Conclusie van de advocaat generaal
1 De Commissie heeft tegen de Franse Republiek het onderhavige beroep ingesteld op grond dat zij de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens richtlijn 89/594/EEG(1) (hierna: "richtlijn"). In concreto verwijt de Commissie de Franse Republiek, dat zij de wijzigingen die bij de artikelen 18 en 19 van de richtlijn zijn aangebracht in de regeling van de onderlinge erkenning van diploma's, certificaten en andere titels die vereist zijn voor de uitoefening van het beroep van dierenarts, niet in nationaal recht heeft omgezet. De Commissie heeft tevens geconcludeerd tot verwijzing van de Franse Republiek in de kosten.
2 Ingevolge artikel 28 van de richtlijn moesten de lidstaten de nodige maatregelen treffen om uiterlijk op 8 mei 1991 aan de richtlijn te voldoen en de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen.
3 Op 18 september 1990 stelde de Franse minister van Solidariteit, Gezondheid en Sociale bescherming de Commissie in kennis van de maatregelen die de Franse Republiek had genomen om de bepalingen van de richtlijn betreffende de uitoefening van het beroep van arts, ziekenverpleger, beoefenaar der tandheelkunde en verloskundige in nationaal recht om te zetten.
4 Bij brief van 11 oktober 1993 maande de Commissie de Franse regering aan, overeenkomstig artikel 169 EG-Verdrag binnen twee maanden haar opmerkingen te maken over het feit dat zij naar de mening van de Commissie haar verplichting tot omzetting in nationaal recht van de bepalingen van de richtlijn met betrekking tot het beroep van dierenarts, te weten de artikelen 16 tot en met 20 van de richtlijn, niet was nagekomen.
5 Bij brief van 4 mei 1994 deelden de Franse autoriteiten de Commissie de tekst mee van een besluit dat zij op 26 februari 1991 hadden genomen en waarbij de op de uitoefening van het beroep van dierenarts toepasselijke regels werden gewijzigd.
6 Daar de Commissie van mening was, dat zij geen informatie had ontvangen over de omzetting van de artikelen 18 en 19 van de richtlijn, zond zij de Franse Republiek op 22 januari 1996 een met redenen omkleed advies.
7 Op 29 juli 1996 stelden de Franse autoriteiten de Commissie in kennis van een wetsvoorstel houdende wijziging van de Franse wet nr. 82-899 van 20 oktober 1982 betreffende de uitoefening van het beroep van dierenarts. Naar eigen zeggen van de Commissie zou de Franse Republiek, indien zij dit wetsvoorstel had aangenomen, zich ruimschoots hebben gekweten van haar verplichtingen op grond van de richtlijn. De wetgevingsprocedure werd evenwel onderbroken door de ontbinding van het Franse parlement door de president van de Republiek op 21 april 1997.
8 Op 8 juli 1998 had de Commissie nog steeds geen informatie ontvangen over de maatregelen die de Franse Republiek moest nemen ter uitvoering van de artikelen 18 en 19 van de richtlijn. Zij stelde daarop het onderhavige beroep in.
9 In de opmerkingen die de Franse regering bij het Hof heeft ingediend betwist zij niet, dat zij de bewuste artikelen nog steeds moest omzetten, maar verzekert zij dat een nieuw wetsontwerp, dat identiek is aan dat waarvan de wetgevingsprocedure was onderbroken, op korte termijn aan het parlement zou worden voorgelegd.
10 Uit het voorgaande volgt, dat de Franse Republiek zich inderdaad aan de haar door de Commissie verweten niet-nakoming schuldig heeft gemaakt.
11 Overeenkomstig artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet verweerster de kosten dragen.
Conclusie
12 Ik geef het Hof in overweging het beroep toe te wijzen en:
1) te verklaren dat de Franse Republiek, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 89/594/EEG van de Raad van 30 oktober 1989 tot wijziging van de richtlijnen 75/362/EEG, 77/452/EEG, 78/686/EEG, 78/1026/EEG en 80/154/EEG inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels van respectievelijk de arts, de algemeen ziekenverpleger, de beoefenaar der tandheelkunde, de dierenarts en de verloskundige, alsmede van de richtlijnen 75/363/EEG, 78/1027/EEG en 80/155/EEG inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van respectievelijk de arts, de dierenarts en de verloskundige, de krachtens richtlijn 89/594 op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, en
2) de Franse Republiek te verwijzen in de kosten.
(1) - Richtlijn van de Raad van 30 oktober 1989 tot wijziging van de richtlijnen 75/362/EEG, 77/452/EEG, 78/686/EEG, 78/1026/EEG en 80/154/EEG inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels van respectievelijk de arts, de algemeen ziekenverpleger, de beoefenaar der tandheelkunde, de dierenarts en de verloskundige, alsmede van de richtlijnen 75/363/EEG, 78/1027/EEG en 80/155/EEG inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van respectievelijk de arts, de dierenarts en de verloskundige (PB L 341, blz. 19).
Full & Egal Universal Law Academy