Conclusie van de advocaat generaal
1. Het Tribunale civile e penale di Treviso (Italië) heeft het Hof overeenkomstig artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 545/92 en verordening (EEG) nr. 859/92, waarin voor het jaar 1992 de regels worden vastgesteld voor de invoer van rundvlees, meer bepaald van de soort baby beef", van oorsprong en herkomst uit de republieken Kroatië en Slovenië en de Joegoslavische republieken Bosnië-Herzegovina, Macedonië en Montenegro.
I - De feiten van het hoofdgeding
2. Op 28 september en 6 en 19 oktober 1992 heeft de onderneming Schiavon Silvano, verweerster in het hoofdgeding, rundvlees van de soort baby beef" van oorsprong en herkomst uit de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië in de Gemeenschap ingevoerd voor een totaalbedrag van 179 903 000 ITL, met schorsing van BTW en invoerrechten. Deze regeling werd tijdelijk op haar toegepast totdat zij bewees in aanmerking te komen voor de bij verordening nr. 545/92 gecreëerde preferentiële handelsregeling.
Om de oorsprong van het vlees te bewijzen legde de onderneming certificaten over die waren geviseerd door Savezni Trzisni Inspektorat te Belgrado, de instantie die overeenkomstig de regeling tot uitvoering van de samenwerkingsovereenkomst tussen de EEG en deze staat bevoegd was tot de afgifte van deze certificaten.
3. Van oordeel dat deze certificaten niet geldig waren en dat de preferentiële handelsregeling niet op de betrokken handelswaar kon worden toegepast, vorderde de Amministrazione delle Finanze dello Stato, verzoekster in het hoofdgeding, van Schiavon een totaalbedrag van 233 971 480 ITL aan invoerrechten en BTW, vermeerderd met rente. De verzekeringsmaatschappij die de risico's van de transactie dekte, betaalde daarop het verzekerde maximumbedrag, 150 000 000 ITL, zodat voor verzoekster in het hoofdgeding een vordering van 83 971 480 ITL resteerde.
Bij vonnis van het Tribunale civile e penale di Treviso van 5 oktober 1995 werd Schiavon failliet verklaard.
4. Op grond van artikel 101 van de faillissementswet verzocht verzoekster in het hoofdgeding de rechter daarop het saldo van haar vordering, 83 971 480 ITL, als bevoorrechte vordering in het passief van het faillissement van de onderneming Schiavon Silvano in te schrijven.
5. Tussen partijen staat vast, dat voor het ingevoerde rundvlees aanspraak kon worden gemaakt op de belastingvoordelen voor de invoer uit een aantal landen die niet tot de Gemeenschap behoren, dat de plaats van oorsprong de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië was, dat de goederen vergezeld gingen van door Savezni Trzisni Inspektorat te Belgrado geviseerde certificaten van oorsprong en dat de invoer had plaatsgevonden in september en oktober 1992.
In geschil is tussen partijen in wezen of, aangezien in geen van de republieken van voormalig Joegoslavië een bevoegde instantie was aangewezen om zowel de oorsprong als de aard van de producten te certificeren, de door Savezni Trzisni Inspektorat geviseerde certificaten voor producten die na 5 april 1992 in de lidstaten in het vrije verkeer werden gebracht, voor het verlenen van de bij verordening nr. 545/92 ingestelde belastingvoordelen geldig moeten worden geacht.
II - De prejudiciële vragen
6. Om dit geschil te kunnen beslechten, heeft het Tribunale civile e penale di Treviso het Hof twee prejudiciële vragen gesteld:
1) Moet artikel 1 van verordening (EEG) nr. 545/92 aldus worden verstaan, dat dit de burgers van de Gemeenschap rechtstreeks een subjectief recht verleent op verlaging van invoerrechten, zodat zij, zolang voor enkele republieken van voormalig Joegoslavië geen tot afgifte van certificaten van oorsprong bevoegde instantie is aangewezen, tot de aanwijzing van een nieuwe instantie dit recht ook hebben wanneer zij een certificaat overleggen dat is afgegeven door de voorheen bevoegde instantie?
2) Of is de opsomming in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 859/92 van de Commissie uitputtend, zodat Savezni Trzisni Inspektorat niet langer bevoegd is tot afgifte van certificaten?"
III - De gemeenschapswetgeving en de context waarin deze tot stand is gekomen
7. In april 1980 hebben de Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds en de Joegoslavische Republiek anderzijds een samenwerkingsovereenkomst ondertekend, die is goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 314/83. Bij het uitbreken van het gewapend conflict in die staat in 1991 werd deze overeenkomst geschorst. Vervolgens werd de overeenkomst opgezegd met ingang van 27 november 1991. Bij verordening (EEG) nr. 3300/91 werden vanaf 15 november 1991 de handelsconcessies geschorst die door de Gemeenschap aan de Joegoslavische Republiek waren verleend.
8. Bij verordening (EEG) nr. 3567/91 heeft de Gemeenschap de republieken Bosnië-Herzegovina, Kroatië, Slovenië en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië voor een hele reeks producten, maar niet voor baby beef", praktisch dezelfde handelsvoordelen toegekend als die welke in de samenwerkingsovereenkomst waren vastgelegd.
Bij verordening nr. 545/92, vastgesteld op 3 februari 1992, werd het beleid voortgezet dat was ingezet met verordening nr. 3567/91, die dateert van begin december van het voorgaande jaar, en de preferentiële handelsregeling verruimd tot andere producten die uit deze republieken afkomstig zijn.
9. De regels betreffende de handelsvoordelen voor de invoer van producten van baby beef" zijn neergelegd in artikel 7 van verordening nr. 545/92. Voor de beantwoording van de prejudiciële vragen acht ik vooral punt 3 van belang:
Teneinde de stabiliteit van de interne markt van de Gemeenschap niet in gevaar te brengen, zal de Commissie ervoor zorgen dat elk der genoemde republieken haar leveranties in een passend tempo doet plaatsvinden en alle nodige maatregelen neemt voor een ordelijk verloop van haar uitvoer naar de Gemeenschap, met name door een doeltreffend toezicht te houden op elke zending door middel van een certificaat waaruit blijkt dat de goederen waarop het betrekking heeft, van oorsprong en van herkomst zijn uit de genoemde republiek en dat zij volkomen in overeenstemming zijn met de in bijlage E opgenomen omschrijving. De tekst van dit certificaat wordt door de Gemeenschap opgesteld."
De werking in de tijd van deze verordening was beperkt tot het jaar 1992.
10. In het kader van de taak waarmee de Commissie bij artikel 10 van verordening nr. 545/92 was belast, het vaststellen van de uitvoeringsregels van de landbouwbepalingen, ging de Commissie op 3 april 1992 over tot vaststelling van verordening nr. 859/92, waarvan de nationale rechter eveneens uitlegging vraagt. Deze verordening had tot doel te bepalen aan welke voorwaarden moest worden voldaan om in aanmerking te komen voor de verlaagde heffing van artikel 7 van verordening nr. 545/92 voor de invoer in de Gemeenschap van baby beef" uit de betrokken republieken. Artikel 1 van deze verordening bepaalt:
1. De in artikel 7 van verordening (EEG) nr. 545/92 bedoelde verlaagde heffingen zijn slechts van toepassing voor producten die vergezeld gaan van het in artikel 7, punt 3, van voornoemde verordening bedoelde certificaat.
2. Het model van dat certificaat is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 1368/88.
(...)
4. Het certificaat is slechts geldig als het naar behoren is geviseerd door een instantie van afgifte die voorkomt op de lijst in bijlage I bij deze verordening."
11. De op de lijst in bijlage I bij de verordening genoemde instanties van afgifte zijn Euroinspekt" te Zagreb voor de Republiek Kroatië en Inspect" te Ljubljana voor de Republiek Slovenië.
12. Artikel 2 van verordening nr. 859/92 bepaalt:
Op verzoek van de belanghebbenden en tegen overlegging van het bewijs dat de in de periode van 1 januari 1992 tot en met 5 april 1992 in de lidstaten in het vrije verkeer gebrachte producten vergezeld gingen van het in artikel 1, lid 2, bedoelde certificaat dat was geviseerd hetzij door een in bijlage I genoemde instantie, hetzij door de in bijlage II genoemde instantie, en op voorwaarde bovendien dat de plaats van afgifte van het certificaat op het grondgebied van één van de in artikel 1 van verordening (EEG) nr. 545/92 genoemde republieken is gelegen, betalen de lidstaten het verschil terug tussen de heffingsbedragen die enerzijds in kolom 2 en anderzijds in kolom 4 van verordening (EEG) nr. 853/92 zijn vermeld."
13. De in bijlage II genoemde instantie van afgifte is Savezni Trzisni Inspektorat" te Belgrado.
14. Ook deze verordening gold niet voor importen na 31 december 1992.
15. Verordening nr. 1368/88 bepaalde onder welke voorwaarden de door het aanvullend protocol bij de samenwerkingsovereenkomst met Joegoslavië vastgestelde handelsvoordelen worden verleend voor de invoer van rundvlees in de Gemeenschap. Overeenkomstig deze verordening wordt dit vlees in de Gemeenschap in het vrije verkeer gebracht tegen overlegging van een in Joegoslavië afgegeven certificaat waarvan de vorm is beschreven in artikel 3 van de verordening. De certificaten moesten worden geviseerd door een instantie van afgifte. Krachtens artikel 6, dat van toepassing is op importen overeenkomstig de verordeningen nrs. 545/92 en 859/92, kan een instantie slechts op de lijst voorkomen, indien zij als zodanig door het land van uitvoer is erkend en indien zij zich ertoe verplicht de gegevens in de certificaten te verifiëren, aan de Commissie en de lidstaten op verzoek alle nodige inlichtingen te verstrekken om de gegevens in de certificaten te kunnen beoordelen, en de in artikel 4, lid 2, vermelde autoriteiten binnen drie dagen na de datum van afgifte het tweede afschrift van ieder geviseerd certificaat toe te zenden.
IV - Het procesverloop voor het Hof
16. De Italiaanse regering en de Commissie hebben binnen de termijn van artikel 20 van 's Hofs statuut-EG schriftelijke opmerkingen ingediend. Aangezien geen van de betrokken partijen heeft verzocht te worden gehoord, heeft het Hof afgezien van een mondelinge behandeling, zoals artikel 104, lid 4, van zijn reglement voor de procesvoering dit toelaat.
V - Bespreking van de prejudiciële vragen
17. In de eerste plaats wil ik het onderwerp van de prejudiciële vragen die de Italiaanse rechter stelt, verduidelijken, te weten artikel 1 van verordening nr. 545/92.
18. Dit artikel bepaalt uitsluitend dat niet in bijlage II bij het EG-Verdrag en bijlage A bij de verordening vermelde producten van oorsprong uit de Republieken Kroatië en Slovenië en de Joegoslavische Republieken Bosnië-Herzegovina, Macedonië en Montenegro, in de Gemeenschap worden ingevoerd zonder kwantitatieve beperkingen of maatregelen van gelijke werking en met vrijstelling van douanerechten en heffingen van gelijke werking.
De andere artikelen bepalen, voor zover in deze zaak van belang, dat voor de in bijlage B genoemde producten douanerechten van toepassing zijn (artikel 2); dat voor de invoer van de in bijlagen C I, C II, C III en C IV bedoelde producten per jaar plafonds gelden, bij overschrijding waarvan de ten aanzien van derde landen daadwerkelijk geldende douanerechten opnieuw worden ingesteld (artikel 3); dat voor de in bijlage D genoemde landbouwproducten de douanerechten worden verlaagd en tariefcontingenten gelden (artikelen 4, 5 en 6) en dat voor de producten van baby beef", omschreven in bijlage E, tariefcontingenten gelden en een verlaagde heffing. Om doeltreffend te kunnen controleren of de goederen van oorsprong en van herkomst zijn uit een bepaalde republiek en volkomen in overeenstemming zijn met de omschrijving van bijlage E, bepaalt artikel 7, punt 3, dat toezicht zal worden uitgeoefend door middel van een certificaat, waarvan de tekst door de Gemeenschap wordt opgesteld.
19. Aangezien de nationale rechter in zijn verwijzingsbeschikking duidelijk verklaart dat de regels die hij in het hoofdgeding moet toepassen en waarover hij twijfel heeft, de regels zijn die betrekking hebben op de invoer van producten van baby beef" in de Gemeenschap, zijn de mijns inziens in deze zaak uit te leggen bepalingen artikel 7 van verordening nr. 545/92 en verordening nr. 859/92, die de Commissie heeft vastgesteld in het kader van de taak die haar bij artikel 7 wordt opgedragen, namelijk ervoor te zorgen dat elke republiek haar leveranties in een passend tempo doet plaatsvinden en alle nodige maatregelen neemt voor een ordelijk verloop van haar uitvoer naar de Gemeenschap.
A - De eerste vraag
20. Met deze precisering is het duidelijk dat het Tribunale de eerste van de twee vragen heeft gesteld om te vernemen of particulieren zich op artikel 7 van verordening nr. 545/97, in samenhang met verordening nr. 859/92, kunnen beroepen om producten van baby beef" in de Gemeenschap in te voeren tegen een verlaagde heffing zodat zij, zolang geen instantie is aangewezen die bevoegd is om de oorsprong van producten uit een van de republieken te certificeren, dit recht op invoer kunnen uitoefenen door overlegging van een certificaat dat door de voorheen bevoegde instantie is geviseerd.
Zowel de Italiaanse regering als de Commissie menen dat hierop een ontkennend antwoord moet worden gegeven en ik deel hun mening.
21. Bij verordening nr. 545/92 werd een preferentiële handelsregeling met een uitzonderingskarakter ingevoerd voor een aantal republieken van de voormalige Joegoslavische federatie, zonder dat daarmee ooit overeenkomsten waren gesloten. De Europese instellingen hadden deze preferentiële handelsregeling eenzijdig ingevoerd door middel van verordeningen waarvan zij de geldigheidsduur tot een jaar hadden beperkt, zodat zij de werkingssfeer konden wijzigen indien de politieke situatie dit vereiste. Voor het recht op de voordelen van deze regeling waren voorwaarden gesteld die de Raad en de Commissie noodzakelijk hadden geacht en die zij eveneens eenzijdig hadden vastgesteld.
22. Artikel 7 van de verordening voorzag in een specifieke en complete regeling van handelsvoordelen voor de invoer van producten van baby beef" in de Gemeenschap. Punt 1 stelde een jaarlijks communautair contingent van 25 000 ton vast, waarvoor de heffing 20 % van de basisheffing bedroeg, en punt 2 een jaarlijks contingent van 25 400 ton, dat kon worden gebruikt na uitputting van het eerste contingent en waarvoor de heffing 50 % van de basisheffing bedroeg.
23. Om in aanmerking te komen voor deze voordelen moesten de importeurs voldoen aan verschillende voorwaarden. In de eerste plaats kon het laagste tarief, dat alleen van toepassing was op het eerste jaarlijkse contingent van 25 000 ton, slechts worden verleend indien de aanbiedingsprijs franco grens, vermeerderd met het douanerecht en de verlaagde heffing, gelijk was aan of hoger dan de communautaire interventieprijs voor de categorie AU 3, vermeerderd met 5 %.
In de tweede plaats werd de verlaagde heffing van 50 % van de basisheffing, die alleen van toepassing was op een tweede jaarlijks contingent van 25 400 ton na uitputting van het eerste, slechts verleend indien de aanbiedingsprijs franco grens, berekend op dezelfde wijze als voor het eerste contingent, gelijk was aan of hoger dan de prijs die uit de toepassing van de normale heffing voortvloeide.
In de derde plaats werden voor de contingenten, wanneer de prijs op de markt van de Gemeenschap minder bedroeg dan 98 % van de richtprijs, andere maxima gesteld, zoals een maximum tonnage per maand, een maximum aan de overdracht naar de volgende maand van de in een bepaalde maand niet gebruikte hoeveelheid of aan de overdracht van in de periode januari tot mei niet-geëxporteerde hoeveelheden naar de periode juni tot september, alsook een maximum aan de maandelijkse hoeveelheid voor deze laatste periode.
In de vierde plaats waren de republieken waarop deze verordening van toepassing was, verplicht de bevoegde instanties van de Gemeenschap alle dienstige gegevens te verstrekken betreffende de toegepaste prijzen bij uitvoer en de hoeveelheden en de aanbiedingsvorm van de uitgevoerde producten (levende dieren, hele geslachte dieren, voor- en achtervoeten).
Ten slotte moest op elke zending doeltreffend toezicht worden gehouden door middel van een certificaat waaruit bleek dat de goederen waarop het betrekking had, van oorsprong en herkomst waren uit de genoemde republiek en dat zij volkomen in overeenstemming waren met de omschrijving in bijlage E.
24. Het is duidelijk dat artikel 7 van verordening nr. 545/92 de marktdeelnemers geen automatisch recht verleende op verlaging van de heffing op de invoer van producten van baby beef" in de Gemeenschap. Dit recht was integendeel aan verschillende voorwaarden gebonden. De marktdeelnemers hadden slechts één voorwaarde in de hand, die van overlegging van het certificaat. De andere voorwaarden waren afhankelijk van factoren zoals het totale ingevoerde tonnage of de prijs op de markt van de Gemeenschap, waarvan het toezicht en de constatering aan de Commissie was opgedragen.
25. Om deze redenen meen ik dat artikel 7 van verordening nr. 545/92 particulieren geen onvoorwaardelijk recht verleende om producten van baby beef" in de Gemeenschap in te voeren tijdens de geldigheidsperiode van de verordening, aangezien de toepassing van deze verordening afhankelijk was van een hele reeks voorwaarden, die in de meeste gevallen verband hielden met factoren buiten de invloed van de marktdeelnemers zelf, waarvan de naleving moest worden beoordeeld door de Commissie, de instantie die op basis van haar constateringen maatregelen kon treffen en daartoe over een zekere discretionaire bevoegdheid beschikte.
B - De tweede vraag
26. De tweede vraag betreft de uitlegging van verordening nr. 859/92, waarbij het Tribunale concreet wenst te vernemen welke instanties van afgifte in de loop van 1992 bevoegd waren om de in artikel 7, punt 3, van verordening nr. 545/92 bedoelde certificaten te viseren.
27. Gebruik makend van de haar bij verordening nr. 545/92 verleende bevoegdheid om de uitvoeringsregels te bepalen, heeft de Commissie op 3 april 1992 verordening nr. 859/92 vastgesteld, die in werking trad op 6 april van hetzelfde jaar. Krachtens artikel 1 van deze verordening waren de verlaagde heffingen alleen van toepassing op producten die vergezeld gingen van het certificaat waarvan het model in verordening nr. 1368/88 was opgenomen.
Overeenkomstig artikel 7, punt 3, van verordening nr. 545/92 werd met dit certificaat een tweeledig doel beoogd: het bewijs dat de goederen van oorsprong en herkomst waren uit de republiek waarvan de instantie van afgifte dit document had afgegeven, en de garantie dat de goederen volkomen in overeenstemming waren met de omschrijving van de producten van baby beef" in bijlage E van de verordening.
28. Het certificaat was slechts geldig indien het was geviseerd door een van de in de lijst in bijlage I bij de verordening genoemde instanties. Deze lijst bevatte echter geen instantie van afgifte voor de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, de enige twee instanties die daarop stonden waren de Kroatische en de Sloveense.
29. Krachtens artikel 12 van verordening nr. 545/92 was de in die verordening neergelegde invoerregeling slechts van toepassing van 1 januari tot en met 31 december 1992. Aangezien de door de Commissie vastgestelde uitvoeringsverordening niet in werking trad vóór 6 april, moest de verordening terugwerkende kracht worden verleend. Dit werd geregeld in artikel 2. Daarin werd bepaald dat op verzoek van de belanghebbenden en tegen overlegging van het bewijs dat de in de periode van 1 januari 1992 tot en met 5 april 1992 in de lidstaten in het vrije verkeer gebrachte producten van baby beef" vergezeld gingen van het op het grondgebied van een van de betrokken republieken afgegeven certificaat, de lidstaten het verschil zouden terugbetalen tussen de heffingbedragen die enerzijds in kolom 2 en anderzijds in kolom 4 van de bijlage bij verordening nr. 853/92 vermeld waren.
Voor de in deze periode verrichte importen aanvaardden de autoriteiten van de Gemeenschap zowel certificaten die waren geviseerd door een van de in bijlage I genoemde instanties, dat wil zeggen die van de Republiek Kroatië en de Republiek Slovenië, als certificaten die waren geviseerd door de in bijlage II van de verordening vermelde instantie, Savezni Trzisni Inspektorat te Belgrado, de instantie die bevoegd was op grond van de regeling ter uitvoering van de samenwerkingsovereenkomst tussen de Gemeenschap en de Joegoslavische Republiek inzake handelsconcessies, die bij verordening nr. 3300/91 was geschorst.
30. Blijkens deze regeling waren de door Savezni Trzisni Inspektorat te Belgrado geviseerde certificaten voor het aanvragen van terugbetaling van het verschil tussen de bedragen van bepaalde heffingen slechts geldig, indien zij producten vergezelden die in de lidstaten in het verkeer waren gebracht vóór 6 april 1992. Aangezien verweerster in het hoofdgeding de in geding zijnde importen verricht had op 28 september en 6 en 9 oktober 1992, kon het door deze instantie geviseerde certificaat dat de producten vergezelde, niet geldig worden geacht voor de toepassing van de verlaagde heffing op deze importen.
31. Aangezien Savezni Trzisni Inspektorat te Belgrado tot de Republiek Servië behoorde en de preferentiële handelsregeling niet kon worden toegepast op basis van op dit grondgebied afgegeven certificaten, konden de door de filialen van deze instantie op het grondgebied van de andere republieken geviseerde certificaten worden aanvaard zolang de Commissie de instanties van afgifte van die republieken niet had erkend. Dit betekent echter niet dat de preferentiële regeling nog niet kon worden toegepast of dat de bevoegdheid van deze instantie moest worden verlengd totdat de Commissie in elk van de republieken een instantie aanwees die zij voldoende betrouwbaar achtte om belast te worden met de controle op de exporten naar de Gemeenschap.
32. Het Hof heeft zich over dit punt uitgesproken in het arrest Anastasiou e.a., een zaak waarin de verwijzende rechter zich afvroeg of de douaneautoriteiten van de lidstaten certificaten inzake goederenverkeer moesten aanvaarden die door de Turkse gemeenschap van het noordelijk deel van het eiland Cyprus waren afgegeven en waaruit de Cypriotische oorsprong van de goederen bleek. Het Hof stelde vast dat het stelsel van de certificaten inzake goederenverkeer als bewijsmiddelen voor de oorsprong van de producten berust op het beginsel van wederzijds vertrouwen en samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de staat van uitvoer en die van de staat van invoer. Het oordeelde verder dat de douaneautoriteiten van de staat van invoer door de certificaten te aanvaarden er blijk van geven dat zij volledig vertrouwen hebben in het stelsel van controle van de oorsprong van de producten zoals dat door de bevoegde autoriteiten van de staat van uitvoer wordt toegepast, en dat de staat van invoer niet betwijfelt dat de controle a posteriori, het onderlinge overleg en de beslechting van eventuele geschillen over de oorsprong van de producten of over het bestaan van fraude, dankzij de samenwerking tussen de betrokken diensten doeltreffend zullen kunnen plaatsvinden.
33. Het Hof kwam in dit arrest tot de conclusie dat een dergelijk stelsel slechts goed kan werken wanneer de procedures van administratieve samenwerking strikt worden geëerbiedigd, hetgeen in dit geval niet mogelijk was aangezien een dergelijke samenwerking uitgesloten is met de autoriteiten van een gemeenschap als de in het noordelijke gedeelte van Cyprus gevestigde, die niet door de Gemeenschap wordt erkend en evenmin door de lidstaten, welke zelf geen andere Cypriotische Staat dan de Republiek Cyprus erkennen.
Ik meen dat deze conclusie a fortiori moet worden getrokken met betrekking tot de samenwerking met de autoriteiten en instanties van een staat als de Republiek Servië, die zelfs niet voorkwam op de lijst van staten waarop de bij verordening nr. 545/92 ingevoerde preferentiële handelsregeling van toepassing was.
34. Inzake de verschillende behandeling van de republieken waarvoor de preferentiële handelsregeling gold, naargelang zij al dan niet een instantie van afgifte hadden aangewezen waarop de Commissie kon vertrouwen, herinnerde het Hof er in zijn rechtspraak tevens aan dat het Verdrag geen algemeen beginsel kent dat de Gemeenschap zou verplichten in haar buitenlandse betrekkingen de verschillende derde landen in elk opzicht gelijk te behandelen. Wanneer een verschil in behandeling van derde landen niet strijdig is met het gemeenschapsrecht, kan een verschil in behandeling van handelaars van de Gemeenschap dat niet meer is dan een automatisch gevolg van het verschil in behandeling van de derde landen waarmee die handelaars commerciële betrekkingen onderhouden, evenmin worden geacht strijdig met het gemeenschapsrecht te zijn.
35. Deze handelaars kunnen zich evenmin beroepen op schending van het gewettigd vertrouwen, die volgens hen zou voortvloeien uit het feit dat het door Savezni Trzisni Inspektorat te Belgrado afgegeven certificaat zijn geldigheid heeft verloren vanaf de inwerkingtreding van verordening nr. 859/92. Daarvoor bestaan twee redenen. In de eerste plaats omdat deze marktdeelnemers na de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 15 november 1991 van verordening nr. 3300/91, waarbij de in het kader van de samenwerkingsovereenkomst tussen de Gemeenschap en de Joegoslavische Republiek verleende handelspreferenties werden geschorst, moesten weten dat de certificaten die deze instantie zou afgeven hun geen recht op handelsvoordelen voor hun importen in de Gemeenschap zouden geven. In de tweede plaats omdat de op 4 april 1992 bekendgemaakte verordening nr. 859/92 duidelijk bepaalde dat de door deze instantie geviseerde certificaten alleen geldig zouden worden geacht indien zij producten vergezelden die in de lidstaten in het verkeer waren gebracht tussen 1 januari en 5 april.
36. Om de uiteengezette redenen meen ik dat op de tweede prejudiciële vraag moet worden geantwoord dat de instanties van afgifte die bevoegd waren tot het viseren van certificaten als bedoeld in artikel 7, punt 3, van verordening nr. 545/92 voor het jaar 1992, de instanties zijn die in bijlage I bij verordening nr. 859/92 worden genoemd, en dat de bevoegdheid van Savezni Trzisni Inspektorat te Belgrado niet kon worden verlengd na 5 april 1992, ook al was voor het grondgebied van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië in het jaar 1992 geen instantie aangewezen die tot het viseren van deze certificaten bevoegd was.
VI - Conclusie
37. Gelet op de voorgaande beschouwingen geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Tribunale civile e penale di Treviso als volgt te beantwoorden:
1) Artikel 7 van verordening (EEG) nr. 545/92 van de Raad van 3 februari 1992 betreffende de regeling voor de invoer in de Gemeenschap van producten van oorsprong uit de Republieken Kroatië en Slovenië en de Joegoslavische Republieken Bosnië-Herzegovina, Macedonië en Montenegro verleende particulieren geen onvoorwaardelijk recht om producten van ,baby beef in de Gemeenschap in te voeren tijdens de geldigheidsperiode van de verordening, aangezien de toepassing van deze verordening afhankelijk was van een hele reeks voorwaarden, die in de meeste gevallen verband hielden met factoren die zich buiten de invloed van de marktdeelnemers zelf bevonden en waarvan de naleving moest worden beoordeeld door de Commissie, de instantie die op basis van haar constateringen maatregelen kon treffen en daartoe over een zekere discretionaire bevoegdheid beschikte.
2) De instanties van afgifte die bevoegd waren tot het viseren van certificaten als bedoeld in artikel 7, punt 3, van verordening nr. 545/92 voor het jaar 1992, zijn de instanties die worden genoemd in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 859/92 van de Commissie van 3 april 1992 tot vaststelling van de bepalingen voor de uitvoering van de regeling inzake de invoer van bepaalde producten van de rundvleessector van oorsprong uit de Republieken Kroatië en Slovenië en de Joegoslavische Republieken Bosnië-Herzegovina, Macedonië en Montenegro. De bevoegdheid van Savezni Trzisni Inspektorat te Belgrado kon niet worden verlengd na 5 april 1992, ook al was voor het grondgebied van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië in het jaar 1992 geen instantie aangewezen die tot het viseren van deze certificaten bevoegd was."
Full & Egal Universal Law Academy