Conclusie van de advocaat generaal
1. Bij op 10 juni 1998 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG) verzocht vast te stellen dat de Helleense Republiek, door de niet-uitvoering dan wel incorrecte omzetting van enkele bepalingen van richtlijn 93/118/EG van de Raad van 22 december 1993 tot wijziging van richtlijn 85/73/EEG inzake de financiering van de keuringen en sanitaire controles van vers vlees en van vlees van pluimvee, de krachtens het EG-Verdrag en in het bijzonder de bepalingen van hoofdstuk I, punten 1, 2 en 5 van de bijlage bij de richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Rechtskader
2. Richtlijn 85/73/EEG van de Raad van 29 januari 1985 inzake de financiering van de keuringen en sanitaire controles van vers vlees en van vlees van pluimvee, zoals gewijzigd bij richtlijn 93/118/EG (hierna: richtlijn"), heeft tot doel de harmonisatie van voorschriften inzake de financiering van keuringen en sanitaire controles in slachthuizen, teneinde een doeltreffende werking van de controleregeling te garanderen en concurrentiedistorsie te voorkomen.
3. Artikel 1, lid 1, van de richtlijn verplicht de lidstaten een retributie te innen voor de kosten die verbonden zijn aan de keuringen en sanitaire controles van vlees bedoeld in verschillende communautaire richtlijnen.
4. De forfaitaire bedragen die uit hoofde van deze retributie worden geheven, zijn vastgesteld in hoofdstuk I van de bijlage bij de richtlijn en variëren naar gelang van, onder meer, de diersoort en de leeftijd en het gewicht van het dier.
5. De forfaitaire bedragen voor de keuringskosten in verband met de slachtwerkzaamheden zijn vastgesteld in punt 1 van dit hoofdstuk, terwijl de bedragen die worden geheven voor de controles en keuringen in verband met het uitsnijden zijn vastgesteld in punt 2.
6. Punt 5 van ditzelfde hoofdstuk regelt de gevallen waarin een lidstaat lagere retributies kan vaststellen dan het forfaitaire bedrag.
7. Deze richtlijn is in Griekenland omgezet bij presidentieel decreet nr. 34/94.
Het procesverloop
8. Volgens de Commissie voldoet presidentieel decreet nr. 34/94 niet aan de vereisten van de bijlage bij de richtlijn, door in strijd met de bepalingen van hoofdstuk I, punten 1, 2 en 5 van die bijlage:
- met betrekking tot de retributie voor slachtwerkzaamheden geen categorie eenhoevigen/paardachtigen te vermelden, hoewel deze uitdrukkelijk genoemd wordt in hoofdstuk I, punt 1, sub b, van de bijlage bij de richtlijn;
- de bedragen van de retributies vast te stellen op 50 % van de forfaitaire communautaire bedragen, zonder deze vermindering overeenkomstig de bepalingen van de bijlage bij de richtlijn te motiveren;
- ten slotte, bij de regeling van de toepassing van de retributie in verband met het uitsnijden pluimvee niet te vermelden, hoewel deze categorie van vlees binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt.
9. Aangezien de Helleense Republiek deze aanmaningsbrief niet beantwoordde, noch gevolg gaf aan het met redenen omkleed advies van de Commissie, heeft laatstgenoemde krachtens artikel 169 van het Verdrag beroep ingesteld wegens niet-nakoming op grond van de niet-uitvoering of onjuiste omzetting van de bepalingen van hoofdstuk I, punten 1, 2 en 5 van de bijlage bij de richtlijn.
10. De Helleense Republiek concludeert dat het het Hof behaagt het door de Commissie ingestelde beroep als ongegrond af te wijzen.
11. Ik zal de grieven van de Commissie één voor één onderzoeken.
Het niet vermelden van de categorie eenhoevigen/paardachtigen bij de soorten vlees waarop de in de richtlijn bedoelde retributies van toepassing zijn
12. De Commissie stelt dat met betrekking tot de retributies die moeten worden geheven bij de keuringen en sanitaire controles in verband met het slachten van dieren, presidentieel decreet nr. 34/94, door de categorie eenhoevigen/paardachtigen niet te vermelden, geen correcte omzetting van de richtlijn waarborgt.
13. De Helleense Republiek geeft toe dat deze categorie niet in presidentieel decreet nr. 34/94 wordt vermeld. Krachtens de toepasselijke nationale en communautaire bepalingen kan het slachten van dieren evenwel slechts plaatsvinden in erkende slachthuizen. In Griekenland is echter geen enkel slachthuis voor het slachten van eenhoevigen/paardachtigen erkend, om welke reden deze dieren in die lidstaat niet worden geslacht.
14. De Commissie betoogt dat volgens de rechtspraak van het Hof richtlijnen op een duidelijke en doorzichtige wijze moeten worden omgezet, zodat particulieren hun rechten en plichten kunnen kennen. De lidstaten zijn met name verplicht een nauwkeurig wettelijk kader te creëren op het door de betrokken richtlijn geregelde gebied, en het feit dat een bepaalde activiteit in een lidstaat niet bestaat, vormt geen rechtvaardiging voor het ontbreken van uitvoeringsbepalingen. De omstandigheid dat in Griekenland geen enkel slachthuis voor eenhoevigen/paardachtigen is erkend, staat er niet aan in de weg dat deze dieren daar in de toekomst wél kunnen worden geslacht. De volledige toepassing van de richtlijn kan niet afhangen van de wil van de bevoegde nationale autoriteiten om dergelijke slachthuizen al dan niet te erkennen, zodat een dwingendrechtelijke nationale bepaling betreffende eenhoevigen/paardachtigen absoluut noodzakelijk is.
15. De Griekse regering antwoordt dat de verplichting om gebruik te maken van erkende slachthuizen toereikend is en tot hetzelfde resultaat voert als dat wat door de richtlijn wordt beoogd, zodat het argument van de Commissie dat is gebaseerd op de mogelijkheid dat deze slachting in de toekomst wél zou kunnen plaatsvinden, niet relevant is. Het niet vermelden van deze categorie in presidentieel decreet nr. 34/94 mist dus elk rechtsgevolg.
16. De categorie eenhoevigen/paardachtigen wordt in elk geval uitdrukkelijk genoemd in een presidentieel decreet dat in voorbereiding is in het kader van de ophanden zijnde uitvoering van richtlijn 96/43/EG van de Raad van 26 juni 1996 tot wijziging en codificering van richtlijn 85/73/EEG om de financiering van de keuringen en veterinaire controles van levende dieren en bepaalde dierlijke producten te garanderen en tot wijziging van de richtlijnen 90/675/EEG en 91/496/EEG.
17. Het juridische probleem dat in deze zaak moet worden opgelost, is wat, gelet op de verplichting tot omzetting van richtlijnen, de invloed is van het feit dat een door een communautaire richtlijn geregelde activiteit in een bepaalde lidstaat ontbreekt.
18. Dit juridische probleem is niet nieuw, aangezien het Hof reeds met een vergelijkbare vraag werd geconfronteerd in de procedure die heeft geleid tot het arrest van 15 maart 1990, Commissie/Nederland (reeds aangehaald), dat richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand betrof.
19. In die zaak legde de betrokken richtlijn aan de lidstaten met name de verplichting op om het jagen op vogels met gebruikmaking van vliegtuigen te verbieden. Ter rechtvaardiging van de niet-uitvoering van de bepaling van de richtlijn die deze praktijk verbiedt, voerde de lidstaat aan dat op zijn grondgebied voor het jagen op wild geen gebruik wordt gemaakt van vliegtuigen. Aangezien de verboden praktijken zich op zijn grondgebied niet voordeden, bestond er geen noodzaak om over te gaan tot een formele omzetting.
20. Zoals advocaat-generaal Van Gerven terecht opmerkt in zijn conclusie bij bovengenoemd arrest, kan een dergelijk verweermiddel alleen maar in overweging worden genomen indien de Nederlandse regering kan aantonen dat de door de richtlijn verboden praktijk in geen geval op Nederlands grondgebied kan plaatsvinden, een bewijs dat niet kan worden geleverd met een verwijzing naar de thans bestaande feitelijke toestand, omdat daarin steeds veranderingen kunnen optreden. Om tegen dergelijke veranderingen gewapend te zijn, is het dan ook nodig dat een nauwkeurig wettelijk kader voorhanden is, waardoor de volledige toepassing van de richtlijn onder alle omstandigheden in rechte kan worden zeker gesteld.
21. Het Hof heeft advocaat-generaal Van Gerven gevolgd en oordeelde:
de omstandigheid dat een aantal met de verboden van de richtlijn onverenigbare activiteiten in een bepaalde lidstaat niet voorkomen, [kan] het ontbreken van wettelijke bepalingen in die zin niet rechtvaardigen. Om de volledige toepassing van richtlijnen rechtens en niet alleen feitelijk te verzekeren, moeten de lidstaten immers voor een duidelijk wettelijk kader op het betrokken gebied zorgen".
22. Kan deze rechtspraak op de onderhavige zaak worden toegepast?
23. Volgens mij wel, hoewel de richtlijn waar het hier om gaat geen verbod, maar een positieve verplichting oplegt. Ook al zijn er op dit moment geen slachthuizen voor het slachten van eenhoevigen/paardachtigen erkend - als gevolg waarvan deze dieren niet worden geslacht - niet betwist wordt dat de huidige situatie kan veranderen. Er bestaat immers geen enkele juridische belemmering voor het afgeven van een erkenning, aangezien presidentieel decreet nr. 410/94, dat als bijlage bij het verweerschrift is gevoegd, in deze mogelijkheid voorziet. Bovendien geeft de Griekse regering zelf toe dat de huidige situatie een voorlopig karakter heeft. Zij achtte het immers zinvol om als verweer aan te voeren dat in verband met de op handen zijnde uitvoering en omzetting van richtlijn 96/43 het in voorbereiding zijnde presidentieel decreet uitdrukkelijk melding maakt van de categorie eenhoevigen/paardachtigen en in de toekomst ook deze categorie zal omvatten".
24. Wat de waarde van dit laatste argument betreft, kan worden volstaan met een verwijzing naar vaste rechtspraak van het Hof, volgens welke het voorwerp van een krachtens artikel 169 EEG-Verdrag ingesteld beroep wordt bepaald door het met redenen omkleed advies van de Commissie en dat, ook wanneer de inbreuk na het verstrijken van de krachtens artikel 169, tweede alinea, gestelde termijn is opgeheven, handhaving van het beroep van belang blijft ter vaststelling van de grondslag van de aansprakelijkheid die ten gevolge van de niet-nakoming op een lidstaat kan rusten jegens andere lidstaten, de Gemeenschap of particulieren". Deze rechtspraak geldt a fortiori wanneer wordt aangevoerd dat herstel van de niet-nakoming ophanden is.
25. Derhalve is de eerste grief van de Commissie naar mijn mening gegrond.
De vaststelling van het percentage van de retributies op 50 % van de gemeenschappelijke forfaitaire bedragen
26. Het presidentieel decreet nr. 34/94 heeft de bedragen van de retributies die worden geheven voor de sanitaire controles bij het slachten van dieren en het uitsnijden vastgesteld op 50 % van de forfaitaire communautaire bedragen.
27. De Commissie zegt niet dat de door de Griekse autoriteiten toegepaste vermindering de door de gemeenschapsregeling toegestane vermindering overschrijdt, maar dat deze vermindering niet is gerechtvaardigd conform hoofdstuk I, punt 5, van de bijlage bij de richtlijn, dat de lidstaten slechts toestaat naar beneden af te wijken van de forfaitaire bedragen voor zover de loonkosten, de structuur van de inrichtingen en de verhouding tussen dierenartsen en inspecteurs afwijk[en] van het communautair gemiddelde dat is bepaald voor de berekening van de in de punten 1 en 2, onder a, vastgestelde forfaitaire bedragen". Bijgevolg hadden de Griekse autoriteiten de Commissie in kennis moeten stellen van de factoren die de berekening van de bij de nationale regeling vastgestelde verminderde retributies mogelijk maakten.
28. De Helleense Republiek voert aan dat wanneer binnen een lidstaat de kosten van levensonderhoud en de loonkosten sterk afwijken van het communautair gemiddelde op basis waarvan de forfaitaire bedragen zijn vastgesteld, de richtlijn toestaat af te wijken van de communautaire bedragen die zij heeft vastgesteld, voor zover deze lidstaat geen vermindering vaststelt die meer dan 55 % bedraagt van de in de richtlijn genoemde bedragen.
29. Bijgevolg valt, wanneer aan dit vereiste is voldaan, de vaststelling van retributies onder de beoordelingsvrijheid van de betrokken lidstaat, die daarbij rekening houdt met een veelvoud van feitelijke, materiële en sociale factoren.
30. De Commissie is van mening dat, gelet op het doel van de richtlijn, zijnde het garanderen van een doeltreffende werking van de controleregeling en het voorkomen van concurrentiedistorsie, elke afwijking moet worden gerechtvaardigd op basis van nauwkeurige gegevens.
31. Zij voegt hieraan toe dat dit vereiste steun vindt in artikel 5 EG-Verdrag (thans artikel 10 EG), alsmede in artikel 2, lid 5, van de richtlijn, volgens hetwelk de lidstaten (...) de Commissie - voor de eerste maal twee jaar na invoering van de nieuwe regeling en vervolgens op haar verzoek - de gegevens toe[zenden] over de verdeling en het gebruik van deze retributies, en (...) de wijze van berekening ervan [moeten] kunnen rechtvaardigen".
32. De Griekse regering stelt dat noch de richtlijn, noch enige andere bepaling van gemeenschapsrecht de lidstaten verplicht de Commissie in kennis te stellen van factoren die de gegrondheid van een dergelijke vermindering van de retributies zouden kunnen rechtvaardigen.
33. In ieder geval wordt algemeen erkend dat in Griekenland de kosten van levensonderhoud en de loonkosten sterk afwijken van die in de andere lidstaten, iets wat geen aanvullende rechtvaardiging, precisering of bewijzen behoeft, aangezien de fundamentele economische gegevens van elk van de lidstaten welbekend en - met name ook voor de diensten van de Commissie - toegankelijk zijn.
34. Volgens de Commissie vormt het argument dat is ontleend aan de kosten van levensonderhoud en de loonkosten een onvoldoende rechtvaardiging voor de onderhavige vermindering, aangezien de Griekse autoriteiten te dien einde gegevens hadden moeten verstrekken over de salariskosten en de administratieve kosten op het betrokken gebied, alsmede over de structuur en de kosten voor het instandhouden van de inrichtingen, de in het bedrag van de retributie begrepen kosten voor het opsporen van residuen en de relatie tussen dierenartsen en inspecteurs, op basis van welke gegevens de beslissing werd genomen om het bedrag van de retributies met 50 % te verminderen.
35. De argumentatie van de Commissie lijkt mij steun te vinden in de tekst van hoofdstuk I, punt 5, van de bijlage bij de richtlijn, volgens welke de lidstaten kunnen afwijken van de in de punten 1, sub a, en 2, sub a, vastgestelde forfaitaire bedragen middels verminderingen tot op het niveau van de werkelijk gemaakte inspectiekosten", wat niet kan betekenen dat zolang aan de voorwaarden waaraan de heffing van lagere bedragen dan de forfaitaire, op communautair niveau vastgestelde bedragen is onderworpen, wordt voldaan, de omvang van de reductie volledig ter vrije beoordeling van de lidstaten blijft.
36. Aangezien de grief van de Commissie niet is gericht tegen het bedrag van de in Griekenland geheven retributies, maar tegen het feit dat deze bedragen door de Griekse regering niet zijn gerechtvaardigd, moet het Hof, met het oog op de verplichtingen die artikel 2, lid 5, van de richtlijn aan de lidstaten oplegt, onderzoeken of de Helleense Republiek niet-nakoming valt te verwijten.
37. Naar mijn mening dient artikel 2, lid 5, aldus te worden uitgelegd dat de lidstaten verplicht zijn om de Commissie spontaan te informeren over de verdeling en het gebruik van de retributies, twee jaar na invoering van de nieuwe regeling en vervolgens op haar verzoek. Wat betreft de wijze van berekening van de retributies, schrijft deze bepaling daarentegen enkel voor, dat de lidstaten de methode van berekening ervan moeten kunnen rechtvaardigen. Dit betekent dat de nationale autoriteiten hiertoe enkel op verzoek van de Commissie verplicht zijn. Dit zou alleen anders zijn geweest, indien deze bepaling had gepreciseerd dat de gegevens over de verdeling en het gebruik van deze retributies vergezeld moeten gaan van informatie die de wijze van berekening van deze retributies kan rechtvaardigen.
38. Deze uitleg vindt steun in artikel 8, lid 1, van de richtlijn, dat de Helleense Republiek uitdrukkelijk toestaat van de in deze richtlijn vervatte beginselen af [te] wijken wanneer in verband met de geografische kenmerken de kosten van de inning van een retributie in verafgelegen regio's hoger zijn dan de opbrengst van de retributie." In dit specifieke geval preciseert deze bepaling dat [d]e Griekse autoriteiten (...) de Commissie in kennis [stellen] van de territoriale reikwijdte van de toegestane afwijkingen. Deze informatie gaat vergezeld van de noodzakelijke motivering".
39. Buiten deze bijzondere uitzondering is de verplichting om de Commissie te informeren over de wijze van berekening afhankelijk van het bestaan van een voorafgaand verzoek van de Commissie. Bijgevolg kan een materiële inbreuk slechts worden geconstateerd indien en voor zover de Griekse autoriteiten hebben nagelaten of geweigerd om gevolg te geven aan een verzoek van de Commissie.
40. In de loop van de procedure voor het Hof heeft de Commissie aangevoerd dat zij de Helleense Republiek herhaaldelijk heeft verzocht haar deze gegevens mee te delen, maar hierop geen antwoord heeft ontvangen, zelfs niet na verzending van de aanmaningsbrief en het met redenen omkleed advies in deze procedure.
41. De aanmaningsbrief geeft aan dat de door de Griekse autoriteiten vastgestelde vermindering van 50 % als verenigbaar met het gemeenschapsrecht kan worden aangemerkt, maar dat het niettemin noodzakelijk is de gegrondheid van deze vermindering te rechtvaardigen, door gegevens te verstrekken die het mogelijk maken de verminderingen te berekenen". Er wordt evenwel nergens verklaard dat de Commissie vóór de aanmaningsbrief heeft verzocht om gegevens op te sturen. Het staat aan de Commissie om het bestaan van een gestelde niet-nakoming aan te tonen, doch zij heeft geen bewijs verstrekt dat voordien om een rechtvaardiging van de berekeningswijze is verzocht, die de Griekse regering zou hebben nagelaten of geweigerd aan haar door te geven. De bevestiging, in de repliek, dat vóór de verzending van de aanmaningsbrief herhaaldelijk een dergelijk verzoek was gedaan, kan het ontbreken van dit bewijs niet verhelpen.
42. Volgens de rechtspraak van het Hof [heeft de aanmaningsbrief] in de precontentieuze fase van de niet-nakomingsprocedure (...) tot doel het voorwerp van het geschil te bepalen en aan de lidstaat die om opmerkingen wordt verzocht, de gegevens te verschaffen die hij nodig heeft om zijn verweer voor te bereiden".
43. De aanmaningsbrief moet dus een gestelde schending van het gemeenschapsrecht door een lidstaat summier aangeven, en deze lidstaat verzoeken zijn opmerkingen te formuleren. De verweten schending moet noodzakelijkerwijs reeds bestaan vóór de verzending van de aanmaningsbrief. In casu bestaat de materiële inbreuk die de Griekse regering wordt verweten hieruit dat zij heeft nagelaten de factoren mee te delen die de berekening mogelijk maakten van de verminderde retributies. De richtlijn bepaalt evenwel slechts dat de lidstaten hun berekeningswijze moeten rechtvaardigen op verzoek van de Commissie; niet dat zij dit spontaan moeten doen. Bijgevolg kan de Commissie de Griekse regering haar stilzitten niet verwijten, aangezien de Commissie niet heeft bewezen vóór aanvang van de officiële fase van de precontentieuze procedure te hebben verzocht om mededeling van de berekeningsfactoren.
44. Bovendien kan de Commissie de Griekse autoriteiten niet verwijten niet te hebben geantwoord op de aanmaningsbrief en het met redenen omkleed advies, aangezien deze handelingen deel uitmaken van een procedure vooraf (...), waaraan voor de adressaat van het advies geen bindend rechtsgevolg is verbonden".
45. Derhalve moet de tweede door de Commissie geformuleerde grief worden afgewezen.
De toepassing van de retributie in verband met uitsnijden
46. De Commissie betoogt dat in Griekenland geen retributie wordt geheven voor de keuringen en sanitaire controles van het uitsnijden van het vlees van pluimvee. Artikel 3, lid 2, van presidentieel decreet nr. 34/94 geeft immers - anders dan de bepalingen van hoofdstuk I, punt 2, sub a, van de bijlage bij de richtlijn - niet aan, dat het forfaitaire bedrag van de retributie in verband met het uitsnijden toegevoegd wordt aan de in punt 1 van deze bijlage genoemde bedragen, die ook van toepassing zijn op de categorie pluimvee.
47. De Helleense Republiek wijst de grief van de Commissie van de hand, op grond dat pluimvee niet is vrijgesteld van de retributie in verband met het uitsnijden van vers vlees. Artikel 3 van voornoemd decreet schrijft een dergelijke retributie duidelijk voor, aangezien het direct verwijst naar de presidentiële decreten nrs. 599/85 en 959/81, inmiddels vervangen door de decreten nrs. 410/94 en 291/96, die melding maken van de retributie in verband met het uitsnijden en derhalve in overeenstemming zijn met de voorschriften van de richtlijn.
48. De Commissie betoogt dat de omzetting van een richtlijn evenwel het bestaan vergt van een juridisch kader, dat op voldoende doorzichtige en duidelijke wijze de volledige toepassing waarborgt van de richtlijn. Bijgevolg is voornoemd decreet wat betreft de verplichting tot betaling van de retributie voor het uitsnijden van pluimvee niet voldoende nauwkeurig en duidelijk.
49. De Helleense Republiek beroept zich voorts op een regelmatig gevolgde administratieve praktijk, die volledig in overeenstemming is met de bepalingen van de richtlijn, en erop neerkomt dat de retributies voor het uitsnijden van pluimvee in het gehele Griekse grondgebied worden betaald. Bovendien worden de stellingen van de Helleense Republiek haars inziens volledig bevestigd door de in de loop van de procedure voor het Hof overgelegde bewijzen van betaling van deze retributies.
50. Ik wil meteen opmerken dat dit laatste argument van de Griekse regering niet kan slagen, aangezien volgens vaste rechtspraak noch eenvoudige administratieve praktijken, noch zelfs het bestaan van feitelijke situaties die beantwoorden aan de vereisten van de richtlijn het achterwege blijven kan herstellen van de opname van de voorschriften van de om te zetten richtlijn in de nationale wetgeving en regelingen. Zeker, de verplichting tot omzetting van een richtlijn vereist (...) niet noodzakelijkerwijs in elke lidstaat een optreden van de wetgever", ja zelfs niet noodzakelijkerwijs dat de bepalingen ervan formeel en letterlijk worden overgenomen in een uitdrukkelijke en specifieke wetsbepaling: een algemene juridische context kan volstaan wanneer deze de volledige toepassing van de richtlijn daadwerkelijk op voldoende bepaalde en duidelijke wijze verzekert".
51. Maar laten we eens precies kijken naar het hoofdargument van de Griekse regering, volgens hetwelk de in Griekenland van kracht zijnde regeling verzekert dat er wat gevogelte betreft een retributie wordt geheven zowel voor de controles in verband met de slachtwerkzaamheden als voor de controles in verband met het uitsnijden.
52. In dit verband moet worden geconstateerd dat op grond van de opzet van de Griekse regeling niet kan worden aangenomen dat aan dit vereiste van duidelijkheid is voldaan. Het staat immers, zoals de Commissie opmerkt, buiten kijf dat artikel 3, lid 2, van presidentieel decreet nr. 34/94 (dat bepaalt dat het in lid 1 genoemde bedrag wordt toegevoegd aan de in artikel 2, lid 1, sub a, b en c, genoemde bedragen") niet het vlees van gevogelte vermeldt, terwijl het wel heel duidelijk bepaalt dat voor het vlees van runderen, varkens, schapen en geiten het bedrag van de retributie in verband met het uitsnijden wordt toegevoegd aan de retributie die wordt geheven bij slachtwerkzaamheden.
53. Deze weglating doet op zichzelf een onduidelijke situatie ontstaan voor wat betreft de bedragen die door de marktdeelnemers moeten worden geheven, aangezien deze het ontbreken van de vermelding van pluimvee in artikel 3, lid 2, van presidentieel decreet nr. 34/94 aldus zouden kunnen uitleggen, dat het uitsnijden van vlees van pluimvee geen aanleiding geeft tot het heffen van een retributie onder dezelfde voorwaarden als voor andere categorieën vlees.
54. Deze onduidelijkheid rechtvaardigt mijns inziens de conclusie dat de richtlijn op dit punt niet correct is omgezet.
55. De Griekse regering voert dus tevergeefs aan dat, wanneer men twee andere presidentiële decreten (te weten de presidentiële decreten nrs. 599/85 en 959/81, inmiddels vervangen door presidentiële decreten nrs. 410/94 en 291/96) in aanmerking neemt, de conclusie in feite moet luiden dat er voor het uitsnijden van gevogelte daadwerkelijk een retributie is verschuldigd. Bovendien is mij niet duidelijk gemaakt waarom de Griekse autoriteiten met betrekking tot het vlees van gevogelte hebben gekozen voor een - voor de marktdeelnemers per definitie minder doorzichtige - combinatie van teksten, terwijl voor de andere categorieën vlees de regeling die de omzetting van de richtlijn moet verzekeren, is samengebracht in één enkele tekst, namelijk presidentieel decreet nr. 34/94.
56. Derhalve is de derde grief van de Commissie naar mijn mening gegrond.
Kosten
57. Aangezien twee van de drie door de Commissie aangevoerde grieven mijns inziens gegrond zijn, maar de Commissie geen verwijzing in de kosten heeft gevorderd, ben ik van mening dat toepassing van artikel 69, leden 2 en 3, van het Reglement voor de procesvoering met zich meebrengt dat de Commissie, naast haar eigen kosten, een derde deel van de kosten van de Helleense Republiek draagt, terwijl laatstgenoemde haar eigen kosten draagt.
Conclusie
58. Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:
- Door met betrekking tot de retributie voor slachtwerkzaamheden geen categorie eenhoevigen/paardachtigen te vermelden en bij de regeling van de toepassing van de retributie in verband met het uitsnijden niet uitdrukkelijk melding te maken van pluimvee, is de Helleense Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens hoofdstuk I, punten 1, sub b, en 2 sub a, van de bijlage bij richtlijn 93/118/EG van de Raad van 22 december 1993 inzake de financiering van de keuringen en sanitaire controles van vers vlees en van vlees van pluimvee, en het EG-Verdrag.
- Het beroep wordt voor het overige verworpen."
Full & Egal Universal Law Academy