Conclusie van de advocaat generaal
A - Inleiding
1 Met deze hogere voorziening komt een ambtenaar die de actieve dienst wegens algehele invaliditeit heeft verlaten (hierna: "rekwirant"), op tegen het arrest waarbij het Gerecht van eerste aanleg zijn tegen de Commissie gericht beroep tot schadevergoeding heeft verworpen.(1)
2 Rekwirant heeft vele jaren voor de Commissie in Brussel gewerkt in het met asbest vervuilde Berlaymont-gebouw, met name ook in de tijd toen dit werd verbouwd en uitgebreid. Nadat hij aan longkanker was gaan lijden, werd een algehele invaliditeit en een beroepsziekte vastgesteld. Naast zijn pensioen ontving hij deswege uitkeringen tot een totaalbedrag van 25 794 194 BFR overeenkomstig artikel 73 Ambtenarenstatuut (hierna: "Statuut") en artikel 14 van de Regeling voor de verzekering van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen tegen ongevallen en beroepsziekten (hierna: "Regeling"). Met zijn oorspronkelijk beroep tot schadevergoeding had rekwirant een omvangrijker schade gesteld en aanvullende uitkeringen van de Commissie gevorderd. Dat beroep is door het Gerecht van eerste aanleg verworpen, waartegen rekwirant bij het Hof hogere voorziening heeft ingesteld.
B - De toepasselijke bepalingen
3 Voor zover in deze zaak van belang, bepaalt artikel 73 van het Statuut (onder hoofdstuk 2 - Sociale zekerheid):
"1. Volgens een door de instellingen der Gemeenschappen in onderlinge overeenstemming en na advies van het comité voor het statuut vastgestelde regeling is de ambtenaar met ingang van de dag zijner indiensttreding verzekerd tegen uit beroepsziekten en ongevallen voortvloeiende risico's. Voor de dekking van het risico van ongevallen buiten de dienst is hij verplicht ten hoogste 0,1 % van zijn basissalaris bij te dragen.
(...)
2. De gewaarborgde uitkeringen zijn de navolgende:
(...)
b) bij blijvende algehele invaliditeit:
uitkering aan de betrokkene van een kapitaal gelijk aan acht maal zijn jaarlijkse basissalaris, berekend op de grondslag van zijn maandelijkse salaris, toegekend over de twaalf maanden voorafgaande aan het ongeval;
(...)"
4 Hoofdstuk II - Uitkeringen - van de Regeling voor de verzekering van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen tegen ongevallen en beroepsziekten, bevat onder meer de volgende bepalingen:
- Artikel 12
"1. Bij blijvende algehele invaliditeit van de ambtenaar ten gevolge van een ongeval of een beroepsziekte wordt hem het in artikel 73, lid 2, sub b, van het Statuut bedoelde kapitaal uitbetaald.
2. Bij blijvende gedeeltelijke invaliditeit van de ambtenaar ten gevolge van een ongeval of een beroepsziekte wordt hem een kapitaal uitbetaald, vastgesteld volgens de percentages van de aan deze regeling gehechte invaliditeitsschaal."
- Artikel 14
"Op advies van de (...) medische commissie, bedoeld in (...) artikel 23, wordt een vergoeding toegekend voor elke blijvende verwonding of verminking die, zonder het arbeidsvermogen van de ambtenaar te verminderen, een aantasting vormt van zijn lichamelijke integriteit en een onmiskenbaar nadelige invloed heeft op zijn sociale betrekkingen.
Deze vergoeding wordt vastgesteld naar analogie van de percentages van de in artikel 12 bedoelde invaliditeitsschaal. Wanneer de aan het uiterlijk toegebrachte schade verband houdt met letsel van anatomisch-functionele aard, worden deze percentages op passende wijze verhoogd."(2)
C - De feiten
5 Rekwirant, geboren op 31 januari 1941, trad in 1962 in dienst van de Commissie en was tussen 1967 en 1987 ongeveer zestien jaar lang - enkel onderbroken door een vierjarige detachering in Japan - werkzaam in het Berlaymont-gebouw in Brussel, laatstelijk in de rang B 1.
6 Op 15 januari 1990 hoestte rekwirant bloed op. Na enkele onderzoeken kwamen de door hem geconsulteerde artsen tot de diagnose longkanker.
7 Op 12 maart 1990 werd bij rekwirant de linkerbovenkwab van de long weggenomen. Volgens de chirurg waren gevolgen van een tuberculose van de linkerbovenkwab vaststelbaar.(3) In weerwil van de aanvankelijke diagnose werd in het verwijderde weefsel geen tumor aangetroffen. Op aanwijzing van de chirurg werd een monster van het verwijderde longweefsel voor onderzoek naar het mineralogisch laboratorium van het Erasmusziekenhuis gezonden. In een rapport van 30 augustus 1990, ondertekend door professor De Vuyst, werd de aanwezigheid van 680 asbestdeeltjes per gram droog weefsel vastgesteld.(4)
8 Op 26 november 1990 richtte rekwirant zich schriftelijk tot de administratie en het tot aanstelling bevoegd gezag (de Commissie). Met het oog op het verkrijgen van een uitkering als bedoeld in artikel 73 van het Statuut verklaarde hij overeenkomstig artikel 17 van de Regeling, dat hij leed aan longkanker in de vorm van een epidermiscarcinoom, met het gevolg dat de linkerbovenkwab van de long weggenomen had moeten worden en een chronische bronchiale astma was ontstaan. Hij verzocht om erkenning van die aandoening als een beroepsziekte en om vaststelling van een percentage van blijvende invaliditeit in de zin van artikel 19 van de Regeling. Zijns inziens was de oorzaak van de ziekte te zoeken in het feit, dat hij in het Berlaymont-gebouw, met name in de verbouwingsperiode van 1967 tot 1969, aan asbest blootgesteld was geweest.
9 Bij brief van 18 januari 1991 deelde de directeur van de directie RV ("Personeel - Rechten en verplichtingen") van het directoraat-generaal Personeelszaken en Algemeen beheer (DG IX) (hierna: "directeur personeel") rekwirant mee, dat, gelet op zijn gezondheidstoestand, zijn geval zou worden voorgelegd aan de invaliditeitscommissie bedoeld in artikel 78 van het Statuut. Rekwirant werd erop gewezen, dat hij de erkenning van zijn ziekte als beroepsziekte overeenkomstig artikel 73 van het Statuut kon aanvragen, maar dat de twee procedures zeer wel tot verschillende resultaten konden leiden en dat het wenselijk was ze naast elkaar te voeren.
10 Rekwirant wees in zijn brief van 27 februari 1991 aan de directeur personeel de arts van zijn keuze voor de invaliditeitscommissie aan en herinnerde aan zijn brief van 26 november 1990. Hij verzocht voorts, dat de uit de twee procedures resulterende besluiten niet slechts parallel, maar ook in gelijke vorm genomen zouden worden en op hetzelfde tijdstip in werking zouden treden.
11 De directeur personeel liet rekwirant bij brief van 15 maart 1991 weten, dat de procedures van artikel 73 en artikel 78 van het Statuut los van elkaar gevoerd zouden worden, en hij wees erop, dat de procedure tot vaststelling van een beroepsziekte veel langer zou duren dan die van artikel 78 van het Statuut tot vaststelling van invaliditeit. Niettemin zou, indien een beroepsziekte werd erkend, het desbetreffende besluit terugwerkende kracht hebben tot het tijdstip van de vaststelling van de algehele invaliditeit.
12 De procedures werden enkel gesplitst, aldus de directeur personeel in zijn brief van 21 mei 1991, om rekwirant zo snel mogelijk in het genot van financiële steun te kunnen stellen. Een gelijktijdig verloop van de twee procedures was weliswaar wenselijk, maar behoefde niet per se tot een gelijktijdig einde ervan te leiden.
13 De invaliditeitscommissie(5) kwam op 10 juni 1991 bijeen. Zij kwam tot de conclusie, dat rekwirant als blijvend volledig arbeidsongeschikt was te beschouwen en niet meer in staat was een ambt van zijn loopbaan te vervullen, zodat hij zijn dienst bij de Commissie moest beëindigen.
14 Op 16 juli 1991 besloot de directeur personeel als tot aanstelling bevoegd gezag overeenkomstig artikel 53 van het Statuut rekwirant op pensioen te stellen. Per 1 augustus 1991 werd hem een invaliditeitspensioen toegekend, overeenkomstig artikel 78, lid 3, van het Statuut vastgesteld op 70 % van rekwirants basissalaris en dus overeenkomend met een normaal ouderdomspensioen van een ambtenaar met 35 dienstjaren (artikel 77, lid 2, van het Statuut).
15 Bij brief van 15 oktober 1991 diende rekwirant krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht in tegen het pensioneringsbesluit van 16 juli 1991. Deze klacht werd door de Commissie op 3 maart 1992 afgewezen. Rekwirant is van deze afwijzing niet in beroep gegaan.
16 Inmiddels was ook de procedure tot vaststelling van een beroepsziekte begonnen en de Commissie had overeenkomstig artikel 73 van het Statuut dokter Dalem van de universiteit te Luik opdracht gegeven tot opstelling van het medisch rapport bedoeld in artikel 19 van de Regeling. Dokter Dalem raadpleegde daartoe de pneumatoloog professor Bartsch van het Institut Provincial Ernest Malvoz te Luik.
17 Na rekwirant te hebben onderzocht, het dossier te hebben ingezien en enige aanvullende correspondentie met verscheidene artsen te hebben gevoerd, stelde professor Bartsch een deskundigenrapport op, waarin hij tot de conclusie kwam, dat er geen sprake was van een beroepsziekte. Op grond daarvan zond dokter Dalem de Commissie een medisch rapport waarin hij eveneens concludeerde, dat geen beroepsziekte aanwezig was: rekwirant leed niet aan longkanker en ook al bevatten zijn longen asbestvezels, er waren geen tekenen van een daardoor veroorzaakte fibrose, zodat bij rekwirant ook geen sprake was van asbestose.
18 Bij brief van 17 februari 1992 stelde het hoofd van de eenheid "Ongevallen- en beroepsziektenverzekering" rekwirant in kennis van de conclusies van dokter Dalem en zond hij hem overeenkomstig artikel 21 van de Regeling een ontwerp van een besluit tot afwijzing van het verzoek om vaststelling van een beroepsziekte. Rekwirant zette de procedure van artikel 73 van het Statuut echter voort en verlangde de samenstelling van de in artikel 23 van de Regeling bedoelde medische commissie.
19 Tijdens haar eerste vergadering op 13 april 1993 wist de medische commissie(6) met name wegens de uiteenlopende onderzoeksresultaten van de diverse laboratoria geen overeenstemming te bereiken over de vraag van het verband tussen rekwirants blootstelling aan asbest en zijn carcinoom. Zij besloot daarom drie nieuwe onderzoeken te doen verrichten, die de volgende resultaten opleverden: professor De Vuyst stelde in het weefselmonster 235 000 crocydoliet- (blauwe asbest), amosiet-, antofylliet- en chrysotielvezels per gram droog weefsel vast; professor Donelli bevestigde de aanwezigheid van chrysotiel, en professor Woitowitz vond 350 000 crocydoliet- en amosietvezels, alsmede 300 000 chrysotielvezels per gram droog weefsel.
20 Na een tweede vergadering op 25 februari 1994 stelde de medische commissie op 1 maart 1994 met meerderheid van stemmen een advies vast (Cognigni en Maltoni stemden tegen Brochard). Naar het oordeel van de medische commissie was het bronchiale carcinoom van rekwirant als een beroepsziekte te beschouwen; de blijvende algehele invaliditeit werd op 100 % bepaald, en wel met terugwerkende kracht tot het tijdstip van de eerste diagnose (januari 1990). Gelet op de blijvende gevolgen (littekens, deformatie van de linkerborst, vermindering van de spierkracht van de linkerarm) en de ernstige psychische schade van rekwirant, werd hem voorts krachtens artikel 14 van de Regeling een vergoeding van 30 % toegekend.
21 Bij brief van 15 april 1994 stelde de directeur-generaal van DG IX rekwirant in de volgende bewoordingen in kennis van de conclusies van de medische commissie:
"Ik kan u een percentage van blijvende algehele invaliditeit van 130 % toekennen, waarbij ik erop wijs, dat het hier gaat om de definitieve arbitrale beslissing over de met de erkenning van uw beroepsziekte verband houdende vragen van medische aard."
Hij kondigde aan, dat aan rekwirant overeenkomstig artikel 73, lid 2, sub b, van het Statuut een kapitaal van 25 794 194 BFR zou worden uitbetaald, hetgeen op 28 april 1994 inderdaad geschiedde. Dit bedrag is opgebouwd als volgt:
basissalaris 8 jaar 2 480 211 x 819 841 688 BFR BFR x 8
invaliditeitspercentage x 1,3, inclusief vergoeding ingevolge artikel 14 van de Regeling 5 952 506 BFR 25 794 194 BFR
22 Op 15 mei 1994 verzocht rekwirant de Commissie onder meer:
- de conclusies van de medische commissie mee te delen aan de invaliditeitscommissie om deze laatste in staat te stellen zijn advies te wijzigen en vast te stellen, dat zijn algehele invaliditeit op een beroepsziekte berustte;
- rekwirant een afrekening over het kapitaal van 25 794 194 BFR te zenden;
- hem rente te betalen over dit kapitaal alsmede over het verschil tussen zijn salaris en zijn rustpensioen sedert augustus 1991, en
- hem 3 000 000 ECU te betalen als vergoeding voor immateriële schade.
Voorts stelde hij, dat de Commissie onrechtmatig had gehandeld door hem aan asbeststof bloot te stellen en door zijn dossier niet met de nodige voortvarendheid te behandelen.
23 Bij brief van 22 september 1994 deelde het hoofd van directoraat B ("Rechten en verplichtingen") van DG IX rekwirant de gevraagde cijfers mee, met gelijktijdige afwijzing van diens overige verzoeken.
24 Op 15 december 1994 diende rekwirant een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut in tegen het in de brief van 22 september 1994 vervatte besluit. Deze klacht werd door de Commissie afgewezen bij besluit van 3 mei 1995, aan rekwirant ter kennis gebracht op 29 mei daaraanvolgend.
25 Daarop stelde rekwirant op 29 augustus 1995 beroep in bij het Gerecht van eerste aanleg, waar hij vorderde
- de Commissie te veroordelen tot betaling van het verschil tussen zijn salaris als ambtenaar en zijn invaliditeitspensioen sedert 1 augustus 1991 tot het bereiken van de statutaire pensioenleeftijd (31 januari 2006) als vergoeding voor de materiële schade, waarbij dit verschil voorlopig met 15 miljoen BFR en 12,5 BFR(7) werd aangegeven, alsmede tot berekening van eerstgenoemd bedrag;
- de Commissie te veroordelen tot betaling van 1 miljoen ECU als vergoeding voor geleden immateriële schade.
Voorts vorderde hij 10 % rente per jaar over het bedrag van 25 794 194 BFR vanaf 1 januari 1990, doch uiterlijk vanaf 10 juni 1991, tot het tijdstip van definitieve betaling van dit bedrag, welke rente voorlopig werd becijferd op 15 miljoen BFR.
Voor zover noodzakelijk, verlangde rekwirant tenslotte nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 22 september 1994.
Het beroep werd bij arrest van 14 mei 1998 verworpen.
26 In zijn arrest kwam het Gerecht onder meer tot de conclusie, dat de door rekwirant geleden materiële schade, bestaande in het verschil tussen zijn invaliditeitspensioen en zijn salaris als ambtenaar tot het bereiken van de pensioenleeftijd, in feite was vergoed door het op grond van artikel 73 van het Statuut betaalde kapitaal van rond 25,8 miljoen BFR. Ook rekwirants immateriële schade was door de betaling van het in het totaalbedrag begrepen bedrag van 5,95 miljoen BFR, dat hem op grond van artikel 14 van de Regeling was toegekend, in feite al vergoed. Voorts had de Commissie geen verkeerd gebruik gemaakt van haar discretionaire bevoegdheid door de krachtens artikel 78 van het Statuut ingestelde invaliditeitscommissie niet de opdracht te geven, parallel aan de procedure van artikel 73 van het Statuut de vraag te onderzoeken, of rekwirants ziekte een beroepsziekte was.
27 Tegen dit arrest heeft rekwirant op 15 juli 1998 hogere voorziening ingesteld, in wezen gebaseerd op "schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht". Dit middel omvat vier grieven. In de eerste plaats zou het Gerecht niet alle constitutieve elementen van de aansprakelijkheid der Commissie naar gemeen recht - te weten onrechtmatig handelen, schade, en causale samenhang tussen beide - hebben onderzocht, doch enkel hebben verklaard, dat rekwirant geen schade had aangetoond. In het bijzonder had het Gerecht hier niet onderscheiden tussen deze bijkomende schadevordering en die op grond van het Statuut. In de tweede plaats zou het Gerecht de materiële en immateriële schade van rekwirant niet naar behoren hebben vastgesteld. In de derde plaats zou het Gerecht de materiële en immateriële schade van rekwirant zonder behoorlijke motivering eenvoudig inbegrepen hebben geacht in het ingevolge de socialezekerheidsregeling van de ambtenaren uitgekeerde kapitaal. In de vierde plaats zou het Gerecht rekwirant ten onrechte geen moratoire interessen wegens de trage behandeling van de zaak hebben toegekend.
28 Hij concludeert derhalve tot:
1) vernietiging van het arrest van het Gerecht van 14 mei 1998 in zaak T-165/95, waarbij zijn beroep is verworpen:
2) toewijzing van het in eerste aanleg gevorderde, met uitzondering van de vordering tot vergoeding van de op 12,5 miljoen BFR geraamde materiële schade in verband met de verkoop van onroerend goed;
3) verwijzing van de Commissie in de kosten.
29 De Commissie acht de hogere voorziening deels niet ontvankelijk respectievelijk in haar geheel ongegrond. Zij betoogt, dat het Gerecht rechtens niet gedwaald heeft waar het besliste, dat rekwirant niet heeft aangetoond dat zijn schade groter is dan de hem uitgekeerde bedragen. Een onderzoek van de andere voorwaarden waaraan een schadevordering moet voldoen, was derhalve overbodig. Ook bij de vaststelling van de schade heeft het Gerecht niet gedwaald. Op dat punt komt rekwirant niet verder dan loze beweringen, wat in hogere voorziening ontoelaatbaar is. Ook de grief inzake motiveringsgebreken wordt door de Commissie afgewezen, omdat deze op zijn minst niet-ontvankelijk is. Rekwirant kritiseert op dit punt de feitelijke vaststellingen van het Gerecht, waardoor zijn betoog niet-ontvankelijk wordt, omdat hogere voorziening beperkt is tot rechtsvragen. Ook het laatste argument van rekwirant betreft in wezen feitelijke elementen, die reeds in de procedure voor het Gerecht zijn onderzocht. Voorts bevat rekwirants betoog niets wat het Hof tot een andere beoordeling rechtens dan het Gerecht zou kunnen brengen.
30 De Commissie concludeert derhalve tot:
1) niet-ontvankelijkverklaring, althans ongegrondverklaring van de hogere voorziening;
2) verwerping van het door rekwirant gevorderde;
3) kosten rechtens.
D - De middelen in hogere voorziening
31 Onder verwijzing naar artikel 51 van 's Hofs Statuut-EG baseert rekwirant de hogere voorziening op schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht. Dit middel omvat vier grieven.
Eerste grief: recht op schadevergoeding, onderzoek van de constitutieve elementen van de aansprakelijkheid
Argumenten van partijen
32 Rekwirant verwijt het Gerecht, niet alle constitutieve elementen van de bijkomende aansprakelijkheid van de Commissie naar gemeen recht - te weten onrechtmatig handelen, schade en oorzakelijk verband tussen beide - te hebben onderzocht. Een dergelijke aanspraak op aanvullende schadevergoeding bestaat in casu naast de aanspraak op grond van het Statuut. Onder verwijzing naar het arrest in de zaak Leussink-Brummelhuis/Commissie(8), waarin het Hof overwoog, dat het recht van een ambtenaar op aanvullende schadevergoeding niet is uitgesloten wanneer de instelling naar gemeen recht voor het ongeval aansprakelijk is en de statutaire uitkeringen niet volstaan om de volledige vergoeding van de geleden schade te verzekeren, betoogt rekwirant, dat in het kader van een schadevordering eerst de aansprakelijkheid van de betrokken instelling moet worden vastgesteld. Pas als dat is gebeurd, dient de te vergoeden schade te worden bepaald, rekening houdend met de in voorkomend geval reeds toegekende uitkeringen krachtens de socialezekerheidsregeling. Het Gerecht had zich echter niet uitgesproken over de eventuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap. Geen enkele van de aan de Commissie verweten onrechtmatige gedragingen was door het Gerecht onderzocht. Dit heeft het recht geschonden door niet het onrechtmatig handelen, de schade en het oorzakelijk verband tussen beide te onderzoeken. De aan de Commissie verweten onrechtmatige gedragingen waren talrijk en uitermate ernstig. Deze punten hadden vóór de vraag betreffende het bestaan van schade onderzocht moeten worden.
33 Een andere rechtsdwaling bestaat volgens rekwirant hierin, dat het Gerecht, door enkel te onderzoeken of er schade bestond, twee los van elkaar staande vergoedingsregelingen met elkaar heeft vermengd. De op die regelingen gebaseerde aanspraken op schadevergoeding verschillen ten aanzien van hun constitutieve elementen en resulteren in verschillende vergoedingen.
34 Enerzijds, aldus rekwirant, is er de regeling van artikel 73 van het Statuut, die voorziet in betaling van een forfaitair bedrag, anderzijds is er de aansprakelijkheid van de instelling naar gemeen recht op grond van onrechtmatig handelen. Een vergelijking van de twee aanspraken op schadevergoeding onderstelt echter, dat eerst de aan de schade ten grondslag liggende feitelijke elementen worden onderzocht, te weten de vaststelling van algehele invaliditeit respectievelijk het onrechtmatig handelen van de Commissie. Het Gerecht heeft echter gedwaald ten aanzien van het recht door het onrechtmatig handelen van de Commissie niet in de beschouwing te betrekken.
35 Naar het oordeel van de Commissie volgt uit de rechtspraak betreffende de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap, dat wanneer een van de constitutieve elementen van een schadevordering ontbreekt, de betrokken instelling niet aansprakelijk is. Aangezien rekwirant niet aantoont dat er schade is die nog niet vergoed is, kan er, los van de vraag of de andere constitutieve elementen aanwezig zijn, geen sprake zijn van een aansprakelijkheid van de Commissie. Het bestaan van daadwerkelijke schade is een voorwaarde voor een aansprakelijkheid van de Gemeenschap voor een aan een instelling verweten onrechtmatig handelen. Ook de Commissie beroept zich op het arrest Leussink, waarbij zij erop wijst, dat het Hof daar alle constitutieve elementen enkel heeft onderzocht omdat in het toenmalige geval de statutaire schadevergoeding niet volstond. Uit genoemd arrest kan echter niet worden afgeleid, dat het onderzoek van een schadevordering in een bepaalde, verplichte volgorde moet verlopen. Is aan een van de criteria niet voldaan, dan bestaat er geen recht op schadevergoeding en behoeven de andere voorwaarden niet meer te worden onderzocht. Op dat punt heeft het Gerecht in het bestreden arrest niet gedwaald ten aanzien van het recht.
36 Met betrekking tot het verwijt, dat twee zelfstandige aanspraken op schadevergoeding zijn vermengd, betoogt de Commissie, dat er geen rechtsbeginsel bestaat volgens hetwelk de schade, dat wil zeggen de omvang van de schade, aan de hand van de ernst van de onrechtmatige handelingen moet worden bepaald. De vergoeding dient steeds bepaald te worden aan de hand van de daadwerkelijk ontstane schade.
Discussie
37 Om te beginnen moet worden vastgesteld dat, naar ook uit de geest van artikel 215, lid 2, EG-Verdrag blijkt, voor een eventueel recht op schadevergoeding de algemene rechtsbeginselen gelden die aan het recht van de lidstaten gemeen zijn. Volgens vaste rechtspraak van het Hof en het Gerecht betekent dit, dat aan de drie volgende voorwaarden moet zijn voldaan:
- onrechtmatigheid van de aan de gemeenschapsinstelling verweten handeling;
- bestaan van daadwerkelijke schade, en
- aanwezigheid van een oorzakelijk verband tussen de handeling en de gestelde schade.(9)
38 In het bestreden arrest heeft het Gerecht onder verwijzing naar de vaste rechtspraak dienaangaande overwogen(10), dat in het kader van een door een ambtenaar ingesteld beroep tot schadevergoeding aansprakelijkheid van de Gemeenschap onderstelt, dat aan verscheidene voorwaarden is voldaan, te weten onrechtmatigheid van het aan de instelling verweten handelen, bestaan van een daadwerkelijke schade en van een oorzakelijk verband tussen beide. Daaruit trok het Gerecht in punt 57 van zijn arrest de conclusie, dat zelfs indien een onrechtmatig handelen van de Commissie werd bewezen, de Gemeenschap slechts aansprakelijk zou zijn wanneer er ook een niet op andere wijze gedekte schade werd aangetoond.
39 Daarom onderzocht het Gerecht in de punten 58-105 van zijn arrest, of rekwirant een daadwerkelijke schade had gesteld en bewezen, dat wil zeggen een schade die niet reeds was vergoed door de uitkeringen welke de Commissie had toegekend. Nadat het Gerecht na dat uitvoerige onderzoek tot de conclusie was gekomen, dat er van een nog te vergoeden resterende schade geen sprake was, overwoog het in punt 105, dat het beroep op dat punt moest worden verworpen, zonder dat een beslissing nodig was over de vraag of de Commissie onrechtmatig had gehandeld.
40 Anders dan rekwirant stelt, heeft het Gerecht hiermee niet het recht geschonden in de zin van artikel 51 van 's Hofs Statuut-EG.
41 Men kan rekwirant slechts gelijk geven in zoverre hij stelt, dat het bestaan van een recht op schadevergoeding van drie voorwaarden afhangt. Maar de rechtspraak van het Hof noch die van het Gerecht verlangt, dat die voorwaarden in een bepaalde volgorde worden onderzocht. Niet valt in te zien - en rekwirant heeft dienaangaande ook geen algemeen rechtsbeginsel uit het recht van een of meer lidstaten weten aan te voeren -, dat men eerst een onrechtmatig handelen van de betrokken instelling zou moeten vaststellen alvorens het al dan niet bestaan van een daadwerkelijke schade te onderzoeken.
42 Ook al kan het voor de belanghebbende jammer zijn, dat het Gerecht zich niet over een eventueel onrechtmatig handelen van de instelling uitlaat, alleen al om redenen van proceseconomie is het verdedigbaar dat de rechter zich ertoe beperkt het ontbreken van een voorwaarde vast te stellen, wanneer dat de zaak vergemakkelijkt.
43 Bovendien heeft rekwirant niet aangetoond, dat hij er een beschermenswaardig belang bij had, dat het Gerecht, ofschoon het het bestaan van schade had ontkend, zich over een al dan niet onrechtmatig handelen zou uitspreken. Dit zou eventueel het geval zijn geweest indien dat bijzondere belang erin had bestaan, het onrechtmatig handelen van de Commissie te doen vaststellen met het oog op vergoeding van mogelijke toekomstige schade, doch dienaangaande heeft rekwirant niets gesteld. Zou op een later tijdstip verdere schade ontstaan, dan kan rekwirant te allen tijde vergoeding ervan verlangen, voor zover die vergoeding niet reeds zou zijn toegekend.
44 Ook het door beide partijen aangehaalde arrest Leussink kan niet tot een andere conclusie leiden. Weliswaar is het Hof in het kader van de in die zaak ingestelde schadevordering zijn onderzoek begonnen met het onrechtmatigheidscriterium, om vervolgens de te vergoeden schade te bepalen en zich eerst in de derde plaats bezig te houden met het oorzakelijk verband, maar uit dat arrest blijkt ook, dat het Hof allereerst is ingegaan op de vraag, of de verzoeker naast zijn aanspraken op grond van het Statuut nog een recht op aanvullende schadevergoeding had.(11) In die zaak had de verzoeker namelijk een dergelijk recht gesteld.
45 In punt 13 van zijn arrest overwoog het Hof, dat het niet uitgesloten is dat een ambtenaar recht op een aanvullende schadevergoeding heeft, wanneer de instelling naar gemeen recht aansprakelijk is en de statutaire uitkeringen niet volstaan om de geleden schade volledig te vergoeden. Daarop aansluitend overwoog het Hof, dat in de tweede plaats moest worden onderzocht, of de Commissie voor het ongeval aansprakelijk kon worden gesteld, en vervolgens moest eventueel worden nagegaan, of de statutaire uitkeringen al dan niet volstonden om een volledige schadevergoeding te verzekeren, en of het oorzakelijk verband voldoende was aangetoond.
46 Het Hof hield zich dus eerst bezig met de voorvraag, of de door de verzoeker in die zaak gestelde schade daadwerkelijk in het kader van een schadevordering kon worden vergoed. Omdat een dergelijke schade, gelet op de argumenten van de verzoeker, niet kon worden uitgesloten, onderzocht het Hof alle voorwaarden voor het bestaan van een recht op schadevergoeding.
47 Ook in de onderhavige zaak is het Gerecht eerst ingegaan op de vraag, of rekwirant daadwerkelijk een schade had geleden die de Gemeenschap zou moeten vergoeden.
48 Wij moeten dus vaststellen, dat rekwirant niet heeft aangetoond dat het Gerecht bij het onderzoek van de schadevordering het recht heeft geschonden door zich niet bezig te houden met de vraag betreffende een eventueel onrechtmatig handelen, doch enkel het bestaan van een daadwerkelijke schade te ontkennen.
49 De eerste grief van rekwirant moet derhalve als ongegrond worden afgewezen.
Tweede grief: verkeerde bepaling van de schade
Argumenten van partijen
50 Rekwirant stelt, dat hij materiële en immateriële schade heeft geleden die noch via artikel 73 van het Statuut noch via artikel 14 van de Regeling is vergoed. Doordat het Gerecht daar in het bestreden arrest geen rekening mee heeft gehouden, heeft het bij zijn beoordeling van rekwirants schade gedwaald ten aanzien van het recht.
51 Als materiële schade noemt rekwirant inkomens- en andere vermogensverliezen. Als immateriële schade noemt hij zijn lichamelijke aftakeling en het verlies van werkkracht, de angst wegens het moeten werken in een gezondheidsbedreigende omgeving, de door zijn ziekte en de toekomstige ontwikkeling daarvan veroorzaakte angsten, het lichamelijk lijden ten gevolge van zijn ziekte en de operatieve ingrepen, het feit dat de Commissie haar aansprakelijkheid ontkende, waardoor zijn vertrouwen in de instelling werd beschaamd.
52 De forfaitaire uitkeringen op grond van artikel 73 van het Statuut, zo stelt rekwirant, compenseren niet volledig het verschil tussen zijn invaliditeitspensioen en het salaris dat hij als actief ambtenaar zou hebben ontvangen. In zoverre voert hij verlies van toekomstig salaris als schade op. De toekenning van die bedragen zou niet meer dan een gerechtvaardigde aanvullende vergoeding zijn en geen ongegronde verrijking, die verder gaat dan waarin artikel 73 voorziet. Men dient hier onderscheid te maken tussen een recht uit hoofde van artikel 73 en een recht uit hoofde van de aansprakelijkheid van de Commissie. En juist omdat hij aanspraak maakt op een aanvullende vergoeding, aldus rekwirant, kan deze aanspraak niet reeds door artikel 73 zijn gedekt.
53 Bovendien dekt de ingevolge artikel 14 van de Regeling toegekende vergoeding niet de immateriële schade, zegt rekwirant. Wanneer het Gerecht niettemin in punt 85 van zijn arrest overweegt, dat genoemd artikel wel degelijk ook immateriële schade dekt, dan is dat een rechtsdwaling.
54 Rekwirant stelt voorts, dat hij in de procedure voor het Gerecht verwezen heeft naar een arrest van de Franse Cour de cassation van 3 december 1992 en een vonnis van de Pretura circondariale di Torino van 9 april 1997 om aan te tonen, dat in de lidstaten op grond van hun gemene recht juist in "asbestzaken" een zeer ernstig onrechtmatig handelen van de werkgever was vastgesteld. In genoemde zaken leidde dat ertoe, dat de belanghebbenden zeer hoge schadevergoedingen zowel voor hun materiële als voor hun immateriële schade kregen.
55 Het Gerecht heeft echter in punt 88 van het bestreden arrest ten onrechte overwogen, dat rekwirant geen bewijs had aangevoerd voor zijn stelling, dat een zo groot bedrag als door hem gevorderd, in een nationale procedure kon worden toegekend als vergoeding voor een vergelijkbare immateriële schade. Zijn betoog dienaangaande, aldus rekwirant, was slechts als aanvulling bedoeld geweest en als het Gerecht er niet door overtuigd was, had het zelf dat punt verder moeten onderzoeken.
56 De Commissie acht deze grief niet ontvankelijk. Rekwirant beperkt zich ertoe, reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten te herhalen of anders te formuleren, met name die welke door het Gerecht uitdrukkelijk zijn afgewezen. In de ogen van de Commissie is deze grief derhalve een nieuw verzoek om feiten te onderzoeken die reeds door het Gerecht zijn onderzocht, hetgeen in hogere voorziening evenwel niet mogelijk is.
57 De Commissie gaat derhalve enkel subsidiair in op de argumenten van rekwirant.
58 Het Gerecht, aldus de Commissie, heeft terecht vastgesteld, dat op een aanvullende vergoeding, naast die ingevolge artikel 73 van het Statuut, slechts aanspraak kan worden gemaakt, wanneer blijkt dat een adequate vergoeding op grond van de statutaire regeling niet mogelijk is. Verder heeft het Gerecht zowel de materiële als de immateriële schade van rekwirant correct vastgesteld. Het kwam daarbij tot de conclusie, dat de door rekwirant berekende materiële schade - ook, en juist, gelet op het verschil tussen diens invaliditeitspensioen en zijn salaris als ambtenaar tot het bereiken van de pensioenleeftijd - in feite reeds was gedekt door het overeenkomstig artikel 73 van het Statuut uitgekeerde kapitaal van rond 25,8 miljoen BFR. Deze conclusie is noch in tegenspraak met artikel 73 van het Statuut noch met de rechtspraak van het Hof.
59 Ook wat de vergoeding van de immateriële schade betreft, zo vervolgt de Commissie, heeft het Gerecht terecht beslist, dat die schade in feite al was vergoed met het op grond van artikel 14 van de Regeling aan rekwirant uitgekeerde bedrag van 5,95 miljoen BFR. Bij wat rekwirant verder met betrekking tot zijn immateriële schade aanvoert, gaat het enkel om beweerde, niet om bewezen daadwerkelijke schade.
60 Ook rekwirants betoog met betrekking tot nationale rechtspraak inzake schadevergoeding is volgens de Commissie niet ontvankelijk. Het gaat hierbij immers om een grief tegen overwegingen ten overvloede van het Gerecht, die niet dienen tot schraging van diens arrest. Een dergelijke grief is niet ontvankelijk, omdat zij niet kan leiden tot vernietiging van een arrest. Voor het overige zijn de door rekwirant aangevoerde rechterlijke beslissingen niet bruikbaar wanneer het erom gaat, immateriële schade vast te stellen, en het Gerecht heeft in het bestreden arrest dus terecht beslist, dat rekwirant niets had aangevoerd waaruit bleek, dat een zo groot bedrag als door hem gevorderd, door de rechterlijke instanties van de lidstaten als vergoeding voor een vergelijkbare immateriële schade kon worden toegekend.
Discussie
61 Om te beginnen moet worden vastgesteld, dat rekwirant zich er in zijn betoog hoofdzakelijk toe beperkt, feiten en argumenten te herhalen die in de procedure voor het Gerecht al zijn behandeld. Daar echter de hogere voorziening bij het Hof volgens artikel 51 van 's Hofs Statuut-EG enkel rechtsvragen kan betreffen, moet het betoog van rekwirant volgens vaste rechtspraak(12) in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.
62 Ten overvloede wil ik toch nog kort op de vraag betreffende de gegrondheid van de grief ingaan. Blijkens de rechtspraak van het Hof kan een ambtenaar van de Europese Gemeenschappen slechts een aanvullende vergoeding naast de forfaitaire vergoeding op grond van artikel 73 van het Statuut verlangen, wanneer de statutaire vergoeding in het concrete geval niet adequaat blijkt te zijn. Dit volgt ook uit de constatering, dat anders het doel van de uitkering ingevolge artikel 73 niet zou worden bereikt en de betrokkene ongegrond zou worden verrijkt. Dit komt erop neer, dat de vastgestelde daadwerkelijke schade moet worden vergeleken met de uitkeringen ingevolge artikel 73 van het Statuut respectievelijk artikel 14 van de Regeling. Enkel wanneer die uitkeringen geen volledige compensatie zouden bieden, is de weg vrij voor een recht op aanvullende schadevergoeding.
63 Het is evenzeer vaste rechtspraak(13), dat de ingevolge artikel 73 van het Statuut of artikel 14 van de Regeling uitgekeerde vergoedingen niet slechts de financiële, maar ook de lichamelijke en psychische gevolgen van een ongeval of beroepsziekte dekken.
64 Wat nu rekwirants materiële schade betreft, was het Gerecht blijkens het overwogene in de punten 71-78 van het bestreden arrest van oordeel, dat die schade door de betaling, op grond van artikel 73 van het Statuut, van een totaalbedrag van 25,8 miljoen BFR adequaat was vergoed. In zijn motivering ging het in punt 76 uitdrukkelijk in op het door rekwirant aangevoerde verschil tussen het invaliditeitspensioen en het salaris tot het bereiken van de normale pensioenleeftijd. Daarbij preciseerde het Gerecht, dat zelfs indien men zich baseerde op de 8,4 miljoen BFR die rekwirant als schadeloosstelling verlangde - een cijfer waarvan de juistheid overigens niet was aangetoond -, de veroorzaakte schade moest worden geacht daadwerkelijk te zijn vergoed; en ook wanneer men van het bedrag van 25 794 194 BFR de op grond van artikel 14 van de Regeling betaalde 5,95 miljoen BFR aftrok, overtrof het resterende bedrag de gevorderde som, zodat er geen sprake meer was van (onvergoede) schade.
65 Wanneer echter de door rekwirant geleden daadwerkelijke materiële schade reeds door de uitkeringen op grond van artikel 73 van het Statuut volledig was vergoed, dan is er geen plaats meer voor verder gaande aanvullende schadevorderingen.Dat onderdeel van het beroep is door het Gerecht dus terecht verworpen, waaruit volgt, dat de hogere voorziening, voor zover daarop gebaseerd, ongegrond is.
66 Waar het gaat om de vergoeding van de door rekwirant gestelde immateriële schade, heeft hij stellig gelijk met zijn betoog, dat artikel 14 van de Regeling niet uitdrukkelijk naar psychische aandoeningen verwijst. Toch moet men, gelet op de rechtspraak van het Hof en het Gerecht, ook hier de vraag stellen, of die schade niet reeds door de toegekende uitkeringen adequaat vergoed is. Zou dit overeenkomstig de bepalingen van het Statuut en van de Regeling het geval zijn,dan kan er geen recht op een aanvullende schadevergoeding bestaan.
67 Dienaangaande overweegt het Gerecht in de punten 83-91 van het bestreden arrest, dat rekwirant, op grond van het rapport van de medische commissie, naast het bedrag dat hem uit hoofde van artikel 73 van het Statuut moest worden uitgekeerd, met toepassing van artikel 14 van de Regeling een aanvullende vergoeding van 5,95 miljoen BFR heeft ontvangen, met name als compensatie voor de lichamelijke aantasting en de ernstige "psychologische" storingen Anders dan rekwirant stelt, heeft het Gerecht zich dus wel degelijk met het vraagstuk van de vergoeding van immateriële schade beziggehouden. Wat de begroting van die schade betreft, kwam het in punt 87 tot de conclusie, dat een dergelijke schade naar billijkheid op niet meer dan 5,95 miljoen BFR kon worden bepaald. Wel is het in principe alleszins mogelijk immateriële schade hoger te waarderen, maar inde eerste plaats dient men daarbij uit te gaan van de invaliditeitsschaal en in de tweede plaats zijn voor die berekening de omstandigheden van het concrete geval beslissend. Maar omdat het hier om een discretionaire beslissing gaat, blijkt reeds uit de omstandigheid dat de medische beoordelingen van rekwirants gezondheidstoestand uiteenlopen, dat de Commissie noch het Gerecht op dit punt hebben gedwaald.
68 Uit wat het Gerecht in punt 85 van het arrest overweegt, blijkt zelfs, dat - aangenomen dat rekwirants betoog, dat immateriële schade niet op grond van artikel 14 van de Regeling kan worden vergoed, juist is - die schade niettemin door de uitkering van genoemd bedrag is vergoed. In ieder geval dekt dat bedrag volledig de geleden immateriële schade.
69 Onder verwijzing naar het rapport van de medische commissie en het besluit van de Commissie ontkent het Gerecht het bestaan van grotere schade dan met de reeds uitgekeerde bedragen overeenkomt. Door de vordering van een aanvullende schadevergoeding te verwerpen, heeft het niet gedwaald ten aanzien van het recht.
70 Mitsdien moet het betoog van rekwirant betreffende de vergoeding van de immateriële schade als ongegrond worden afgewezen.
71 Ook de bewering dat geen rekening zou zijn gehouden met de door rekwirant aangevoerde nationale rechterlijke beslissingen, moet als ongegrond worden afgewezen. Naar het oordeel van het Gerecht had rekwirant in de procedure niet aangetoond, dat een bedrag als door hem gevorderd, door nationale rechterlijke instanties in overeenkomstige gevallen als vergoeding van vergelijkbare immateriële schade wordt toegekend. Dat blijkt uit punt 88 van het bestreden arrest.In dit verband heeft ook de Commissie gelijk waar zij betoogt, dat de door rekwirant aangevoerde rechterlijke uitspraken niet de conclusie toelaten, dat de door hem verlangde schadeloosstelling haar grondslag zou vinden in een recht op aanvullende schadevergoeding. Wel wordt in elk van de genoemde beslissingen gesproken van een zeer ernstig onrechtmatig handelen van de werkgever en wordt om die reden een schadevergoeding toegekend, maar dit betekent niet, dat naast een recht op schadevergoeding op grond van artikel 73 van het Statuut of artikel 14 van de Regeling een zelfstandig verder recht op schadevergoeding bestaat of kan bestaan, uit hoofde waarvan de Commissie in het onderhavige geval tot verdere betalingen verplicht zou zijn. Aangezien, zoals hierboven uiteengezet, de schade van rekwirant kan worden geacht te zijn vergoed, bestaat er eenvoudig geen recht meer op verdere vergoeding.
72 Ook dit onderdeel van rekwirants middel moet dus hoe dan ook worden afgewezen.
Derde grief: ontbreken van motivering
Argumenten van partijen
73 Volgens rekwirant bevat het arrest van het Gerecht geen objectieve en begrijpelijke motivering van de beslissing, dat zijn materiële en immateriële schade door de reeds uitgekeerde bedragen adequaat is vergoed. Rekwirant zegt enkel te hebben gekregen waarop hij ingevolge de bepalingen van het Statuut en de Regeling hoe dan ook recht had, maar daarnaast niets als schadeloosstelling voor wat hij lichamelijk en geestelijk had moeten doorstaan. Hij acht het echter niet meer dan billijk, dat de Commissie, die door ernstig plichtsverzuim zijn gezondheid in groot gevaar heeft gebracht, ook daarvoor een vergoeding betaalt.
74 De Commissie betwist op diverse gronden de ontvankelijkheid van deze grief. In de eerste plaats treedt rekwirant hiermee buiten het door hem aangevoerde middel, te weten schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht. Wat hij als motiveringsgebrek voorstelt, had als onregelmatigheid van de procedure in de zin van artikel 51 van 's Hofs Statuut-EG moeten worden voorgedragen. Maar juist dit doet rekwirant niet. Bovendien beperkt hij zich tot het vermelden van feiten die in de procedure voor het Gerecht reeds zijn onderzocht. Hij verwijt het Gerecht immers nogmaals de schade verkeerd te hebben bepaald. Verder wil rekwirant de omvang van de schade afhankelijk maken van de ernst van het onrechtmatig handelen. Dat is echter duidelijk in tegenspraak met de zin van artikel 215, lid 2, van het Verdrag. En tenslotte blijkt uit de punten 76 en 77 respectievelijk 85-87 van het bestreden arrest, dat het Gerecht zijn beslissing wel degelijk heeft gemotiveerd. Het komt daar tot de slotsom, dat de geleden schade volledig vergoed is.
Discussie
75 De Commissie betoogt terecht, dat dit onderdeel van het middel niet ontvankelijk is. Het beperkt zich in wezen tot het voordragen van feiten en argumenten die in de procedure voor het Gerecht reeds aan de orde waren. Uit het verzoekschrift in hogere voorziening en zijn opmerkingen ter terechtzitting blijkt, dat rekwirant eigenlijk een nieuwe beoordeling van die feiten wenst, teneinde daarop een recht op aanvullende schadevergoeding te baseren.
76 Volgens 's Hofs vaste rechtspraak moet een dergelijk betoog echter niet-ontvankelijk worden verklaard. Bovendien gaat het bij een schadevergoeding niet om een boete voor de veroorzaker van de schade, maar om een compensatie voor de benadeling die door de schadeveroorzakende gebeurtenis is ingetreden. In zoverre kan de ernst van het onrechtmatig handelen bij de vaststelling van de schade geen rol spelen. Wanneer het Gerecht dus in de punten 76-78 van zijn arrest verklaart, dat rekwirants materiële schade kan worden geacht met het uitgekeerde kapitaal te zijn vergoed, en daarbij ook vergelijkende berekeningen maakt, moet de desbetreffende grief van rekwirant als ongegrond worden afgewezen. Hetzelfde heeft te gelden voor de vraag betreffende de vergoeding van de immateriële schade,want ook hier is het Gerecht na vaststelling van de daadwerkelijk geleden schade tot de conclusie gekomen, dat er geen schade bestond die de reeds uitgekeerde bedragen overtrof. Ook op dit punt verwijs ik naar de overwegingen van het Gerecht in de punten 83-91 van het bestreden arrest.
77 Tot slot merk ik nog op, dat het doel van de aan rekwirant toegekende uitkering erin bestond, de geleden schade te vergoeden. Het gaat daarbij juist niet om de betaling van het "normale" ouderdomspensioen, waarop een ambtenaar ingevolge de bepalingen van het Statuut recht heeft. Samenvattend kan van deze grief dus worden gezegd, dat hij niet ontvankelijk en in ieder geval ongegrond is.
Vierde grief: vergoeding wegens de trage behandeling van het dossier door de invaliditeitscommissie
Argumenten van partijen
78 Rekwirant stelt, dat de Commissie ten onrechte het einde van de procedure van artikel 73 van het Statuut heeft afgewacht alvorens de invaliditeitsprocedure van artikel 78 in te leiden. Volgens hem had ook de vraag betreffende de aanwezigheid van een beroepsziekte aan de invaliditeitscommissie moeten worden voorgelegd, en niet enkel de vraag betreffende de invaliditeit. Waarschijnlijk had de invaliditeitscommissie het verband tussen zijn ziekte en zijn beroepswerkzaamheden dan al op een eerder tijdstip kunnen ontdekken. Om die reden meent hij recht te hebben op schadevergoeding wegens de daardoor ontstane vertraging bij de afhandeling van zijn dossier. In wezen herhaalt rekwirant de argumenten die hij al voor het Gerecht had aangevoerd, en hij concludeert, dat het Gerecht ten onrechte niet heeft vastgesteld dat hij door de vertraging van het onderzoek als gevolg van de handelwijze van de Commissie schade heeft geleden. Bovendien kritiseert rekwirant het bestreden arrest in zoverre daarin geen beoordelingsfout van de Commissie is vastgesteld.
79 Volgens de Commissie is ook dit onderdeel van het middel niet ontvankelijk: in de eerste plaats wordt onvoldoende duidelijk aangegeven, op welke passages van het arrest het betrekking heeft, en in de tweede plaats bestaat het uit een zuiver feitelijk relaas zonder enige juridische adstructie. Subsidiair betoogt de Commissie, dat de grief ongegrond is, daar het Gerecht zich in het bestreden arrest zeer uitvoerig met de twee verschillende procedures van de artikelen 73 en 78 van het Statuut heeft beziggehouden en tenslotte tot de conclusie is gekomen, dat de handelwijze van de Commissie volkomen correct was.
Discussie
80 Ook hier moet wederom worden vastgesteld, dat rekwirant zich in zijn betoog in wezen beperkt tot feiten die hij al voor het Gerecht had aangevoerd. Daar de hogere voorziening voor het Hof uitsluitend rechtsvragen kan betreffen, moet dit onderdeel van het middel niet-ontvankelijk worden verklaard.
81 Bovendien valt niet in te zien, in hoeverre het Gerecht bij zijn beslissing gedwaald zou hebben ten aanzien van het recht. Onder verwijzing naar de vaste rechtspraak van het Hof overweegt het eerst, dat bij vergelijking van artikel 73 met artikel 78 van het Statuut blijkt, dat de in deze bepalingen bedoelde uitkeringen verschillend en van elkaar onafhankelijk zijn, ofschoon zij naast elkaar kunnen worden toegekend. Het gaat, zo vervolgt het Gerecht, om twee verschillende procedures, die tot onderling afwijkende en van elkaar onafhankelijke besluiten kunnen leiden, zoals overigens ook uit artikel 25 van de Regeling blijkt.(14) Evenzo beschikt het tot aanstelling bevoegd gezag naargelang van de situatie over een beoordelingsvrijheid met betrekking tot de afstemming van de twee procedures op elkaar. Terecht wijst het Gerecht er dan in punt 137 van zijn arrest op, dat het daarbij niet om een voorwaarde voor de rechtmatigheid van de ene dan wel de andere procedure gaat, en dat de Commissie bijgevolg geen verkeerd gebruik heeft gemaakt van haar beoordelingsvrijheid op dit gebied, door op het moment dat de procedure van artikel 73 van het Statuut reeds gaande was, de krachtens artikel 78 van het Statuut ingestelde invaliditeitscommissie niet te vragen om een standpuntbepaling over de vraag, of de ziekte van rekwirant een beroepsziekte was.
82 Van verkeerd gebruik van beoordelingsvrijheid had slechts sprake kunnen zijn, indien er voor de Commissie een dwingende reden had bestaan om de vraag waarmee de ingevolge artikel 73 van het Statuut ingestelde medische commissie zich bezighield, tevens voor te leggen aan de invaliditeitscommissie. Het bestaan van zo een dwingende reden heeft rekwirant voor het Gerecht echter gesteld noch bewezen. Daar ook in de hogere voorziening hieromtrent niets is aangevoerd, is deze grief ook als ongegrond te beschouwen.
83 Alles bijeen genomen kan dus worden gezegd, dat de op schending van het gemeenschapsrecht gebaseerde hogere voorziening deels niet-ontvankelijk, doch in elk geval in haar geheel ongegrond is.
Kosten
84 Volgens artikel 122 van het Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de kosten, wanneer de hogere voorziening ongegrond is. Daar rekwirant in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig artikel 69, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering in de kosten te worden verwezen.
E - Conclusie
85 Op grond van een en ander geef ik in overweging te beslissen als volgt:
"1. De hogere voorziening wordt afgewezen.
2. Rekwirant wordt verwezen in de kosten."
(1) - Arrest van 14 mei 1998, Lucaccioni/Commissie (T-165/95, Jurispr. blz. II-627).
(2) - In de invaliditeitsschaal zijn de bij blijvende gedeeltelijke invaliditeit geldende percentages uitgedrukt in een percentage van het kapitaal dat bij blijvende algehele invaliditeit wordt uitgekeerd. Voor de in de schaal niet genoemde gevallen van blijvende gedeeltelijke invaliditeit wordt de graad van invaliditeit naar analogie van de wel genoemde gevallen bepaald.
(3) - Reeds in 1953 was rekwirant medicamenteus behandeld wegens een aandoening van de linkerbovenkwab en had hij tien maanden in een sanatorium verbleven.
(4) - In maart 1990 en juni 1991 werden wederom longweefselmonsters onderzocht. Beide keren werden asbestdeeltjes gevonden. Voor de details zie de punten 11 en 14 van het bestreden arrest.
(5) - De commissie bestond uit de artsen Cognigni (aangewezen door rekwirant), Mancini (aangewezen door de Commissie) en Maltoni (gecoöpteerd door de twee eerstgenoemden).
(6) - Bestaande uit de artsen Cognigni (aangewezen door rekwirant), Brochard (aangewezen door de Commissie) en Maltoni (gecoöpteerd door beide eerstgenoemden).
(7) - Rekwirant vorderde schadevergoeding wegens verliezen die hij zou hebben geleden bij de verkoop van onroerend goed, waartoe hij genoodzaakt zou zijn geweest. Deze schade raamde hij voorlopig op 12,5 miljoen BFR.
(8) - Arrest van 8 oktober 1986 (169/83 en 136/84, Jurispr. blz. 2801, punt 13).
(9) - Arresten Hof van 17 december 1981, Ludwigshafener Walzmühle e.a./Raad en Commissie (197/80-200/80, 243/80, 245/80 en 247/80, Jurispr. blz. 3211, punt 18), en 29 april 1993, Forafrique Burkinabe/Commissie (C-182/91, Jurispr. blz. I-2161, punt 21).
(10) - Zie punt 56 van het arrest (aangehaald in voetnoot 1).
(11) - Arrest reeds aangehaald in voetnoot 8, punt 10 e.v.
(12) - Arresten Hof van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi (C-136/92 P, Jurispr. blz. I-1981, punt 48), en 28 mei 1998, New Holland Ford/Commissie (C-8/95 P, Jurispr. blz. I-3175, punt 24).
(13) - Arrest van 2 oktober 1979, B/Commissie (152/77, Jurispr. blz. 2819, punt 14).
(14) - Dit artikel bepaalt: "De vaststelling van een blijvende algehele of gedeeltelijke invaliditeit met toepassing van artikel 73 van het Statuut en van deze regeling prejudicieert niet de toepassing van het bepaalde in artikel 78 van het Statuut, en omgekeerd."
Full & Egal Universal Law Academy