 niet uitdrukkelijk genoemd. Maar hieruit volgt nog niet noodzakelijkerwijs, dat zij van de werkingssfeer van het beginsel van non-discriminatie is uitgesloten.
76 De bewoordingen van artikel 1, sub f-ii, van verordening nr. 1408/71 bevatten slechts een minimumdefinitie, die door het woord "ten minste" wordt gekenmerkt. Uit de systematische samenhang met artikel 1, sub f-i, van verordening nr. 1408/71 blijkt, dat wanneer deze minimumstandaard wordt overschreden, dit een zaak van het nationale socialezekerheidsrecht is. Voor de eigen rechten, die naar nationaal recht niet op een relatie van verwantschap met de werknemer berusten en derhalve ook geen overeenkomstige definitie van gezinsleden bevatten, wordt de kring van begunstigden aldus beperkt tot deze minimumstandaard.
77 Maar wanneer de doelstelling van artikel 1, sub f-ii, van verordening nr. 1408/71 in historisch perspectief wordt geplaatst, is deze conclusie niet gerechtvaardigd. Deze bepaling is pas bij verordening (EEG) nr. 1247/92(48) in verordening nr. 1408/71 ingevoegd. De tweede overweging van de considerans van deze verordening luidt als volgt:
"Overwegende dat het noodzakelijk is de definitie van $gezinslid' in verordening (EEG) nr. 1408/71 uit te breiden om deze in overeenstemming te brengen met de rechtspraak van het Hof van Justitie over de uitlegging van deze term."
Volgens de toelichting bij het voorstel van de Commissie gaat het bij deze rechtspraak om de arresten Echtelieden F. en Inzirillo(49), waarin het Hof de definitie van gezinsleden door het nationale recht als ontoereikend heeft aangemerkt en haar heeft uitgebreid tot ten laste van de werknemer komende meerderjarige kinderen. Deze gemeenschapsrechtelijke uitbreiding van een in het recht van de lidstaten veel restrictievere definitie van het gezin, moet volgens deze arresten niet als absoluut worden gezien, maar veeleer als een uitdrukking van het billijkheidsbeginsel, dat in het bijzonder mede met inachtneming van de aan artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1612/68 ten grondslag liggende waarden moet worden toegepast.(50)
78 In de verdere procedure procedure tot wijziging van verordening nr. 1408/71 bij verordening nr. 1247/92 is de door het gemeenschapsrecht vereiste openheid van het begrip "gezinslid" erkend. Terwijl het Commissievoorstel dit begrip nog strikt omschreef als "de echtgenoot, de minderjarige kinderen, alsmede de te zijnen laste komende meerderjarige kinderen"(51), is aan de definitieve versie van artikel 1, sub f-ii, van verordening nr. 1408/71 het woord "ten minste" toegevoegd. Hoewel de systematische samenhang op het tegendeel duidt, verwijst deze minimumstandaard voor een meer extensieve uitlegging dus niet uitsluitend naar de nationale rechtsstelsels, maar ook naar het gemeenschapsrecht.
79 Een gemeenschapsrechtelijke uitbreiding berust niet uitsluitend op het billijkheidsbeginsel. Juist ten aanzien van de werkingssfeer van artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst moet rekening worden gehouden met het feit, dat de overheveling van de definitie van artikel 1, sub f-ii, van verordening nr. 1408/71 een zeer ruim juridisch begrip aanzienlijk beperkt. Werknemers die in een ander land wonen, moeten allereerst voor hun minderjarige kinderen, maar verder ook voor hun meerderjarige gehandicapte kinderen en voor hun - eventueel - hulpbehoevende ouders zorg dragen, zodat het zinvol lijkt om ook deze onder het discriminatieverbod vervat in de Overeenkomst te laten vallen. Zelfs in de Westeuropese staten is het niet ongebruikelijk, het begrip gezin met inachtneming van deze behoeften uit te leggen. Juist in het kader van de Overeenkomst met het Koninkrijk Marokko komt dit begrip een nog groter gewicht toe. Op grond van de daar bestaande culturele factoren betrachten Marokkaanse gezinnen tussen de generaties een nog veel grotere solidariteit dan Europese gezinnen, en dekken zij zich zo in tegen de risico's van ouderdom. Deze culturele verschillen waren bij de sluiting van de Overeenkomst ook bij het Koninkrijk België bekend. Voor een engere opvatting van het begrip "gezinslid" zou bijgevolg een uitdrukkelijke regeling nodig zijn geweest.
80 Derhalve dienen de familiebetrekkingen die, gelet op artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1612/68, uit het oogpunt van het samenleven van verwanten bijzondere bescherming verdienen, te worden gedefinieerd, zoals het Hof van Justitie dat reeds heeft gedaan in het arrest Inzirillo.(52) Deze relatief ruime kring van personen kan worden beperkt dankzij de eis van samenleven die in artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst is voorzien. Hoe verder verwijderd de verwantschap van de begunstigde met de Marokkaanse werknemer is, des te meer eisen met name ten aanzien van de duur, de economische aspecten en de plaats van het samenleven kunnen worden gesteld. Zo kan bijvoorbeeld ook rekening worden gehouden met de redenen om samen te leven, de mogelijkheid voor de begunstigde om met andere, nauwer verwante familieleden samen te leven, of eventueel alleen te leven, ook om na te gaan of het samenleven om familieredenen geschiedt en of het niet vooral gaat om de aanspraak op rechten. Deze aanvullende beoordelingscriteria van verwantschap en daadwerkelijk samenleven komen ook overeen met de maatstaven die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aanlegt om te beoordelen of een bestaande familiebetrekking als gezinsleven in de zin van artikel 8, lid 1, van de Europese Conventie voor de Rechten van de Mens bescherming verdient.(53) Ik kom tot de slotsom, dat ook bij toepassing van artikel 1, sub f-ii, van verordening nr. 1408/71 de personele werkingssfeer van artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst dicht ligt bij die van artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1612/68.
81 Zolang een wettelijke omschrijving van het begrip "gezinslid" ontbreekt, in het bijzonder in de Overeenkomst met Marokko, vormt aanverwantschap bijgevolg een voldoende familierelatie. Voor een gerechtvaardigde aanvraag moet evenwel ook zijn voldaan aan de andere voorwaarde, te weten het samenleven. De aanvullende voorwaarde van een toereikend gemeenschappelijk leven, die, evenals het begrip gezin, ook moet worden beoordeeld met inachtneming van de Marokkaanse zienswijze, hangt echter af van elk individueel geval en belet derhalve, dat op de vraag van de verwijzende rechter een abstract antwoord wordt gegeven.
82 In het onderhavige geval moet allereerst worden vastgesteld, dat verzoekster als schoonmoeder een nauwe familieband met de werknemer heeft. Als moeder van diens echtgenote moet zij uit het oogpunt van de graad van verwantschap met een kind worden gelijkgesteld. Hieruit volgt, dat in het kader van artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst moet worden uitgegaan van het beginsel van een gemeenschappelijk gezinsleven wanneer de schoonmoeder, zoals in casu, op de datum van ontstaan van het hoofdgeding reeds tien jaar in de gezinsverband met de werknemer leeft. Bovendien pleit het economische aspect van het onderhoud van verwanten in opgaande lijn, voorzien in artikel 10, lid 1, sub b, van verordening nr. 1612/68 eveneens voor deze oplossing. Volgens de aanwijzingen van de verwijzende rechter beschikt mevrouw Mesbah niet over eigen inkomsten. Daarom moet worden aangenomen, dat zij door het gezin van haar schoonzoon wordt onderhouden. In dit geval moet de Marokkaanse schoonmoeder van een (Marokkaanse) werknemer die sedert tien jaar in diens huishouden in België woont, worden beschouwd als gezinslid in de zin van artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst EEG-Marokko.
D - Conclusie
83 Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
"1) Een gezinslid van een werknemer die aanvankelijk Marokkaan was en vervolgens de Belgische nationaliteit heeft verworven, kan zich op artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko blijven beroepen en te zijnen gunste het daarin neergelegde beginsel van non-discriminatie van Marokkaanse werknemers en de bij hen wonende gezinsleden geldend maken, echter enkel voor zover de werknemer zijn Marokkaanse nationaliteit naast de Belgische nationaliteit heeft behouden.
2) Ook een verwant in opgaande lijn of een aanverwant kan als $gezinslid' in de zin van de Overeenkomst EEG-Marokko worden beschouwd. Het staat aan de nationale rechter te beslissen of, met inachtneming van de graad van verwantschap, de redenen, intensiteit en duur van het samenleven met de werknemer voldoende grond vormen voor een aanspraak in de zin van artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst."
(1) - Overeenkomst van 27 april 1976, namens de Gemeenschap goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2211/78 van de Raad van 26 september 1978, betreffende de sluiting van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko (PB L 264, blz. 1).
(2) - Naar zeggen van de Belgische regering heeft zij sinds 9 januari 1998 de Belgische nationaliteit.
(3) - Artikel 4 van de wet van 27 februari 1987, zoals gewijzigd bij de wet van 20 juli 1991.
(4) - Er is een verklaring overgelegd die bevestigt dat hij Marokkaans onderdaan is en die dienaangaande verwijst naar een Marokkaans paspoort dat hem op 27 mei 1991 is verstrekt.
(5) - Arrest van 12 oktober 1978, Belbouab (10/78, Jurispr. blz. 1915), en arrest van 14 november 1990, Buhari Haji (C-105/89, Jurispr. blz. I-4211).
(6) - Arrest van 26 mei 1993 (C-171/91, Jurispr. blz. I-2925).
(7) - Arrest van 7 juli 1992 (C-369/90, Jurispr. blz. I-4239).
(8) - Arresten aangehaald in voetnoot 5.
(9) - Arrest van 8 juli 1992, Jurispr. blz. I-4401).
(10) - Arrest van 5 april 1995 (C-103/94, Jurispr. blz. I-719).
(11) - PB L 149, blz. 2.
(12) - Arrest van 16 maart 1978, Oehlschläger (104/77, Jurispr. blz. 791, punt 4).
(13) - Arrest van 11 maart 1980, Foglia (104/79, Jurispr. blz. 745, punt 11).
(14) - Arrest van 29 november 1978, Redmond (83/78, Jurispr. blz. 2347, punt 26).
(15) - Arrest van 20 maart 1986, Tissier (35/85, Jurispr. blz. 1207, punt 9).
(16) - Arrest aangehaald in voetnoot 5.
(17) - Artikel 2 van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 tot wijziging en bijwerking van verordening (EEG) nr. 1408/71 en van verordening (EEG) nr. 574/72 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 (PB L 28, blz. 1).
(18) - Arrest aangehaald in voetnoot 5, punten 18 en 19.
(19) - Arrest aangehaald in voetnoot 9, punten 11 e.v.
(20) - Arrest aangehaald in voetnoot 10.
(21) - Ibidem, punt 26.
(22) - Arrest in zaak C-103/94 (aangehaald in voetnoot 10, punten 28 e.v.).
(23) - Arrest aangehaald in voetnoot 7.
(24) - Ibidem, punt 10.
(25) - Reeds aangehaald, punt 10.
(26) - Reeds aangehaald, punt 14.
(27) - Daartoe beroept het Koninkrijk België zich in de na de terechtzitting overgelegde brief op de "Overeenkomst betreffende bepaalde vragen die rijzen bij gebreke van overeenstemming tussen de nationaliteitswetgevingen", besluit van de Haagse Internationale Codificatieconferentie van 1930, door het Koninkrijk België overgenomen bij wet van 1939. Afgezien van het feit dat dit argument als tardief moet worden aangemerkt, kan daarop het volgende worden gezegd. Volgens vaste rechtspraak van het Hof beoogt artikel 234, lid 1, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 307, lid 1, EG) overeenkomstig de beginselen van het volkenrecht te preciseren, dat de toepassing van het Verdrag de verplichting van de betrokken lidstaat, de uit een eerdere overeenkomst voortvloeiende rechten van derde landen te eerbiedigen en de daarmee samenhangende plichten na te komen, ongemoeid laat (arrest van 14 oktober 1980, Burgoa, 812/79, Jurispr. blz. 2787, punt 8). Dit heeft echter enkel betrekking op de rechten van derde landen en op de verplichtingen van de lidstaten (arrest van 2 augustus 1993, Levy, C-158/91, Jurispr. blz. I-4287, punt 12). Het Koninkrijk België kan aldus op geen enkele wijze uit een eerdere overeenkomst afleiden dat zijn eigen nationaliteit voorrang heeft boven die van een derde land. Krachtens de beginselen van het volkenrecht doet een staat door de enkele aanvaarding van een nieuwe verplichting, strijdig met hem uit een eerder Verdrag toekomende rechten, afstand van die rechten althans voor zover zulks voor de nakoming van zijn nieuwe verplichting noodzakelijk is (arrest van 27 februari 1962, Commissie/Italië, 10/61, Jurispr. blz. 1, punten 22 e.v.). In het onderhavige geval heeft het Koninkrijk België in het kader van de Overeenkomst een nieuwe verplichting aanvaard. Daaraan moet nog worden toegevoegd, dat de Overeenkomst volgens vaste rechtspraak wordt beschouwd als een onderdeel van de communautaire rechtsorde (arrest van 30 april 1974, Haegeman, 181/73, Jurispr. blz. 449, punten 2-6, en arrest van 26 oktober 1982, Kupferberg, 104/81, Jurispr. blz. 3641, punten 13 e.v.).
(28) - Arrest van 3 oktober 1996, Hallouzi-Choho (C-126/95 (Jurispr. blz. I-4807, punten 35 e.v.).
(29) - Voor de Overeenkomst met Algerije zie arrest van 15 januari 1998, Babahenini (C-113/97, Jurispr. blz. I-183, punt 25).
(30) - Arrest van 31 januari 1991, Kziber (C-18/90, Jurispr. blz. I-199, punt 28).
(31) - Verordening van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 2).
(32) - Arrest aangehaald in voetnoot 10, punt 39.
(33) - Arrest van 20 april 1994 (C-58/93, Jurispr. blz. I-1353).
(34) - PB 1998, L 97, blz. 2 (20, 16 en 182); vgl. Peers, CMLRev 1996, 7 (35). Artikel 65, lid 1, eerste alinea, van de Euro-Mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Tunesië, anderzijds, luidt: "Behoudens het bepaalde in de onderstaande leden vallen de werknemers van Tunesische nationaliteit en de bij hen woonachtige gezinsleden op het gebied van de sociale zekerheid onder een regeling die wordt gekenmerkt door het ontbreken van elke discriminatie op grond van nationaliteit tussen deze werknemers en de eigen onderdanen van de lidstaten waar zij werkzaam zijn."
(35) - COM(95) 740, blz. 33 en 44.
(36) - Zie bijvoorbeeld de verklaring van artikel 38 van de Europa-Overeenkomst met Hongarije.[PB 1993, L 347, blz. 265; vgl. Peers, CMLRev 1996, 7 (25)].
(37) - Arrest Babahenini, aangehaald in voetnoot 29, punt 25.
(38) - Artikel 10, lid 2, luidt als volgt: "De lidstaten begunstigen de toelating van alle familieleden die niet onder de bepalingen van lid 1 vallen, indien zij ten laste zijn van bovenbedoelde werknemer dan wel in het land van herkomst onder zijn dak leven."
(39) - Artikel 11 luidt als volgt: "De echtgenoot van een onderdaan van een lidstaat die op het grondgebied van een lidstaat arbeid al of niet in loondienst verricht, alsmede de kinderen onder de 21 jaar of die te zijnen laste zijn hebben het recht, zelfs indien zij niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, om op het gehele grondgebied van die lidstaat iedere arbeid in loondienst te aanvaarden."
(40) - Artikel 12 luidt als volgt: "De kinderen van een onderdaan van een lidstaat, die op het grondgebied van een andere lidstaat arbeid verricht of heeft verricht, worden, indien zij aldaar woonachtig zijn, onder dezelfde voorwaarden als de eigen onderdanen van deze staat toegelaten tot het algemene onderwijs, het leerlingstelsel en de beroepsopleiding."
(41) - Artikel 7, lid 2, luidt als volgt: "Hij [de werknemer] geniet er dezelfde sociale en fiscale voordelen als de nationale werknemers."
(42) - Arrest Kziber, aangehaald in voetnoot 30, punt 25.
(43) - Arrest aangehaald in voetnoot 10, punt 39.
(44) - Ibidem, punt 39.
(45) - Arrest van 30 april 1996, Cabanis-Issarte (C-308/93, Jurispr. blz. I-2097).
(46) - Een vergelijkbaar probleem zal zich in de toekomst voordoen voor de werkingssfeer van de Euro-Mediterrane Overeenkomst, voor zover het in artikel 65 genoemde gebied van de sociale zekerheid gezinsleden eigen rechten toekent die ingevolge de interpretatieve verklaringen naar nationaal recht moeten worden omschreven (zie hiervoor, punten 61 e.v.). Ingevolge de bewoordingen van de betrokken bepalingen moet de gehandicaptenuitkering daarvan echter reeds bij voorbaat materieel worden uitgesloten.
(47) - Wat de afgeleide rechten betreft komt het begrip "gezinslid" in beginsel voort uit punt i, maar op het materiële gebied van de gehandicaptenuitkeringen, althans volgens de aanwijzingen, uit punt ii. Voor de toepassing van het beginsel van non-discriminatie van artikel 3 van verordening nr. 1408/71 op eigen rechten stelt punt ii ter zake van gehandicaptenuitkeringen een minimumstandaard vast. Maar voor andere eigen rechten bestaat nog een leemte.
(48) - Verordening van de Raad van 30 april 1992 (PB L 136, blz. 1).
(49) - COM(85) 396, blz. 8, waarin wordt verwezen naar het arrest van 17 juni 1975, Echtelieden F. (7/75, Jurispr. blz. 679, punten 18-20), en het arrest van 16 december 1976, Inzirillo (63/76, Jurispr. blz. 2057, punten 18-21).
(50) - Zie de conclusie van advocaat-generaal Trabucchi van 10 juni 1975 bij het arrest Echtelieden F., aangehaald in voetnoot 49, Jurispr. blz. 697; het Hof van Justitie heeft in de punten 18-20 deze conclusie niet gevolgd; alsook de conclusie van advocaat-generaal Reischl van 7 december 1976 onder het arrest Inzirillo, aangehaald in voetnoot 49, Jurispr. blz. 2071 e.v., die zich op het standpunt van de Commissie baseerde, dat ditmaal door het Hof werd gevolgd (punten 18-21).
(51) - PB 1985, C 240, blz. 6.
(52) - Arrest aangehaald in voetnoot 49.
(53) - Zie de arresten Keegan van 26 mei 1990, punt 45, Serie A, Bd. 290; Moustaquin, van 18 februari 1991, punt 36, Serie A, Bd. 193; Hokkanen, van 23 september 1994, punt 54, Serie A, Bd. 299; Hoffmann, van 23 juni 1993, punt 29, Serie A, Bd. 255; Bouchelkia, van 29 januari 1997, punt 41, Reports 1997, 47; zie ook Wildhaber en Breitenmoser, in: Internationaler Kommentar zur Europäischen Menschenrechtskonvention, Stand: 3. Lieferung, 1995, artikel 8, punten 389 e.v.; Harris, O'Boyle en Warbrick: Law of the European Convention of Human Rights, Londen, 1995, blz. 315.
Full & Egal Universal Law Academy