Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1. Het onderhavige beroep van het Koninkrijk België strekt tot nietigverklaring van beschikking 98/358/EG van de Commissie van 6 mei 1998 betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de lidstaten voor het begrotingsjaar 1994 hebben ingediend in verband met de door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (hierna: EOGFL"), afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven, voorzover daarin, wat verzoeker betreft, een bedrag van 382 208 436 BEF ter zake van uitgaven betreffende de vooruitbetaling van uitvoerrestituties van communautaire financiering werd uitgesloten.
2. De Commissie baseerde die beschikking op verificaties van het controlesysteem in België in de jaren 1993 en 1994. Hetzelfde onderzoek en de volgens de Commissie daarbij vastgestelde ernstige gebreken lagen reeds ten grondslag aan beschikking 93/333/EG van de Commissie van 23 april 1997 betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de lidstaten voor het begrotingsjaar 1993 hebben ingediend in verband met de door het EOGFL, afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven. Het Koninkrijk België heeft die beschikking eveneens bestreden. Het Hof heeft bij arrest van 18 mei 2000 in zaak C-242/97 dat beroep verworpen.
3. Het Koninkrijk België baseert het onderhavige beroep globaal op het betoog in zaak C-242/97, en formuleert daarnaast enkele aanvullende standpunten. De Commissie antwoordt in dezelfde vorm.
4. Er bestaat geen reden om in deze procedure de argumentatie van zaak C-242/97 helemaal opnieuw te bespreken. Veeleer moet de discussie worden beperkt tot de punten die na het wijzen van het arrest van 18 mei 2000 nog niet zijn opgelost.
5. De onderhavige conclusie beperkt zich derhalve tot:
- de vraag, of een beroep kan worden geacht regelmatig te zijn ingesteld, wanneer geen nieuwe volledige conclusies worden ingediend, maar naar conclusies in een vroegere zaak wordt verwezen (zie A);
- de uitbreiding van de correcties tot het jaar 1994 (zie B);
- het argument van de Belgische regering, dat de Commissie rekening had moeten houden met het bijzondere controlesysteem dat in België voor zachte tarwe geldt (zie C);
- de opvatting, dat de correctie in de sector granen niet tot de regeling voorfinanciering-entrepot mocht worden uitgebreid (zie D);
- de stelling van de Belgische regering, dat er in het douanekantoor van Dendermonde, naast de verificateur, drie met de controle in de sector rundvlees belaste ambtenaren werkzaam waren (zie E);
- de stelling, dat bij de opslag van rundvlees in het entrepot Sivafrost gedetailleerde paklijsten zijn gebruikt (zie F);
- de vergissing van de Commissie waar zij beweerde, dat een gedeelte van het te Dendermonde gecontroleerde vlees koeienvlees was, terwijl het in feite ging om vlees van mannelijke runderen (zie G).
6. Voor het overige wordt - met name wat het rechtskader en de reeds opgeloste vraagstukken betreft - verwezen naar het arrest van 18 mei 2000 en de conclusie van 21 oktober 1999 in zaak C-242/97.
II - Conclusies
7. In het op 17 juli 1998 ingediende verzoekschrift concludeert het Koninkrijk België dat het den Hove behage:
1) beschikking 98/358/EG van de Commissie van 6 mei 1998 betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de lidstaten voor het begrotingsjaar 1994 hebben ingediend in verband met de door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven, nietig te verklaren, voorzover daarin een bedrag van 382 208 436 BEF voor de vooruitbetaling van uitvoerrestituties betreffende uitgaven te zijnen laste, van communautaire financiering werd uitgesloten;
2) de Commissie in de kosten te verwijzen.
8. De Commissie concludeert dat het den Hove behage:
1) het beroep van het Koninkrijk België te verwerpen;
2) het Koninkrijk België in de kosten te verwijzen.
III - Beoordeling rechtens
A - Ontvankelijkheid van het beroep
9. In de eerste plaats moet worden onderzocht, of in de onderhavige procedure de globale verwijzing van de Belgische regering naar haar betoog in zaak C-242/97 in aanmerking moet worden genomen.
10. Volgens artikel 38, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof moet het verzoekschrift ten minste een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevatten. In hoeverre het geoorloofd is, in plaats daarvan naar andere documenten - met name de conclusies in andere procedures - te verwijzen, is niet geregeld.
11. Het Gerecht van eerste aanleg heeft in het arrest ICI/Commissie terecht vastgesteld, dat het Hof deze vraag beantwoordt aan de hand van de omstandigheden van elk afzonderlijk geval, en op grond daarvan de verwijzing naar conclusies in feitelijk niet-verbonden zaken heeft geweigerd. Het Gerecht liet echter in het genoemde arrest de verwijzing naar schrifturen van een andere procedure toe, daar de partijen, gemachtigden en advocaten dezelfde waren, de beroepen op dezelfde dag waren ingesteld, aanhangig waren bij dezelfde kamer, aan dezelfde rechter-rapporteur waren toegewezen en inhoudelijk vragen over het mededingingsrecht op dezelfde markt betroffen.
12. Men kan het in beginsel eens zijn met het Gerecht, als men voor ogen houdt, dat de interne organisatiemaatregelen van een rechterlijke instantie - toewijzing aan kamers en rechters-rapporteurs - geen invloed kunnen hebben op de vraag, welke gevolgen bepaalde maatregelen van de partijen hebben. In beginsel moet het volstaan, dat twee zaken voldoende nauw samenhangen om een dergelijke verwijzing mogelijk te maken. In casu blijkt die nauwe samenhang uit de goeddeels gelijke administratieve procedure (onderzoek, briefwisseling, bemiddelingspoging, enz.), die tot de in beide zaken bestreden beschikkingen heeft geleid. Ook stemmen de partijen overeen. Derhalve is het maar logisch, dat beide beroepen op dezelfde gronden berusten. Dat zij niet op dezelfde dag zijn ingesteld, is daartegenover van minder belang.
13. Derhalve is de verwijzing van de Belgische regering naar haar conclusies in zaak C-242/97 geoorloofd. Dat moet ook voor de verwijzingen van de Commissie gelden.
B - Uitbreiding van de correcties tot het jaar 1994
Standpunt van partijen
14. Het Koninkrijk België betoogt, dat de verificaties van de Commissie uitdrukkelijk op de begrotingsjaren 1992 en 1993, maar niet op het begrotingsjaar 1994 betrekking hadden. Ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van de Belgische regering de opvatting vertolkt, dat dit onderzoek geen onregelmatigheden in het begrotingsjaar 1994 kan bewijzen. Derhalve zou de Commissie op grond van dat onderzoek geen correcties voor het begrotingsjaar 1994 mogen verrichten.
15. De Commissie wijst erop, dat haar verificaties in september en november 1994 werden verricht, en dat ook de administratieve praktijk van de Belgische autoriteiten in het begrotingsjaar 1994 betroffen. Dat in de referte van bedoelde brief alleen de jaren 1992 en 1993 werden vermeld, doet niets af aan het feit, dat de Belgische praktijk ook in 1994 niet aan de vereisten van het gemeenschapsrecht voldeed, en dat de rekeningen dus moesten worden gerectificeerd.
Standpuntbepaling
16. De Commissie voerde haar onderzoek uit in 1994. Het betrof ook de op dat ogenblik toegepaste controlepraktijken van de Belgische autoriteiten. Het is zeker jammer dat dit niet in de aanhef van de aankondigingen van het onderzoek tot uitdrukking kwam, maar het moest de Belgische autoriteiten reeds op grond van het tijdstip, en uiterlijk bij de uitvoering van het onderzoek duidelijk zijn, dat dit ook het begrotingsjaar 1994 zou betreffen. De Commissie kon dus van de onderzoeksresultaten gebruik maken voor haar beschikking over de rectificatie van de rekeningen voor het begrotingsjaar 1994. Tot dat resultaat kwam trouwens ook het bemiddelingsorgaan, waartoe het Koninkrijk België zich had gewend.
17. Dit middel moet dus worden afgewezen.
C - Uitbreiding van de correcties tot de begrotingspost zachte tarwe
18. Het Koninkrijk België heeft kritiek op de uitbreiding van de correcties tot de begrotingspost zachte tarwe. Het stelt, dat de Commissie geen onderzoek heeft ingesteld bij de onderneming U.B.M., de belangrijkste exporteur van zachte tarwe, die in het begrotingsjaar 1994 90 % van de uitvoerrestituties voor de begrotingspost zachte tarwe heeft ontvangen. Derhalve zou de Commissie zich op onvolledige feiten hebben gebaseerd.
19. In haar repliek van 2 februari 1998 in zaak C-242/97 betoogde het Koninkrijk België, dat bij brief van de Belgische autoriteiten aan U.B.M. van 15 maart 1994 een bijzonder controlesysteem is ingevoerd. Uit die brief kan worden opgemaakt, dat de betrokken maatregelen vanaf 1 april 1994 moesten worden toegepast.
20. In de eerste plaats zij erop gewezen, dat de Commissie in beschikking C(97) 515 def. van 24 februari 1997 heeft vastgesteld, dat nieuwe feiten betreffende de goedkeuring van de rekeningen voor het begrotingsjaar 1994 uiterlijk op 28 februari 1997 moesten worden voorgedragen.
21. Het is uitgesloten, na afloop van die termijn in het verzoekschrift nieuwe feiten voor te dragen. Dat blijkt uit artikel 1, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1723/72, dat luidt:
Aanvullende inlichtingen kunnen aan de Commissie worden toegezonden tot een uiterste datum die door deze laatste zal worden vastgesteld en waarbij onder meer rekening zal worden gehouden met de omvang van het werk dat nodig is om de betrokken inlichtingen te verstrekken. Wanneer de genoemde inlichtingen niet binnen de vastgestelde termijn worden toegezonden zal de Commissie haar beslissing nemen op grond van de gegevens waarover zij beschikt op de vastgestelde uiterste datum, behoudens indien de te late toezending van de inlichtingen door uitzonderlijke omstandigheden is gerechtvaardigd."
22. De Commissie kan dus weigeren de uitvoerrestituties te financieren, wanneer de verzoeker weliswaar de nodige bewijzen voorlegt, maar dit niet doet binnen de door de Commissie gestelde termijn.
23. Een dergelijke uitsluitingstermijn is in ieder geval gerechtvaardigd, wanneer - zoals in de onderhavige zaak - sedert de controles van de Commissie meer dan twee jaar is verstreken en ook reeds een bemiddelingsprocedure is gevoerd. Dan had de betrokken lidstaat immers voldoende gelegenheid om kritiek te leveren op onjuiste feitelijke vaststellingen van de Commissie.
24. Daarom kan ook in de onderhavige procedure geen rekening worden gehouden met de bovengenoemde - pas in de procedure van zaak C-242/97 nieuw opgeworpen - feiten. Bijgevolg is de rectificatie van de rekeningen ook voor de begrotingspost zachte tarwe gerechtvaardigd, en moet dit middel worden afgewezen.
25. Voor het overige heeft de Commissie verklaard, zonder op dat punt te worden weersproken, dat de onderneming Amylum, die aan het onderzoek van de Commissie was onderworpen, zachte tarwe exporteerde. Ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van de Commissie, eveneens onweersproken, erop gewezen, dat bij Amylum reeds in 1998, bij brief van de autoriteiten, bijzondere controlemaatregelen waren voorgeschreven, die in de praktijk echter nooit werden toegepast.
26. Ten slotte heeft de Commissie onweersproken betoogd, dat U.B.M. in het begrotingsjaar 1994 83,3 % van haar restituties vóór 1 april 1994 heeft ontvangen. Het bijzondere controlesysteem kon dus slechts op een klein gedeelte van de Belgische restituties voor de begrotingspost zachte tarwe zijn toegepast.
D - Uitbreiding van de correctie tot de voorfinanciering-entrepot in de sector granen
27. In de conclusie in zaak C-242/97 werd het argument van het Koninkrijk België betreffende de rectificatie van de rekeningen voor de voorfinanciering-entrepot in de sector granen, als volgt geformuleerd:
In de derde plaats betoogt de Belgische regering in het verzoekschrift (subsidiair), dat zij reeds in de bemiddelingsprocedure had betoogd, dat de correctie in de sector granen niet mocht worden toegepast op uitgaven die niet gebonden waren aan de voorfinancieringsregeling uitvoerrestituties. Aangezien de verificaties van de Commissie alleen de voorfinanciering betroffen, mocht de correctie haars inziens niet op andere gebieden worden toegepast. In repliek voegde de Belgische regering daaraan toe, dat de verificaties alleen betrekking hadden op de voorfinanciering-verwerking. Om die reden heeft België alle restituties betreffende niet voor verwerking in aanmerking komende granen afgesloten. Deze bedragen, die de voorfinanciering-entrepot betreffen, zijn door België per vergissing niet in de bemiddelingsprocedure meegedeeld. In de loop van de bemiddelingsprocedure had de Commissie echter toegang tot die informatie, zoals blijkt uit een document van het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau (BIRB) van 25 september 1996."
28. Het Hof heeft het argument van het Koninkrijk België bij arrest van 18 mei 2000, overeenkomstig artikel 42, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering afgewezen, omdat het te laat was opgeworpen. In de onderhavige procedure heeft de Belgische regering dat middel daarentegen, tenminste uit procesrechtelijk oogpunt, tijdig voorgedragen.
29. De Commissie heeft reeds in de dupliek in zaak C-242/97 erop gewezen en met bewijzen gestaafd, dat twee van de onderzochte bedrijven ook aan de regeling voorfinanciering-entrepot hadden deelgenomen, en het onderzoek ook op deze regeling betrekking had. Het Koninkrijk België heeft die stelling niet weerlegd. De uitbreiding van de correcties tot de regeling voorfinanciering-entrepot is dus in beginsel gerechtvaardigd.
30. Bovendien moet naast de genoemde procesrechtelijke termijn voor het opwerpen van nieuwe middelen, die hier in acht is genomen, ook het bovenvermelde verbod op de voordracht van nieuwe feitelijke stellingen in het kader van de administratieve procedure worden nageleefd. Het Koninkrijk België heeft de feitelijke bewering dat de Commissie bij haar onderzoek de toepassing van de regeling voorfinanciering-entrepot in België niet had onderzocht, pas na 28 februari 1997 voorgedragen. Anders dan de Belgische regering stelt, kan deze voordracht niet uit het verzoek om bemiddeling worden afgeleid. Daarin wordt enkel van de gegevens van de Commissie afwijkend cijfermateriaal aangevoerd, dat niet nader wordt gemotiveerd. Daar niet blijkt, dat die feitelijke stelling vóór de door de Commissie vastgestelde uiterste datum op een andere wijze is voorgedragen, valt zij onder het verbod van artikel 1, lid 3, van verordening nr. 1723/72. Zij kan dus niet meer in aanmerking worden genomen.
31. Voorzover door het Koninkrijk België naar een document van het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau van 25 september 1996 wordt verwezen, is niet duidelijk, waarom dat document de Commissie bekend zou zijn geweest.
32. Bijgevolg moet ook dit middel worden afgewezen.
E - Het personeel bij het douanekantoor te Dendermonde in de sector rundvlees
33. Het Koninkrijk België heeft in zijn van 3 juli 1997 daterend verzoekschrift in zaak C-242/97 voor het eerst betoogd, dat het niet waar is, dat in het douanekantoor te Dendermonde één enkele ambtenaar bevoegd was voor de controle in de sector rundvlees, maar dat drie ambtenaren die administratieve formaliteiten vervulden, en nog een ambtenaar zich uitsluitend bezighield met de verificatie ervan door fysieke controles. In totaal zouden dus vier ambtenaren met de controles zijn belast.
34. Ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van de Belgische regering bovendien erop gewezen, dat het Koninkrijk België reeds in een standpuntbepaling van 22 mei 1995 heeft opgemerkt, dat in Dendermonde naast de controlerende ambtenaar ook een toezichthoudende ambtenaar aanwezig was.
35. Dienaangaande moet in de eerste plaats worden vastgesteld, dat de standpuntbepaling van 22 mei 1995 het in het verzoekschrift gestelde niet staaft, maar zelfs tegenspreekt. De bewering dat in Dendermonde daarnaast ook een toezichthoudende ambtenaar werkzaam was, weerlegt op generlei wijze de vaststelling van de Commissie, dat de feitelijke uitvoering van de controle aan een enkele controleur was opgedragen. Zij stemt veeleer overeen met de oorspronkelijke vaststelling van de Commissie, dat één ambtenaar bevoegd is voor de controles van de drie grootste Belgische rundvleesexporteurs, en dat zijn assistent de kartonnen dozen weegt en telt.
36. De feitelijke bewering in het verzoekschrift, dat in Dendermonde nog drie ambtenaren met de controle zijn belast, werd bovendien pas na 28 februari 1997 - en dus te laat - voorgedragen. Zij kan dus niet in aanmerking worden genomen.
37. Bijgevolg moet ook dit middel worden afgewezen.
F - Het controlesysteem bij Sivafrost (sector rundvlees) in het jaar 1994
38. In het arrest van 18 mei 2000 heet het:
In de zesde plaats ontkent de Belgische regering, dat de in het entrepot Sivafrost opgeslagen kartons slechts op één manier konden worden geïdentificeerd, namelijk aan de hand van een op het laadbord aangebracht briefje met de nummers van de betalingsaangiften, en dat het bijgevolg mogelijk was de in dat entrepot opgeslagen kartons te vervangen. Zij verklaart, dat op alle in dat entrepot opgeslagen kartons etiketten waren aangebracht, waarop de aard, het gewicht en het nummer van de goederen waren vermeld. Overigens werden in het entrepot Sivafrost reeds sedert 1994 paklijsten met dezelfde gegevens als op de etiketten gebruikt, zodat aan de hand daarvan kon worden gecontroleerd, of de kartons het entrepot hadden verlaten.
Opgemerkt zij, dat de Belgische regering de onjuistheid van de door de Commissie als grondslag voor haar beschikking gebruikte vaststellingen niet heeft aangetoond. Aangezien de Belgische regering niet heeft verklaard, dat zij het systeem van gedetailleerde paklijsten heeft toegepast tijdens het begrotingsjaar 1993, de periode waarop de goedkeuring van de rekeningen betrekking heeft, heeft zij met name de grief van de Commissie betreffende de ontoereikende identificatie van de laadborden niet weerlegd."
39. Daarmee heeft het Hof echter nog niet vastgesteld, of het systeem van paklijsten in het jaar 1994 voldoende beveiligde tegen de verwisseling van kartons.
40. Dienaangaande moet in de eerste plaats worden vastgesteld, dat het Koninkrijk België niet preciseert, op welk tijdstip in het begrotingsjaar 1994 het systeem van paklijsten is ingevoerd. Enkel is bekend, dat in het entrepot Sivafrost ten tijde van de controles van de Commissie lijsten werden bijgehouden. In heel België werd dat systeem echter pas in 1995 ingevoerd. Er kan dus niet van worden uitgegaan, dat gedurende het hele begrotingsjaar 1994 overal in België paklijsten werden bijgehouden.
41. In de dupliek in zaak C-242/97 beklemtoonde de Commissie bovendien, dat de onderzochte paklijsten geen verband legden met een betalingsaangifte, en ook de identificatie niet mogelijk maakten van kartons die zich op een laadbord bevonden. In de toenmalige praktijk werden de goederen geïdentificeerd aan de hand van de op het laadbord aangebrachte betalingsaangiften. Het is echter noodzakelijk, de afzonderlijke kartons te identificeren en ze aldus te verzegelen, dat hun inhoud niet kan worden verwisseld. Het Koninkrijk België kon niet verklaren, hoe de paklijsten tot een vergelijkbaar resultaat konden leiden.
42. Zelfs indien het gebruik van die lijsten tot een aanzienlijke verbetering van het toezicht in het entrepot Sivafrost zou hebben geleid, zou het slechts één van elf verschillende punten in de sector rundvlees betreffen. Dat de Commissie zich dienaangaande heeft vergist, betekent niet dat het correctiepercentage bij de rectificatie van de rekeningen moet worden verlaagd. De Commissie mag tenslotte volgens vaste rechtspraak elke vergoeding van EOGFL-uitgaven weigeren, wanneer zij vaststelt dat er geen toereikende controlemechanismen bestonden. Bijgevolg moet dit middel worden afgewezen.
G - De onjuiste vaststelling in het syntheseverslag
43. Dit punt betreft de vaststelling van de Commissie in het syntheseverslag, dat een gedeelte van het te Dendermonde gecontroleerde vlees koeienvlees was, terwijl het in werkelijkheid om vlees van mannelijke runderen ging. De Commissie heeft die vergissing reeds in het kader van zaak C-242/97 erkend. Het Koninkrijk België heeft dus gelijk, dat de Commissie zich dienaangaande heeft vergist. In zaak C-242/97 heeft het Hof echter vastgesteld, dat die vergissing de rectificatie van de rekeningen voor het begrotingsjaar 1993 door de Commissie niet op losse schroeven zet. Dat moet ook voor de onderhavige beschikking gelden.
H - Samenvatting
44. Samenvattend moet worden vastgesteld, dat van de door het Koninkrijk België aangevoerde middelen slechts één enkel slaagt, namelijk het laatstgenoemde, waarvan het Hof reeds in zaak C-242/97 heeft vastgesteld, dat het het bestaan van de beschikking van de Commissie niet kan aantasten. De overige door de Commissie vastgestelde gebreken zijn daarentegen ernstig.
45. Bijgevolg zijn ook in de onderhavige zaak geen termen aanwezig om het Koninkrijk België geheel of gedeeltelijk in het gelijk te stellen. Met name behoeven de door de Commissie toegepaste forfaitaire correcties in de sector granen of de sector rundvlees niet te worden verlaagd.
46. Het resultaat had misschien anders kunnen zijn, indien het Koninkrijk België alle in de procedure voor het Hof geopperde bezwaren tijdig in de administratieve procedure had aangevoerd. Dan hadden partijen de relevante feiten samen kunnen onderzoeken, hetgeen in de onderhavige procedure niet meer mogelijk is.
47. Bijgevolg moet het beroep worden verworpen.
IV - Kosten
48. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk België in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
V - Conclusie
49. Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging:
1) het beroep te verwerpen;
2) het Koninkrijk België te verwijzen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy