Conclusie van de advocaat generaal
1. Het verzoek om een prejudiciële beslissing in de onderhavige zaak betreft de uitlegging van richtlijn 87/102/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet (hierna: richtlijn" of richtlijn 87/102").
Het Landgericht Potsdam (Duitsland) wenst te vernemen, of die richtlijn van toepassing is op een borgtochtovereenkomst die door een consument" is gesloten tot zekerheid van de terugbetaling van een krediet dat door een handelszaak aan een derde is toegestaan.
I - Het toepasselijke recht
Richtlijn 87/102
2. Richtlijn 87/102 verleent de consumenten van de lidstaten een minimale bescherming op het gebied van het consumentenkrediet.
3. Artikel 1 van richtlijn 87/102 bepaalt:
1. Deze richtlijn is van toepassing op kredietovereenkomsten.
2. In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:
a) ,consument: een natuurlijk persoon die ten aanzien van de onder deze richtlijn vallende transacties handelt voor doeleinden buiten zijn bedrijf of beroep;
b) ,kredietgever: een natuurlijk persoon of rechtspersoon of een groep van dergelijke personen, die in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep krediet verleent;
c) ,kredietovereenkomst: een overeenkomst waarbij een kredietgever aan een consument in de vorm van uitstel van betaling, van een lening of van een andere soortgelijke financieringsregeling, krediet verleent of toezegt.
(...)
d) ,totale kosten van het aan de consument verleende krediet: alle kosten, met inbegrip van de rente en de andere kosten, die de consument verplicht is voor het krediet te betalen;
e) ,jaarlijks kostenpercentage: de totale kosten van het aan de consument verleende krediet, uitgedrukt in een percentage op jaarbasis van het verleende krediet en berekend overeenkomstig de [bepalingen van de richtlijn]."
4. Artikel 2 van richtlijn 87/102 luidt:
1. Deze richtlijn is niet van toepassing op:
(...)
b) huurovereenkomsten, behalve wanneer daarin bepaald is dat het eigendomsrecht uiteindelijk aan de huurder wordt overgedragen;
(...)
f) kredietovereenkomsten waarbij het om bedragen van minder dan 200 of meer dan 20 000 ECU gaat;
(...)"
5. Artikel 4 van richtlijn 87/102 bepaalt:
1. Kredietovereenkomsten worden schriftelijk aangegaan. De consument ontvangt een exemplaar van de schriftelijke overeenkomst.
2. De schriftelijke overeenkomst bevat:
a) een opgave van het jaarlijkse kostenpercentage;
b) een opgave van de voorwaarden waaronder het jaarlijkse kostenpercentage kan worden gewijzigd.
(...)
c) een opgave van bedrag, nummer en vervaldata of data van de betalingen die de consument moet verrichten voor de aflossing van het krediet en de betaling van rente en overige kosten, alsmede het totale bedrag van deze betalingen, indien dat mogelijk is;
d) een opgave van de [kosten van het krediet] (...) die niet zijn betrokken in de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage, doch die onder bepaalde omstandigheden door de consument moeten worden betaald, alsmede een specificatie van die omstandigheden (...)
3. De schriftelijke overeenkomst moet voorts de andere essentiële contractvoorwaarden bevatten.
Bij wijze van voorbeeld is in de bijlage [I] bij deze richtlijn een lijst opgenomen van voorwaarden die de lidstaten als zijnde essentieel, verplicht kunnen stellen voor de schriftelijke overeenkomst."
6. Ingevolge bijlage I omvat de lijst van de andere essentiële contractvoorwaarden":
1. [Met betrekking tot de] kredietovereenkomsten die de levering van bepaalde goederen of het verrichten van bepaalde diensten betreffen:
i) een beschrijving van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft;
ii) de prijs bij contante betaling en de bij de kredietovereenkomst bedongen prijs;
iii) het bedrag van de eventuele aanbetaling, het aantal en het bedrag van de aflossingen en de data waarop zij vervallen (...);
iv) vermelding dat de consument, zoals bepaald in artikel 8 [van de richtlijn], bij vervroegde aflossing [van het krediet] recht heeft op vermindering;
v) vermelding wie de eigenaar van de goederen is (indien het eigendomsrecht niet onmiddellijk wordt overgedragen aan de consument) en de voorwaarden waaronder de consument eigenaar van de goederen wordt;
vi) een beschrijving van de eventueel verlangde zekerheden;
vii) de eventuele bedenktijd;
viii) een aanduiding van de eventueel verlangde verzekering(en) en vermelding van de verzekeringskosten wanneer de consument de verzekeraar niet zelf mag kiezen;
ix) de vermelding van de eventuele verplichting van de consument om een bepaald spaarbedrag op een speciale rekening te zetten.
(...)"
7. Artikel 15 van richtlijn 87/102 luidt:
Deze richtlijn belet de lidstaten niet om, met inachtneming van hun verplichtingen voortvloeiend uit het Verdrag, verderreikende voorschriften ter bescherming van de consument te handhaven of aan te nemen."
De nationale bepalingen
8. De richtlijn is in de Bondsrepubliek Duitsland in nationaal recht omgezet bij het Verbraucherkreditgesetz van 17 december 1990 (wet betreffende het consumentenkrediet; hierna: VerbrKrG").
9. Krachtens § 1 VerbrKrG is die wet van toepassing op kredietovereenkomsten gesloten (...) tussen een persoon die in het kader van zijn bedrijfs- of zelfstandige beroepsactiviteit een krediet verleent (kredietgever) (...), en een natuurlijke persoon, tenzij het krediet (...) voor de door hem reeds uitgeoefende bedrijfs- of zelfstandige beroepsactiviteit bestemd is (consument)".
De Duitse wetgeving beschermt dus niet alleen natuurlijke personen die een kredietovereenkomst voor privédoeleinden sluiten, maar ook zij die een kredietovereenkomst sluiten ter financiering van een toekomstige beroepsactiviteit. Daarentegen zijn natuurlijke personen die een dergelijke overeenkomst ter financiering van een reeds bestaande beroepsactiviteit sluiten, van haar werkingssfeer uitgesloten.
10. § 7 VerbrKrG verleent de consument het recht de kredietovereenkomst binnen een bepaalde termijn te herroepen. Die termijn bedraagt één week te rekenen van de datum waarop de belanghebbende naar behoren is ingelicht over het bestaan van zijn recht van intrekking. Is hem die informatie niet meegedeeld, dan kan de consument zijn recht van intrekking gedurende de gehele duur van de kredietovereenkomst uitoefenen, doch uiterlijk één jaar na de datum van zijn verbintenis.
II - De feiten en de procedure in het hoofdgeding
11. Op 8 december 1993 verleende de vennootschap Berliner Kindl Brauerei AG (hierna: brouwerij") Diesterbeck (hierna ook hoofdschuldenaar" genoemd) een lening ten bedrage van 32 000 DEM; tevens verhuurde zij hem mobilair ter waarde van 58 523 DEM. Die overeenkomsten waren bestemd om het de hoofdschuldenaar mogelijk te maken een restaurant in te richten.
12. Bij schriftelijke verklaring van 20 december 1993 stelde A. Siepert zich borg voor de verbintenissen van Diesterbeck jegens de brouwerij, zulks voor een bedrag van 90 000 DEM. Het staat vast, dat deze borgstelling geen verband hield met Sieperts beroepsactiviteit. Deze laatste is overigens niet ingelicht over het feit dat hij het recht had de borgstelling in te trekken.
13. In juni 1994 trok Siepert zijn toestemming in. Tijdens een onderhoud met een medewerker van de brouwerij deelde hij mee, dat hij zich niet meer borg wenste te stellen voor Diesterbeck, en trok hij zijn borgtochtverklaring in.
14. Toen Diesterbeck zijn verplichtingen niet nakwam, besloot de brouwerij de leningovereenkomst op te zeggen en haar schuldvordering langs gerechtelijke weg te innen. Zo verkreeg zij, dat de hoofdschuldenaar werd veroordeeld haar 28 952,43 DEM te betalen.
15. Daarnaast dagvaardde de brouwerij Siepert op grond van de borgtochtovereenkomst in betaling van het betrokken bedrag.
16. Bij verstekvonnis van 8 december 1997 veroordeelde het Landgericht Potsdam Siepert tot betaling van dat bedrag.
17. Siepert ging echter van dat vonnis in verzet. Hij stelt, dat hij de betrokken borgtochtovereenkomst rechtsgeldig binnen de bij § 7 VerbrKrG voorgeschreven termijn van een jaar heeft ingetrokken.
18. In zijn verwijzingsbeschikking stelt het Landgericht Potsdam vast, dat de tussen de brouwerij en de hoofdschuldenaar gesloten kredietovereenkomst binnen de werkingssfeer van het VerbrKrG valt. De verwijzende rechter vraagt zich echter af, of de bepalingen van de Duitse wetgeving van toepassing zijn op de door Siepert gesloten borgtochtovereenkomst.
III - De prejudiciële vraag
19. Van oordeel dat het om zich daarover te kunnen uitspreken noodzakelijk is de werkingssfeer van richtlijn 87/102 af te bakenen, heeft het Landgericht Potsdam besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de navolgende vraag:
Valt een door een natuurlijke persoon buiten het kader van zijn beroep gesloten borgtochtovereenkomst binnen de werkingssfeer van richtlijn 87/102/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet (PB 1987, L 42, blz. 48), wanneer deze is gesloten tot zekerheid van de terugbetaling van een schuld die door de hoofdschuldenaar niet is aangegaan in het kader van de beroepsactiviteit die hij reeds verricht?"
IV - De bevoegdheid van het Hof
20. Ter terechtzitting heeft de brouwerij de ontvankelijkheid van de prejudiciële verwijzing betwist.
21. Zij betoogt, dat richtlijn 87/102 los van de voorgelegde vraag niet op het hoofdgeding van toepassing is.
In de eerste plaats wordt de consument" in de richtlijn gedefinieerd als een natuurlijk persoon die handelt voor doeleinden buiten zijn beroepsactiviteit. De richtlijn zou dus niet van toepassing zijn op een particulier die, zoals in casu, een kredietovereenkomst sluit om de start van een handelsactiviteit te financieren. Alleen de Duitse wetgeving zou die categorie van consumenten" beschermen.
In de tweede plaats is de richtlijn niet van toepassing op kredietovereenkomsten waarbij het om bedragen van meer dan 20 000 ECU gaat. Het door de hoofdschuldenaar verkregen krediet nu overschrijdt dat bedrag, daar het 90 523 DEM, of 46 903 ECU, bedraagt. Niettegenstaande zouden de litigieuze contracten toch binnen de werkingssfeer van het VerbrKrG vallen. Voor kredieten ter financiering van de start van een beroepsactiviteit geldt volgens de Duitse wetgeving immers een hoger maximum dan volgens de richtlijn, namelijk 100 000 DEM.
In de derde plaats verleent de richtlijn de consument niet het recht de kredietovereenkomst in te trekken. Dus zelfs aangenomen dat de door de richtlijn geboden bescherming zich tot de borgstelling uitstrekt, zou Siepert zich in geen geval op het gemeenschapsrecht kunnen beroepen om aan de gevolgen van zijn borgtochtverklaring te ontkomen. Alleen § 7 VerbrKrG verleent hem die mogelijkheid.
Bijgevolg zou het hoofdgeding buiten de werkingssfeer van de richtlijn vallen, en zouden alleen de bepalingen van het VerbrKrG van toepassing zijn.
22. Het betoog van de brouwerij doet a priori een probleem rijzen dat vergelijkbaar is met het probleem dat aan het arrest Dzodzi ten grondslag ligt. In feite vraagt de bouwerij, of het Hof krachtens artikel 177 van het Verdrag bevoegd is richtlijn 87/102 uit te leggen, wanneer het hoofdgeding buiten de werkingssfeer van die richtlijn valt.
23. In het arrest Dzodzi staat te lezen, dat het Hof zich herhaaldelijk bevoegd heeft verklaard om uitspraak te doen op verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffende bepalingen van gemeenschapsrecht in situaties waarin de feiten van het hoofdgeding buiten de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht vielen, doch waarin deze bepalingen toepasselijk waren gemaakt door het nationale recht (...)"
Voorts verklaarde het Hof voor recht: Het Hof is krachtens artikel 177 EG-Verdrag bevoegd het gemeenschapsrecht uit te leggen wanneer dit de betrokken situatie niet rechtstreeks regelt, doch de nationale wetgever bij de omzetting van de bepalingen van een richtlijn in nationaal recht heeft besloten, zuiver interne situaties op dezelfde wijze te behandelen als situaties die door de richtlijn worden geregeld, en hij zijn nationale wetgeving dus heeft aangepast aan het gemeenschapsrecht."
24. Die rechtspraak lijkt mij in casu echter niet relevant.
25. Het arrest Dzodzi betreft immers het geval waarin de autoriteiten van een lidstaat proprio motu en unilateraal de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht hebben uitgebreid tot situaties waarvan het niet de bedoeling was dat zij door het gemeenschapsrecht zouden worden geregeld.
Zo had de Duitse wetgever in de zaak Gmurzynska-Bscher het percentage van een nationale belasting over de invoer van goederen uit een andere lidstaat vastgesteld onder verwijzing naar de nomenclatuur van het - op invoer uit derde landen toepasselijke - gemeenschappelijk douanetarief.
In de zaak Dzodzi had de Belgische wetgeving het voordeel van bepaalde gemeenschapsrechten - meer in het bijzonder het recht van verblijf - uitgebreid tot de buitenlandse echtgenoot van een Belgisch onderdaan, zelfs in het geval waarin deze laatste nooit zijn recht van vrij verkeer binnen de Gemeenschap had uitgeoefend.
Ook in de zaak Leur-Bloem had de Nederlandse wetgever de regeling van richtlijn 90/434/EEG - van toepassing op fusies, splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lidstaten - uitgebreid tot interne" fusies tussen Nederlandse vennootschappen.
26. De onderhavige zaak is echter totaal verschillend.
Richtlijn 87/102 brengt immers een minimale harmonisatie tot stand. Zij staat de lidstaten uitdrukkelijk toe verderreikende voorschriften ter bescherming van de consument te handhaven of vast te stellen.
Door de richtlijn ook toe te passen op personen en situaties die er niet in zijn bedoeld, hebben de Duitse autoriteiten dus niet autonoom of unilateraal gehandeld, maar op grond van de richtlijn zelf en volstrekt in overeenstemming met de wil van de gemeenschapswetgever. In die zin is de door de Duitse autoriteiten tot stand gebrachte uitbreiding" gebaseerd op het gemeenschapsrecht.
Bovendien blijft die uitbreiding binnen de grenzen van het door de richtlijn bestreken gebied, namelijk het consumentenkrediet.
27. Bijgevolg ben ik van mening, dat de door partijen in het hoofdgeding gesloten kredietovereenkomsten binnen de werkingssfeer van richtlijn 87/102 vallen, en meer bepaald binnen die van artikel 15 daarvan, dat een verder reikende consumentenbescherming toestaat.
28. Ik geef het Hof dan ook in overweging zich bevoegd te verklaren om zich over de onderhavige prejudiciële verwijzing uit te spreken.
V - Het antwoord op de prejudiciële vraag
29. De verwijzende rechter vraagt in wezen, of de richtlijn van toepassing is op een borgtochtovereenkomst die door een natuurlijk persoon is gesloten tot zekerheid van de terugbetaling van een door handelszaak aan een derde verleend krediet.
30. Voor het Hof is die vraag niet helemaal nieuw. In de zaak Dietzinger was het Hof immers een soortgelijke vraag voorgelegd in verband met richtlijn 85/577/EEG betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten". Het Hof oordeelde, dat een door een consument buiten de verkoopruimten van een financiële instelling gesloten borgtochtovereenkomst binnen de werkingssfeer van richtlijn 85/577 valt, indien zij strekt tot zekerheid van de terugbetaling van een schuld die door een andere consument krachtens een onder diezelfde richtlijn vallende overeenkomst is aangegaan.
31. Het Hof dient zich dus uit te spreken over de vraag, of richtlijn 87/102 op dezelfde wijze als richtlijn 85/577 kan worden uitgelegd.
32. Om die vraag te kunnen beantwoorden, moeten conform de door het Hof gehanteerde uitleggingsmethoden, de bewoordingen, de structuur en de doelstellingen van richtlijn 87/102 worden onderzocht.
De bewoordingen van richtlijn 87/102
33. De werkingssfeer van richtlijn 87/102 is uitdrukkelijk afgebakend in de richtlijn zelf.
34. Volgens artikel 1 is zij van toepassing op kredietovereenkomsten", dat wil zeggen overeenkomsten waarbij een kredietgever aan een consument in de vorm van uitstel van betaling, van een lening of van een andere soortgelijke financieringsregeling, krediet verleent of toezegt".
35. Zoals hierboven gedefinieerd nu, dekt het begrip kredietovereenkomst" niet de borgtochtovereenkomst.
36. De borgstelling is immers een persoonlijke zekerheid. Nauwkeuriger gezegd, is het een overeenkomst waarbij iemand zich jegens de schuldeiser bij wege van zekerheid ertoe verbindt, de verbintenis van de hoofdschuldenaar na te komen, mocht deze laatste ze niet zelf nakomen. De borgstelling is dus geen lening", noch een uitstel van betaling", noch een soortgelijke financieringsregeling" in de zin van de richtlijn.
37. Voorts is de borgtochtovereenkomst ook een eenzijdig contract, daar tegenover de verbintenis van de borg geen enkele tegenprestatie van de kredietgever of de hoofdschuldenaar staat.
38. Weliswaar oordeelde het Hof in het arrest Dietzinger, dat uit dit eenzijdig karakter niet kan worden afgeleid, dat de borgstelling buiten de werkingssfeer van richtlijn 87/102 valt. Het Hof overwoog, dat de bewoordingen van de richtlijn [85/577] niet [vereisen], dat degene die de overeenkomst sluit krachtens welke goederen moeten worden geleverd of diensten moeten worden verricht, de ontvanger van deze goederen of diensten is".
39. Richtlijn 87102 echter bevat een aantal bepalingen, waaruit blijkt dat haar werkingssfeer strikt beperkt is tot synallagmatische overeenkomsten.
Zo blijkt bij de definitie van het begrip kredietovereenkomst" al uit de uitdrukking waarbij een kredietgever aan een consument (...) krediet verleent of toezegt", dat de door de richtlijn geregelde contractuele betrekkingen wederkerige betrekkingen zijn.
Ook bepaalt artikel 1, lid 2, sub d, van de richtlijn, dat de totale kosten van het aan de consument verleende krediet alle kosten van het krediet omvatten die de consument verplicht is voor het krediet te betalen".
Voorts bepaalt artikel 4, lid 2, sub c, van de richtlijn, dat de schriftelijke overeenkomst (...) een opgave van bedrag, nummer en vervaldata of data van de betalingen die de consument moet verrichten voor de aflossing van het krediet en de betaling van rente (...) [bevat]".
Een ander voorbeeld is te vinden in artikel 8 van de richtlijn, dat luidt: De consument heeft het recht vervroegd aan zijn verplichtingen uit hoofde van een kredietovereenkomst te voldoen."
40. Uit de formulering van die bepalingen blijkt dat de onder richtlijn 87/102 vallende overeenkomsten hierdoor worden gekenmerkt, dat de betrokken partijen wederkerige verbintenissen aangaan. In zoverre lijkt het mij dus onmogelijk het arrest Dietzinger op de onderhavige zaak toe te passen.
41. Aan de hand van voormelde bepalingen kan voorts het begrip consument" van artikel 1 worden gepreciseerd.
Richtlijn 87/102 lijkt het begrip consument" zeer ruim op te vatten. Zoals reeds gezegd, wordt daaronder verstaan een natuurlijk persoon die (...) handelt voor doeleinden buiten zijn bedrijf of beroep". Op het eerste gezicht zou een natuurlijk persoon die aanvaardt zich borg te stellen voor de verbintenissen van een derde buiten het kader van zijn beroepsactiviteit, dus als een consument" in de zin van de richtlijn kunnen worden gekwalificeerd.
Voormelde bepalingen beperken de draagwijdte van die definitie echter aanzienlijk. Uit de formulering ervan blijkt zeer duidelijk, dat in de optiek van de richtlijn de consument de hoofdschuldenaar is. Telkens wanneer de gemeenschapswetgever over de consument" spreekt, dicht hij hem rechten of verbintenissen toe die duidelijk zijn omschreven als rechten of verbintenissen van de begunstigde of de ontvanger van het krediet. Volgens de wetgever moet dus onder de consument" in de zin van de richtlijn de kredietnemer worden verstaan.
De voorbereidende werken bevestigen die uitlegging. In haar voorstel voor een richtlijn had de Commissie gesuggereerd de kredietovereenkomst te omschrijven als een overeenkomst waarbij een kredietgever aan een consument (...) krediet verleent (...) en het kredietbedrag met inbegrip van eventuele rente of kosten (...) moet worden terugbetaald".
42. Aangezien echter de borg geen partij bij de kredietovereenkomst, is hij niet als een consument" in de zin van richtlijn 87/102 aan te merken.
43. Naar de letter uitgelegd, is richtlijn 87/102 dus niet van toepassing op een borgtochtovereenkomst.
De structuur van richtlijn 87/102
44. In hun schriftelijke opmerkingen hebben de Franse regering en de Commissie beklemtoond, dat de borgtochtovereenkomst niet uitdrukkelijk van de werkingssfeer van richtlijn 87/102 is uitgesloten. Meer in het bijzonder is die overeenkomst niet opgenomen in artikel 2 van de richtlijn, waarin de overeenkomsten en de situaties worden genoemd waarop de richtlijn niet van toepassing is. De Commissie leidt daaruit af dat de gemeenschapswetgever geen - positief noch negatief - standpunt tegenover de borgtochtovereenkomst heeft ingenomen.
45. Hier kan ik de Commissie moeilijk volgen.
46. Richtlijn 87/102 bevat immers verschillende verwijzingen naar zakelijke en persoonlijke zekerheden.
Zo bepaalt artikel 2, lid 3, bijvoorbeeld, dat [een aantal] bepalingen [van de richtlijn] niet van toepassing [zijn] op kredietovereenkomsten of krediettoezeggingen die worden gedekt door een hypotheek op onroerend goed (...)"
Voorts wordt in bijlage I bij de richtlijn een beschrijving van de eventueel verlangde zekerheden" genoemd als één van de voorwaarden die de lidstaten als zijnde essentieel, verplicht kunnen stellen voor de schriftelijke overeenkomst.
47. In de door de Commissie bij de Raad ingediende voorstellen komen eveneens dergelijke verwijzingen voor.
Zo had de Commissie in haar oorspronkelijke voorstel bijvoorbeeld gesuggereerd, dat de kredietovereenkomst de essentiële contractuele bepalingen" diende te bevatten, en ten minste (...) gegevens over de eventueel verlangde zekerheden".
Ook het gewijzigd voorstel voor de richtlijn bepaalde: De schriftelijke overeenkomst bevat ten minste (...) vermelding van de eventueel verlangde zekerheden."
48. Uit al die verwijzingen blijkt, dat de gemeenschapswetgever bij de uitwerking van de richtlijn de zakelijke en persoonlijke zekerheden niet uit het oog heeft verloren. Inzonderheid was hij zich ervan bewust, dat voor de toekenning van een krediet vaak als voorwaarde wordt gesteld, dat de kredietnemer op een of andere wijze de terugbetaling van zijn schuld garandeert. Het feit dat de richtlijn geen bepaling bevat waarin het statuut of de regeling inzake de verlangde zekerheden" wordt gedefinieerd, toont dus aan, dat de wetgever de zekerheden buiten de werkingssfeer van de richtlijn wenste te houden.
49. Voorts hebben verschillende gemeenschapsinstellingen standpunten ingenomen waarin de wil van de wetgever nog duidelijker uitkomt.
Respectievelijk in 1995 en 1997 heeft de Commissie bij de Raad een verslag ingediend over de werking van richtlijn 87/102 en de wijze waarop de lidstaten die tekst in nationaal recht hadden omgezet.
In deze twee rapporten stelde zij vast: Hoewel in richtlijn 87/102 niet over borgstelling gesproken wordt, zijn er in verschillende landen [dienaangaande] maatregelen genomen. De Commissie stelt voor een aantal van de informatieverplichtingen van de richtlijn op borgstelling toe te passen."
Het Europees Parlement van zijn kant heeft zich in een resolutie van 11 maart 1997 over het eerste verslag van de Commissie uitgesproken. Het wijst erop dat, wanneer bepaalde door richtlijn 87/102/EEG voorgeschreven verplichtingen worden uitgebreid tot borgen en anderszins aansprakelijke personen, er rekening mee moet worden gehouden dat er feitelijke verschillen bestaan met de eerste kredietnemer (...)".
50. De brouwerij merkt terecht op, dat de Commissie en het Parlement op in voormelde documenten onderzoeken, of de lege ferenda de bepalingen van de richtlijn tot de persoonlijke zekerheden moeten worden uitgebreid. Daaruit volgt, dat de lege lata de borgstelling buiten de werkingssfeer van de richtlijn valt.
51. Wat de overige bepalingen van richtlijn 87/102 betreft, stel ik voor de functie ervan te onderzoeken in het licht van de doelstellingen die zij beogen te bereiken.
De doelstellingen van richtlijn 87/102
52. Richtlijn 87/102 beoogt de bescherming van de consumenten in het algemeen. In de considerans ervan kan men lezen:
Overwegende dat in de programma's van de Europese Economische Gemeenschap voor een beleid inzake bescherming en voorlichting van de consument onder andere wordt bepaald dat de consument moet worden beschermd tegen oneerlijke kredietvoorwaarden en dat een harmonisatie van de algemene voorwaarden met betrekking tot het consumentenkrediet een prioritaire taak is [zesde overweging].
Overwegende dat deze verschillen in wetgeving en praktijk tot gevolg hebben dat de consumentenbescherming op het gebied van het consumentenkrediet van lidstaat tot lidstaat verschilt" [zevende overweging].
53. Meer in het bijzonder beoogt richtlijn 87/102 de consument adequate informatie over de kosten en de kredietvoorwaarden te verstrekken. De negende overweging van de considerans luidt immers:
Overwegende dat de consument adequate informatie moet ontvangen over de kredietvoorwaarden en -kosten en over zijn verplichtingen; dat deze informatie onder andere betrekking moet hebben op het jaarlijkse kostenpercentage voor het krediet of, bij gebreke daarvan, op het totale bedrag dat hij aan krediet moet betalen; dat, zolang geen besluit is genomen betreffende een communautaire methode of methoden voor de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage, de lidstaten de bestaande methoden of gebruiken voor de berekening van dit percentage moeten kunnen handhaven, of, zo dit onmogelijk is, bepalingen moeten opstellen om het totale kostenpercentage van het krediet voor de consument aan te geven."
54. De meeste bepalingen van de richtlijn beogen de consument dus in staat te stellen met nauwkeurigheid de kosten van het krediet en de bijkomende lasten te kennen.
Zo moet volgens artikel 3 van de richtlijn in iedere reclamemededeling en in ieder aanbod dat in bedrijfsruimten is aangebracht en waarin de rente of enige andere cijfers worden vermeld met betrekking tot de kosten van het krediet, het jaarlijkse kostenpercentage" worden aangegeven.
Ook moeten kredietovereenkomsten ingevolge artikel 4 van de richtlijn schriftelijk worden aangegaan. In de schriftelijke overeenkomst moet de consument met name worden ingelicht over het bedrag, het aantal en de periodiciteit van de aflossingen die hij moet verrichten om het krediet terug te betalen. Ook moet de overeenkomst een afrekening bevatten van de kosten van het krediet die niet zijn begrepen in de berekening van het jaarlijks kostenpercentage en die ten laste van de consument vallen. Bovendien moet de overeenkomst de andere essentiële contractvoorwaarden" bevatten. Als voorbeeld van die voorwaarden zijn in bijlage I bij de richtlijn onder meer vermeld: de kredietlimiet, de voorwaarden voor terugbetaling, de prijs bij contante betaling en de bij de kredietovereenkomst bedongen prijs, het bedrag van de eventuele aanbetaling, het aantal en het bedrag van de aflossingen en de data waarop zij vervallen, de kosten van de verzekeringen die in voorkomend geval van de consument worden verlangd ter garantie van de terugbetaling van het krediet, enz.
Dergelijke informatieverplichtingen zijn eveneens in artikel 6 van de richtlijn te vinden. In lid 1 van die bepaling is bepaald, dat bij een overeenkomst tussen een krediet- of financiële instelling en de consument inzake kredietverlening in de vorm van een debetstand van rekening-courant (...) [de consument] in kennis [dient] te worden gesteld: van de eventuele kredietlimiet [en] van het jaarlijkse rentepercentage [alsmede van] de kosten welke (...) van toepassing zijn (...)". Lid 2 luidt: Voorts dient de consument gedurende de looptijd van de overeenkomst in kennis te worden gesteld van iedere wijziging van het jaarlijkse rentepercentage en van de kosten, op het ogenblik waarop deze wijziging zich voordoet."
55. Al die bepalingen strekken ertoe de consument in te lichten over de precieze omvang van zijn verbintenissen. Meer in het bijzonder beogen zij hem in staat te stellen precies te weten tot betaling of terugbetaling van welke bedragen hij zich bij de kredietovereenkomst verbindt.
56. Daaruit volgt, dat de richtlijn in het bijzonder ten doel heeft de consument de mogelijkheid te bieden om de kredietovereenkomst met volle kennis van zaken te sluiten en uit te voeren. Op die wijze wil zij hem beschermen tegen bepaalde risico's die inherent zijn aan het consumentenkrediet, zoals eventuele abusieve praktijken van professionele kredietverstrekkers, onverantwoorde financiële verbintenissen of nog tegen wat men denkbeeldige koopkracht" zou kunnen noemen.
57. De teleologische uitlegging van de richtlijn leidt dus tot de conclusie, dat deze hoofdzakelijk de kredietnemer wenst te beschermen.
58. Sommige interveniënten echter hebben aangevoerd, dat richtlijn 87/102 de consument de hoogst mogelijke mate van bescherming beoogt te bieden.
Zij stellen, dat de door de richtlijn geboden bescherming moet worden uitgebreid tot de borg, wanneer die zich als privé-persoon verbindt, dus buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit. Ter zake van het consumentenkrediet bevindt de borg zich immers in een situatie van fragiliteit" die vergelijkbaar is met die van de kredietnemer. Vaak gaat het om een verwant van de kredietnemer - een vriend of een familielid - die onder affectieve druk staat. De noodzaak de borg te beschermen is des te groter, daar deze aanvaardt het krediet terug te betalen zonder dat tegenover zijn verbintenis een tegenprestatie van de kredietgever of de hoofdschuldenaar staat.
59. Ik deel in grote mate de bekommernissen van die interveniënten. Los van het feit dat richtlijn niet bedoeld is om op persoonlijke zekerheden te worden toegepast, denk ik evenwel dat de door hen aangeprezen uitbreiding de borg geen passende bescherming biedt.
60. De risico's die een persoonlijke zekerheidsstelling meebrengt verschillen immers van die welke karakteristiek zijn voor het consumentenkrediet. Zij spruiten hoofdzakelijk voort uit de insolvabiliteit van de hoofdschuldenaar en uit de onwetendheid omtrent de werking van de borgstelling.
61. Een passende bescherming van hen die zich persoonlijk borg stellen houdt in, dat dezen andere informatie wordt verstrekt dan gegevens over de voorwaarden en de kosten van het krediet. Zoals de Duitse en de Finse regering terecht hebben beklemtoond, moet die informatie betrekking hebben op de solvabiliteit van de kredietnemer, de juridische regeling van de borgstelling (algemene regeling, subsidiaire borgstelling, hoofdelijke borgstelling, enz.) en op de precieze omstandigheden waarin de borg om terugbetaling van het krediet kan worden aangesproken. Ook kan men zich indenken dat, wanneer de kredietnemer een levensverzekering tot zekerheid van de terugbetaling van zijn schuld heeft gesloten, het nuttig zou zijn de borg in te lichten over zijn eventuele mogelijkheden van verhaal op de verzekeraar.
62. Vanuit dat oogpunt bezien lijken de in richtlijn 87/102 voorziene informatieverplichtingen niet te beantwoorden aan de behoeften van hen die zich als privé-persoon borg stellen als garantie van de terugbetaling van een consumentenkrediet.
63. Voorts hebben een aantal interveniënten aangevoerd, dat de borgstelling nauw verband houdt met de kredietovereenkomst. Zij hebben erop gewezen, dat het Hof in het arrest Dietzinger op basis van die band heeft geconcludeerd, dat een borgstelling binnen de werkingssfeer van richtlijn 85/577 kon vallen.
In dat arrest overwoog het Hof inderdaad: Kredietverlening (...) is een dienst en borgtocht kan slechts accessoir zijn aan een hoofdverbintenis, waarvoor hij in de praktijk meestal een voorwaarde is."
Het Hof oordeelde: Gelet op de nauwe band tussen de kredietovereenkomst en de borgtocht die de nakoming ervan garandeert, alsmede op het feit dat degene die voor de terugbetaling van een schuld instaat, hoofdelijke medeschuldenaar of borg kan zijn, kan niet worden uitgesloten, dat borgtocht onder de richtlijn valt."
64. De borgstelling houdt inderdaad in twee opzichten nauw verband met de kredietovereenkomst.
Economisch gezien stellen kredietinstellingen en financiële instellingen de toekenning van een krediet afhankelijk van de voorwaarde dat de kredietnemer de terugbetaling van zijn schuld garandeert door middel van zakelijke of een persoonlijke zekerheid.
Voorts is de borgstelling juridisch gezien een overeenkomst die accessoir is bij de hoofdovereenkomst, in casu de kredietovereenkomst. De mogelijkheid voor de schuldeiser om de borg aan te spreken hangt dus af van het bestaan en de omvang van de hoofdschuld waarvan de borg de terugbetaling garandeert.
65. De redenen waarom het Hof uit het bestaan van die nauwe band heeft afgeleid, dat een borgstelling binnen de werkingssfeer van richtlijn 85/577 kan vallen, kunnen mij echter niet overtuigen.
De motivering van het arrest Dietzinger is op dat punt overigens laconiek. Er worden enkel een aantal kenmerken van de borgstelling aangevoerd - haar nauwe band met de kredietovereenkomst en het feit dat degene die voor de terugbetaling van een schuld instaat", hoofdelijke medeschuldenaar of borg kan zijn - waaruit nagenoeg automatisch het beginsel wordt afgeleid, dat een borgtochtovereenkomst binnen de werkingssfeer van richtlijn 85/577 kan vallen.
Weliswaar is de verwijzing in het arrest Dietzinger naar het accessoir karakter van de borgstelling een specifieke toepassing van het adagium accessorium sequitur principale. Het Hof was van oordeel, dat voor zover de kredietovereenkomst binnen de werkingssfeer van richtlijn 85/577 viel, de borgtochtovereenkomst het lot van de hoofdovereenkomst moest delen.
66. Het voorgaande kan mijns inziens echter in casu niet als rechtvaardiging dienen voor de conclusie dat de borgstelling binnen de werkingssfeer van richtlijn 87/102 valt. Uit de bewoordingen, de structuur en de doelstellingen van richtlijn 87/102 blijkt immers duidelijk, dat die richtlijn niet van toepassing is op een borgtochtovereenkomst die tot zekerheid van de terugbetaling van een consumentenkrediet is gesloten.
67. In zijn conclusie in de zaak Dietzinger heeft advocaat-generaal Jacobs terecht gesteld:
Het staat uiteraard buiten kijf, dat (...) richtlijn [85/577] de consument beoogt te beschermen. Dit wil echter niet zeggen, dat alle consumenten in alle omstandigheden door richtlijn [85/577] worden beschermd: evenals andere richtlijnen die de consument beogen te beschermen, geldt richtlijn [85/577] alleen voor bepaalde transacties."
68. In casu is richtlijn 87/102 van toepassing op kredietovereenkomsten. Zij lijkt mij niet van toepassing te zijn op borgtochtovereenkomsten.
69. Concluderend wil ik - gelijk advocaat-generaal Jacobs in voormelde conclusie heeft gedaan - de verwijzende rechter erop wijzen, dat die vaststelling hem niet de mogelijkheid ontneemt het VerbrKrG anders uit te leggen. Volgens artikel 15 van de richtlijn staat het de lidstaten immers vrij om, met inachtneming van de krachtens het Verdrag op hen rustende verplichtingen, verder reikende voorschriften ter bescherming van de consument te handhaven of vast te stellen. Het gemeenschapsrecht staat er dus niet aan in de weg dat het Landgericht Potsdam concludeert dat naar Duits recht een borgtochtovereenkomst binnen de werkingssfeer van het VerbrKrG kan vallen.
Conclusie
70. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging voor recht te verklaren:
Een borgtochtovereenkomst die is gesloten door een natuurlijk persoon die daarmee een buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallend doel nastreeft, en die strekt tot zekerheid van de terugbetaling van een door een kredietgever aan een derde verleend krediet, valt niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 87/102/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet."
Full & Egal Universal Law Academy