Conclusie van de advocaat generaal
1. Bij op 23 juli 1998 ingediend verzoekschrift heeft Enso Española SA (hierna: Enso") hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 14 mei 1998, Enso Española/Commissie (hierna: bestreden arrest"), waarin uitspraak is gedaan op haar beroep tegen beschikking 94/601/EG van de Commissie van 13 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/C/33.833 - Karton) (hierna: beschikking").
2. Bij die beschikking was aan negentien producenten die in de Gemeenschap karton leveren, een geldboete opgelegd wegens inbreuken op artikel 85, lid 1, EG-Verdrag (thans artikel 81, lid 1, EG).
3. Enso verzocht het Gerecht de beschikking geheel of gedeeltelijk nietig te verklaren en, subsidiair, de aan haar opgelegde geldboete te verlagen. Zij concludeerde tot verwijzing van de Commissie in de kosten, met inbegrip van de kosten en renten voor het stellen van een bankgarantie of van de eventuele betaling van het geheel of een gedeelte van de geldboete.
4. Het Gerecht verklaarde Enso's beroep voor een deel gegrond: de beschikking werd nietig verklaard voor zover Enso daarin deelneming aan de inbreuk gedurende een te lange periode en deelneming aan de heimelijke verstandhouding inzake handhaving van de marktaandelen ten laste werd gelegd. Het verlaagde het bedrag van de geldboete daarom van 3 250 000 ECU naar 1 200 000 ECU, maar verwierp het beroep voor het overige.
5. Voor een nadere uiteenzetting van de door Enso tegen de beschikking aangevoerde middelen en de redenen waarom het Gerecht meende deze slechts gedeeltelijk te kunnen aanvaarden, verwijs ik naar het bestreden arrest.
6. In hogere voorziening concludeert Enso dat het het Hof behaagt:
I - het bestreden arrest te vernietigen op het punt van de aangevoerde middelen en aan die vernietiging juridische consequenties te verbinden door ofwel de zaak zelf af te doen, ofwel de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht, en met name,
1) het bestreden arrest te vernietigen voor zover het Gerecht zich daarin op het standpunt stelt, dat de beschikking op het punt van de geldboete niet in strijd is met artikel 190 EG-Verdrag (thans artikel 253 EG), en dus de geldboete in te trekken wegens het ontbreken van een motivering in de beschikking, dan wel de geldboete aanzienlijk te verlagen wegens een ontoereikende motivering;
2) subsidiair, het bestreden arrest te vernietigen voor zover daarin wordt overwogen, dat het feit dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met de gevolgen van de devaluatie van de peseta ten opzichte van de ecu, geen schending van het beginsel van gelijke behandeling oplevert, althans de geldboete zodanig te verlagen, dat met deze devaluatie rekening wordt gehouden;
3) subsidiair, het bestreden arrest te vernietigen voor zover het Gerecht heeft nagelaten de Commissie te veroordelen om aan verzoekster in eerste aanleg alle kosten en renten voor het stellen van een bankgarantie of van de eventuele betaling van het geheel of een gedeelte van de geldboete te voldoen; te bepalen dat de met de betaling van de geldboete verband houdende interesten pas beginnen te lopen vanaf de datum waarop het bestreden arrest uitvoerbaar is, en, bijgevolg, de Commissie te veroordelen tot betaling van de kosten en vervallen renten in verband met het stellen van de bankgarantie of de betaling van de geldboete.
II - de Commissie te verwijzen in de kosten van de hogere voorziening en, voor het geval de door rekwirante aangevoerde argumenten geheel of gedeeltelijk zouden worden aanvaard, tevens een oordeel te geven over de in eerste aanleg gegeven kostenbeslissing."
7. De Commissie, geïntimeerde in hogere voorziening en verweerster in eerste aanleg, concludeert dat het het Hof behaagt:
- de hogere voorziening af te wijzen;
- subsidiair, de zaak voor afdoening terug te verwijzen naar het Gerecht;
- hoe dan ook rekwirante in de kosten te verwijzen.
8. Tot staving van haar conclusies voert Enso de volgende drie middelen aan:
1) schending van het gemeenschapsrecht door onjuiste toepassing en uitlegging van artikel 190 van het Verdrag ten aanzien van het motiveringsgebrek van de beschikking;
2) schending van het beginsel van gelijke behandeling, voor zover geen rekening is gehouden met de devaluatie van de peseta ten opzichte van de ecu;
3) schending van het gemeenschapsrecht wegens incoherentie van het betoog van het Gerecht, voor zover het Gerecht heeft nagelaten de Commissie te veroordelen tot betaling van de kosten en vervallen interesten in verband met het stellen van een bankgarantie of de betaling van de geldboete.
9. Deze middelen zullen voor zover nodig nader worden uiteengezet bij de behandeling ervan.
Eerste middel: ontoereikende motivering van de beschikking op het punt van de vaststelling van de geldboete
10. Aangezien de in het kader van dit middel aangevoerde grieven aansluiten bij de grieven die rekwirante Mo och Domsjö AB naar voren heeft gebracht in zaak C-283/98 P, verwijs ik voor de redenen op grond waarvan dit middel dient te worden afgewezen, naar mijn conclusie van heden in die zaak.
Tweede middel: schending van het beginsel van gelijke behandeling door niet-inaanmerkingneming van de ontwikkeling van de wisselkoersen
11. Aangezien de kritiek die in het kader van dit middel op het bestreden arrest wordt uitgeoefend, aansluit bij die welke rekwirante Sarrió SA heeft geformuleerd in zaak C-291/98 P, verwijs ik voor de redenen waarom ik meen dat deze kritiek ongefundeerd is en dus niet tot vernietiging van het bestreden arrest kan leiden, naar mijn conclusie van heden in die zaak.
Derde middel: weigering van het Gerecht om de Commissie te veroordelen tot betaling van bepaalde door rekwirante gemaakte kosten
12. Om de door de Commissie uiteengezette redenen, die ik volledig onderschrijf, heeft dit middel geen enkele kans van slagen.
13. In de eerste plaats voldoet het niet aan de vereisten van artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, aangezien het niet vermeldt welke bepalingen of beginselen van gemeenschapsrecht het Gerecht zou hebben geschonden.
14. In de tweede plaats moet het worden gezien als een door artikel 113, lid 2, van 's Hofs Reglement voor de procesvoering verboden wijziging van het in eerste aanleg gevorderde.
15. Voor het Gerecht vorderde rekwirante namelijk verwijzing van de Commissie in dezelfde kosten, maar dan als proceskosten.
16. Het Gerecht heeft zich terecht op het standpunt gesteld, dat bedoelde kosten niet kunnen worden aangemerkt als in verband met de procedure gemaakte kosten in de zin van artikel 91, sub b, van zijn Reglement voor de procesvoering.
17. Rekwirante ziet vermoedelijk wel in, dat hiertegen niets valt in te brengen, maar aangezien zij de Commissie toch voor de betrokken kosten wil laten opdraaien, gooit zij haar vordering in hogere voorziening over een andere boeg. Een dergelijke vordering kan niet anders dan niet-ontvankelijk worden verklaard.
18. In de derde plaats is dit middel, al zou het ontvankelijk worden verklaard, hoe dan ook kennelijk ongegrond.
19. Bij aanvaarding ervan zou het Hof namelijk zowel de niet-schorsende werking die bij hem ingestelde beroepen volgens artikel 185 EG-Verdrag (thans artikel 242 EG) hebben, alsook het in artikel 192 EG-Verdrag (thans artikel 256 EG) geformuleerde beginsel dat de beschikkingen van de Commissie die voor natuurlijke personen een geldelijke verplichting inhouden, executoriale titel vormen, op losse schroeven zetten, iets wat ik hem toch niet in overweging zou willen geven.
Kosten
20. Indien rekwirante overeenkomstig mijn voorstel op alle punten in het ongelijk wordt gesteld, moet op haar artikel 69, lid 2, van 's Hofs Reglement voor de procesvoering worden toegepast.
Conclusie
21. Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging:
- de hogere voorziening af te wijzen;
- rekwirante in de kosten te verwijzen.
Full & Egal Universal Law Academy