Conclusie van de advocaat generaal
1 In deze zaak wenst de Commissie overeenkomstig artikel 169 EG-Verdrag te zien vastgesteld, dat Griekenland geen juiste uitvoering heeft gegeven aan richtlijn 91/157/EEG van de Raad van 18 maart 1991 inzake batterijen en accu's die gevaarlijke stoffen bevatten.(1)
2 Met name stelt de Commissie, dat Griekenland heeft verzuimd uitvoering te geven aan artikel 6 van de richtlijn.
3 De richtlijn strekt volgens artikel 1 tot de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten met betrekking tot de nuttige toepassing en gecontroleerde verwijdering van gebruikte batterijen en accu's die gevaarlijke stoffen bevatten.
4 De relevante bepalingen van de richtlijn luiden als volgt:
"Artikel 6
De lidstaten stellen programma's op ter verwezenlijking van de volgende doelstellingen:
- vermindering van de hoeveelheid zware metalen in batterijen en accu's;
- bevordering van het in de handel brengen van batterijen en accu's die een geringere hoeveelheid gevaarlijke stoffen en/of minder verontreinigende stoffen bevatten;
- geleidelijke vermindering in het huisvuil van de hoeveelheid onder bijlage I vallende gebruikte batterijen en accu's;
- bevordering van het onderzoek naar de vermindering van de hoeveelheid gevaarlijke stoffen in batterijen en accu's en naar de vervanging hiervan door andere, minder verontreinigende stoffen, alsmede naar methoden voor recycling ervan;
- gescheiden verwijdering van gebruikte batterijen en gebruikte accu's die onder bijlage I vallen.
De programma's worden voor de eerste maal vastgesteld voor een op 18 maart 1993 aanvangende periode van vier jaar. Zij moeten uiterlijk 17 september 1992 bij de Commissie worden ingediend.
De programma's worden regelmatig, ten minste om de vier jaar, opnieuw bezien en bijgesteld in het licht van met name de vooruitgang van de techniek, de toestand van de economie en die van het milieu. De gewijzigde programma's moeten tijdig aan de Commissie worden overgelegd."
5 In bijlage I worden de soorten batterijen en accu's genoemd die onder de richtlijn vallen voor zover zij bepaalde hoeveelheden kwik, cadmium of lood bevatten.
6 In november 1995 zond de Commissie de Griekse regering een aanmaningsbrief, stellende dat er geen programma's als bedoeld in artikel 6 waren opgesteld. Zij schreef van de Helleense Republiek geen enkel bericht uit hoofde van artikel 6 te hebben ontvangen en evenmin over enige andere informatie te beschikken waaruit zij kon afleiden dat Griekenland haar verplichting om zulke programma's op te stellen, was nagekomen.
7 In antwoord hierop deed de Griekse regering in maart 1996 de Commissie mededeling van een ministerieel besluit, inhoudende dat de in artikel 6 van de richtlijn bedoelde programma's vóór 18 maart 1997 zouden worden opgesteld door een speciaal daartoe opgericht comité. De Commissie nam met dit antwoord geen genoegen, want volgens artikel 6 van de richtlijn had zij uiterlijk op 17 september 1992 van de bedoelde programma's in kennis moeten zijn gesteld.
8 Na een nieuwe briefwisseling die evenmin een bevredigend resultaat opleverde, deed de Commissie de Griekse regering in april 1997 een met redenen omkleed advies toekomen met het verzoek de nodige maatregelen te nemen om binnen twee maanden na betekening aan dat advies te voldoen.
9 In december 1997 antwoordde de Griekse regering, dat het bevoegde ministerie opdracht had gegeven voor een studie met het oog op de invoering van de in artikel 6 voorgeschreven programma's. Omdat de Commissie van mening was dat de invoering van die programma's eerst in een voorbereidingsfase verkeerde, besloot ze het onderhavige beroep ex artikel 169 van het Verdrag aanhangig te maken.
10 Ter verweer voert de Griekse regering aan, dat de in punt 9 van dit arrest bedoelde studie inmiddels is voltooid en aan het bevoegde ministerie ter uitvoering is voorgelegd. In deze studie, over de "behandeling van batterijen en accu's die gevaarlijke stoffen bevatten", wordt enerzijds de thans in Griekenland bestaande situatie beschreven en zijn anderzijds de doelstellingen geformuleerd in verband met de invoering van de in artikel 6 voorgeschreven programma's. De invoering van die programma's dient te geschieden door een op korte termijn op te richten nationale instantie.
11 De Griekse regering is daarom van mening, dat zij al het mogelijke heeft gedaan en blijft doen om de in artikel 6 van de richtlijn bedoelde programma's gestalte te geven.
12 Bij repliek zegt de Commissie de inspanningen van de Griekse autoriteiten om de door artikel 6 van de richtlijn verlangde programma's voortgang te doen vinden, niet te willen ontkennen, evenmin als de bijdrage die met bedoelde studie aan de planning en uitvoering van die programma's wordt geleverd. Niettemin behelst de studie niet meer dan een verzameling van gegevens en formulering van aanbevelingen met het oog op de aan te brengen structuur voor het beheer van de bedoelde programma's.
13 De Commissie is daarom van mening dat de programma's nog niet zijn opgesteld, en dat de bedoelde studie alleen te beschouwen is als een fase die aan de uitwerking van de in artikel 6 van de richtlijn bedoelde programma's voorafgaat.
14 Bij dupliek haalt de Griekse regering een wetsvoorstel aan, getiteld "Maatregelen en voorwaarden voor een nieuw beheer van verpakking en andere producten", dat onder meer bepalingen omvat inzake het beheer van batterijen en accu's en de oprichting van een toezichthoudend overheidsorgaan. Griekenland meent daarmee al het mogelijke te hebben gedaan om de betrokken programma's te realiseren.
15 Naar mijn mening is het beroep van de Commissie gegrond. Volgens artikel 189 EG-Verdrag is een richtlijn verbindend voor een lidstaat ten aanzien van het te bereiken resultaat. In dit geval zijn de studie en de voorgestelde wetgeving waarop Griekenland zich beroept, niet toereikend om het door artikel 6 gewenste resultaat te realiseren, namelijk de uitvoering van bepaalde programma's inzake batterijen en accu's. Hoogstens bevatten zij details voor in de toekomst wellicht tot uitvoering te brengen programma's.
16 Dat Griekenland al het mogelijke heeft gedaan en nog steeds doet om haar verzuim te herstellen, levert geen verweer op. Een beroep ex artikel 169 van het Verdrag strekt er enkel toe, de niet-nakoming door een lidstaat objectief te doen vaststellen, en niet het bewijs te leveren van enig stilzitten of verzet van de betrokken lidstaat.(2)
Conclusie
17 Ik geef het Hof dan ook in overweging:
1) te verklaren dat de Helleense Republiek, door niet de in artikel 6 van richtlijn 91/157/EEG van de Raad van 18 maart 1991 inzake batterijen en accu's die gevaarlijke stoffen bevatten, bedoelde programma's op te stellen, niet heeft voldaan aan de krachtens het Verdrag op haar rustende verplichtingen;
2) de Helleense Republiek in de kosten te verwijzen.
(1) - PB L 78, blz. 38.
(2) - Arrest van 1 maart 1983, Commissie/België (301/81, Jurispr. blz. 467).
Full & Egal Universal Law Academy