Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1 In de onderhavige zaak wordt het Hof verzocht uitspraak te doen op een door het Europees Parlement ingestelde hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 26 mei 1998, Bieber/Parlement(1). In dit arrest heeft het Gerecht enerzijds het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van het door R. Bieber, verzoeker in eerste aanleg, ingediende verzoek om herplaatsing en schadevergoeding nietig verklaard, en anderzijds het Parlement ertoe veroordeeld, Bieber de materiële schade te vergoeden die hij had geleden doordat hij niet op het gewenste tijdstip was herplaatst.
II - De toepasselijke bepalingen en de feiten
2 Uit de punten 2 tot en met 19 van het bestreden arrest blijkt dat Bieber, verzoeker in eerste aanleg, in 1971 als ambtenaar in dienst trad van het Parlement. In 1981 werd hij benoemd tot afdelingshoofd in de rang A 3 en in 1986 tot adviseur bij de juridische dienst. Hij kreeg op eigen verzoek voor de periode van 15 november 1991 tot 15 juli 1992 verlof om redenen van persoonlijke aard, overeenkomstig artikel 40 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut"). Dit verlof werd vervolgens verschillende keren verlengd, voor het laatst tot 15 november 1994.
3 Van mening dat het Parlement hem na het verstrijken van zijn verlof wederrechtelijk geen voorstel tot herplaatsing had gedaan, diende Bieber krachtens artikel 90, lid 1, van het Statuut een verzoek om herplaatsing in, alsmede een verzoek om vergoeding van de schade die hij had geleden door het uitblijven van herplaatsing op het gewenste tijdstip. Bij brief van 7 december 1995 deelde de secretaris-generaal van het Parlement Bieber mee dat hij van plan was herplaatsing in het ambt van afdelingshoofd belast met het secretariaat van de commissie Institutionele zaken voor te stellen. De secretaris-generaal verbond aan dit voorstel bepaalde voorwaarden. Op 13 december 1995 werd, na een onderhoud van de secretaris-generaal van het Parlement met Bieber, besloten geen gevolg te geven aan dit voorstel.
4 Bij brief van 21 februari 1996 stelde de secretaris-generaal van het Parlement Bieber als eerste aanbod herplaatsing in een ambt van adviseur in de rang A 3 voor. Op 8 maart 1996 aanvaardde Bieber het aangeboden ambt en verzocht hij dat de modaliteiten van de hervatting van zijn werkzaamheden en inzonderheid de datum van zijn indiensttreding in onderling overleg zouden worden vastgesteld. De datum van Biebers herplaatsing werd vastgesteld op 1 juni 1996.
5 Op 10 mei 1996 diende Bieber een klacht in tegen het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van zijn verzoek om herplaatsing en schadevergoeding van 18 oktober 1995. Op 13 september 1996 werd hem meegedeeld dat zijn klacht was afgewezen.
6 Op 9 oktober 1996 diende Bieber een verzoek om afvloeiing krachtens artikel 52 van het Statuut in, waarbij hij specificeerde dat hij zijn werkzaamheden definitief wilde beëindigen op 1 februari 1997.
7 Op 12 december 1996 stelde Bieber bij het Gerecht een beroep in strekkende tot nietigverklaring van het besluit van het Parlement van 13 september 1996 houdende afwijzing van zijn klacht tegen het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van zijn verzoek om herplaatsing en vergoeding van de schade die de administratie had veroorzaakt door hem niet op het gewenste tijdstip een ambt aan te bieden, en tot veroordeling van het Parlement tot vergoeding van de materiële schade die hij had geleden doordat hij niet te gelegener tijd was herplaatst.
8 Op 26 mei 1998 wees het Gerecht het bestreden arrest, waarvan het dictum inhoudt: 1) het Gerecht wijst het verzoek om nietigverklaring toe; 2) het veroordeelt het Parlement om Bieber te vergoeden voor de materiële schade die hij heeft geleden doordat hij op 1 januari 1995 niet in de rang A 3, salaristrap 6, is herplaatst in het ambt van juridisch adviseur bij het Parlement; 3) het bepaalt het bedrag dat aan Bieber moet worden betaald op het verschil tussen, enerzijds, de nettobezoldiging die hij tussen 1 januari 1995 en 8 maart 1996 zou hebben ontvangen, en anderzijds, het totale bedrag van de nettoberoepsinkomsten die hij door de uitoefening van andere activiteiten heeft verworven; 4) dit bedrag moet worden vermeerderd met het bedrag dat overeenkomt met het verlies voortvloeiend uit het ontbreken van automatische salaristrapverhoging en het totaal van de hierboven genoemde bedragen moet worden vermeerderd met rente vanaf 12 december 1996 tot op de datum van de betaling ervan aan Bieber; 5) het veroordeelt het Parlement om het verschil te vergoeden tussen de pensioenrechten die Bieber hadden moeten worden toegekend indien hij per 1 januari 1995 zou zijn herplaatst, en die welke hem daadwerkelijk zijn toegekend; 6) de uit hoofde van dit verschil verschuldigde pensioenrechten moeten vanaf de opeisbaarheid ervan worden vermeerderd met rente op de voet van 4,5 %; het verwijst het Parlement in de kosten.
9 In zijn hogere voorziening, ingesteld op 24 juli 1998, concludeert het Parlement dat het het Hof behage: 1) het bestreden arrest te vernietigen, dan wel, subsidiair, de punten 2, 3 en 6 van het dictum van het bestreden arrest te vernietigen teneinde de periode waarvoor het Parlement is veroordeeld om Bieber te vergoeden, te verkorten en die periode vast te stellen van 15 juni 1995 tot 13 december 1995; 2) de in eerste aanleg door het Parlement voorgedragen conclusies toe te wijzen; 3) over de kosten te beslissen overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Reglement voor de procesvoering. Bieber concludeert dat het het Hof behage de hogere voorziening af te wijzen wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid, dan wel, subsidiair, de hogere voorziening ongegrond te verklaren en het Parlement in alle kosten te verwijzen.
III - Toepasselijke communautaire regelgeving
10 Artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut luidt als volgt:
"na het verstrijken van het verlof om redenen van persoonlijke aard moet de ambtenaar bij de eerste vacature worden herplaatst in een tot zijn categorie of groep behorend ambt dat met zijn rang overeenkomt, mits hij de voor dit ambt vereiste geschiktheid bezit. Indien hij het hem aangeboden ambt weigert, behoudt hij, onder dezelfde voorwaarde, het recht om bij de tweede vacature te worden herplaatst in een tot zijn categorie of groep behorend ambt dat met zijn rang overeenkomt; indien hij ten tweeden male weigert, kan hij, nadat de Paritaire Commissie is geraadpleegd, ambtshalve worden ontslagen. Tot de datum van zijn daadwerkelijke herplaatsing blijft de ambtenaar met verlof om redenen van persoonlijke aard zonder bezoldiging".
A - Ontvankelijkheid van de hogere voorziening
11 Bieber stelt dat de hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is op grond dat het Parlement alleen de reeds in eerste aanleg naar voren gebrachte argumenten herhaalt en uitsluitend zuiver feitelijke argumenten aanvoert, die in het kader van deze procedure niet kunnen worden getoetst.
12 Ik ben evenwel van mening dat ook al roepen bepaalde in hogere voorziening uiteengezette argumenten twijfel op over de ontvankelijkheid ervan, de hogere voorziening niet in haar geheel niet-ontvankelijk is. Het eerste middel ter ondersteuning van de hogere voorziening betreft de uitlegging van artikel 40, lid 1, sub d, van het Statuut en werpt, op zijn minst gedeeltelijk, rechtsvragen op die door het Hof moeten worden onderzocht. Ook het tweede middel ter ondersteuning van de hogere voorziening werpt bepaalde uitleggingsvragen op waarover het Hof zich zal dienen te buigen.
B - Gegrondheid van de hogere voorziening
a) Eerste middel ter ondersteuning van de hogere voorziening
13 In dit middel betoogt het Parlement dat het niet verplicht was Bieber te
herplaatsen, gelet op het gedrag van deze ambtenaar.
i) Grieven van het Parlement
14 Het Parlement betoogt dat het Gerecht artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut onjuist heeft uitgelegd en toegepast. Het voert aan dat het Gerecht, door te concluderen dat de op de administratie rustende verplichting tot herplaatsing van een ambtenaar wiens verlof om redenen van persoonlijke aard is afgelopen, van geen enkele andere voorwaarde afhankelijk is dan die van de vacature van een ambt waarvoor die ambtenaar de vereiste geschiktheid bezit (zie punt 36 van het bestreden arrest), zich ten onrechte op een letterlijke uitlegging van de omstreden bepalingen baseert. Uitgaande van deze uitlegging overweegt het Gerecht dat de beoordelingsvrijheid van de betrokken instanties ter zake van herplaatsing alleen de geschiktheid van de betrokken ambtenaar betreft, en zich niet uitstrekt tot de opportuniteit van de herplaatsing. De administratie kan de herplaatsing niet laten afhangen van aanvullende voorwaarden, zoals de door de betrokken ambtenaar getoonde belangstelling of de omstandigheid dat hij geen andere beroepswerkzaamheden uitoefent.
15 Het Parlement betoogt dat het Gerecht met zijn in de punten 36 tot en met 43 van het bestreden arrest gevolgde redenering voorbijgaat aan het doel en de systematiek van de in het geding zijnde bepaling, en dat zijn redenering in strijd is met vaste rechtspraak van het Hof. Volgens het Parlement beroept het Gerecht zich ten onrechte op zijn arrest Giordani/Commissie(2), terwijl het geen acht slaat op het arrest Giry/Commissie(3) van het Hof. Het Parlement acht de beslissing in het arrest Giordani/Commissie in casu niet toepasbaar omdat het feitencomplex in die zaak fundamenteel verschilde van dat in onderhavige zaak. Bovendien is volgens het arrest Giry/Commissie, althans in de opvatting van het Parlement, de administratie die is belast met de eventuele herplaatsing van een ambtenaar, verplicht een onderzoek in stellen naar diens gedrag teneinde na te gaan of hij wel echt herplaatst wil worden. Indien het gedrag van de betrokkene doet twijfelen aan zijn bereidheid zich ter beschikking van zijn dienst te stellen, is de administratie niet gehouden hem te herplaatsen.
16 Het voorgaande in aanmerking nemend, tracht het Parlement vervolgens aan te tonen dat de feiten in deze zaak in wezen vergelijkbaar zijn met die in de zaak Giry/Commissie, wat het Gerecht ertoe had moeten brengen de conclusie van dit arrest toe te passen op de situatie van Bieber. Het Parlement zet uiteen op grond van welke omstandigheden het gedrag van Bieber ernstige twijfel deed rijzen aan diens daadwerkelijke wil om in de dienst te worden herplaatst. Het beroept zich daarbij met name op de volgende, in eerste aanleg reeds naar voren gebrachte elementen: 1) interne nota's van het Parlement, waaruit blijkt dat Bieber zichzelf vrijwillig ter beschikking stelde overeenkomstig artikel 41 van het Statuut; 2) de getuigenissen van de voormalige secretaris-generaal en van het hoofd van de afdeling Personeelszaken van het Parlement, volgens welke Bieber te verstaan gaf dat hij niet bij de gemeenschapsinstellingen wenste terug te keren en zijn universitaire loopbaan wilde voortzetten. Aangezien het Gerecht geen rekening heeft gehouden met deze bewijselementen en geen bewijs door getuigenverhoor heeft gelast, is de procedure voor het Gerecht volgens het Parlement onregelmatig verlopen.
17 Het Parlement verwijt het Gerecht voorts dat het de feiten onjuist en onvolledig heeft beoordeeld, niet alleen door zijn weigering rekening te houden met bovengenoemde bewijselementen, maar ook door niet de juiste conclusies te trekken uit het gedrag van Bieber na zijn herplaatsing (aanhouding van zijn hoogleraarschap aan de universiteit, uitoefening van nevenactiviteiten zonder voorafgaande toestemming van de administratie, gedrag dat de indruk wekte van een onvolledige taakuitoefening, indiening van een verzoek om afvloeiing slechts vier maanden na zijn herplaatsing en, ten slotte, indiening van een verzoek om definitieve beëindiging van zijn werkzaamheden en uitbetaling van zijn pensioenrechten). Voor het Parlement vormen deze aanwijzingen een voldoende bewijs van het ontbreken van een werkelijke wil bij Bieber om bij de administratie te worden herplaatst, en bevestigden zij bij de administratie de indruk die hij het Parlement al had gegeven op het moment van de inwilliging van zijn verlof.
18 Het Parlement is derhalve van mening dat de door het Gerecht in het bestreden arrest genomen beslissing rechtens onjuist is omdat zij eraan voorbijgaat dat op het moment van herplaatsing van een ambtenaar rekening moet worden gehouden met het algemeen belang, dat wordt geschaad indien de administratie verplicht zou zijn een ambtenaar te herplaatsen terwijl er ernstige twijfels bestaan omtrent diens werkelijke wil om bij te dragen aan de taakvervulling van de gemeenschapsinstellingen. Ten slotte beroept het Parlement zich op de algemene beginselen van gemeenschapsrecht inzake niet-contractuele aansprakelijkheid, met name op het beginsel dat de gelaedeerde alle passende maatregelen moet treffen om de omvang van de schade zoveel mogelijk te beperken. Volgens hem had de feitenrechter moeten onderzoeken in hoeverre Biebers eigen gedrag de bij zijn herplaatsing opgetreden vertraging, die ten grondslag ligt aan zijn verzoek om schadevergoeding, had veroorzaakt of vergroot. Met andere woorden, het Gerecht kon zich niet uitspreken over het bestaan of de omvang van de niet-contractuele aansprakelijkheid zonder daarbij het gedrag van degene die om schadevergoeding verzoekt, in aanmerking te nemen. Om die reden meent het Parlement dat het bestreden arrest rechtens onjuist is en dient te worden vernietigd.
ii) Mijn standpunt inzake deze grieven
19 Naar mijn mening is de redenering van het Parlement niet steekhoudend. Zoals ik hierboven al opmerkte, kan het betoog dat het Parlement heeft gevoerd met betrekking tot de feitelijke elementen en bewijzen die ernstige twijfels zouden hebben opgeroepen omtrent de wil van Bieber om in de gemeenschapsadministratie te worden herplaatst, in het kader van de hogere voorziening niet worden getoetst. Een dergelijke toetsing behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de feitenrechter. Deze argumenten zijn in het kader van de hogere voorziening alleen maar aangevoerd ter ondersteuning van het middel inzake een onjuiste uitlegging, door het Gerecht, van artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut. De weigering van het Gerecht om de door het Parlement naar voren gebrachte bewijsmiddelen ter zake van Biebers gebrek aan belangstelling te toetsen, kan immers alleen op een tot vernietiging van het bestreden arrest leidend gebrek duiden wanneer het Hof van mening is dat de punten 36 tot en met 43 van het bestreden arrest zijn gebaseerd op een verkeerd uitgangspunt, te weten dat het bevoegd gezag van het Parlement, alvorens Bieber een vacante betrekking aan te bieden, overeenkomstig het arrest Giry/Commissie verplicht was zich een grondig oordeel te vormen over de werkelijke wil van Bieber om in de administratie te worden herplaatst.
20 Ik ben van mening dat de feitenrechter bij zijn uitlegging van de toepasselijke bepalingen van het Statuut geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Uit de formulering van artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut blijkt dat de beoordelingsvrijheid waarover de administratie beschikt wanneer zij moet oordelen over de herplaatsing van een ambtenaar met verlof om redenen van persoonlijke aard, beperkt is tot de beoordeling in hoeverre deze de vereiste geschiktheid bezit voor het vervullen van het eerste tot zijn categorie of groep behorend en met zijn rang overeenkomend ambt dat na afloop van zijn verlof vacant wordt. Zodra wordt aangenomen dat de betrokken ambtenaar over de voor dat ambt vereiste geschiktheid beschikt, is de administratie verplicht hem dat ambt aan te bieden zonder dat zij zijn daadwerkelijke belangstelling voor dat ambt behoeft te onderzoeken. Indien de ambtenaar niet bereid is het aangeboden ambt te vervullen, heeft hij overeenkomstig artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut het recht dit te weigeren.
21 In het arrest Giry/Commissie, waarop het Parlement zich beroept, ging het overigens om een uitzonderingsgeval: de betrokken ambtenaar had zich beklaagd over zijn tardieve herplaatsing na afloop van zijn verlof om redenen van persoonlijke aard. Hij had nog tijdens zijn verlof een verzoek om definitieve beëindiging van zijn werkzaamheden ingediend en gerechtelijke stappen ondernomen tegen de weigering van de Commissie dit laatste verzoek in te willigen. Hier was dus sprake van een op uitdrukkelijke wijze en met inachtneming van de juiste formaliteiten tot uitdrukking gebrachte wilsverklaring van die ambtenaar om de administratie na afloop van zijn verlof te verlaten, nog voordat er sprake was van zijn eventuele herplaatsing binnen de gemeenschapsadministratie. Zoals het Hof in het arrest Giry/Commissie (punten 6 tot en met 9) terecht heeft aangenomen, kon de nadruk waarmee die ambtenaar om definitieve beëindiging van zijn werkzaamheden verzocht, twijfel doen rijzen omtrent zijn werkelijke wil zich ter beschikking van de Commissie te stellen.
22 Toch zou het gewaagd zijn om, zoals het Parlement vraagt, aan te nemen dat het arrest Giry/Commissie de gemeenschapsinstellingen het recht toekent, aan de hand van om het even welke omstandigheid of aanwijzing een onderzoek in te stellen naar de plannen van ambtenaren met verlof, om erachter te komen of zij wel blijk geven van voldoende belangstelling om binnen de gemeenschapsadministratie te worden herplaatst. Het Parlement lijkt zich op het standpunt te stellen dat, waar het gaat om de beoordeling van de subjectieve wil van een ambtenaar, alle bewijsmiddelen toelaatbaar zijn. Deze opvatting is in flagrante tegenspraak met het principe van inachtneming van de vormvoorschriften, waarvan het Statuut uitgaat, vooral wanneer het gaat om een ambtenaar die beslissingen moet nemen die cruciaal zijn voor het verdere verloop van zijn carrière. Artikel 48 van het Statuut bepaalt niet voor niets dat ontslag op verzoek slechts wordt verleend "indien de ambtenaar schriftelijk de ondubbelzinnige wens te kennen geeft zijn werkzaamheden bij de instelling definitief te beëindigen". Hieruit volgt dat de wens van een ambtenaar om overeenkomstig artikel 41 ter beschikking te worden gesteld of om na afloop van zijn verlof niet te worden herplaatst overeenkomstig artikel 40, niet uit aanwijzingen zoals door de administratie alleen voor intern gebruik opgestelde documenten of getuigenverklaringen van zijn superieuren mag worden afgeleid. Ten slotte kan en mag de gemeenschapsadministratie zichzelf niet omvormen tot een onderzoeksorgaan dat nagaat of er bij ambtenaren met verlof wel sprake is van werkelijke wil, en dat in het verrichten van academische activiteiten tijdens het verlof of in de waarschijnlijkheid dat deze ambtenaren kort na hun herplaatsing om definitieve beëindiging van hun werkzaamheden zullen verzoeken, "aanwijzingen voor vertrek" ziet.
23 Voorts dient te worden benadrukt dat het Parlement zich ten onrechte op het algemeen belang beroept ter rechtvaardiging van de noodzaak zich te vergewissen van Biebers werkelijke wil tot herindiensttreding als voorwaarde voor zijn herplaatsing. In artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut heeft de gemeenschapswetgever duidelijk tot uitdrukking gebracht dat het algemeen belang, waartoe de goede werking van de gemeenschapsadministratie uiteraard behoort, genoegzaam is gediend met het toezicht dat de administratie uitoefent wanneer zij met het oog op herplaatsing van een ambtenaar nagaat of deze de voor dit ambt vereiste geschiktheid bezit. Met een voor de ambtenaar positief oordeel op dit punt is de harmonische werking van de gemeenschapsadministratie verzekerd. Een eventueel gebrek aan belangstelling voor het aangeboden ambt bij de ambtenaar doet hieraan niets af. Dat is trouwens ook de reden waarom het Statuut bepaalt dat, indien de betrokken ambtenaar het hem aangeboden ambt weigert, "(...) hij, onder dezelfde voorwaarde, het recht [behoudt] om bij de tweede vacature te worden herplaatst in een tot zijn categorie of groep behorend ambt"(4). Als de gemeenschapswetgever van mening was geweest dat het feit dat de ambtenaar niet bereid is het eerste hem aangeboden ambt te vervullen, de werking van de gemeenschapsadministratie zou kunnen verstoren, zou hij niet hebben voorzien in de mogelijkheid het eerste aanbod te weigeren.
24 Ik ben het ook niet eens met het door het Parlement aangevoerde argument dat het algemene rechtsbeginsel van niet-contractuele aansprakelijkheid, op grond waarvan de gelaedeerde verplicht is alle gepaste maatregelen te treffen om de omvang van de schade zoveel mogelijk te beperken, het Gerecht verplicht een volledig onderzoek in te stellen naar het gedrag van Bieber teneinde vast te stellen of deze, door geen interesse te tonen voor de hervatting van zijn werkzaamheden na afloop van zijn verlof, zelf de vertraging bij zijn herplaatsing heeft veroorzaakt of vergroot. Ik kom hier nog op terug bij de bespreking van het tweede middel tot nietigverklaring. Vooralsnog volstaan de volgende opmerkingen: het Hof heeft overwogen dat in geval van vertraging bij de herplaatsing van een ambtenaar na het verstrijken van zijn verlof om redenen van persoonlijke aard, die ambtenaar alles in het werk moet stellen om de gevolgen van die vertraging te verminderen. Deze verplichting komt in wezen neer op een verplichting tot bekwame spoed bij het zoeken naar een betrekking buiten de gemeenschapsadministratie(5). Naar mijn mening kan dit arrest niet zo ruim worden geïnterpreteerd dat hier aan de ambtenaar die verlof in de zin van artikel 40 van het Statuut vraagt, indirect de verplichting wordt opgelegd om op eigen initiatief duidelijk te maken dat hij zich na afloop van zijn verlof ter beschikking wil stellen van de administratie. Een dergelijke opvatting zou neerkomen op het stellen van een door de betrokken rechtsregel niet voorziene, extra voorwaarde voor de toepassing van artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut; op grond van die voorwaarde zouden de bevoegde gemeenschapsautoriteiten een ambtenaar wiens verlof ten einde loopt, geen ambt mogen aanbieden voordat deze blijk heeft gegeven van belangstelling voor herplaatsing binnen de administratie. Zoals ik hierboven reeds heb vermeld, volgt uit de bewoordingen van het Statuut duidelijk dat zodra er een ambt vacant is waarvoor deze ambtenaar kan worden opgeroepen, de bevoegde gemeenschapsautoriteiten verplicht zijn hem dit ambt aan te bieden, zonder dat de ambtenaar vooraf door een bepaald gedrag moet laten blijken van zijn intentie zich ter beschikking van deze autoriteiten te stellen.
25 Het eerste middel is dan ook ongegrond en moet worden afgewezen.
b) Het tweede middel
26 Met zijn tweede middel keert het Parlement zich tegen het bestreden arrest voorzover dit betrekking heeft op de vaststelling van de schade die Bieber zegt te hebben geleden, en op de vaststelling van de periode waarover de Commissie gehouden is deze te vergoeden.
i) De tegen het bestreden arrest aangevoerde grieven
27 Het Parlement is van mening dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet naar behoren toepassing te geven aan het fundamentele beginsel dat een rechtssubject dat de schadelijke gevolgen van onrechtmatig gedrag van een gemeenschapsinstelling ondervindt, dient bij te dragen tot beperking van de veroorzaakte schade. Het Parlement betoogt dat de feitenrechter eraan is voorbijgegaan dat het gedrag van Bieber de vertraging bij zijn herplaatsing heeft vergroot, zo niet heeft uitgelokt, en Bieber zou derhalve als enige verantwoordelijk, dan wel medeverantwoordelijk zijn voor de als gevolg van deze vertraging geleden schade.
28 Eigenlijk komt het betoog van het Parlement op het volgende neer: in de eerste plaats is het Gerecht eraan voorbijgegaan dat Bieber in zijn brieven van 21 februari en 21 maart 1995 duidelijk heeft gemaakt, de voorkeur te geven aan herplaatsing na 15 juni 1995; zelfs wanneer wordt aangenomen dat het Parlement in gebreke is gebleven hem op het gewenste tijdstip opnieuw in dienst te nemen, kunnen de gevolgen van deze vertraging pas intreden vanaf het moment dat Bieber zelf als tijdstip voor zijn herindiensttreding had aangegeven. In de tweede plaats keert het Parlement zich tegen het punt in het bestreden arrest waarin het Gerecht overweegt dat de brief van 7 december 1995 (waarbij de secretaris-generaal van het Parlement Bieber liet weten van plan te zijn hem het ambt van afdelingshoofd aan te bieden) niet als eerste "aanbod van een ambt" in de zin van artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut kan worden aangemerkt. Het Parlement voert daartoe vier argumenten aan: in de eerste plaats bevatte de brief van 7 december 1995 een duidelijk aanbod met betrekking tot een bepaald ambt; vervolgens blijkt uit het gedrag van Bieber dat deze die brief als een aanbod van een ambt in de zin van het Statuut beschouwde; voorts wil het feit dat dit aanbod van 7 december 1995 later werd ingetrokken, volgens het Parlement niet zeggen dat Bieber het niet kon aanvaarden en aldus op dat moment de schadelijke gevolgen van zijn tardieve herplaatsing kon beperken; ten slotte voert het Parlement aan dat het Gerecht het argument dat het gedrag van Bieber tijdens zijn onderhoud met de secretaris-generaal van het Parlement op 13 december 1995 de indruk wekte dat hij geen enkele schade ondervond van het uitblijven van herplaatsing op het gewenste tijdstip, niet correct heeft beoordeeld.
ii) Mijn standpunt inzake deze grieven
29 Allereerst herinner ik eraan dat het door het Hof uitgeoefende toezicht op de arresten waarin het Gerecht definitief uitspraak doet op een verzoek om schadevergoeding wegens niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap, beperkt is tot de vraag of in eerste aanleg bij de vaststelling van de niet-contractuele aansprakelijkheid de juiste juridische criteria en elementen zijn gehanteerd. Verder is het niet aan de rechter in hogere voorziening het oordeel van de feitenrechter over de modaliteiten en de omvang van de schadevergoeding opnieuw ter discussie te stellen: deze aspecten behoren tot de feitelijke beoordeling(6). Overigens, "evenals ten aanzien van de feiten, is het Hof in beginsel niet bevoegd om de bewijzen te onderzoeken die het Gerecht tot staving van die feiten in aanmerking heeft genomen. Wanneer de bewijzen regelmatig zijn verkregen en de rechtsregels en algemene rechtsbeginselen inzake de bewijslast en de procedureregels inzake de bewijsvoering zijn gerespecteerd, staat het enkel aan het Gerecht te beoordelen, welke waarde moet worden gehecht aan de hem voorgelegde bewijsmiddelen"(7).
30 In de onderhavige zaak blijkt uit de punten 48 en volgende van het bestreden arrest dat de feitenrechter de voorwaarden voor het aannemen van niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap juist heeft gedefinieerd en de betrokken criteria correct heeft toegepast op de feiten van het door hem te berechten geschil. Ten onrechte verwijt het Parlement het Gerecht dat het bij de bepaling van het juridisch kader waarbinnen het Biebers verzoek om schadevergoeding zou beoordelen, geen rekening heeft gehouden met het arrest Giry/Commissie. Volgens dit arrest(8) dient bij een verzoek om vergoeding van de schade die een ambtenaar heeft geleden als gevolg van vertraging bij zijn herplaatsing na het verstrijken van zijn verlof, te worden onderzocht of het gedrag van deze ambtenaar heeft bijgedragen tot de schade die hij stelt te hebben geleden. Hierboven(9) wees ik er echter reeds op dat de beslissing van het Hof in het arrest Giry/Commissie een uitzonderingsgeval betrof: op het moment waarop herplaatsing zich aandiende, had de betrokken ambtenaar formeel verzocht om definitieve beëindiging van zijn werkzaamheden; deze beslissing is in het geval van Bieber niet bruikbaar en het Gerecht is terecht niet ingegaan op de stelling van het Parlement als zou Bieber door zijn gedrag hebben bijgedragen tot het ontstaan dan wel tot het verergeren van de nadelige situatie waarvoor hij om vergoeding vraagt. De feitenrechter heeft niet buiten beschouwing gelaten - zoals het Parlement lijkt te insinueren - dat in uitzonderlijke gevallen, zoals in dat van het arrest Giry/Commissie, het gedrag van de ambtenaar die om schadevergoeding verzoekt, juridisch van belang kan zijn bij het bepalen van de omvang van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap. Het Gerecht, dat als enige bevoegd is om over de feiten te oordelen, heeft evenwel geoordeeld dat hetgeen het Parlement met betrekking tot Biebers gedrag na het verstrijken van zijn verlof aanvoert, de Gemeenschap niet kan ontslaan van haar civielrechtelijke aansprakelijkheid, en zelfs niet de voor de berekening van de schadevergoeding in aanmerking te nemen termijn kan beperken. Met andere woorden, het Gerecht heeft geenszins blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
31 Bovendien ben ik van mening dat de argumenten van het Parlement die specifiek betrekking hebben op de bij het aannemen van een verplichting tot schadevergoeding in aanmerking te nemen periode, voorzover ze neerkomen op een oordeel over de feiten, deels onttrokken zijn aan het toezicht van de rechter in hogere voorziening.
32 Wat de aanvang van deze periode betreft, is de bepaling van de draagwijdte van de door Bieber op 21 februari en 21 maart 1995 aan het Parlement gezonden brieven een louter feitelijke aangelegenheid, die tot de exclusieve bevoegdheid van de feitenrechter behoort.
33 Bovendien zijn niet alle argumenten van het Parlement inzake de bepaling van de periode waarin het gedrag van de administratie schade veroorzaakte, ontvankelijk. Het Parlement komt op tegen de punten van het bestreden arrest waarin wordt overwogen dat de brief die de secretaris-generaal van het Parlement op 7 december 1995 aan Bieber zond, niet als een aanbod van een ambt in de zin van het Statuut kan worden aangemerkt.
34 De vraag naar de betekenis van de uitdrukking "het hem aangeboden ambt" in artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut is in wezen een rechtsvraag, onderworpen aan het toezicht van de rechter in hogere voorziening. Dienaangaande wijs ik erop, dat het Gerecht in de punten 59 en volgende van het bestreden arrest terecht heeft vastgesteld dat de onduidelijke verklaring van het voornemen van het gezag om de betrokkene in een bepaald ambt te herplaatsen, niet kan worden aangemerkt als een "aanbod van een ambt" dat aan de voorwaarden van het Statuut voldoet, vooral wanneer het betrokken voorstel niet onvoorwaardelijk is.
35 Aangezien het Gerecht de juiste criteria heeft aangelegd ter beantwoording van de vraag of aan Bieber na 7 december 1995 een ambt is aangeboden overeenkomstig de bepalingen van het Statuut, is het bestreden arrest rechtens correct. De feitelijke beoordeling door het Gerecht van de duidelijkheid van de brief van 7 december 1995 en van het belang dat moet worden toegekend aan de overige door het Parlement in eerste aanleg aangevoerde feiten, is onttrokken aan het toezicht van de rechter in hogere voorziening, en de dienaangaande aangevoerde argumenten zijn niet-ontvankelijk en moeten worden afgewezen.
36 Hieruit volgt dat ook het tweede middel in zijn geheel dient te worden afgewezen, aangezien het deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond is.
IV - Conclusie
37 Op grond van wat ik hierboven heb uiteengezet, geef ik het Hof in overweging
1) de hogere voorziening in haar geheel af te wijzen;
2) rekwirant in de kosten te verwijzen.
(1) - T-205/96, JurAmbt. blz. I-A-231 en II-723, hierna: "bestreden arrest".
(2) - Arrest van 1 juli 1993 (T-48/90, Jurispr. blz. II-721).
(3) - Arrest van 27 oktober 1977 (126/75, 34/76 en 92/76, Jurispr. blz. 1937).
(4) - Artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut.
(5) - Arrest van 5 mei 1983, Pizziolo/Commissie (785/79, Jurispr. blz. 1343).
(6) - Arrest van 14 mei 1998, De Nil et Impens (C-259/96 P, Jurispr. blz. I-2915, punten 25-32).
(7) - Arrest van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a. (C-136/92 P, Jurispr. blz. I-1981, punt 66).
(8) - Zie met name de punten 19 en volgende van het arrest Giry/Commissie, reeds aangehaald in noot 3.
(9) - Zie punten 21 en volgende.
Full & Egal Universal Law Academy