Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1 In de onderhavige zaak dient het Hof zich uit te spreken over een prejudiciële vraag die Kammarrätten i Stockholm (Zweden) hem krachtens artikel 177 van het Verdrag (thans artikel 234 EG) heeft voorgelegd. Die vraag betreft de uitlegging van een aantal bepalingen van verordening (EG) nr. 3295/94 van de Raad van 22 december 1994 tot vaststelling van maatregelen om het in het vrije verkeer brengen, de uitvoer, de wederuitvoer en de plaatsing onder een schorsingsregeling van nagemaakte of door piraterij verkregen goederen te verbieden.(1)
II - De feiten en het procesverloop
2 De vennootschap Adidas (hierna: "Adidas") is in Zweden merkhouder van verschillende sportartikelen en sport- en vrijetijdskleding. Op 16 februari 1998 besloot het douanekantoor Arlanda (Stockholm) na een controle om het in het vrije verkeer brengen van bepaalde goederen op te schorten, omdat het vermoedde dat het om namaakproducten ging en stelde het tegelijkertijd Adidas, als merkhouder, hiervan op de hoogte. Een vertegenwoordiger van Adidas onderzocht de goederen en stelde vast, dat het om namaakproducten ging.
3 Vervolgens diende Adidas bij de bevoegde nationale dienst (op grond van verordening nr. 3295/94) een verzoek om optreden van de douanedienst in de zin van artikel 3 van die verordening in, teneinde te voorkomen dat de goederen in het vrije verkeer werden gebracht. Generaltullstyrelsen (algemene douanedirectie) willigde dit verzoek op 17 februari 1998 in. Op grond van verordening nr. 3295/94 konden de betrokken goederen dus tot en met 17 maart 1998 worden vastgehouden. Na die datum achtten de douaneautoriteiten zich niet meer gerechtigd de goederen tegen te houden, aangezien Adidas geen gebruik had gemaakt van de haar bij artikel 6 van verordening nr. 3295/94 geboden mogelijkheid en de zaak niet aan een rechterlijke instantie had voorgelegd.
4 Daar Adidas de aangever noch de geadresseerde van de goederen kende, en zij deze informatie nodig had om een vordering in rechte te kunnen instellen, verzocht zij de douaneautoriteiten met een beroep op artikel 6 van verordening nr. 3295/94 om inlichtingen over zijn identiteit. Dit verzoek werd afgewezen, omdat het in strijd werd geacht met de bepalingen van de nationale wettelijke regeling inzake de bescherming van gegevens; op grond van die wettelijke regeling kon de betrokken informatie niet worden meegedeeld.
5 Adidas ging bij Kammarrätten i Stockholm in beroep van deze weigering van het douanekantoor Arlanda om haar de identiteit van de geadresseerde van de goederen te onthullen. Zij betoogde, dat die weigering, ook al was deze op een nationale regel gebaseerd, verordening nr. 3295/94 in feite buiten toepassing verklaarde en in strijd was met het gemeenschapsrecht.
III - De prejudiciële vraag
6 Om te beslissen in welke mate de litigieuze nationale bepalingen betreffende de bescherming van gegevens al dan niet in overeenstemming zijn met het gemeenschapsrecht, heeft Kammarrätten i Stockholm het nodig geacht het Hof een prejudiciële vraag over de uitlegging van verordening nr. 3295/94 voor te leggen. De verwijzende rechter verwijst met name naar de bepaling van de verordening waarbij de nationale douanedienst wordt verplicht de merkhouder op de hoogte te stellen van de identiteit van de aangever en/of de geadresseerde van de goederen waarvan hij heeft vastgesteld, dat het om namaakproducten gaat. De nationale rechter heeft de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:
"Verzet verordening (EG) nr. 3295/94 van de Raad zich tegen een nationale bepaling op grond waarvan de identiteit van de aangever of van de geadresseerde van ingevoerde goederen waarvan de merkhouder heeft vastgesteld dat zij zijn nagemaakt, niet aan de merkhouder kan worden meegedeeld?"
IV - Het relevante gemeenschapsrecht
7 Volgens artikel 1, lid 1, sub a, van verordening nr. 3295/94 regelt deze verordening onder welke voorwaarden de douaneautoriteiten optreden "wanneer goederen waarvan wordt vermoed dat zij zijn nagemaakt of door piraterij zijn verkregen,
- voor het vrije verkeer, voor uitvoer of wederuitvoer worden aangegeven;
- of worden aangetroffen bij een controle op goederen die geplaatst zijn onder een schorsingsregeling in de zin van artikel 84, lid 1, onder a), van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek of waarvoor kennisgeving van wederuitvoer is gedaan".
8 De doeltreffendheid van het bij de gemeenschapsverordening ingevoerde mechanisme in de strijd tegen de verkoop van namaakgoederen is in grote mate afhankelijk van het belang dat de merkhouder bij de verdediging van zijn legitieme belangen ten toon spreidt; laatstgenoemde wordt verzocht om maatregelen te vragen met betrekking tot de goederen die inbreuk maken op zijn recht. Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 3295/94 bepaalt immers: "In elke lidstaat kan de houder van het recht de onder de douaneautoriteit ressorterende dienst schriftelijk verzoeken ervoor te zorgen dat de douaneautoriteiten optreden wanneer de goederen in een situatie als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder a), verkeren".
9 Artikel 4 van verordening nr. 3295/94 bevat de volgende bepalingen, bestemd om de taak van de merkhouder te vergemakkelijken: "Wanneer het voor het douanekantoor, bij een controle in het kader van een van de in artikel 1, lid 1, onder a), bedoelde douaneprocedures en voordat een verzoek van de houder van het recht is ingediend of ingewilligd, duidelijk is dat het nagemaakte of door piraterij verkregen goederen betreft, kan de douaneautoriteit, volgens de in de betrokken lidstaat geldende voorschriften, de houder van het recht, voor zover bekend, op de hoogte stellen van het gevaar van overtreding. In dat geval is de douaneautoriteit gemachtigd de vrijgave op te schorten of de betrokken goederen gedurende drie werkdagen tegen te houden, teneinde de houder van het recht in staat te stellen een verzoek om optreden overeenkomstig artikel 3 in te dienen".
10 Voorts bepaalt artikel 5 van verordening nr. 3295/94, dat "de beschikking tot inwilliging van het verzoek van de houder van het recht onverwijld wordt meegedeeld aan de douanekantoren van de lidstaat die betrokken kunnen zijn bij in het verzoek omschreven goederen waarvan wordt vermoed dat zij zijn nagemaakt of door piraterij zijn verkregen". Met de beschikking tot inwilliging van het verzoek van de merkhouder wordt de eerste fase van de procedure beëindigd. Het vervolg van die procedure wordt geregeld door de bepalingen van hoofdstuk IV van de litigieuze verordening, getiteld "Voorwaarden voor het optreden van de douaneautoriteiten en van de autoriteit die bevoegd is ten principale te beschikken".
11 Artikel 6, lid 1, van verordening nr. 3295/94 luidt:
"Wanneer een douanekantoor waaraan de beschikking tot inwilliging van het verzoek van de houder van het recht overeenkomstig artikel 5 is doorgegeven, in voorkomend geval na raadpleging van de indiener van het verzoek, vaststelt dat goederen die zich bevinden in een van de situaties als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder a, overeenstemmen met de in de beschikking beschreven nagemaakte of door piraterij verkregen goederen, schort deze dienst de vrijgave van de betrokken goederen op of houdt hij de goederen tegen.
Het douanekantoor stelt de dienst die het verzoek overeenkomstig artikel 3 in behandeling heeft genomen onverwijld op de hoogte. Deze dienst of het kantoor stelt de aangever of de indiener van het verzoek om optreden onverwijld op de hoogte. Overeenkomstig de nationale bepalingen betreffende de bescherming van persoonsgegevens, het handels- en industrieel geheim alsmede het beroeps- en administratief geheim, stelt het douanekantoor of de dienst die het verzoek heeft behandeld, de houder van het recht op diens verzoek in kennis van naam en adres van de aangever en, voor zover bekend, van de geadresseerde, zodat hij de zaak kan voorleggen aan de bevoegde autoriteiten voor een beslissing ten principale.(2) De indiener van het verzoek en de betrokkenen bij een optreden als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder a, worden door het douanekantoor in de gelegenheid gesteld de goederen waarvan de vrijgave is opgeschort, respectievelijk de goederen die zijn tegengehouden, te onderzoeken."
12 Artikel 7, lid 1, van verordening nr. 3295/94 bepaalt: "Indien het in artikel 6, lid 1, bedoelde douanekantoor tien werkdagen na de kennisgeving van de opschorting van de vrijgave of de tegenhouding niet van de inschakeling van de autoriteit die overeenkomstig artikel 6, lid 2, bevoegd is ten principale te beschikken, in kennis is gesteld, noch bericht heeft ontvangen dat de hiertoe bevoegde autoriteit conservatoire maatregelen heeft genomen, worden de goederen, indien alle douaneformaliteiten zijn vervuld en de tegenhouding is opgeheven, vrijgegeven. In passende gevallen kan deze termijn met maximaal tien werkdagen worden verlengd."
V - De relevante nationale wettelijke regeling
13 Artikel 2 van hoofdstuk 9 van de sekretesslag(3) (wet inzake de bescherming van gegevens) bepaalt, dat een geheimhoudingsplicht geldt voor gegevens die in het kader van een douanecontrole zijn verkregen en die niet onder de uitzondering van artikel 1, eerste alinea, derde, vierde, vijfde en zesde zin, van hoofdstuk 9 van die wet vallen. Op grond van laatstgenoemde bepalingen kunnen de inlichtingen waarover de douaneautoriteiten beschikken worden vrijgegeven, indien is vastgesteld, dat de betrokkenen hierdoor geen schade zullen lijden.
VI - Het door mij voorgestelde antwoord op de prejudiciële vraag
14 A. Verordening nr. 3295/94 beoogt het hoofd te bieden aan een fenomeen dat bijzonder gevaarlijk is voor de vrije uitoefening van de handel. In de tweede overweging van de considerans van die verordening wordt gesteld, dat "het in de handel brengen van nagemaakte en van door piraterij verkregen goederen de fabrikanten en handelaars die de wet eerbiedigen, alsook de houders van de auteursrechten en de naburige rechten, sterk benadeelt en de consumenten misleidt (...)". Met de vaststelling van die verordening heeft de gemeenschapswetgever een efficiënt systeem in het leven willen roepen, waarmee de genoemde illegale activiteiten konden worden beëindigd, hoofdzakelijk dankzij een regeling van verboden en douanecontrole. Ik wil erop wijzen dat de douanecontrole aan de grenzen voor de Gemeenschap om nog een reden uiterst belangrijk is: indien een namaakproduct of een door piraterij verkregen product niet aan de grenzen van een lidstaat wordt tegengehouden, kan het vervolgens binnen de Gemeenschap vrijelijk circuleren.
15 Daarom wordt bijzondere nadruk gelegd op de noodzaak van een tussenkomst van de douaneautoriteiten, wanneer het risico bestaat, dat producten die in strijd met de regels van de intellectuele eigendom zijn vervaardigd, op de markt worden gebracht. Dit optreden bestaat enerzijds in "de opschorting van de vrijgave voor het vrije verkeer, de uitvoer en de wederuitvoer van goederen", wanneer wordt vermoed dat het om nagemaakte of door piraterij verkregen goederen gaat, en anderzijds in "het tegenhouden van goederen die onder een schorsingsregeling zijn geplaatst of middels een kennisgeving worden wederuitgevoerd, en dit voor de tijd die nodig is om te kunnen vaststellen of het inderdaad om dergelijke goederen gaat".(4) De vaststelling van die maatregelen veronderstelt, dat de merkhouder de douaneautoriteiten vraagt om in te grijpen en dat zijn verzoek wordt ingewilligd. Bij wijze van uitzondering en om de bescherming compleet te maken is het mogelijk om de goederen tijdelijk tegen te houden, totdat het verzoek van de merkhouder is ingediend en ingewilligd. In elk geval beslissen de nationale autoriteiten die bevoegd zijn om zich ten gronde over het beroep van de merkhouder uit te spreken, wat er uiteindelijk met de betrokken waren zal gebeuren.
16 Uit de voorgaande overwegingen volgt duidelijk, dat de merkhouder een wezenlijke rol speelt in de communautaire strijd tegen de verkoop van namaakproducten of producten die door piraterij zijn verkregen. Het hangt van zijn initiatief af, of de goederen, in de eerste plaats, worden tegengehouden en, in de tweede plaats, of de nationale autoriteiten die bevoegd zijn zich over de zaak ten gronde uit te spreken deze definitief verbieden of niet. De werking van het bij verordening nr. 3295/94 ingevoerde mechanisme hangt daarom in grote mate af van de omvang en de volledigheid van de informatie waarover de merkhouder beschikt. Om die reden bepaalt artikel 6, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 3295/94, dat de informatie aan de betrokken houders van de intellectuele eigendomsrechten moet worden meegedeeld en, met name, dat de naam en het adres van de aangever en, voor zover bekend, van de geadresseerde van de goederen waarvan de douaneautoriteiten hebben vastgesteld, dat zij overeenstemmen met de omschrijving van "nagemaakte of door piraterij verkregen goederen", worden meegedeeld.
17 Dit is overigens het fundamentele verschil tussen verordening nr. 3295/94 en verordening (EEG) nr. 3842/86(5), die aan eerstgenoemde verordening voorafging en door deze is ingetrokken. Volgens de oude regeling had de merkhouder geen toegang tot de gegevens betreffende de aangever en de importeur van de goederen, wanneer de administratie had vastgesteld dat die goederen "overeenkwamen met nagemaakte of door piraterij verkregen goederen", maar de nationale bevoegde autoriteit zich nog niet ten gronde had uitgesproken. Pas wanneer de procedure was afgesloten en was vastgesteld, dat de litigieuze goederen nagemaakt waren of door piraterij verkregen, bepaalde artikel 7, lid 3, van verordening nr. 3842/86, dat "behalve wanneer dat volgens het nationale recht niet mogelijk is, het betrokken douanekantoor of de bevoegde autoriteit de merkhouder op zijn verzoek in kennis [stelt] van de namen en adressen van de afzender, de importeur en de geadresseerde van de goederen waarvan vastgesteld is dat het namaakartikelen zijn (...)". Volgens verordening nr. 3295/94 kan de merkhouder echter in twee fasen van de procedure op de hoogte worden gesteld: in de eerste plaats, op grond van artikel 6, lid 1, zelfs voordat de bevoegde nationale autoriteit zich ten gronde heeft uitgesproken (dat wil zeggen zelfs voordat is vastgesteld, dat de litigieuze goederen nagemaakt zijn of door piraterij verkregen) en, in de tweede plaats, op grond van artikel 8, lid 3, wanneer de procedure is beëindigd en is vastgesteld, dat het om nagemaakte of door piraterij verkregen goederen ging.
18 Uit het voorgaande volgt, dat de uitbreiding van het recht op informatie van de merkhouder rechtstreeks verband houdt met de uitbreiding van zijn rol in de procedure. De merkhouder heeft in beginsel tot "taak", de nationale bevoegde autoriteiten te benaderen voor een beslissing ten gronde, opdat de tegengehouden goederen definitief als al dan niet authentiek kunnen worden aangemerkt. Indien de identiteit van de aangever en/of de geadresseerde van de goederen niet aan de merkhouder kan worden meegedeeld, kan hij de nationale bevoegde autoriteiten niet inschakelen. De regeling die verordening nr. 3295/94 beoogt in te voeren verliest dan een groot deel van haar praktische waarde, of wordt zelfs volkomen zinloos.
19 De betrokken bepaling van artikel 6, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 3295/94 bevat echter een tegenstrijdigheid. Terwijl de merkhouder het initiatief moet nemen om de bevoegde nationale autoriteiten te benaderen die zich erover moeten uitspreken, of de betrokken goederen daadwerkelijk zijn nagemaakt of door piraterij verkregen - hetgeen hij niet kan doen zonder op de hoogte te zijn van de identiteit van de personen tegen wie zijn verzoek is gericht - worden de gegevens betreffende die personen hem enkel meegedeeld onder voorbehoud van de nationale bepalingen "betreffende de bescherming van persoonsgegevens, het handels- en industrieel geheim alsmede het beroeps- en administratief geheim". Houden wij ons aan de letterlijke bewoordingen van deze bepaling, dan zien wij dat zich bij de toepassing ervan twee problemen voordoen. In de eerste plaats is niet uitgesloten - of de gemeenschapswetgever lijkt althans op het eerste gezicht toe te staan - dat de informatieverstrekking aan de merkhouder ingrijpend wordt beperkt of zelfs wordt uitgesloten. Anderzijds valt niet in te zien, hoe het communautaire mechanisme in de strijd tegen nagemaakte of door piraterij verkregen goederen doeltreffend kan functioneren in gevallen waarin de nationale wettelijke regeling verbiedt, dat de merkhouder op de hoogte wordt gesteld van gegevens betreffende de aangever, en voor zover mogelijk, van de geadresseerde van de betrokken goederen. Kort gezegd doet zich de volgende tegenstrijdigheid voor: ofschoon de mededeling van de betrokken informatie aan de merkhouder essentieel is voor de werking van het communautaire controle- en verbodsmechanisme, lijkt deze mededeling aan de beoordeling van de lidstaten te worden overgelaten, zonder dat is uitgesloten, althans indien men naar de letterlijke bewoordingen van de betrokken bepalingen van verordening nr. 3295/94 kijkt, dat een lidstaat de mededeling van de betrokken informatie algemeen en volledig verbiedt.
20 B. Het zojuist door mij geschetste probleem staat in de prejudiciële vraag centraal.
21 Na onderzoek van de toepasselijke Zweedse wettelijke regeling, zoals door de verwijzende rechter geanalyseerd, blijkt dat de nationale wetgeving inzake de bescherming van gegevens betrekking heeft op alle inlichtingen over de persoonlijke en economische situatie van een particulier die de publieke autoriteiten in het kader van een douanecontrole ontvangen. Bij wijze van uitzondering wordt het verbod om de betrokken inlichtingen bekend te maken opgeheven, indien de betrokkene hierdoor niet wordt benadeeld.
22 Ten aanzien van de onderhavige zaak merkt de verwijzende rechter echter op, dat van die uitzondering geen gebruik kan worden gemaakt. De betrokken inlichtingen over de identiteit van de aangever en/of de geadresseerde van de goederen kunnen Adidas niet worden meegedeeld, omdat niet zeker is, dat die personen hiervan geen nadeel zullen ondervinden. In casu verzet de nationale wettelijke regeling zich dus tegen de mededeling van de door Adidas gevraagde inlichtingen. Daarom rijst de vraag, in welke mate artikel 6 van verordening nr. 3295/94 zich verzet tegen de toepassing van een nationale wettelijke regeling die de mededeling van de betrokken inlichtingen aan de merkhouder, zoals voorgeschreven in artikel 6, lid 1, tweede alinea, van die verordening, uitsluitend in zeer uitzonderlijke gevallen toestaat.
23 Alvorens op deze vraag in te gaan lijkt het mij onvermijdelijk, een aantal punten van de onderhavige zaak te preciseren. Zoals bekend, heeft Adidas verzocht om op de hoogte te worden gesteld van de naam van de geadresseerde van de betrokken goederen, zodat zij voor de nationale rechterlijke instanties beroep kon instellen. Bij gebreke van andere aanwijzingen neem ik dus aan, dat in Zweden de rechterlijke instanties de bevoegde autoriteiten zijn voor "een beslissing ten principale" in de zin van artikel 6, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 3295/94. Bovendien weet het Hof niet, in hoeverre de Zweedse wettelijke regeling eventueel in een ambtshalve controle voorziet, in het kader waarvan de rechterlijke instanties, als de bevoegde autoriteiten voor "een beslissing ten principale", na de overlegging van het dossier door de douane of door een andere bestuurlijke autoriteit op de hoogte worden gebracht van de zaak, dat wil zeggen zonder dat de merkhouder beroep hoeft in te stellen. Indien er een mogelijkheid van een ambtshalve controle door de bevoegde nationale rechterlijke instantie bestaat, wordt de belemmering voor de doeltreffende toepassing van verordening nr. 3295/94, die wordt gecreëerd door de onmogelijkheid om de merkhouder op de hoogte te stellen, ten dele opgeheven.
24 Ondanks deze onzekerheden blijft de vraag van de verwijzende rechter toch relevant. Zoals hierboven reeds vastgesteld, dient de merkhouder volgens het bij verordening nr. 3295/94 ingevoerde mechanisme in beginsel de noodzakelijke maatregelen te treffen ten aanzien van de nagemaakte of door piraterij verkregen goederen. Om de nationale autoriteiten die voor een beslissing ten principale bevoegd zijn te kunnen inschakelen, moet de merkhouder echter op de hoogte zijn van de gegevens betreffende de personen tegen wie zijn beroep zal worden gericht, namelijk de aangever en/of de geadresseerde van de goederen. De gemeenschapswetgever erkent weliswaar het bestaan van nationale bepalingen betreffende de bescherming van persoonsgegevens, het handels- en industrieel geheim alsmede het beroeps- en administratief geheim erkent, doch het is niet duidelijk, in hoeverre die nationale bepalingen een regel mogen bevatten, op grond waarvan de mededeling van de betrokken informatie verboden is en de verspreiding ervan slechts in uitzonderlijke gevallen is toegestaan.
25 C. In haar bij het Hof ingediende opmerkingen stelt de Commissie een oplossing voor die de in casu aangevoerde stellingen met elkaar in overeenstemming brengt en op grond waarvan kan worden aangenomen, dat de betrokken bepalingen van het gemeenschapsrecht en die van het nationale recht niet strijdig met elkaar zijn. Zij merkt terecht op, dat de uiteindelijke doelstelling van het bij de verordening ingevoerde mechanisme in artikel 2 van die verordening wordt gedefinieerd. Volgens die bepaling mogen "goederen waarvan na beëindiging van de in artikel 6 omschreven procedure is vastgesteld dat zij zijn nagemaakt of door piraterij zijn verkregen, [...] niet in het vrije verkeer worden gebracht, worden uitgevoerd, weder worden uitgevoerd of onder een schorsingsregeling worden geplaatst". De uitlegging en de toepassing van de betrokken nationale en gemeenschapsrechtelijke bepalingen moeten tot de verwezenlijking van die doelstelling bijdragen. Voorts stelt de Commissie, dat die doelstelling in het kader van de onderhavige zaak enkel kan worden bereikt, indien men toestaat dat Adidas op de hoogte wordt gesteld van de identiteit van de aangever en/of de geadresseerde van de betrokken goederen. Zij stelt echter, dat aan de bepalingen van de Zweedse wettelijke regeling betreffende de bescherming van gegevens een uitlegging kan worden gegeven die geen afbreuk doet aan de nuttige werking van het gemeenschapsrecht en die evenmin de verwezenlijking van de uiteindelijke doelstelling van de betrokken verordening in gevaar brengt.
26 Volgens de Commissie kan Adidas' verzoek om toegang te verkrijgen tot de door de douaneautoriteiten verzamelde gegevens over de identiteit van de aangever en/of de geadresseerde worden ingewilligd, en tegelijkertijd toch toepassing worden gegeven aan de Zweedse wettelijke regeling betreffende de bescherming van gegevens. De Commissie wijst met name op de uitzondering van artikel 2 van hoofdstuk 9 van Sekretsslag in samenhang met artikel 1, eerste alinea, derde, vierde, vijfde en zesde zin, van die wet, volgens welke de informatie waarover de douaneautoriteit beschikt bekend kan worden gemaakt, indien is vastgesteld dat de betrokkenen daardoor geen schade ondervinden. De Commissie stelt een uitlegging voor, op grond waarvan de mededeling aan de merkhouder van de identiteit van de aangever en/of de geadresseerde van de goederen die onder de verboden van verordening nr. 3295/94 lijken te vallen - welke mededeling in artikel 6 van die verordening is voorzien - in beginsel mogelijk is, indien men gebruik maakt van de uitzondering die, zoals bekend, in de Zweedse wettelijke regeling inzake de bescherming van gegevens is opgenomen. Dit betekent volgens de Commissie dat die mededeling de betrokkene (de aangever en/of de geadresseerde van de goederen) in beginsel geen schade mag berokkenen, zodat zij is toegestaan.
27 De stelling van de Commissie berust op twee argumenten, die aan de bepalingen van verordening nr. 3295/94 zijn ontleend. In de eerste plaats, stellen de nationale bevoegde autoriteiten op grond van artikel 6, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 3295/94, zodra zij vaststellen dat bepaalde goederen overeenstemmen met de "beschreven nagemaakte of door piraterij verkregen goederen", de aangever onmiddellijk hiervan op de hoogte. Laatstgenoemde kan de betrokken goederen dan terugnemen, zodat zij niet op de markt worden gebracht. In de tweede plaats hebben de lidstaten op grond van artikel 3, lid 6, van verordening nr. 3295/94 eveneens de mogelijkheid, te eisen dat de merkhouder een zekerheid stelt, die nu juist bestemd is om de rechten van derden te beschermen die door de douanecontrole eventueel worden geraakt. De personen die bij uitstek tot deze categorie behoren zijn natuurlijk de aangever en de geadresseerde van de gecontroleerde goederen. Gelet op het voorgaande concludeert de Commissie, dat in het specifieke kader van de toepassing van artikel 6 van verordening nr. 3295/94 gebruik moet worden gemaakt van de in de Zweedse wettelijke regeling opgenomen afwijking op de regel van geheimhouding. Dit betekent dat het in beginsel mogelijk moet zijn, de merkhouder op zijn verzoek op de hoogte te stellen van de naam en het adres van de aangever en, indien bekend, van de geadresseerde van de goederen, zodat hij zich tot de autoriteiten die voor een beslissing ten principale bevoegd zijn kan wenden, omdat de bekendmaking van die gegevens geen schade toebrengt aan de personen waarop die informatie betrekking heeft. Die personen genieten bescherming, omdat zij, wanneer zij op de hoogte worden gesteld van de bedenkingen ten aanzien van de authenticiteit van de goederen, de door hen gekozen maatregelen kunnen nemen en omdat zij uiteindelijk, wanneer de goederen echt blijken te zijn, vergoeding van de geleden schade kunnen vragen, dankzij de zekerheid die de merkhouder heeft moeten stellen.
28 Deze uitlegging van de Commissie ontleent haar oorsprong aan het beginsel, dat het nationale recht conform het gemeenschapsrecht moet worden uitgelegd. Gelijk het Hof in verschillende arresten expliciet heeft aangegeven, moet de bevoegde rechter de nationale regel zoveel mogelijk "in het licht van de bewoordingen en het doel" van de communautaire regel uitleggen.(6) Ofschoon het Hof tot taak heeft, de nationale rechterlijke instanties te herinneren aan hun verplichting om de nationale regels zo uit te leggen, dat zij in overeenstemming zijn met de geldende gemeenschapsrechtelijke voorschriften, is het mijns inziens echter niet bevoegd om de nationale rechter de uitlegging aan te geven met behulp waarvan de nationale bepalingen in overeenstemming kunnen worden gebracht met de bepalingen van de communautaire regeling. Die vraag behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de nationale rechter. Het Hof heeft enkel tot taak, de relevante gemeenschapsrechtelijke bepalingen uit te leggen. De nationale rechter moet aan de hand van deze uitlegging zelf kiezen, hoe zijn nationale rechtsorde in overeenstemming met de vereisten van het gemeenschapsrecht wordt gebracht.
29 Indien ik de voorgaande opmerkingen op de onderhavige zaak toepas moet ik wel concluderen, dat het Hof dient te preciseren in welke mate verordening nr. 3295/94 zich al dan niet verzet tegen een nationale wettelijke regeling die in beginsel verbiedt, dat de merkhouder op de hoogte wordt gesteld van de identiteit van de aangever en/of de geadresseerde van de goederen of die dit slechts in uitzonderingsgevallen toestaat. Indien de betrokken verordening zich niet ertegen verzet, dat het nationale recht de verspreiding van die gegevens in zo ruime mate verbiedt, kan de verwijzende rechter het beroep van Adidas verwerpen, zonder ook maar de nationale wettelijke regeling te onderzoeken. Is de nationale rechter echter van oordeel, dat de relevante bepalingen van verordening nr. 3295/94 in strijd zijn met een zo ruim verbod om de merkhouder op de hoogte te stellen, dan moet hij, overeenkomstig het beginsel van voorrang van het gemeenschapsrecht, een manier vinden om de litigieuze gemeenschapsregels op de beste wijze te kunnen toepassen. Zo kan hij er de voorkeur aan geven om het nationale verbod dat zich tegen de toepassing van de gemeenschapsrechtelijke regel verzet, op zij te zetten of proberen aan die nationale bepalingen een zodanige uitlegging te geven, dat de betrokken belemmering wordt opgeheven. In de zaak Adidas heeft de verwijzende rechter echter uitdrukkelijk verklaard, dat het op basis van de heersende uitlegging van de nationale wettelijke regeling inzake de bescherming van gegevens onmogelijk was, de identiteit van de aangever en/of de geadresseerde van de goederen aan de merkhouder mee te delen, omdat ervan moest worden uitgegaan, dat die verspreiding de betrokkenen schade kon berokkenen.
30 D. Ondanks de interessante opmerkingen van de Commissie over de mogelijkheid om de nationale bepalingen "in het licht" van verordening nr. 3295/94 uit te leggen, moet de prejudiciële vraag dus echter nog steeds ten gronde worden beantwoord. De vraag is, in welke mate de mededeling aan de merkhouder van gegevens betreffende de aangever en de geadresseerde van goederen waarvan de administratie heeft vastgesteld dat zij zijn nagemaakt, door de nationale bepalingen mag worden beperkt, willen die bepalingen nog in overeenstemming zijn met de betrokken gemeenschapsverordening. Zoals hierboven reeds aangegeven, lijkt de formulering van de bepalingen van artikel 6 van verordening nr. 3295/94 een tegenstrijdigheid te bevatten, aangezien een letterlijke uitlegging van de tweede alinea van lid 1 bij de lezer de indruk kan wekken, dat de nationale wetgever niet alleen volledig vrij is om grenzen te stellen aan de mogelijkheid om de merkhouder op de hoogte te brengen, maar deze mogelijkheid zelfs geheel kan uitsluiten.
31 Uit de door mij hierboven bepleite teleologische en systematische uitlegging van die bepalingen blijkt echter, dat de beperkingen die de lidstaten aan de informatie van de merkhouder mogen stellen, nogal eng zijn. Ten gunste van deze stelling spreken de volgende argumenten. Gelijk uit de globale inhoud van artikel 6, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 3295/94 volgt, bepaalt de algemene regel die de gemeenschapswetgever heeft ingevoerd, dat de merkhouder op de hoogte wordt gesteld. Hieruit kan a contrario worden afgeleid, dat de nationale bepalingen die dit verhinderen slechts een uitzonderlijk karakter mogen hebben. Het tweede argument weegt nog zwaarder: gelet op de beslissende rol van de merkhouder in het kader van het hier ter discussie staande controlestelsel, is de mededeling aan hem van de identiteit van de aangever en de geadresseerde van de goederen van enorm belang en mogen de beperkingen die aan die mededeling worden gesteld, de verwezenlijking van de doelstellingen van de verordening niet in gevaar brengen. Ten slotte -- en dit is wellicht het belangrijkste argument -- heeft de gemeenschapswetgever zelf voor de bescherming van de rechtspositie van de aangever en de geadresseerde van de gecontroleerde goederen gezorgd, zodat de mededeling van hun naam en adres aan de merkhouder geen schade toebrengt aan hun rechten of belangen. Zij worden immers onmiddellijk op de hoogte gesteld, wanneer de administratie vaststelt, dat de gecontroleerde goederen "overeenstemmen met de omschrijving" van nagemaakte of door piraterij verkregen goederen. Bovendien mag de merkhouder de gegevens waartoe hij uit hoofde van artikel 6, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 3295/94 toegang heeft alleen gebruiken om "de zaak voor te leggen aan de bevoegde autoriteit voor een beslissing ten principale". Worden die gegevens voor andere doeleinden gebruikt, dan zal de merkhouder de schade moeten vergoeden die hij de aangever of de geadresseerde daardoor heeft berokkend. De vergoeding van die schade of van iedere andere schade die zij eventueel ondervinden -- bijvoorbeeld door het tegenhouden van de goederen, wanneer zij uiteindelijk authentiek blijken te zijn -- wordt vergemakkelijkt door het feit, dat uitdrukkelijk is bepaald, dat de bevoegde nationale autoriteiten van de merkhouder een zekerheid kunnen verlangen.
32 Gelet op het voorgaande ben ik van mening, dat wanneer de in de verordening genoemde "nationale bepalingen betreffende de bescherming van persoonsgegevens, het handels- en industrieel geheim alsmede het beroeps- en administratief geheim" in het specifieke kader van verordening nr. 3295/94 moeten worden toegepast, zij de door de betrokken bepalingen van de verordening voorziene mogelijkheid om de merkhouder op de hoogte te stellen niet zodanig mogen beperken, dat de verordening haar nuttige werking zou verliezen. Nationale beperkingen of verboden op het gebied van de mogelijkheid om de merkhouder op de hoogte te stellen zijn met name slechts in overeenstemming met de verordening, indien zij aan bepaalde voorwaarden voldoen. Zij moeten specifiek en gerechtvaardigd zijn en mogen de informatieverschaffing aan de merkhouder niet verhinderen op een wijze die onevenredig is met het door die bepalingen beoogde doel. Wat de tweede en derde voorwaarde betreft, zijn nationale beperkingen en verboden mijns inziens slechts wettig, wanneer de bescherming van de rechten en de belangen van de aangever en de geadresseerde die het bij verordening nr. 3295/94 ingevoerde stelsel verzekert (beperking van het gebruik van de informatie waartoe de merkhouder toegang heeft, het stellen van een zekerheid), onvoldoende is. In elk geval moeten nationale bepalingen waarbij die beperkingen en verboden worden ingevoerd voorzien zijn van een duidelijke en specifieke motivering, die aantoont dat zij noodzakelijk zijn.
33 Indien ik die algemene vaststellingen op de onderhavige zaak toepas, moet ik wel concluderen, dat de betrokken verordening, ofschoon zij in de mogelijkheid voorziet om het recht van de merkhouder op informatie te beperken en te verbieden, zich echter verzet tegen nationale bepalingen die een algemene regel bevatten, volgens welke de mededeling van de betrokken informatie aan de merkhouder is verboden of slechts in uitzonderingsgevallen is toegestaan. Dit soort nationale beperking is specifiek noch gerechtvaardigd en is in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Kortom, zij doet afbreuk aan de nuttige werking van verordening nr. 3295/94 en moet buiten toepassing worden gelaten.
34 E. Hiervoor heb ik de vraag van de mededeling van de identiteit van de aangever en de geadresseerde aan de merkhouder uitsluitend onderzocht vanuit het oogpunt van specifieke regels van afgeleid gemeenschapsrecht, zoals deze in verordening nr. 3295/94 zijn opgenomen. Rest echter nog te preciseren, in welke mate deze specifieke communautaire regeling en de door haar toegestane mogelijkheden om de merkhouder te informeren, in overeenstemming zijn met de fundamentele regels en de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht. In het bijzonder moet worden gepreciseerd, in welke mate de mededeling van de naam en het adres van de aangever en de geadresseerde van de goederen waarvan de authenticiteit wordt gecontroleerd, in overeenstemming is met de fundamentele regels inzake de bescherming van het privéleven en de ontplooiing van de persoonlijke vrijheid.
35 Zoals bekend voorziet het primaire gemeenschapsrecht in de bescherming van de fundamentele rechten van de mens, zoals deze met name in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zijn neergelegd en zoals deze uit de grondwettelijke tradities van de lidstaten voortvloeien.(7) De bescherming van het geheim van het privéleven, in het kader van het recht op het privéleven en de ontplooiing van de persoonlijke vrijheid, is een algemeen gemeenschapsrechtelijk beginsel dat is neergelegd in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het is eveneens een beginsel dat in de grondwetten van alle lidstaten is opgenomen en het houdt rechtstreeks verband met het Europees burgerschap, dat in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is neergelegd.
36 De noodzaak van de bescherming van het privéleven wordt door het Hof vooral in twee soorten zaken aan de orde gesteld. In de eerste plaats bij het onderzoek van de aard en de omvang van de controlebevoegdheden waarover de Commissie in het kader van de toepassing van de mededingingsregels beschikt. Het Hof heeft reeds gewezen op het onschendbare karakter van het privéleven, voortvloeiende uit het fundamentele recht op het privéleven, en het heeft bovendien de noodzaak om eenieder te beschermen tegen ingrepen van het openbaar gezag in zijn persoonlijke sfeer, tot een algemeen gemeenschapsrechtelijk beginsel verheven.(8) Voorts heeft het Hof in het kader van ambtenarenzaken verklaard, dat het recht op eerbiediging van het privéleven "één van de door de communautaire rechtsorde beschermde grondrechten" is; het heeft tevens aangegeven, dat dit recht onder meer inhoudt, dat "een persoon het recht heeft zijn gezondheidstoestand geheim te houden".(9)
37 De gemeenschapsinstellingen regelen de vraag van de bescherming van persoonsgegevens, het handels- en industrieel geheim alsmede het beroeps- en administratief geheim niet uitputtend. Om die reden verwijst artikel 6, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 3295/94 ook naar de nationale bepalingen. De gemeenschapswetgever heeft zich echter wel beziggehouden met een daarmee verwante vraag, namelijk die van de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens; het gaat hierbij om richtlijn 95/46/EG.(10) Het is veelzeggend, dat de tiende overweging van de considerans van die richtlijn de nadruk legt op de nauwe relatie tussen de regels betreffende de verwerking, de verspreiding en het gebruik van persoonsgegevens en de eerbiediging van fundamentele rechten, en met name het privéleven. Om die reden moet zowel het nationale als het gemeenschapsrecht erop gericht zijn, "een hoog beschermingsniveau in de Gemeenschap te waarborgen".(11)
38 Zowel uit de eerdergenoemde rechtspraak als uit richtlijn 95/46 volgt, dat de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van natuurlijke en rechtspersonen een belangrijke plaats inneemt in het stelsel van door de communautaire rechtsorde gedicteerde waarden. Die bescherming kan en mag echter geen absoluut karakter hebben. Het Hof is van oordeel, dat aan fundamentele rechten beperkingen mogen worden gesteld, "mits deze daadwerkelijk beantwoorden aan doeleinden van algemeen belang en ten opzichte van het beoogde doel geen bovenmatige en ontoelaatbare ingreep vormen die de kern zelf van het gewaarborgde recht zou aantasten".(12) Op basis van dit beginsel heeft het Hof geoordeeld, dat een kandidaat-ambtenaar zich niet kan beroepen op het recht om zijn gezondheidstoestand geheim te houden, teneinde zich voor zijn aanstelling aan een AIDS-test te onttrekken.(13)
In diezelfde gedachtegang moet een Europees ambtenaar die van de ziekenkas vergoeding van bepaalde ziektekosten verlangt, de gevraagde medische informatie verstrekken, zonder dat hij zich, om aan die verplichting te ontkomen, op de bescherming van het medisch geheim kan beroepen.(14)
39 De Raad en het Parlement hebben zich bij de vaststelling van richtlijn 95/46 door datzelfde idee laten inspireren. Zij hebben zich niet op het standpunt gesteld, dat de bescherming van het privéleven een absoluut karakter moest hebben, hetgeen zou hebben betekend, dat de selectie en de verwerking van persoonsgegevens algemeen werd verboden. In plaats van absolute verboden beklemtoont de richtlijn de noodzaak om ervoor te zorgen, dat de betrokken belangen in evenwicht zijn, met name door rekening te houden met het evenredigheidsbeginsel. Zo dient de verwerking van persoonsgegevens te geschieden met de toestemming van de betrokken persoon of moet deze "noodzakelijk(15) [zijn] voor de sluiting of uitvoering van een overeenkomst die de betrokkene bindt of voor de eerbiediging van een wettelijke verplichting, voor de uitvoering van een taak van openbaar belang of de uitoefening van overheidsgezag, of ook voor de behartiging van een wettig belang van een persoon (...)".(16) Zo dient de verwerking "adequate en ter zake dienende, gegevens [te] betreffen die met de doeleinden stroken(17)".(18) Voor de onderhavige zaak zijn nog twee overwegingen van de considerans van richtlijn 95/46 van belang. In de eerste plaats wordt uitdrukkelijk erkend, dat de lidstaten door het gemeenschapsrecht verplicht kunnen worden om van de bepalingen van de richtlijn met betrekking tot het recht van toegang, de informatie van personen en de kwaliteit van de gegevens af te wijken teneinde een of meer doeleinden in acht te nemen die absoluut noodzakelijk zijn voor de preventie, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of schending van de beroepscode.(19) Ten slotte mag worden afgeweken van de door de richtlijn geboden bescherming, wanneer het gebruik van bepaalde informatie "nodig is in het kader van een overeenkomst of van een rechtsvordering, wanneer de bescherming van een zwaarwegend algemeen belang zulks vereist, bijvoorbeeld in het geval van internationale gegevensuitwisselingen tussen belasting of douanediensten (...)".(20)
40 In het specifieke kader van het hier bestudeerde juridische probleem, kunnen op grond van het voorgaande onderzoek de volgende conclusies worden getrokken. In de eerste plaats is het niet onredelijk, dat de gegevens die de douaneautoriteiten bij de uitoefening van hun taken ontvangen en die betrekking hebben op de identiteit van de aangever en de geadresseerde van de goederen die door de douane worden gecontroleerd, onderworpen zijn aan de regel die de verspreiding van gegevens met een persoonlijk karakter verbiedt, voor zover zij binnen de beschermde persoonlijke levenssfeer vallen. Een marktdeelnemer die goederen in- of uitvoert heeft alle reden om niet te willen, dat zijn concurrenten, de personen met wie hij handelsbetrekkingen onderhoudt en de consumenten toegang hebben tot gegevens betreffende zijn werkzaamheid. Deze regel geldt echter niet vanzelfsprekend in de specifieke gevallen als bedoeld in artikel 6, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 3295/94. In het kader van dit artikel dient het informeren van de merkhouder om bepaalde belangen te waarborgen die volgens de communautaire rechtsorde beschermd moeten worden. Het betreft hier in de eerste plaats het openbare belang verband houdende met de strijd tegen de handel in nagemaakte of door piraterij verkregen goederen; in de tweede plaats beoogt dit artikel intellectuele-eigendomsrechten te beschermen.
41 Ik ben daarom van mening, dat de gemeenschapswetgever met de oplossing die hij in het kader van artikel 6 van verordening nr. 3295/94 heeft gekozen, een adequate afweging heeft gemaakt van de betrokken belangen, dat wil zeggen die van de aangever en de geadresseerde van de goederen enerzijds en die van de merkhouder en de markt in het algemeen anderzijds. Deze oplossing impliceert weliswaar een beperking van de bescherming van het privéleven van de aangever en de geadresseerde van de goederen, doch zij is niet in strijd met de algemene gemeenschapsrechtelijke beginselen, aangezien die beperking rechtmatig en gerechtvaardigd is en in overeenstemming met de verplichtingen voortvloeiende uit het evenredigheidsbeginsel.
42 De volgende argumenten staven deze stelling: om te beginnen geschiedt de mededeling van de betrokken informatie aan de merkhouder waarin verordening nr. 3295/94 voorziet, in een stadium waarin reeds ernstige verdenkingen bestaan, dat de goederen die door de douane worden gecontroleerd niet authentiek zijn. De bevoegde autoriteiten zijn van mening dat die goederen "overeenstemmen met de omschrijving van nagemaakte of door piraterij verkregen goederen"; met andere woorden, de verordening voorziet niet in de opheffing van het geheim van het privéleven of het bedrijfsgeheim met betrekking tot elke persoon die goederen in- of uitklaart, maar uitsluitend indien er ernstige verdenkingen van inbreuken bestaan.
43 Voorts heeft de mededeling van de identiteit van de geadresseerde of de aangever aan de merkhouder, zoals eerder gezegd, een bepaald doel: degene die toegang tot deze informatie heeft kan deze alleen gebruiken om aan de bevoegde nationale autoriteiten de vraag voor te leggen, of de betrokken goederen daadwerkelijk zijn nagemaakt of door piraterij zijn verkregen. Ik wil er hier nogmaals op wijzen, dat de strijd tegen bepaalde inbreuken en de vereisten van de rechtsbedeling de invoering rechtvaardigen van uitzonderingen op de regels die zijn vastgesteld om het privéleven en het bedrijfsgeheim te beschermen.(21)
44 Ten slotte zijn de hierboven omschreven aanvullende waarborgen voor de aangever en de geadresseerde niet zonder belang en het lijkt mij zinvol, deze nogmaals onder de aandacht te brengen. In de eerste plaats volgt uit de algehele formulering van artikel 6, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 3295/94, dat de aangever en de geadresseerde, voordat hun naam en adres aan de merkhouder worden meegedeeld, door de bevoegde dienst op de hoogte worden gebracht van de verdenkingen ten aanzien van de authenticiteit van de betrokken goederen. Zij kunnen derhalve maatregelen nemen, met name het terugnemen van de goederen. In de tweede plaats, en dit is het belangrijkste, worden de aangever en de geadresseerde van de goederen beschermd door de zekerheid die de merkhouder stelt, indien hij misbruik maakt van de informatie waartoe hij krachtens artikel 6 van verordening nr. 3295/94 toegang heeft of wanneer na afloop van de procedure wordt vastgesteld, dat de tegengehouden goederen niet zijn nagemaakt of door piraterij zijn verkregen.
45 De bepalingen van artikel 6 van verordening nr. 3295/94 moeten daarom niet in strijd worden geacht met de algemene gemeenschapsrechtelijke beginselen.
VII - Conclusie
46 Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt:
"Artikel 6, lid 1, tweede alinea, van verordening (EG) nr. 3295/94 van de Raad van 22 december 1994 tot vaststelling van maatregelen om het in het vrije verkeer brengen, de uitvoer, de wederuitvoer en de plaatsing onder een schorsingsregeling van nagemaakte of door piraterij verkregen goederen te verbieden, verzet zich tegen een nationale regeling die in beginsel verbiedt of slechts in zeer uitzonderlijke gevallen toestaat, dat de naam en het adres van de aangever en de geadresseerde van goederen die door de douane worden gecontroleerd worden meegedeeld aan de merkhouder, die deze informatie nodig heeft om de bevoegde nationale autoriteiten te kunnen vragen, uit te maken of die goederen zijn nagemaakt of door piraterij zijn verkregen."
(1) - PB L 341, blz. 8.
(2) - Cursivering van mij.
(3) - SFS 1980: 100.
(4) - Achtste overweging van de considerans van verordening nr. 3295/94.
(5) - Verordening van de Raad van 1 december 1986 tot vaststelling van maatregelen om het in het vrije verkeer brengen van namaakartikelen te verbieden (PB L 357, blz. 1).
(6) - Zie ter informatie de arresten van 16 december 1993, Wagner Miret (C-334/92, Jurispr. blz. I-6911, punt 20); 7 december 1995, Spano e.a. (C-472/93, Jurispr. blz. I-4321), en 13 november 1990, Marleasing (C-106/89, Jurispr. blz. I-4135). Die arresten betroffen de omzetting van communautaire richtlijnen in nationaal recht. Het beginsel van de "conforme uitlegging" heeft echter ook betrekking op gevallen van toepassing van gemeenschapsverordeningen, wanneer deze de nationale autoriteiten rechtstreeks een zekere regelgevende bevoegdheid verlenen. Met andere woorden, ofschoon de verordening van nature niet de vaststelling verlangt van nationale maatregelen om haar omzetting in nationaal recht te verzekeren, kan zij echter bepalen, dat haar toepassing plaatsvindt in het kader van bepaalde bestaande nationale regels. Tot die specifieke categorie behoort verordening nr. 3295/94. Ik ben van mening, dat in die gevallen de verwijzing naar het beginsel, dat de nationale regels "in het licht" van het gemeenschapsrecht moet worden uitgelegd, haar volledige waarde behoudt.
(7) - Zie, met name, artikel F, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ondertekend te Maastricht op 7 februari 1992, en artikel 6, leden 1 en 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ondertekend te Amsterdam en recentelijk in werking getreden.
(8) - Zie vooral de arresten van 21 september 1989, Hoechst/Commissie (46/87 en 227/88, Jurispr. blz. 2859, punten 17 en 19); 17 oktober 1989, Dow Benelux/Commissie (85/87, Jurispr. blz. 3137), en 17 oktober 1989, Dow Chemical Ibérica e.a./Commissie (97/87-99/87, Jurispr. blz. 3165).
(9) - Arrest Hof van 5 oktober 1994, X/Commissie (C-404/92, Jurispr. blz. I-4737, punt 17). Zie eveneens arresten Hof van 28 juni 1996, Y/Hof van Justitie (T-500/93, JurAmbt blz. I-A-335 en II-977); 18 december 1997, Gill/Commissie (T-90/95, JurAmbt blz. I-A-471 en II-1231), en 11 maart 1999, Gaspari/Parlement (T-66/98, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie).
(10) - Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281, blz. 31).
(11) - Tiende overweging van de considerans van richtlijn 95/46.
(12) - Arresten X/Commissie (reeds aangehaald in voetnoot 9, punt 18), en van 8 april 1992, Commissie/Duitsland (C-62/90, Jurispr. blz. I-2575, punt 23).
(13) - Arrest X/Commissie (reeds aangehaald in voetnoot 9).
(14) - Zie arresten Gill/Commissie en Gaspari/Parlement (reeds aangehaald in voetnoot 9).
(15) - Cursivering van mij.
(16) - Dertigste overweging van de considerans van richtlijn 95/46.
(17) - Cursivering van mij.
(18) - Achtentwintigste overweging van de considerans van richtlijn 95/46.
(19) - Zie de drieënveertigste en vierenveertigste overweging van de considerans van richtlijn 95/46.
(20) - Achtenvijftigste overweging van de considerans van richtlijn 95/46.
(21) - Zie bijvoorbeeld hetgeen in punt 37 hierboven is gezegd naar aanleiding van richtlijn 95/46.
Full & Egal Universal Law Academy