Conclusie van de advocaat generaal
1. In de onderhavige zaak concludeert de Commissie dat het den Hove behage overeenkomstig artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG) vast te stellen, dat de Helleense Republiek, door wettelijke bepalingen vast te stellen en te handhaven volgens welke de minimumkleinhandelsverkoopprijzen van tabaksfabrikaten moeten worden vastgesteld bij besluit van de minister van Financiën, de verplichtingen niet is nagekomen, die op haar rusten krachtens artikel 9 van richtlijn 95/59/EG van de Raad van 27 november 1995 betreffende de belasting, andere dan omzetbelasting, op het verbruik van tabaksfabrikaten (hierna: richtlijn").
Relevante wettelijke bepalingen
2. De richtlijn legt de basisregels vast voor de tweede harmonisatie-etappe van de belasting, andere dan omzetbelasting (accijnzen), op tabaksfabrikaten. Zij is gegrond op artikel 99 van het Verdrag (thans artikel 93 EG) en codificeert richtlijn 72/464/EEG van de Raad van 19 december 1972 en richtlijn 79/32/EEG van de Raad van 18 december 1978, zoals herhaaldelijk gewijzigd, laatstelijk bij richtlijn 92/78/EEG van de Raad.
3. Volgens de tweede overweging van de considerans is de voornaamste doelstelling van de richtlijn, de totstandbrenging van een economische unie binnen de Gemeenschap. Daartoe voorziet de richtlijn in twee soorten regels.
4. Om te beginnen zijn er de regels betreffende de structuur, de hoogte en de heffing van de accijnzen op tabaksfabrikaten. Deze regels hebben tot doel te vermijden dat de in de lidstaten op tabaksfabrikaten geheven accijnzen de mededingingsvoorwaarden zouden vervalsen en het vrije verkeer van goederen zouden belemmeren. Artikel 8 van de richtlijn bepaalt dat de accijnzen op sigaretten twee elementen moeten omvatten: een evenredige accijns, berekend over de maximumkleinhandelsverkoopprijs, en een specifieke accijns, berekend per eenheid product. Volgens artikel 16 mag de specifieke accijns niet lager zijn dan 5 %, noch hoger dan 55 % van het totale op de sigaretten geheven belastingbedrag. Volgens artikel 10 wordt de accijns in beginsel geheven door middel van fiscale merktekens, die de fabrikanten en importeurs kunnen verkrijgen bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en op de producten moeten aanbrengen voor de kleinhandelsverkoop.
5. Verder zijn er regels betreffende de totstandkoming van de kleinhandelsverkoopprijzen van alle tabaksfabrikaten. Volgens de zevende overweging van de considerans impliceren de eisen inzake de mededinging een regeling waarbij de prijzen voor alle groepen tabaksfabrikaten vrij tot stand worden gebracht". Met dit doel bepaalt artikel 9 van de richtlijn, dat overeenstemt met artikel 5 van richtlijn 72/464, zoals gewijzigd:
1. Als fabrikant wordt beschouwd, de in de Gemeenschap gevestigde natuurlijke persoon of de rechtspersoon die tabak verwerkt tot voor verkoop in de kleinhandel gerede producten.
De fabrikanten of, in voorkomend geval, hun vertegenwoordigers of gemachtigden in de Gemeenschap alsmede de importeurs van fabrikaten uit derde landen stellen vrijelijk de maximumkleinhandelsverkoopprijs vast van elk van hun producten voor iedere lidstaat waar deze tot verbruik worden uitgeslagen.
De bepaling van de tweede alinea mag echter geen beletsel vormen voor de toepassing van de wettelijke regelingen van de lidstaten inzake prijzencontrole of de inachtneming van de vastgestelde prijzen, voor zover deze verenigbaar zijn met de communautaire voorschriften.
2. Ter vereenvoudiging van de accijnsheffing kunnen de lidstaten voor elke groep tabaksfabrikanten een schaal voor de kleinhandelsprijzen vaststellen, mits die schaal voldoende uitgebreid en gedifferentieerd is om de verscheidenheid van de producten uit de Gemeenschap metterdaad te dekken. Elke schaal geldt voor alle producten van de groep tabaksfabrikaten waarop zij betrekking heeft, zonder onderscheid naar kwaliteit, presentatie, oorsprong van de producten of van de gebruikte grondstoffen, kenmerken van de ondernemingen of enig ander criterium."
6. Artikel 9 van de richtlijn is in Grieks recht omgezet bij wet nr. 2127 van 5 april 1993 tot harmonisatie met het gemeenschapsrecht van de belastingregeling voor aardolieproducten, ethylalcohol en alcoholhoudende dranken alsmede tabaksfabrikaten, zoals gewijzigd bij artikel 2 van wet nr. 2187 van 8 februari 1994. Artikel 45 van wet nr. 2127 bepaalt:
1. De kleinhandelsverkoopprijzen van tabaksfabrikaten die op het nationaal grondgebied worden verbruikt, worden, behoudens het bepaalde in lid 3, vrijelijk vastgesteld door de fabrikanten of door de gemachtigden van de fabrikanten van andere lidstaten die in Griekenland zijn gevestigd, evenals door hun importeurs, die gehouden zijn de kleinhandelsverkoopprijs in drachmen op de pakjes of de kleinere verpakkingen bestemd voor verkoop in de kleinhandel of op de aangebrachte fiscale bandjes te vermelden.
2. (...)
3. Bij besluit dat wordt gepubliceerd in het staatsblad, bepaalt de minister van Financiën de minimumkleinhandelsverkoopprijzen van de in lid 1 genoemde producten, welke minimaal gelijk zullen zijn aan de prijzen van deze producten op 1 december 1993, overeenkomstig het bepaalde in lid 2, vermeerderd met 20 %. Andere minimumprijzen kunnen eveneens bij besluit van de minister van Financiën worden vastgesteld. Indien nieuwe soorten tabaksfabrikaten te koop worden aangeboden, zal de minimumkleinhandelsverkoopprijs hiervan gelijk zijn aan de bij voormeld ministerieel besluit vastgestelde prijs van het type product dat kwalitatief het meest met het nieuwe product overeenstemt. In hetzelfde besluit legt de minister van Financiën de minimumkleinhandelsverkoopprijzen van sigaren of cigarillos, van fijne gesneden tabak bestemd voor het rollen van sigaretten en van andere rooktabak vast.
(...)"
7. Lid 3 van artikel 45 is gewijzigd bij ministerieel besluit nr. F 3/2 van 7 januari 1997. Op grond daarvan moeten de kleinhandelsverkoopprijzen van tabaksfabrikaten met ingang van 20 januari 1997 minimaal gelijk zijn aan de prijzen van deze producten per 31 december 1996, vermeerderd met 9 %.
Procedure en afbakening van de problemen
8. De Commissie is van oordeel dat artikel 45 van wet nr. 2127 in strijd is met artikel 9 van de richtlijn en artikel 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG). Zij heeft dit standpunt aanvankelijk aan de Griekse regering meegedeeld bij brief van 21 februari 1994. Bij brief van 31 maart 1994 heeft de Griekse regering geantwoord dat wet nr. 2127 volgens haar niet in strijd was met de richtlijn of met andere bepalingen van gemeenschapsrecht. Na verdere briefwisseling, waarin de partijen bij hun standpunt bleven, heeft de Commissie op 21 maart 1996 een aanmaningsbrief gezonden. Niet tevreden met het antwoord van de Griekse regering van 29 mei 1996 heeft de Commissie op 16 juni 1996 overeenkomstig artikel 169, eerste alinea, van het Verdrag een met redenen omkleed advies aan de Helleense Republiek verzonden, met het verzoek om binnen twee maanden na kennisgeving van het met redenen omkleed advies de vereiste maatregelen te treffen om daaraan te voldoen. In haar antwoord op het met redenen omkleed advies van 25 maart 1998 stelde de Griekse regering opnieuw dat wet nr. 2127 niet in strijd was met het gemeenschapsrecht. In het licht van dit antwoord heeft de Commissie op 11 juni 1998 het onderhavige beroep bij het Hof ingesteld.
9. Het beroep van de Commissie strekt tot vaststelling dat de Helleense Republiek artikel 9 van de richtlijn geschonden heeft. In haar repliek op het verweerschrift van de Griekse regering stelt de Commissie evenwel, dat wet nr. 2127 ook in strijd is met artikel 30 van het Verdrag.
10. Volgens vaste rechtspraak van het Hof bepaalt de precontentieuze fase het voorwerp van een niet-nakomingsprocedure. De Commissie kan niet nadien het voorwerp van het geding uitbreiden, aangezien dit een lidstaat de mogelijkheid zou ontnemen om opmerkingen te maken, wat een door het Verdrag gewilde wezenlijke waarborg vormt. In de onderhavige zaak heeft de Commissie zowel in de aanmaningsbrief als in het met redenen omklede advies gesteld, dat de procedure, ondanks de verwijzing naar artikel 30 van het Verdrag in haar vroegere briefwisseling met de Griekse regering, beperkt bleef tot de fiscale aspecten van wet nr. 2127, onder voorbehoud van een eventueel later beroep van de Commissie op grond van artikel 30. Hieruit volgt dat de aan artikel 30 van het Verdrag ontleende grief, zoals de Griekse regering terecht heeft benadrukt, niet-ontvankelijk is.
Samenvatting van de argumenten
11. De Commissie voert twee argumenten aan tot staving van de grief inzake de schending van artikel 9 van de richtlijn.
12. Om te beginnen verklaart zij dat artikel 9 van de richtlijn het beginsel van de vrije vaststelling van de kleinhandelsverkoopprijzen van tabaksfabrikaten door de fabrikanten of importeurs vastlegt. De bepaling van bindende maximum- of minimumkleinhandelsverkoopprijzen door de autoriteiten van een lidstaat is volgens haar in strijd met dit beginsel en dus met de richtlijn. De Commissie verwijst naar de doelstelling van de richtlijn, zoals verwoord in de considerans, en naar de rechtspraak van het Hof inzake artikel 5 van richtlijn 72/464.
13. De Commissie voegt eraan toe dat artikel 45 van wet nr. 2127 rechtsonzekerheid creëert en dat de Helleense Republiek bijgevolg heeft nagelaten artikel 9 van de richtlijn naar behoren om te zetten. Deze onzekerheid is te wijten aan de klaarblijkelijke tegenstrijdigheid tussen lid 1 van artikel 45, dat bepaalt dat fabrikanten en importeurs de kleinhandelsverkoopprijzen van tabaksfabrikaten vrijelijk kunnen vaststellen, en lid 3, dat bepaalt dat de minister van Financiën de minimumkleinhandelsverkoopprijzen voor deze producten bepaalt.
14. De Griekse regering antwoordt in hoofdzaak dat in artikel 9 van de richtlijn een onderscheid wordt gemaakt tussen minimum- en maximumkleinhandelsverkoopprijzen. Zij leidt hieruit af, dat een lidstaat de richtlijn niet schendt wanneer hij bindende minimumkleinhandelsverkoopprijzen oplegt voor tabaksfabrikaten.
15. Zij ontkent tevens dat wet nr. 2127 rechtsonzekerheid creëert. Volgens haar wordt in lid 1 van artikel 45 het algemene beginsel van de vrije vaststelling van de kleinhandelsverkoopprijzen van tabaksfabrikaten door fabrikanten en importeurs vastgelegd, terwijl in lid 3 enkel de draagwijdte van dit beginsel wordt beperkt. Bijgevolg is er geen tegenstrijdigheid tussen deze twee bepalingen.
16. Ten slotte betoogt de Griekse regering dat wet nr. 2127 wordt gedekt door het voorbehoud van de derde alinea van artikel 9, lid 1, betreffende de wettelijke regelingen van de lidstaten inzake prijzencontrole of vastgestelde prijzen valt.
17. Ik meen dat de volgende punten dienen te worden onderzocht.
i) Is artikel 45 van wet nr. 2127 in strijd met de tweede alinea van artikel 9, lid 1, en dus prima facie in strijd met de richtlijn?
ii) Is artikel 45 van wet nr. 2127 gerechtvaardigd op grond van het voorbehoud van de derde alinea van artikel 9, lid 1, van de richtlijn?
Is artikel 45 van wet nr. 2127 in strijd met de tweede alinea van artikel 9, lid 1, en dus prima facie in strijd met de richtlijn?
18. De tweede alinea van artikel 9, lid 1, bepaalt dat de fabrikanten en importeurs vrijelijk de maximumkleinhandelsverkoopprijs van elk van hun producten vaststellen. Volgens de Griekse regering wijst het gebruik van het begrip maximumprijs" in plaats van prijs" erop, dat de richtlijn niet tot doel heeft minimumkleinhandelsverkoopprijzen te verbieden.
19. Mijns inziens is deze analyse onjuist, aangezien de formulering van artikel 9 in het licht van de systematiek en het doel van de richtlijn moet worden uitgelegd.
20. De richtlijn stelt een regeling in voor de heffing van accijnzen op tabaksfabrikaten in de lidstaten. Volgens deze regeling worden de accijnzen berekend en geheven op basis van de maximumkleinhandelsverkoopprijzen die door de fabrikanten of importeurs zijn bepaald en op de fiscale merktekens zijn gedrukt. Het begrip maximumprijzen" in artikel 9 verwijst naar deze regeling van berekening en heffing van accijnzen. Het doelt op de door de fabrikanten of importeurs bepaalde prijzen op grond waarvan de accijnzen worden geheven. Het Hof heeft in het arrest GB-INNO-BM gesteld, dat wanneer de detailhandelsprijs de grondslag van de accijnsheffing vormt, het verbod om tabaksproducten aan de verbruiker te verkopen tegen een hogere dan de op het fiscale bandje vermelde detailhandelsprijs, een essentiële waarborg van fiscale aard vormt om te voorkomen dat de producenten en importeurs om fiscale redenen een te lage waarde van hun producten opgeven. De verwijzing naar maximumprijzen" is dus niet van belang voor de vraag of de richtlijn toelaat dat de lidstaten minimumkleinhandelsverkoopprijzen vastleggen.
21. De analyse van de Griekse regering is ook onverenigbaar met de doelstelling van de richtlijn. Wanneer een lidstaat bindende minimumkleinhandelsverkoopprijzen voor tabaksfabrikaten oplegt, kunnen de importeurs van deze producten lagere kostprijzen mogelijk niet in hun kleinhandelsverkoopprijzen doorberekenen. Dit kan tot een vervalsing van de concurrentievoorwaarden tussen nationale en ingevoerde tabaksfabrikaten leiden en tot een beperking van het vrije verkeer van goederen. Om deze redenen is in de considerans van de richtlijn gesteld, dat de eisen inzake de mededinging een regeling impliceren waarbij de prijzen voor alle groepen tabaksfabrikaten vrij tot stand worden gebracht".
22. Bovendien is over deze vraag reeds uitspraak gedaan in de rechtspraak van het Hof. Dit heeft geoordeeld dat nationale bepalingen die bindende kleinhandelsverkoopprijzen voor tabaksfabrikaten opleggen, in strijd zijn met artikel 5, lid 1, van richtlijn 72/464, dat, wat de onderhavige procedure betreft, identiek is met artikel 9, lid 1, van de richtlijn. In het arrest Commissie/Frankrijk heeft het Hof de verenigbaarheid met artikel 5, lid 1, onderzocht van Franse bepalingen die de administratie machtigen om de kleinhandelsverkoopprijs van zowel nationale als ingevoerde tabaksfabrikaten te bepalen. Het Hof oordeelde dat de aan de Franse regering voorbehouden bevoegdheid om de prijzen vast te stellen onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht, waar deze bevoegdheid door de wijziging van de door de fabrikant of importeur vastgestelde verkoopprijs de concurrentieverhouding tussen de ingevoerde en de door het nationale monopolie verhandelde tabaksproducten kan verstoren".
23. Het Hof heeft deze uitlegging van artikel 5 bevestigd in het arrest Commissie/België. Deze zaak betrof de weigering van de Belgische autoriteiten om aan een importeur van tabaksfabrikaten banderollen te verstrekken met lagere prijzen dan de overeenkomstig artikel 5, lid 2 (thans artikel 9, lid 2), van de richtlijn vastgestelde nationale prijsschalen. Het Hof oordeelde dat deze weigering neerkomt op het opleggen van een minimumprijs voor geïmporteerde tabaksfabrikaten, in strijd met artikel 30 van het Verdrag. Het Hof vervolgde:
[Verder] blijkt, dat de Belgische autoriteiten ook een rechtsdwaling hebben begaan door voorbij te gaan aan het in artikel 5, lid 1, van richtlijn 72/464 van 19 december 1972 geformuleerde beginsel, dat de fabrikanten en importeurs de maximumkleinhandelsverkoopprijzen van hun producten vrijelijk vaststellen."
24. In het arrest Commissie/Italië ten slotte heeft het Hof geoordeeld dat een Italiaanse wetsbepaling die de administratie van deze staat machtigde om de kleinhandelsverkoopprijzen met inachtneming van de haar door de fabrikanten en importeurs gesuggereerde maximumprijzen te bepalen, in strijd was met artikel 5, lid 1, van richtlijn 72/464, omdat dit onzekerheid creëerde over het recht van deze fabrikanten en importeurs om vrijelijk de maximumkleinhandelsverkoopprijzen vast te stellen.
25. Hieruit volgt dat de uitlegging van de richtlijn door de Commissie correct is: artikel 9, lid 1, poneert een beginsel van vrije vaststelling van de kleinhandelsverkoopprijzen door de fabrikanten en importeurs, dat - onverminderd de bepalingen van de derde alinea van dit lid - onverenigbaar is met de bevoegdheid van de autoriteiten van een lidstaat om minimumprijzen of andere bindende kleinhandelsverkoopprijzen te bepalen.
26. Artikel 45 van wet nr. 2127 machtigt de Griekse minister van Financiën om voor tabaksfabrikaten bindende minimumkleinhandelsverkoopprijzen te bepalen. Het bestaan van deze bevoegdheid vormt op zich een schending van het in artikel 9, lid 1, van de richtlijn vastgelegde beginsel van de vrije vaststelling van de kleinhandelsverkoopprijzen.
27. Anders dan de Griekse regering stelt, is deze conclusie niet in tegenspraak met de totstandkomingsgeschiedenis van de richtlijn. In de loop van de procedure die heeft geleid tot de vaststelling van richtlijn 92/78 waarbij richtlijn 72/464 is gewijzigd, heeft het Economisch en Sociaal Comité gesuggereerd het begrip maximumkleinhandelsverkoopprijzen" in artikel 5, lid 1, te wijzigen in kleinhandelsverkoopprijzen", om duidelijk te maken dat de richtlijn eveneens van toepassing was op nationale wettelijke bepalingen inzake minimumkleinhandelsverkoopprijzen. Het feit dat de gemeenschapswetgever dit voorstel niet heeft aangenomen, betekent niet dat minimumkleinhandelsverkoopprijzen buiten de toepassing van artikel 9, lid 1, vallen. Dit wijst er integendeel op, dat de gemeenschapswetgever de voorgestelde wijziging niet nodig achtte, aangezien voldoende duidelijk uit de systematiek en de doelstelling van de richtlijn en uit de arresten van het Hof in de hoger aangehaalde zaken bleek, dat artikel 9, lid 1, daadwerkelijk ook op minimumkleinhandelsverkoopprijzen van toepassing is.
28. Daaraan zij toegevoegd dat de overeenkomstig wet nr. 2127 vastgestelde minimumkleinhandelsverkoopprijzen, anders dan de Griekse regering beweert, de doelstellingen van de richtlijn in gevaar brengen. Volgens de in het verzoekschrift van de Commissie vermelde gegevens worden de Griekse minimumkleinhandelsverkoopprijzen overeenkomstig de volgende criteria vastgesteld: tussen december 1995, toen de richtlijn in werking is getreden, en 19 januari 1997 waren de minimumkleinhandelsverkoopprijzen ten minste gelijk aan de prijs op 1 december 1993, vermeerderd met 20 %; per 20 januari 1997 waren de minimumkleinhandelsverkoopprijzen ten minste gelijk aan de kleinhandelsverkoopprijs op 31 december 1996, vermeerderd met 9 %. Deze prijzen lijken nogal hoog. Daarom kan niet de mogelijkheid worden uitgesloten dat de minimumkleinhandelsprijzen bepaalde importeurs hebben verhinderd om lagere kostprijzen in hun kleinhandelsverkoopprijs door te rekenen. De overeenkomstig artikel 45 vastgestelde minimumkleinhandelsverkoopprijzen hebben dus mogelijk de mededingingsvoorwaarden tussen nationale en geïmporteerde tabaksfabrikaten vervalst en het vrije goederenverkeer beperkt. Bovendien voorziet artikel 45 van wet nr. 2127 niet in een plafond van het niveau van de minimumkleinhandelsverkoopprijzen die door de Griekse minister van Financiën kunnen worden vastgesteld. De minister kan dus op elk moment de minimumprijzen verhogen tot een niveau waarop de mededingingsvoorwaarden werkelijk worden vervalst.
29. Op grond van deze overwegingen concludeer ik dat artikel 45 van wet nr. 2127 in strijd is met de tweede alinea van artikel 9, lid 1, van de richtlijn en dus prima facie in strijd is met de richtlijn.
30. Gelet op het voorgaande behoef ik geen standpunt te bepalen betreffende de bewering van de Commissie dat bij de omzetting van de richtlijn het vereiste van rechtszekerheid is geschonden.
Is artikel 45 van wet nr. 2127 gerechtvaardigd op grond van het voorbehoud van de derde alinea van artikel 9, lid 1, van de richtlijn?
31. De Griekse regering betoogt, dat artikel 45 van wet nr. 2127 wordt gedekt door het voorbehoud van de derde alinea van artikel 9, lid 1, van de richtlijn. Tot staving van dit argument stelt zij, dat de minimumkleinhandelsverkoopprijzen noodzakelijk zijn om de fiscale belangen van de Griekse staat veilig te stellen en om de volksgezondheid tegen de gevaren van tabak te beschermen. Zij onderstreept dienaangaande dat de strijd tegen tabaksmisbruik volgens het gemeenschapsrecht een legitiem doel is, dat de Commissie de lidstaten heeft aangemoedigd om op dit vlak maatregelen te treffen en dat er inderdaad maatregelen genomen moeten worden gezien de hoge tabaksconsumptie in Griekenland.
32. Er zij aan herinnerd dat de derde alinea van artikel 9, lid 1, spreekt van wettelijke regelingen van de lidstaten inzake prijzencontrole of de inachtneming van de vastgestelde prijzen". Mijns inziens doelen deze bewoordingen niet op maatregelen ter bescherming van de volksgezondheid of de fiscale belangen van een lidstaat.
33. Deze zienswijze wordt bevestigd door de rechtspraak van het Hof inzake artikel 5, lid 1, van richtlijn 72/464. In het arrest Commissie/Frankrijk heeft het Hof geoordeeld dat het ten aanzien van de derde alinea geformuleerde voorbehoud aldus moet worden uitgelegd, dat de inhoud ervan wordt verzoend met de regel dat de fabrikant of importeur de verkoopprijs vrijelijk vaststelt (...)". Met betrekking tot de prijzencontrole" heeft het Hof geoordeeld dat met dit begrip niets anders kan zijn bedoeld dan de algemene wettelijke bepaling van de lidstaten tot afremming van de prijsstijging. Met betrekking tot de inachtneming van de vastgestelde prijzen" heeft het Hof verduidelijkt dat deze uitdrukking in het licht van de in artikel 9, lid 1, vastgelegde regeling voor de vaststelling van de kleinhandelsverkoopprijzen moet worden uitgelegd. Deze uitdrukking moet worden opgevat als een prijs die - eenmaal door de fabrikant of importeur vastgesteld en door de overheid bekrachtigd - als maximumprijs geldt en als zodanig in alle stadia van de distributieketen tot en met de verkoop aan de verbruiker in acht moet worden genomen. Zoals hiervoor vermeld, heeft deze regeling tot doel te vermijden dat fabrikanten en importeurs hun producten onderwaarderen wanneer zij de fiscale bandjes verkrijgen en de accijnzen op de tabaksfabrikaten betalen.
34. Hieruit volgt dat de derde alinea van artikel 9, lid 1, de lidstaten niet toestaat om van het in de tweede alinea vastgelegde beginsel van de vrije prijsvorming af te wijken om hun fiscale belangen of de volksgezondheid te beschermen. Om deze reden kan het betoog van de Griekse regering, dat wet nr. 2127 gerechtvaardigd is op grond van de derde alinea van artikel 9, lid 1, niet worden aanvaard.
35. Dit betekent evenwel niet dat de Helleense Republiek haar fiscale belangen en de volksgezondheid in het kader van de richtlijn niet zou kunnen beschermen. Zoals de Commissie terecht benadrukt, staat het de Helleense Republiek vrij om het totale belastingniveau voor tabaksfabrikaten te bepalen overeenkomstig artikel 16 van de richtlijn. Zij kan haar belangen bijgevolg beschermen door het belastingniveau te verhogen. De door de Griekse regering geuite vrees voor een mogelijke reactie van de fabrikanten en importeurs door een vermindering van hun winstmarge is niet gegrond. Gelet op het grote fiscale aandeel in de verkoopprijs van tabaksfabrikaten, is de winst die fabrikanten, importeurs en detailhandelaars maken, relatief gering. De kleinhandelsverkoopprijs weerspiegelt dus het belastingniveau en de Griekse autoriteiten kunnen hoe dan ook op een verlaging van de winstmarges reageren met een nieuwe verhoging van het belastingniveau.
Conclusie
36. Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
1) vast te stellen dat de Helleense Republiek de verplichtingen niet is nagekomen, die op haar rusten krachtens artikel 9 van richtlijn 95/59/EG van de Raad van 27 november 1995 betreffende de belasting, andere dan omzetbelasting, op het verbruik van tabaksfabrikaten;
2) de Helleense Republiek te verwijzen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy