Conclusie van de advocaat generaal
1. Op 23 juli 1998 heeft Cascades SA (hierna: Cascades") hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 14 mei 1998, Cascades/Commissie (hierna: bestreden arrest"), dat zij vernietigd wenst te zien.
2. Cascades had verzocht om nietigverklaring van beschikking 94/601/EG van de Commissie van 13 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/C/33.833 - Karton) (hierna: beschikking"), waarbij de Commissie aan negentien producenten die in de Gemeenschap karton leveren, een geldboete had opgelegd wegens inbreuken op artikel 85, lid 1, EG-Verdrag (thans artikel 81, lid 1, EG). De aan Cascades opgelegde geldboete bedroeg 16 200 000 ECU.
3. Voor de door rekwirante en de Commissie voor het Gerecht verdedigde standpunten en voor de gronden waarop het beroep is verworpen, verwijs ik naar het bestreden arrest.
4. In hogere voorziening concludeert rekwirante dat het het Hof behaagt:
primair:
- het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 14 mei 1998 in zaak T-308/94, Cascades SA/Commissie, te vernietigen;
- het door Cascades SA in eerste aanleg gevorderde toe te wijzen;
- de Commissie te verwijzen in alle kosten van de procedures voor Gerecht en Hof.
Subsidiair:
- de zaak naar het Gerecht van eerste aanleg te verwijzen indien deze volgens het Hof niet in staat van wijzen is;
- de beslissing omtrent de kosten aan te houden."
5. De Commissie concludeert dat het het Hof behaagt:
- de hogere voorziening af te wijzen;
- subsidiair, de zaak naar het Gerecht van eerste aanleg te verwijzen;
- rekwirante hoe dan ook in de kosten te verwijzen".
6. Tot staving van haar hogere voorziening voert rekwirante drie middelen aan.
7. In de eerste plaats acht zij het bestreden arrest tegenstrijdig gemotiveerd, aangezien het Gerecht geen consequenties heeft verbonden aan zijn eigen vaststellingen inzake de ontoereikende motivering van de beschikking van de Commissie op het punt van de vaststelling van het algemene niveau van de geldboeten.
8. In de tweede plaats heeft het Gerecht volgens haar het begrip gevolgen van de inbreuk voor de markt" onjuist uitgelegd en heeft het hoe dan ook het evenredigheidsbeginsel geschonden door de door de Commissie opgelegde geldboete niet te verlagen, hoewel het had vastgesteld dat de Commissie niet alle gevolgen die zij bij de vaststelling van het algemene niveau van de geldboeten in aanmerking had genomen, had bewezen.
9. In de derde plaats is zij van mening, dat het Gerecht het discriminatieverbod heeft geschonden door de criteria goed te keuren die de Commissie in aanmerking had genomen voor de toerekenbaarheid van de gedragingen van tijdens de inbreukperiode overgedragen ondernemingen.
10. Daar de eerste twee middelen ook zijn aangevoerd door de meeste andere kartonondernemingen die hogere voorziening hebben ingesteld tegen de hen betreffende arresten van het Gerecht, heb ik deze middelen slechts één maal onderzocht, namelijk in mijn conclusie betreffende de hogere voorziening van de onderneming Mo och Domsjö AB (C-283/98 P).
11. In die conclusie ben ik tot de slotsom gekomen, dat deze twee middelen falen.
Derde middel: schending van het discriminatieverbod
12. Volgens rekwirante heeft het Gerecht het discriminatieverbod geschonden door de criteria goed te keuren die de Commissie in aanmerking had genomen voor de aansprakelijkheid voor de gedragingen van tijdens de inbreukperiode overgenomen ondernemingen.
13. Uit punt 145 van de considerans van de beschikking blijkt haars inziens, dat de aansprakelijkheid voor het gedrag van een dochteronderneming van voor de overdracht kan worden toegerekend aan de dochteronderneming zelf indien zij zelfstandig aan de inbreuk heeft deelgenomen, dan wel aan de overdragende groep indien deze aan de inbreuk heeft deelgenomen. Bovendien zou de Commissie volgens punt 143 van de considerans van de beschikking, zoals uitgelegd door het Gerecht, indien een dochteronderneming zelfstandig het gemeenschapsrecht heeft geschonden en de overnemende groep zelf aan de inbreuk heeft deelgenomen, die groep een geldboete kunnen opleggen voor het gedrag van de dochteronderneming van voor de overdracht.
14. Rekwirante concludeert daaruit, dat een groep die een dochteronderneming overneemt, op twee volstrekt verschillende wijzen kan worden behandeld al naargelang de overdrager al dan niet bij de inbreuk betrokken was: de overnemer zal de geldboete voor het gedrag van de dochteronderneming van voor de overdracht moeten betalen indien de overdragende groep niet aan de inbreuk heeft deelgenomen; in het andere geval zal hij niet aansprakelijk zijn voor het gedrag van de dochteronderneming en zal hij dus niet de geldboete behoeven te betalen. Toepassing van die criteria leidt volgens rekwirante dus tot een openlijke discriminatie tussen twee overnemers.
15. Rekwirante stelt vast, dat het Gerecht haar op basis van genoemde criteria aansprakelijk heeft gesteld voor het gedrag van haar twee dochterondernemingen Van Duffel NV (hierna: Duffel") en Djupafors AB (hierna: Djupafors") van voor hun overname, terwijl in zaak T-347/94 niet de vennootschap Mayr-Melnhof Kartongesellschaft mbH (hierna: Mayr-Melnhof") aansprakelijk is gesteld voor het gedrag van haar dochteronderneming Mayr-Melnhof Eerbeek (hierna: Eerbeek") gedurende de periode voor de overname, maar NV Koninklijke KNP BT (hierna: KNP"), de overdragende groep die aan de inbreuk had deelgenomen.
16. Toch gaat het hier volgens rekwirante om volstrekt vergelijkbare situaties. In beide gevallen heeft een onderneming een of meer dochterondernemingen overgenomen, die voor hun overname aan een inbreuk hebben deelgenomen. Het enige verschil zit hem in de eventuele betrokkenheid van de overdrager bij de inbreuk voordat de overdracht plaatsvond. Een dergelijke omstandigheid, waarop de overnemer geen greep heeft en waarvan hij zelfs onwetend kan zijn, rechtvaardigt volgens rekwirante niet dat een van de overnemende groepen anders wordt behandeld.
17. Rekwirante verzoekt het Hof daarom het bestreden arrest te vernietigen voor zover zij daarin aansprakelijk is gesteld voor het gedrag van haar dochterondernemingen Duffel en Djupafors van voor de overname, en zo het de zaak in staat van wijzen acht, ook de beschikking om deze reden nietig te verklaren.
Ontvankelijkheid van dit middel
18. De Commissie merkt om te beginnen op, dat de door rekwirante gehekelde situatie al bestond voordat zij haar beroep instelde bij het Gerecht. Het derde middel is volgens de Commissie dus een nieuw middel dat volgens artikel 42, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat krachtens artikel 118 van dit Reglement van toepassing is in hogere voorziening, niet mag worden voorgedragen.
19. Rekwirante bestrijdt dat haar middel niet-ontvankelijk is. Het is niet voor het Gerecht aangevoerd omdat de door de Commissie gehanteerde criteria bijzonder verwarrend waren en de precieze draagwijdte daarvan eerst in de contentieuze procedure duidelijk is geworden.
20. In dit verband moet allereerst worden opgemerkt, dat rekwirante voor het Gerecht als middel had aangevoerd dat het gedrag van Duffel en Djupafors van voor de overname van deze ondernemingen niet aan Cascades kon worden toegerekend".
21. Dit middel was gebaseerd op twee argumenten of grieven:
- de Commissie zou de door haarzelf opgestelde criteria verkeerd hebben toegepast, dan wel
- de motivering van de beschikking zou op dit punt ontoereikend en tegenstrijdig zijn.
22. Het Gerecht is op beide argumenten ingegaan.
23. Het is waar dat rekwirante in punt 94, tweede alinea, van haar repliek voor het Gerecht het volgende had aangevoerd:
Wanneer een vennootschap die heeft behoord tot een groep waarvan een of meer andere vennootschappen aan de inbreuk hebben deelgenomen, wordt overgedragen aan een andere groep, gaat volgens de Commissie ,de aansprakelijkheid voor de periode tot de datum van onthechting niet op de verwerver over, doch zal zij bij de eerste groep blijven berusten (punt 145, tweede alinea, van de beschikking; vgl. de situatie van KNP Vouwkarton BV Eerbeek, die achtereenvolgens heeft toebehoord aan de groepen KNP en Mayr-Melnhof, punten 149 en 150 van de beschikking). Indien de overgenomen vennootschap voor haar overname als zelfstandige onderneming aan de inbreuk heeft deelgenomen, is de Commissie daarentegen van mening, dat de overnemende groep de aansprakelijkheid voor deze inbreuk moet dragen wanneer een of meer andere vennootschappen van deze groep ook aan de inbreuk deelnemen. Dit is een verschil in behandeling dat in verzoeksters ogen ongerechtvaardigd is."
24. De Commissie merkt op, dat rekwirante hier de uitdrukking ongerechtvaardigd verschil in behandeling" bezigt en niet spreekt van schending van het discriminatieverbod. De aangehaalde passage komt uitsluitend voor in rekwirantes repliek voor het Gerecht. Wat het beroep op het discriminatieverbod betreft, was er dus ook in de procedure voor het Gerecht al sprake van een nieuw middel dat als zodanig niet-ontvankelijk was. In hogere voorziening moet het volgens de Commissie dan ook zeker niet-ontvankelijk worden geacht.
25. De Commissie stelt tot slot dat het betoog van Cascades, die zich beroept op de moeite die het haar kostte om de door de Commissie opgestelde toerekeningscriteria te begrijpen, onvoldoende grond oplevert om het aanvoeren van een nieuw middel in de loop van het geding - laat staan in hogere voorziening - te rechtvaardigen. Cascades kende reeds ten tijde van de vaststelling van de beschikking de factoren naar aanleiding waarvan zij dit middel aanvoert. De twee situaties die zij met elkaar vergelijkt om een verschil in behandeling aan het licht te brengen, waren in de punten 147, 150 en 162 van de beschikking van de Commissie duidelijk uiteengezet. Zo Cascades meende dat er sprake was van ongelijke behandeling, had zij dit middel meteen in haar verzoekschrift in eerste aanleg kunnen - en dus moeten - aanvoeren" (punt 20 van de dupliek van de Commissie).
26. Wat valt hiervan te zeggen?
27. In het bestreden arrest heeft het Gerecht rekwirantes op ongelijke behandeling" gebaseerde argument niet inhoudelijk beoordeeld, noch te kennen gegeven dat het hier een nieuw middel betrof dat niet-ontvankelijk was omdat het pas in de loop van het geding was voorgedragen.
28. Luidens artikel 51 van 's Hofs Statuut-EG kan hogere voorziening bij het Hof alleen rechtsvragen betreffen en moet zij gebaseerd zijn op middelen ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht dan wel schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht. Artikel 112, lid 1, sub c, van 's Hofs Reglement voor de procesvoering preciseert, dat het verzoekschrift in hogere voorziening de aangevoerde middelen en argumenten rechtens" moet bevatten.
29. In dit verband heeft het Hof in onder meer de beschikking Del Plato/Commissie verklaard, dat [u]it deze laatste bepalingen volgt, dat duidelijk moet worden uiteengezet, tegen welke onderdelen van het arrest de hogere voorziening is gericht en welke argumenten rechtens tot staving van de vordering tot vernietiging van het arrest worden aangevoerd. Volgens vaste rechtspraak voldoet een hogere voorziening die slechts de reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten (...) herhaalt of letterlijk overneemt, niet aan dit vereiste."
30. Om ontvankelijk te zijn, moet een hogere voorziening dus per se enkele nieuwe argumenten rechtens bevatten. Dit is trouwens onvermijdelijk, aangezien in hogere voorziening kritiek wordt uitgeoefend op het arrest van het Gerecht, dat zelf een nieuw element vormt ten opzichte van de schriftelijke en de mondelinge behandeling die voor het Gerecht hebben plaatsgevonden.
31. Artikel 42, lid 2, van 's Hofs Reglement voor de procesvoering verbiedt dat nieuwe middelen (...) in de loop van het geding" worden voorgedragen.
32. Volgens artikel 118 van dit Reglement is artikel 42, lid 2, van toepassing op de procedure voor het Hof in hogere voorziening tegen een beslissing van het Gerecht".
33. Deze bepaling ziet ontegenzeglijk op nieuwe middelen die na de indiening van het verzoekschrift in hogere voorziening voor het Hof worden aangevoerd.
34. Maar geldt zij ook voor elke redenering in het verzoekschrift in hogere voorziening, die in het verzoekschrift in eerste aanleg niet voorkwam?
35. In de eerste plaats lijkt mij dat in dat geval elke hogere voorziening bij voorbaat gedoemd zou zijn om niet-ontvankelijk te worden verklaard. Het kan immers niet anders dan dat een hogere voorziening gebaseerd is op redeneringen die neerkomen op
- ofwel nieuwe middelen die ingevolge voormelde bepaling niet meer mogen worden voorgedragen;
- ofwel de letterlijke herhaling van reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen.
36. In de tweede plaats volgt uit artikel 51 van 's Hofs Statuut-EG, dat een hogere voorziening gebaseerd kan zijn op nieuwe middelen als bevoegdheidsoverschrijding door het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure in eerste aanleg of schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht bij de beoordeling van de voor hem aangevoerde middelen.
37. Ik ben daarom van mening, dat het probleem kan worden opgelost door toepassing van de volgende criteria.
38. De hogere voorziening mag het voorwerp van het geding niet wijzigen. Behalve tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de beslissing van het Gerecht, mag zij slechts strekken tot gehele of gedeeltelijke toewijzing van het in eerste aanleg gevorderde; nieuwe conclusies zijn niet toegelaten (artikel 113 van 's Hofs Reglement voor de procesvoering).
39. Verder mogen in hogere voorziening met betrekking tot de beschikking die aan heel het geschil ten grondslag ligt, geen grieven worden aangevoerd die in eerste aanleg nog niet naar voren waren gebracht.
40. Dit is hier ook niet het geval, aangezien rekwirante nog steeds binnen het kader blijft van de grief die (of het middel dat) zij voor het Gerecht had aangevoerd, namelijk dat het gedrag van Duffel en Djupafors van voor de overname van deze ondernemingen niet aan Cascades kon worden toegerekend". Zij snijdt dus niet een volledig nieuw punt aan.
41. Rekwirante had in haar repliek voor het Gerecht ook melding gemaakt van het verschil in behandeling tussen twee overnemende vennootschappen" dat volgens haar een gevolg was van de redenering van de Commissie. Nu het Gerecht niet op dit argument is ingegaan, kan rekwirante niet worden verweten dat zij erop terugkomt.
42. Het feit dat zij dit argument thans meer gewicht geeft door van schending van het discriminatieverbod te spreken en door het als middel aan te merken, is in mijn ogen onvoldoende grond om het niet-ontvankelijk te verklaren. Wij hebben hier in feite van doen met de uitwerking van een argument rechtens dat reeds naar voren was gebracht en dat nog steeds binnen het kader valt van een van de in eerste aanleg aangevoerde grieven of middelen.
Inhoudelijke beoordeling van het derde middel
43. Punt 147 van de considerans van de beschikking luidt als volgt:
Vóór hun verwerving door Cascades in 1989 waren Kartonfabriek Van Duffel NV en Djupafors AB deelnemers aan het kartel als zelfstandige ondernemingen. Indien de overneming niet was geschied, hadden procedures tot de beide ondernemingen onder hun eigen naam kunnen worden gericht. Duffel en Djupafors hebben een naamsverandering ondergaan en bleven als afzonderlijke dochterondernemingen in de Cascades-groep voortbestaan. Het is echter passend deze beschikking tot de door Cascades SA vertegenwoordigde Cascades-groep te richten met betrekking tot de deelneming aan de inbreuk van alle Cascades-kartonbedrijven (zie punt 143)."
44. Blijkens punt 143 van de considerans van de beschikking heeft de Commissie met betrekking tot het handelen van hetgeen naar beweerd wordt zelfstandige dochterondernemingen zijn (...) in beginsel de in de ledenlijsten van de PG Paperboard vermelde entiteit behandeld als de geëigende ,onderneming met het oog op het adresseren van de onderhavige procedure, zulks met de volgende uitzonderingen:
1) wanneer meer dan één onderneming in een groep aan de inbreuk [had deelgenomen]
of
2) indien er uitdrukkelijk bewijs [bestond] dat de moederonderneming van de groep bij de deelneming van de dochteronderneming aan het kartel betrokken [was],
[in welke gevallen] de beschikking tot de groep is gericht (vertegenwoordigd door de moederonderneming)".
45. Het Gerecht stelt in punt 148 van het bestreden arrest vast: Wanneer een onderneming voor haar overdracht zelfstandig aan de inbreuk heeft deelgenomen, moet de adressaat van de beschikking, dat wil zeggen de overgedragen onderneming of de nieuwe moedermaatschappij, bijgevolg uitsluitend worden bepaald op basis van de in punt 143 van de considerans van de beschikking vermelde criteria."
46. In de punten 157 tot en met 159 concludeert het:
Wat de gegrondheid van de toerekening van het onrechtmatige gedrag van Djupafors en Duffel van voor hun overname aan [rekwirante] betreft, volstaat de opmerking, dat vaststaat dat zij op de datum van hun overname betrokken waren bij een inbreuk waaraan [rekwirante] eveneens via de ondernemingen Cascades La Rochette en Cascades Blendecques deelnam.
Bijgevolg kon de Commissie het gedrag van Djupafors en van Duffel aan [rekwirante] toerekenen wat de periode voor en de periode na hun overname door [rekwirante] betreft. Als moederonderneming diende [rekwirante] met betrekking tot haar dochterondernemingen alle maatregelen te nemen om de voortzetting van de inbreuk, waarvan zij niet onkundig was, te verhinderen.
Gelet op het voorgaande, dient dit middel te worden afgewezen."
47. Cascades betwist niet, dat zij aansprakelijk is voor de inbreuken die Duffel en Djupafors hebben gepleegd nadat zij door haar waren overgenomen.
48. Zij meent echter ten onrechte te zijn beboet voor het gedrag van deze vennootschappen in de periode voor hun overname.
49. Zij voert aan, dat aan Mayr-Melnhof geen geldboete is opgelegd wegens het gedrag van haar dochteronderneming Eerbeek van voor de overname, ofschoon de in het bestreden arrest genoemde criteria ook in de betrekkingen tussen Mayr-Melnhof en Eerbeek konden worden toegepast.
50. Voor het vroegere gedrag van Eerbeek is de overdrager KNP aansprakelijk gesteld, die zelf bij het kartel betrokken was.
51. De Commissie en het Gerecht stelden zich op het standpunt, dat Mayr-Melnhof slechts aansprakelijk was voor het gedrag van Eerbeek" vanaf het moment waarop deze onderneming onder verzoeksters controle was".
52. Met een beroep op het discriminatieverbod vordert Cascades, dat zij in relatie tot haar twee dochterondernemingen op dezelfde wijze wordt behandeld.
53. Ik geef het Hof in overweging, haar gelijk te geven. Wij hebben hier namelijk te maken met twee identieke situaties die verschillend worden behandeld. Voor de overname oefende Mayr-Melnhof noch Cascades enige zeggenschap uit over het gedrag van hun latere dochteronderneming(en).
54. Nu het gedrag van Eerbeek niet aan Mayr-Melnhof is toegerekend, mag het gedrag van Duffel en Djupafors ook niet aan Cascades worden toegerekend.
55. Het gedrag van Eerbeek werd bepaald door KNP. Het was dan ook legitiem, KNP aansprakelijk te houden voor de door Eerbeek gepleegde inbreuk.
56. Het gedrag van Duffel en Djupafors vloeide voort uit hun eigen beslissingen. Deze ondernemingen, en alleen zij, moesten daarvoor dus de verantwoordelijkheid dragen, daar zij niet eenvoudigweg door Cascades zijn opgeslorpt, maar hun activiteiten als zelfstandige ondernemingen hebben voortgezet, zij het onder een andere naam.
57. De Commissie meent, dat haar geen ongelijke behandeling kan worden verweten. In het enige geval waarin een andere adressaat van haar beschikking zich in dezelfde situatie bevond als Cascades ten opzichte van Duffel en Djupafors, is die onderneming ook op precies dezelfde wijze behandeld. Het betreft hier de onderneming Deisswil, waarin Mayr-Melnhof in 1990 een belang van 66 % verkreeg. Zoals de Commissie in punt 55 van haar memorie van antwoord opmerkt, werd Mayr-Melnhof, juist zoals rekwirante en op dezelfde gronden, aansprakelijk gehouden voor het onrechtmatige gedrag van voor en na de overname, en bij de andere dochteronderneming uitsluitend voor het gedrag van na de overname. Zij is dus op dezelfde wijze en volgens dezelfde beginselen behandeld als rekwirante, wat bij haar ene dochteronderneming tot hetzelfde resultaat en bij haar andere dochteronderneming tot een ander resultaat heeft geleid, omdat in het laatste geval de situatie anders was."
58. Dit betoog kan echter niet worden aanvaard. Het feit dat de Commissie in dezelfde beschikking tweemaal dezelfde fout heeft gemaakt, kan deze fout niet tenietdoen.
59. Vaststaat, dat de vennootschappen Eerbeek, Deisswil, Duffel en Djupafors zich voor hun overname ten opzichte van hun toekomstige moedermaatschappij in exact dezelfde situatie bevonden: hun gedrag werd nog niet door die onderneming bepaald.
60. Voor het hier aan de orde zijnde probleem geldt het beginsel: waar de macht is, ligt de verantwoordelijkheid".
61. In zijn arrest Enichem Anic/Commissie heeft het Gerecht dit beginsel als volgt verwoord:
Wanneer het bestaan van een dergelijke inbreuk is aangetoond, moet worden nagegaan welke natuurlijke of rechtspersoon de onderneming leidde toen de inbreuk werd gepleegd, opdat deze ter verantwoording kan worden geroepen."
62. Ik concludeer hieruit, dat telkens wanneer een onderneming die later een dochteronderneming is geworden, inbreuken heeft begaan in de periode waarin zij nog volledig zelfstandig was, zij zelf voor die inbreuken moet instaan.
63. Deze conclusie vindt steun in de rechtspraak van het Hof die ik heb aangehaald in mijn conclusie van heden betreffende de hogere voorziening van Stora Kopparbergs Bergslags AB. Daaruit blijkt, dat zelfs wanneer een onderneming een volle dochter van een andere onderneming is en deze laatste het commerciële beleid van haar dochter dus beslissend kan beïnvloeden, de moedermaatschappij alleen dan aansprakelijk kan worden gehouden voor het onrechtmatige gedrag van haar dochter, indien er op zijn minst bepaalde aanwijzingen zijn dat zij die invloed ook werkelijk heeft aangewend.
64. In casu heeft het Gerecht evenwel ingestemd met een redenering die erop neerkomt, dat zelfs een onderneming die niet deelneemt in het kapitaal van een andere onderneming en waarvan ook niet kan worden aangetoond, dat zij met andere middelen macht over die onderneming heeft uitgeoefend, moet opdraaien voor de inbreuken van die onderneming.
65. Ik geef het Hof dan ook in overweging vast te stellen, dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door Cascades aansprakelijk te houden voor de inbreuken die Duffel en Djupafors voor hun overname hebben gepleegd, en het bestreden arrest in zoverre te vernietigen.
66. Is de zaak in staat van wijzen of moet zij voor afdoening worden verwezen naar het Gerecht?
67. De aan Cascades opgelegde geldboete van 16 200 000 ECU is gebaseerd op:
a) de deelneming van de moedermaatschappij - als kopstuk" - aan het kartel vanaf medio 1986 tot april 1991;
b) de deelneming van Duffel en Djupafors aan het kartel vanaf medio 1986 tot hun overname door Cascades in maart 1989;
c) de deelneming van Duffel en Djupafors aan het kartel vanaf maart 1989.
68. Om de hiervoor uiteengezette redenen moet de onder b) genoemde deelneming buiten beschouwing blijven. Wij weten echter niet, welk gewicht deze deelneming precies heeft gehad in het eindoordeel waartoe de Commissie en vervolgens het Gerecht zijn gekomen. Een verlaging van de geldboete door middel van een simpele aftreksom is dus niet mogelijk. Een hernieuwd debat voor het Gerecht is daarom onvermijdelijk, zodat verwijzing van de zaak naar deze rechterlijke instantie op zijn plaats is.
69. Overigens is het aan de Commissie om te beoordelen, of een mededeling van punten van bezwaar moet worden gericht tot de ondernemingen die Duffel en Djupafors in economisch en functioneel opzicht hebben opgevolgd, en of deze ondernemingen eventueel moeten worden beboet voor de inbreuken van Duffel en Djupafors in de periode voor hun overname door Cascades.
Kosten
70. Volgens artikel 121 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht dient het Gerecht over de kosten te beslissen.
Conclusie
71. Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging:
1) het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 14 mei 1998, Cascades/Commissie (T-308/94), te vernietigen voor zover daarin:
- rekwirante aansprakelijk wordt gesteld voor de inbreuken van Van Duffel NV en Djupafors AB in de periode van medio 1986 tot en met februari 1989;
- rekwirantes verzoek om verlaging van de geldboete wordt afgewezen;
- rekwirante in de kosten wordt verwezen;
2) de hogere voorziening voor het overige af te wijzen;
3) de zaak naar het Gerecht van eerste aanleg te verwijzen.
Full & Egal Universal Law Academy