Conclusie van de advocaat generaal
A - Feiten
1 Met het onderhavige beroep verwijt de Commissie het Koninkrijk België, dat het, door voor de registratie van luchtvaartuigen van ondernemers uit andere lidstaten van de Gemeenschap een verblijf of vestiging van ten minste één jaar in België te verlangen, de krachtens de artikelen 6 en 52 EG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 De voorwaarde van verblijf respectievelijk vestiging is neergelegd in artikel 3, § 3, 2_, sub c en d, van het koninklijk besluit van 15 maart 1954 tot regeling der luchtvaart.
3 Bij brief van 31 oktober 1995 vestigde de Commissie de aandacht van het Koninkrijk België op het - naar haar mening bestaande - probleem van de verenigbaarheid van voornoemd Belgisch voorschrift met de artikelen 6, 52 en 59 EG-Verdrag. Het Koninkrijk België wees daarop in een brief op een ontwerpbesluit tot wijziging van de bestaande regeling.
4 Omdat de Commissie vervolgens geen verdere informatie ontving over de wijziging van de in geding zijnde Belgische bepalingen, zond zij het Koninkrijk België op 19 juni 1997 een met redenen omkleed advies, waarbij zij het Koninkrijk België verzocht om binnen twee maanden na de kennisgeving ervan aan het advies te voldoen.
5 In zijn antwoord van 28 juli 1997 bevestigde het Koninkrijk België de bezwaren betreffende de verenigbaarheid van de Belgische bepalingen met de communautaire voorschriften. De verblijfs- respectievelijk vestigingsvoorwaarde bestaat evenwel nog steeds.
6 Daarop stelde de Commissie op 28 mei 1998 beroep in, en zij concludeert dat het den Hove behage:
1) vast te stellen, dat het Koninkrijk België, door voor de registratie van luchtvaartuigen krachtens artikel 3, § 3, 2_, sub c en d, van het koninklijk besluit van 15 maart 1954 tot regeling der luchtvaart, van communautaire ondernemers een verblijf of vestiging van één jaar in die staat te verlangen, de krachtens de artikelen 6 en 52 EG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;
2) het Koninkrijk België in de kosten te verwijzen.
7 In haar memorie van repliek heeft de Commissie afstand gedaan van het op artikel 59 gebaseerde onderdeel van haar beroep zoals dat aanvankelijk in het verzoekschrift was geformuleerd.
8 Het Koninkrijk België heeft in zijn verweerschrift weliswaar geen uitdrukkelijke verzoeken gedaan, maar het stelt, dat de in geding zijnde bepalingen over de registratie van luchtvaartuigen zijn gewijzigd in de zin van de bezwaren van de Commissie. De betrokken Belgische wettelijke regeling is derhalve in overeenstemming met de artikelen 6 en 52 van het Verdrag.
9 In afwachting van de inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen heeft de bevoegde administratie de opdracht gekregen de betrokken bepalingen niet toe te passen op natuurlijke of rechtspersonen uit andere lidstaten. Sedert 1996 garandeert de administratie in de praktijk de gelijke behandeling van de Belgische onderdanen en de onderdanen van andere lidstaten.
B - Beoordeling
10 In casu is sprake van een schending van de artikelen 6 en 52 van het Verdrag, aangezien onderdanen van andere lidstaten geen luchtvaartuigen kunnen laten registreren indien zij niet sedert ten minste één jaar in België verblijven of daar hun vestiging hebben. Een discriminatie op grond van nationaliteit staat dus vast. De daaruit volgende schending van de artikelen 6 en 52 van het Verdrag wordt op zich niet uitdrukkelijk bestreden.
11 Met betrekking tot het door het Koninkrijk België gevoerde verweer, dat de administratie de betrokken bepalingen van het koninklijk besluit van 15 maart 1954 sedert 1996 niet meer toepast, moet worden vastgesteld dat een dergelijk verweer volgens vaste rechtspraak van het Hof een bestaande schending van het Verdrag niet kan rechtvaardigen.(1)
12 Ook de verwijzing naar een bestaand wetsontwerp kan aan die conclusie geen afbreuk doen.
Kosten
13 Overeenkomstig artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dient het Koninkrijk België in de kosten te worden verwezen, voor zover dit is gevorderd.
C - Conclusie
14 Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
1) vast te stellen, dat het Koninkrijk België, door bij artikel 3, § 3, 2_, sub c en d, van het koninklijk besluit van 15 maart 1954 tot regeling van de luchtvaart, voor de registratie van luchtvaartuigen van communautaire ondernemers een verblijf of vestiging van één jaar in België te verlangen, de krachtens de artikelen 6 en 52 EG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;
2) het Koninkrijk België in de kosten te verwijzen.
(1) - Arrest van 7 maart 1996, Commissie/Frankrijk (C-334/94, Jurispr. blz. I-1307, punt 30, waarin wordt verwezen naar andere arresten).
Full & Egal Universal Law Academy